Een kaart van een gedeelte van Beerta waarop de drie kerken staan vermeld.
Op dit kaartje staan de drie kerken van Beerta aangegeven. Helemaal bovenaan de Bartolomeüs of Hervormde Kerk, ook wel Grote Kerk genoemd. In het midden staan de Doopsgezinde Kerk en de Gereformeerde Kerk. De namen geven enige verwarring aan. De kerk die het dichts bij de Hoofdstraat ligt, is de Gereformeerde Kerk, staat er nog steeds, maar is als zodanig niet meer in gebruik. De kerk die iets maar naar het westen ligt, is de Doopsgezinde Kerk geweest en later de kleuterschool van Beerta. (Bron kaart: HISGIS).

Doopsgezinde kerk
In 1700 wordt aan de Hoofdstraat 167 in Beerta op een verhoogd stuk grond, een Doopsgezinde kerk gebouwd. Vanaf 1869 wordt Beerta een afdeling van de doopsgezinde gemeente Midwolda. Na 1947 wordt de kerk niet meer gebruikt en wordt er een kleuterschool in gehuisvest. In 1960 wordt de kerk in zijn geheel gesloopt(1).

 

 

Mennonieten
Doopsgezinden worden ook wel Mennonieten genoemd. In 1808 is er een request van de kerk der Mennonieten gemeente te Beerta om het kerkpad weer te doen herstellen.

 

De mennonieten of menisten zijn de oudste nog bestaande doperse kerk. Ze zijn genoemd naar de Friese priester Menno Simons, rond 1540. Hij is een katholiek priester geweest die overging tot het anabaptisme. Nadat hij in 1535 opnieuw gedoopt is, geeft hij in 1536 zijn priesterambt op. Daarna wijdt hij zich aan prediken en geschriften. In Nederland worden zij ook wel doopsgezinden genoemd.

 

De mennonieten streven naar een geweldloze wereld. De kenmerken van deze beweging zijn de totale scheiding van kerk en staat, de afwijzing van de kinderdoop, het weigeren van de eed en de persoonlijke belijdenis van mondige mensen, in plaats van het onderschrijven van de door de kerk vastgelegde teksten. De doperse non-conformistische uitgangspunten roepen veel weerstand op. In de 16e eeuw worden de dopers te vuur en te zwaard vervolgd. In die tijd zijn in Nederland zo'n tweeduizend dopers om hun overtuiging omgebracht. Nog steeds gelden bij Doopsgezinden de uitgangspunten van persoonlijke verantwoordelijkheid van ieder lid of vriend van de gemeente. Doopsgezinden kennen geen ambtsdragers. De predikanten worden beschouwd als gewoon lid van de gemeente te midden van alle anderen. Respect voor elkaar en voor elkaars mening is normaal en ook betrokkenheid op elkaar en in de wereld, zonder dat dit tot beklemming leidt: er zijn geen meerderen en geen minderen. Een ander adagium luidt: niet moeten, maar mogen (02).

 

De volgelingen van deze religieuze stroming hebben zich, dikwijls om te ontkomen aan vervolging, over een groot gedeelte van de wereld verspreid. Men vlucht liever weg van hun thuis dan dat ze de wapens oppakken om zich te verdedigen. Wereldwijd zijn er nu (begin 21e eeuw) circa 1,5 miljoen mennonieten (03)

 

 

Historisch overzicht

De doopsgezinde gemeenten Meeden, Midwolda en Beerta zijn ontstaan uit migratie in het begin van de 17e eeuw. Door het ontbreken van archivalia van de eigen gemeenten en de aanverwante sociëteit(en) is er nauwelijks iets bekend over het gemeenteleven van de vroegste jaren van hun bestaan.

