De Borgh Asinga tot Ulrum
Afb. boven: In het Marnegebied hebben veel heerlijke rechten toebehoord aan de Borgh Asinga tot Ulrum, waar onder meer de baron Van In en Kniphuisen heer is geweest. De afbeelding dateert uit het jaar 1782.

Wat zijn heerlijkheden?

 

In het boek 'Heerlijkheden in Nederland' wordt een heerlijkheid beschreven als: "een conglomeraat van rechten en plichten die betrekking hebben op het bestuur van een bepaald territorium en die in particuliere handen zijn". Heerlijkheden zijn ontstaan in de Middeleeuwen en hebben in ieder geval bestaan tot het inwerking treden van de Grondwet in 1848, met uitzondering van de periode 1795-1814. Over het wel of niet bestaan van heerlijkheden na 1848 verschillen rechtshistorici van mening.

 

Heerlijkheden zijn zelfstandige gebieden met eigen wetten, bestuurders en rechtspraak. De heer is in het gebied de belangrijkste persoon. Hij bezit de heerlijke rechten om in het gebied wetten uit te vaardigen, bestuurders te benoemen en belastingen te heffen. Ook steden kunnen eigenaar zijn van een heerlijkheid. Vooral in de 16e tot 18e eeuw kopen steden nabijgelegen heerlijkheden, om zo macht te krijgen over het omliggende platteland.

 

Tot 1848 is jurisdictie verhandelbaar en kunnen heerlijkheden of heerlijke rechten worden verkocht, geveild of geschonken. Een heerlijkheid kan ook geërfd worden. Bij een heerlijkheid horen veelal pachtvelden en een burcht/kasteel/borg of landhuis. Niet alle landhuizen zijn overigens in bezit van de heer. Ook hoeft de heer niet op zijn grondgebied te wonen. Als er geen uitoefenbare heerlijke rechten meer zijn, wordt de heerlijkheid opgeheven.

 

Hoge en lage heerlijkheden

Er hebben verschillende heerlijkheden bestaan: hoge, middelbare en lage heerlijkheden. Het verschil wordt gevormd door rechten die er aan verbonden zijn geweest. Hoge heerlijkheden beschikken over het halsrecht: de rechtbank van de heerlijkheid mag de doodstraf opleggen. Het verschil tussen middelbare en lage heerlijkheden is vaag. Vaak wordt er dan ook alleen van hoge en lage heerlijkheden gesproken. De lage heerlijkheden hebben geen halsrecht. Dit is in handen van de Staten. Zware misdrijven waar de doodstraf op staat mogen niet door de schepenbanken (rechtbank van de heerlijkheid) behandeld worden. Deze zaken worden doorverwezen naar het Hof.

 

Heerlijke rechten

Aan iedere heerlijkheid zijn rechten gekoppeld (zie de tabel hieronder). Deze rechten verschillen per heerlijkheid. Na de Bataafse omwenteling in 1795 worden de rechten afgeschaft die uitoefening van bestuursgezag inhouden. Hierdoor vervalt het benoemingsrecht en mag de heer geen bestuurders mee4r benoemen.

 

In 1798 worden nog meer rechten afgeschaft: het visrecht, jachtrecht en windrecht. Omdat de heren hierdoor inkomsten mislopen, wordt er flink geklaagd over de afschaffing. In 1814 worden daarom de heerlijke rechten deels hersteld. De heerlijkheden worden zoveel mogelijk een afzonderlijke gemeente. De heer krijgt het recht om een schout (later burgermeester), gemeenteontvanger en gemeentesecretaris te benoemen. Ook krijgt hij benoemingsrecht voor lagere ambten (schoolmeester, gemeentebode, veldwachter). De jacht- en visrechten worden eveneens hersteld. Bij de grondwet van 1848 worden de heerlijke rechten die betrekking hebben op bestuursgezag definitief afgeschaft.