 

Verborgen sporen van doopsgezinden , aanwezig in de Oud-rechterlijke archieven in Oldambt, geven enige nadere informatie. Toch blijft het moeilijk om een verband te leggen tussen de Doopsgezinden in Beerta, Meeden en Midwolda en die van de verdwenen doopsgezinde gemeenten in het Klei Oldambt. Ook de organisatie structuur van de periode 1620 - 1710 is niet duidelijk. Zijn er nu drie zelfstandige gemeenten of is het één gemeente.

 

De Doopsgezinde kerk te Beerta.
Dit is een oude foto van de Doopsgezinde kerk, de latere kleuterschoolm die in 1960 wordt gesloopt. (Foto: eigen verzameling. De foto is vóór 1960 gemaakt).

 

Uitgaande van de aantekeningen van de "Oudste" Tiete Popkes van 1733, is er in 1710 één gemeente. Deze heeft drie 'vermaningen' (kerkgebouwen) in de dorpen Beerta, Meeden en Midwolda (Old). De vermaningen zijn omstreeks 1700 gebouwd in de plaatsen Beerta (1700-1730), Meeden (1698) en Midwolda (Old.) (vóór 1730) . De leiding van de gemeente(n) berust(en) in de periode 1710 - 1780 bij 2 of 3 leraren d.w.z. "vermaners" en twee diakenen. De vermaner Hijndrik Walles, van beroep landbouwer en tichelaar, wonende op de Goldhorn onder Finsterwolde is tot nu de vroegste vermelding. Hij trouwt ca. 1620 met Bouwe Harckens. Hij overlijdt vóór 20 september 1665. De gemeenten Beerta, Meeden en Midwolda besluiten in 1756 tot het stichten van "Het vonst der predikantentraktementen der Mennoniten gemeinte van de Beerta, Mieden en Midwolda". Uit dit fonds worden de vermaners en later de predikanten betaald. De oude leraren Egberts Jannes (± 1778) en Claas Rempts (±1788) kunnen het werk niet meer aan. Er zijn binnen de gemeente geen opvolgers te vinden, zo wordt in 1779 Jan Jans van Calker (Kalker) buitenaf beroepen. Deze wordt in 1779 per preekbeurt betaald en mei 1780 wordt dit omgezet in een vaste vergoeding van 62 gulden en 10 stuivers per kwartaal. Jan van Calker vertrekt in 1783 naar Neustadt-Gödens.

Bij de beroeping van Ynto Nauta van de gemeente Ulrum-Houwerzijl wordt de vergoeding (traktement) verhoogd naar ƒ 300,-- per jaar. Geleidelijk wordt het kapitaal van het fonds door nieuwe liefdegaven verhoogd. In 1869 leidt deze financiële samenwerking tot een fusie. De gefuseerde gemeente wordt genoemd: "Midwolda c.a.". De oorspronkelijke gemeenten worden echter als afdeling voortgezet.

 

Omstreeks 1871 wonen er 56 doopsgezinden in Winschoten. Ze nodigen de predikant van de gemeente Midwolda c.a. uit om eens in de drie weken te komen preken. De dienst wordt gehouden op zondagmiddag in de Lutherse kerk. Op 8 april 1885 zijn er plannen om te komen tot de vorming van een zelfstandige gemeente . Een jaar later zijn de plannen gewijzigd. De Doopsgezinden uit Winschoten hebben zich als vierde afdeling aangesloten bij de Doopgezinde gemeente Midwolda c.a.
Het reglement van 24 mei 1887 bepaalt dat het bestuur van de Doopsgezinde gemeente Midwolda c.a bestaat uit vijf mannelijke leden:

1. predikant: voorzitter,

2. penningmeester-boekhouder: vice-voorzitter,

3. drie leden: effectenbewaarder, pastorie-voogd en secretaris.

 

Onder het centrale bestuur ressorteert de afdelingen Meeden, Midwolda, Beerta en Winschoten. Over het geestelijk leven van de afdelingen wordt 1892/93 nog meegedeeld: Meeden is zwak, in Midwolda heerst de dood, die van Beerta en Winschoten zijn levendig.

 

Pastorie en de vermaning (kerkgebouw) te Midwolda worden resp. in 1891 en 1893 verkocht. De predikanten wonen hierna te Winschoten. Na 1920 loopt ook de afdeling Beerta sterk in aantal leden terug. In 1947 wordt besloten de kerk te verkopen en de afdeling Beerta op te heffen. De afdelingenstructuur in de organisatie geeftf zeer vele competentiegeschillen. Ze wordt in 1960 met veel moeite opgeheven.

 

Met ingang van 1 januari 1961 wordt de naam van de gemeente officieel: "Midwolda ca., gevestigd te Winschoten". De gemeente fuseert op 20 augustus 1989 met Stadskanaal en wordt voortgezet onder de naam: "Doopsgezinde gemeente Oost-Groningen". Op regionaal niveau zijn de gemeente(n) Beerta-Meeden-Midwolda lid van de Sociëteit der Groninger Oude Vlamingen. Ze zijn aanwezig bij de laatste vergadering van de Sociëteit, die in 1815 gehouden wordt.

 

In 1826 gaan de gemeente(n) Beerta-Meeden-Midwolda in op het voorstel van ds. G. Bakker om te komen tot één sociëteit van doopsgezinde gemeenten in Groningen. Ze neemt deel aan de oprichtingsvergadering op 16 september 1825 en wordt meteen lid. In 1950 wordt deze sociëteit genoemd: Sociëteit van doopsgezinde gemeenten in Groningen, Drenthe en Oost-Friesland (afgekort GDS). Op landelijke niveau wordt de gemeente Midwolda ca. in 1921 officieel lid van de Algemeene Doopsgezinde Sociëteit (ADS) te Amsterdam (04).

 

Harm Hillinga op een paard van een draaimolen bij de kleuterschool in 1953. Harm Hillinga bij de kleuterschool in het voorjaar van 1954.
Deze twee foto's zijn genomen bij de voormalige kleuterschool, voorheen de Doopsgezinde Kerk. Elk jaar komt er een fotograaf langs om de kinderen op de foto te zetten. Hier heeft hij een paard van een draaimolen meegenomen. Op de achtergrond zien we de Hoofdstraat van Beerta. Foto: ©eigen verzameling. In de kleuterschool brandt in de winter een kolenkacheltje dat op het zuiden staat. De geheel betegelde vloer en grote kale ruimte zorgen ervoor dat het kacheltje het in de winter niet warm kan krijgen en we vaak met de jas aan binnen zitten te luisteren naar de verhalen van juf Manna van der Laan, aan het vlechten zijn. Het jongetje op de foto is de schrijver van dit artikel. De foto links is genomen in het voorjaar van 1953 en de foto rechts in het voorjaar van 1954 (ik ben in die tijd een zgn 'late leerling'). Foto: ©eigen verzameling.

 

 

Geschiedenis van het archief en de verantwoording van de inventaris

Menno Simons, de oprichter van de Doopsgezinde Kerk.
Menno Simons (circa 1496 - 31 jan. 1561), de oprichter van de Doopsgezinde Kerk. Foto: Wikipedia.

De archiefbescheiden van de doopsgezinde gemeente Midwolda c.a. (Beerta-Meeden-Midwolda) zijn slechts voor een deel bewaard gebleven. In 1891 wordt er reeds gevraagd naar de originele lijst van namen, die gelden hebben gestort in het pastoriefonds . In 1923 vraagt de secretaris aan de bestuursvergadering toestemming om de verwaarloosde archieven te mogen ordenen. Ook komt ter sprake dat er nog archiefbescheiden berusten bij diverse afgetreden kerkeraadsleden. Zo ontbreekt het archief van het "pastoriefonds" na 1895.

De secretaris heeft in 1924 een nummering aangebracht op de archiefbescheiden die bij hem in beheer zijn geweest. Alle stukken zijn genummerd van 1 - 700, daarna is de nummering voortgezet tot 978. Ze wordt bijgehouden tot januari 1939. Het is een chronologische opsomming, van enige systematiek is geen sprake.