 

 

Heerlijke rechten die vaak voorkomen zijn:

 

Benoemingsrechten

De heer benoemt de schout of drost, de leden van het gerecht, koster, doodgraver,voorzanger, schoolmeester en de schipper. Tussen 1814 en 1848 bezit de heer het voordrachtsrecht van de schout, secretaris en ontvanger van de gemeente. De heer heeft in die periode ook het benoemingsrecht van functies als nachtwaker, turfsteker en schipper.


Belasting op onroerend goed

Aan iedere heerlijkheid is een cijnshof verbonden. Dit is een instantie die de belastingen registreert en int. Iedere bezitter van grond binnen de heerlijkheid is cijnsplichtig. De hoogte van de belasting is afhankelijk van de oppervlakte van het stuk grond. Cijnsgeld is te vergelijken met hedendaagse onroerend zaak belasting.

 

Pachtgelden

Het recht om pacht te innen voor het gebruik van de landbouwgronden in de heerlijkheid.

 

Tiendrecht (tienden)

Tien procent van de jaarlijkse landbouwopbrengsten moet aan de heerlijkheid worden afgedragen. Het tiendrecht behoort oorspronkelijk aan de kerk en is over gegaan naar de heerlijkheden. In het begin van de 20e eeuw is het recht afgekocht door de overheid en vervolgens afgeschaft.

 

Recht op de dode hand

Belasting op de nalatenschap van een ingezetene, meestal rond de 5 procent van de verkoopwaarde van het onroerend goed. Soms heeft de heer ook het recht om het beste stuk uit de persoonlijke bezittingen te kiezen. Soms is dit recht verbonden aan een heerlijkheid.

 

Tolrecht

Aan de grenzen van de heerlijkheden mag tol geheven worden. Dit kan een wegentol zijn, maar ook een belasting van de doorvoer van specifieke grondstoffen en passage van personen.

 

Banrecht

Ingezetenen zijn verplicht tegen betaling gebruik te maken van bepaalde voorzieningen in een heerlijkheid. De vergoeding van het gebruik van bijvoorbeeld de molen komt deels ten goede aan de heerlijkheid.

 

Windrecht

Het recht om toestemming te geven voor het bouwen van windmolens. Wie het recht bezat mag een vergoeding eisen voor het gebruik van de wind door windmolens.

 

Jachtrecht

Het recht om binnen de heerlijkheid te jagen en deze rechten te verpachten.

 

Visrecht

Het recht om binnen de heerlijkheid te vissen en deze rechten te verpachten.

 

Het recht turf te steken of klei
af te graven

Het recht om de grondstoffen turf en klei te delven.

 

 

Marktrecht

Het recht om binnen een heerlijkheid markten te houden. De organisator van de markt moet toestemming aan de heer vragen en vervolgens marktgeld betalen.

 

Recht van zwanendrift

Het recht om zwanen te vangen en te houden.

 

Recht van eendenkooi

Recht om eenden te vangen en te bejagen door middel van een eendenkooi.

 

Recht van duivenvlucht

Recht om een duiventil te houden.

 

Collatierecht en herenbank

Het recht om een pastoor te benoemen (collatierecht) en het recht van een heer en zijn familie op een bevoorrechtte plaats in de kerk (Herenbank).

 

Grafrecht

Het recht om begraven te worden in de grafkelder in de kerk (meestal op het koor).

 

Recht van aanwas

Het recht om aangeslibde grond in te polderen en als zijn eigendom te beschouwen. Dit recht is bekend in heerlijkheden aan zee of een rivier.

 

 

 

Bronnen/literatuur:
1. C.E.G. ten Houte De Lange M.A., Heerlijkheden in Nederland (Hilversum 2008).

 



Deze pagina maakt deel uit van www.NazatenDeVries.nl

Aan bovenstaande tekst is de uiterste zorgvuldigheid besteed. Desondanks kunnen er best fouten

voorkomen. Constateer je fouten en/of heb je vragen, correcties, aanvullingen...

geef die dan even aan mij door via mijn E-mail adres.


Hoogeveen, 26 mei 2010
© Harm Hillinga

 

Menu Artikelen. HomePage
Top