In 1950 worden archiefbescheiden (aanwinstnr. 13) overgedragen aan het Rijksarchief in Groningen. Daarna volgen aanvullingen in de jaren 1961 (aanwinstnr. 10), 1991 (aanwinstnr. 9), 1993 (aanwinstnr. 7), 1998 (aanwinstnr. 43), 1999 (aanwinstnr. 79, inv.nr. 159). In 2003 worden nog toegevoegd vijftien stukken, die worden aangetroffen bij aanwinst 2003/23, verkregen van de doopsgezinde gemeente Sappemeer-Noordbroek.

De overgedragen archiefbescheiden zijn geordend, geschoond en geïnventariseerd in 1997 - 2006. Bij de inventarisatie is gebruik gemaakt van de richtlijnen voor het beheer van de archieven van de Doopsgezinde Broederschap in Nederland, uitgegeven in 1988 door de Commissie tot de Archieven van de Algemene Doopsgezinde Societeit (ADS) te Amsterdam. De omvang bedraagt 2,30 meter (04).

 

Lijsten van oudsten, vermaners, leraren en predikanten

 

Oudsten:

Hicke Honnes, oudste [vanaf 1653], landbouwer op de Meeden, overleden ca. 1655. Amme Hickens, landbouwer op de Meeden, overleden ca. 1706.

Harcko Hindirckx, oudste [?], landbouwer te Beerta en Nieuw Beerta, overleden 3 mei 1759 (04).

 

Vermaners:

* Goerdt Peter, landbouwer te Leer, na 1650 te Nieuw Beerta, trouwde ca. 1615 met Ytjen Joests, overleden ca. 1664.

* Hindrick Walles, landbouwer en tichelaar op de Goldhoorn te Finsterwolde, trouwde ca. 1620 met Bouwe Harckens, overleden vóór 20 september 1665.

* Alle Pieters, [schoenmaker?] op de Meeden, trouwde ca. 1630 met Brechte Folkers, overleden 1 juli 1641.

* Nantko Ottens, trouwde vóór 1632. Roeleff Hessels, landbouwer op de Meeden, trouwde in 1632 met Anna Wrijtzers, overleden ca. 1639.

* Luie Peter, sluizenbouwer en landbouwer op Beersterhogen, trouwde ca. 1640 en in 1657 met Gerteen Saspers.

* Hindrik Everts, landbouwer op de Meeden, trouwde in 1642 met Anne Wrijtzers, in 1681 met Gretije Mertens, overleden ca. 1691.

* Harkco Hessels, op de Meeden, vanaf 1652 in de Beerta, trouwde in 1647 met Corneliske Hindrix, overleden ca. 1654.

* Wijpko Hommes, landbouwer in Midwolda, trouwde in 1656 met Dewer Goerdts, overleed ca. 1678.

* Honno Ammes, koopman en landbouwer op de Meeden, trouwde in 1703 Anije Olferts, overleden vóór 30 juli 1730.

* Fiepko Harms, geboren 1690, landbouwer in de Beerta, trouwde in 1715 met Tetje Juikes en in 1735 met Eje Jurriens, verkozen 1725 tot leraar, [1756], overleden 3 mei 1759.

* Doe Uncknes, koopman in de Beerta, Meeden, Midwolda, Veendam en Wildervank, trouwde in 1720 met Aaltijn Sijpkes, in 1727 met Bouwe Piters, overleden 25 april 1743.

* Claas Rempts, verkozen 1733, koopman te Beerta, trouwde in 1722 met Iktje Lulefs, overleden 3 november 1744 te Beerta

* Egbert Jannes, landbouwer op de Meeden, trouwde met Lamke Honnes, verkozen 1745, [1756], overleden 27 april 1778.

* Jan Eltjes, landbouwer in de Beerta, trouwde in 1737 met Harmke Jacobs, verkozen 1745, [1756], overleden in 1788 (04).

 

De Gereformeerde Kerk aan de Hoofstraat van Beerta staat er nog steeds, maar is niet meer als zodanig in gebruik. Foto: ©Eigen verzameling
Dezelfde kerk, maar nu de voorzijde daarvan.
De Gereformeerde Kerk aan de Hoofstraat van Beerta staat er nog steeds, maar is niet meer als zodanig in gebruik. Foto: ©Eigen verzameling. De foto is van een onbekend jaar. Dezelfde kerk, maar nu de voorzijde daarvan.
Foto: ©Eigen verzameling. De foto is van een onbekend jaar.

 

 

Leraren en predikanten beroepen door de drie gemeenten

* Jan Jans van Calcar (Kalker), 1779 - 1783, vertrokken naar Neustad-Gödens [vóór 3 juni 1783] , overleden op 14 februari 1834 te Nijehaske.

* Ynto Nauta, geboren te Leeuwarden, opgeleid als hervormd predikant, werd in oktober 1775 ontslagen ivm. "wederdopen", in 1779 genoemd als leraar, vermaner te Ulrum-Houwerzijl, in 1783 beroepen in de gemeente(n) Beerta, Mieden en Midwolda, overleden in het voorjaar 1792 te Midwolda (Oldambt).

* Taco Esges Kuiper, (opgeleid tot leraar aan de Kweekschool der Lamisten te Amsterdam, 1784-1789), gekomen van Neustadgödens, intrededienst in 1804, vertrokken naar Blokzijl in oktober 1807, overleden op 7 september 1813 te Blokzijl (Ov.)

* Sjoerd Ebels Wieling, (opgeleid tot leraar aan de Kweekschool der Lamisten te Amsterdam), gekomen van Oldeboorn (Nieuwe Huis), intrededienst in 1808, vertrokken naar Zaandam-Oost, overleden op 23 september 1835 te Zaandam.

* Jan Frederik Boersema, 1815 proponent, gekomen van Pieterzijl, mei 1826 - 1866, met emeritaat in augustus 1866 en overleden 11 december 1866 te Beerta.

* Jacob Oosterbaan, 1860 proponent, gekomen van Pieterzijl, intrededienst 16 december 1866, afscheidsdienst 4 februari 1871, overleden 22 juli 1872 te Midwolda (Oldambt) Jan Fopko Bakker, 1868 proponent, gekomen van Zuid-Zijpe (NH.), intrededienst 26 oktober 1873, afscheidsdienst 20 juni 1875, vertrokken naar Middelstum, overleden 5 februari 1911 te Alkmaar.

* Arnold Hermansz ten Cate, 1857 proponent, gekomen van Dantumawoude, 1877, op 19 maart 1883 vertrokken naar Warns (Fr.), emeritus in 1899, overleden 30 november 1920 te Leeuwarden. vacature: 1883 - 1893.

* Johannes Aeschynus Wartena, geboren 1569 in Idaardeadeel (akte nr. 208, Winschoten, 18-11-1943), gehuwd met Ruurdtje Buma, 1893 proponent, intrededienst 12 november 1893, afscheidsdienst 27 januari 1901, afscheid genomen van de gemeente in verband met zijn benoeming tot arrondissementsschoolopziener en tevens rector gymnasium te Winschoten, overleden 18 november 1943 te Winschoten (akte.nr. 208).

* Fokko Dijkema, 1900 proponent, intrededienst 15 december 1901, afscheidsdienst 12 februari 1905, vertrokken naar Hilversum, overleden op 3 maart 1944 te Amsterdam.

* Jan Hendrik van Giessen jr., 1899 proponent, gekomen van Noordbroek, intrededienst 11 november 1906, afscheidsdienst 28 maart 1921, vertrokken naar de combinatie van de gemeente Oost- en West Graftdijk en Noordeind van Graft.

vacature: 1921 - 1930.

* Cornelis Vis Jzn., 1909 proponent, gekomen van Kampen, intrededienst 19 oktober 1930 - met emeritaat 8 januari 1939, overleden 18 september 1952 te Winschoten.

* André du Croix, 1936 proponent, gekomen van Ylst, intrededienst 7 mei 1939 - 14 mei 1944 gearresteerd door de Duitse bezetter, 10 maart 1945 overleden in het concentratiekamp te Bergen Belsen, Duitsland.

 

Andre du Croix. Foto van boekomslag over het leven van deze dominiee.
André du Croix
Andre du Croix wordt geboren op 13 oktober 1910 in Amsterdam, studeert theologie aan de Universiteit van Amsterdam en de Doopsgezinde Seminarie in dezelfde plaats. Hij wordt een ministeriële kandidaat in 1936. Hij krijgt op 26 juni 1936 een aanstelling als proponent bij de ADS. In november van dat jaar wordt hij beroepen bij de Doopgsgezinde gemeente in IJlst (1936-1939) en drie jaar later, op 7 mei 1939 gaat hij met zijn vrouw Tine Boersma, waarmee hij in 1937 is gehuwd, naar Winschoten (1939-1945). Mensen die hem goed gekend hebben, vinden hem sprankelend, geestig en sympathiek. Daarnaast heeft hij veel hobby´s. Zo bouwt hij voor zijn zoon een spoorwegemplacement en weet hij alles af van onze marineschepen (05).
Du Croix weet, als de oorlog uitbreekt onmiddellijk aan welke kant hij moet staan. Hij begrijpt dat ons land een moeilijke tijd tegemoet gaat. In een van zijn preken waarschuwt hij zijn gemeenteleden: ´ Vertrouw op den Geest van Christus in de ure dat gij voor grote beslissingen in uw leven staat! Denkt niet: ik rol er wel door, het loopt zo´n vaart niet. Want het woord van de Prins van Oranje tot den graaf van Egmont: heden ik, morgen gij, geldt ook voor deze tijd. Geen gezin wordt gespaard, of wij rijk zijn of arm, jong of oud, arbeider met de hand of met hoofd. Doch bedenk daarbij, dat gij uw handelingen bepaalt naar den Geest van liefde, zachtmoedigheid, vrede in eerste en in laatste instantie. Bluscht den Geest niet uit´. Later gaat hij zijn boodschappen nog openlijker verkondigen en persoonlijk zet hij zich in om zijn medemens te helpen, daar waar dat mogelijk is. Hij zorgt bijvoorbeeld voor bonkaarten en schuiladressen voor onderduikers, hoewel hij daarbij het gebruik van geweld als doopsgezinde verre van zich houdt. Hij roept de mensen openlijk op, geestelijk weerbaar te blijven (04). Op het moment van de bezetting van de Nederland door de Duitse nationaal-socialisten is Andre du Croix tevens district leider van de Nederlandsche Unie (de Nederlandse Unie, een organisatie die probeert om de germanisering van de Nederland te voorkomen), en wanneer deze organisatie wordt verboden door de bezetter, zet hij zijn werk in het geheim voort (05).
Samen met anderen richt hij een geheime organisatie op om moord en wraak te voorkomen op Duitsers als de tijd zou komen voor hen om terug te keren naar hun land van herkomst (06).
Door het illegale werk wordt hij gearresteerd in januari 1944 op de avond tijdens het uitvoeren van een catechismus klasse, maar wordt na een paar dagen weer vrijgelaten. In de nacht van 14 op 15 mei 1944 wordt hij opnieuw gevangen genomen, vlak nadat hij op Goede Vrijdag en Pasen het Avondmaal en de doop heeft bediend. De Nazi's brengen hem van de ene gevangenis naar de andere (Groningen, Amersfoort, Vught) en op 6 september 1944 samen met vele anderen brengt men hem naar Duitsland, waar hij veel leed moet verdragen. Tijdens zijn gevangenschap hoort hij van de geboorte van zijn derde kindje. Daarnaast blijven André´s gedachten ook uitgaan naar het gemeentewerk. Zo schrijft hij zijn vrouw: "Hoe gaat het met de Gemeente? Alles moet zoveel mogelijk voortgang hebben. Zeg aan de broeders, dat ik veel met hen bid. Mogen zij het ook met mij doen. Want er is een gemeenschap des geestes die alle afstand overbrugt (05)." Op grond van zijn moed, trouw, zijn liefde en zijn vaste geloof, is hij in staat een steun te zijn voor velen in de gevangenissen en de concentratiekampen. De zekerheid dat Christus overwinnaar blijft, geeft hem kracht, en in zijn religieuze leven blijft het kruis van Christus een steeds grotere plaats innemen. Als André dagelijks mensen ziet sterven of ziet dat ze worden terecht gestleld, bereidt hij zich voor "om van de Heer verlossing te verwachten van de zonde en de vergeving van de menselijke schuld, en op deze manier in het licht van de eeuwige Gods genade te vragen, ervan uitgaande dat kracht, kracht brengt in het lichaam dat nog steeds op deze aarde is, maar geestelijk al levend in de werkelijkheid waarin tijd en ruimte niet meer bestaan​​"( Mesdag ) (06). Du Croix wordt op 9 febr. 1945 naar Bergen-Belsen overgebracht. Deze martelaar van onze eigen tijd sterft op 10 maart 1945 in de beruchte kamp van Bergen-Belsen, door de daar heersende zeer slechte hygiënische omstandigheden. Hij bezwijkt, sterk verzwakt, aan de zo gevreesde vlektyfus. Een ooggetuige die de laatste dagen naast hem ligt, heeft later verteld dat ds. Du Croix de bereidheid heeft getoond om dankbaar en dapper te gaan, wanneer de Heer hem in Zijn nabijheid zou roepen (05).
Te zijner nagedachtenis wordr kort na de oorlog in de Doopsgezinde kerk in Winschoten een gebrandschilderd gedenkraam aangebracht, waarop het kruis staat afgebeeld. Later is het raam verplaatst naar de Doopsgezinde kerk in Stadskanaal. Ds. Yetsenga schenkt aan het einde van de door hem geleide dienst, die o.a. wordt bijgewoond door de eerste dopelingen van ds. Du Croix uit IJlst en Winschoten, aandacht aan dit gedenkteken. De plechtige dienst wordt stijlvol afgesloten met het zingen van gezang 411: 6: In de kerk wordt gezongen door de familie Du Croix 'Mijn schild ende betrouwen zijt Gij, o God mijn Heer! Op U zo wil ik bouwen, verlaat mij nimmer meer! Dat ik toch vroom mag blijven, uw dienaar 't aller stond, de tirannie verdrijven die mij mijn hart doorwondt' (05). (07).

 

 

* Reint Johannes Faber, 1940 proponent, gekomen van Surhuisterveen, intrededienst 17 maart 1946, afscheidsdienst 17 juni 1951, vertrokken naar Apeldoorn.

* Johannes Hendrik Rawie, 1942 proponent, gekomen uit Nederlands-Indië als legerpredikant, beroepen 13 mei 1953, intrededienst 4 oktober 1953, laatste dienst op 22 januari 1961 wegens neerlegging van zijn bediening in verband met keuze voor een baan in het onderwijs.

Johannes Hendrik Rawie
Johannes Hendrik Rawie, heb ik goed gekend. Ten tijde van mijn studie aan de kweekschool in Winschoten is hij daar een belezen leraar KCML (Kennis van het Cultureel en Maatschappelijk Leven). Hij vertelt in die tijd weinig over het studieboek dat we eigenlijk moeten kennen, maar vertelt daarentegen vol geestdrift over personen, volken en gebruiken. Ook besteedt hij veel aandacht aan de filosoof Teillard du Jardin. Rawie kan vertellen als geen ander en soms heeft hij een boek in zijn handen, een afbeelding of een voorwerp. Hij gaat dan zo diep op het onderwerp in dat het soms lijkt alsof je er in opgaat. Toch heb ik zelf weinig van hem geleerd en ik denk velen met met mij. Hij staat het toe dat tijdens zijn lessen de meisjes zitten te breien en maalt er niet om als er eens een student in slaap valt. Het is ook de les waarbij sommige studenten wel eens afwezig blijven, maar het is niet Rawie die daar een opmerking over maakt, maar directeur M. de Weger die door de gang loopt en even naar binnen 'loert'. Soms word je dan door hem in zijn kamer geroepen en spreekt hij je toe 'dat dit na één keer met de mantel der liefde bedekt zal worden, maar dat bij herhaling verwijdering van school zal volgen'.

De zoon van Rawie is de bekende dichter Jean Pierre Rawie, (oorspronkelijk: Jan Pieter) Rawie (Scheveningen, 20 april 1951) is een groot Nederlands dichter en vertaler. Behalve als dichter staat hij ook bekend als auteur van toneelwerk en proza. Rawie wordt geboren te Scheveningen. Drie jaar na zijn geboorte, in 1954, verhuist het gezin Rawie naar Winschoten. In 1970 verhuist Jean Pierre naar de stad Groningen om daar talenstudies te gaan volgen. In 1975 wordt hij medewerker van het tijdschrift De nieuwe Clercke, onder het pseudoniem Albert Zondervan dat hij deelt met Driek van Wissen. Jean Pierre schrijft nog steeds. In 2008 ontvangt hij de Charlotte Köhler Prijs (€ 18.000). Hij is vooral bekend geworden in 1979 met 'Het meisje en de dood'. In 2012 verschijnt van hem 'De tijd vliegt, maar de dagen gaan te traag'.

 

* vacature: 1961 - 1965.

* Johannes Hendrikus Hylkema, 1949 proponent, gekomen van Ternaard, intrededienst 12 november 1965 tevens beroepen als predikant te Assen en te Pekela, afscheidsdienst 11 augustus 1974, vertrokken naar de combinatie Assen-Roden, overleden 21 februari 2001 te Hoofddorp (NH).

* Leo Laurense, 1949 proponent, gekomen van Delft, intrededienst 18 augustus 1974, eveneens predikant te Sappemeer/Noordbroek, afscheidsdienst 7 januari 1979, vertrokken naar Zutphen-Winterswijk, overleden op 19 november 1998 te Zutphen da.

* Molly de Winter, 1984 proponent, beroepen in het samenwerkingsverband van de gemeenten Sappemeer-Noordbroek, Winschoten, Veendam, intrededienst 10 mei 1981 en Stadskanaal, intrededienst 17 mei 1981, afscheidsdienst 27 november 1988 (wegens vervroegd emeritaat) (04).


 

Gereformeerde kerk
Even ten zuidoosten van de Doopsgezinde kerk staat nog steeds de eerste en enige Gereformeerde kerk van Beerta. Deze kerk is al lang niet meer als zodanig in gebruik. Het gebouw staat met de zuidzijde naar de Hoofdstraat gericht en ligt enigszins verborgen achter een nieuwe woning met als huisnummer 185. Over deze kerk is momenteel nog maar heel weinig bekend.
Het verbouwde kerkje is nu eigendom van Ettie Werkman, weduwe van Lammert Korthuis. Lammert heeft het kerkje verbouwd tot opslagplaats, compleet met grote deur. Lammert is in Beerta ook bekend geworden als 'Johnny Ascona' en is een volle neef van Sinie Pals-Wesselink, gehuwd met mijn neef Arie Wesselink (08).

De voormalige Gereformeerde kerk aan de Hoofdstraat te Beerta. Foto: Harm Hillinga, 2 dec. 2012.
Zo ziet tegenwoordig de voormalige Gereformeerde Kerk aan de Hoofdstraat, achter de woning met huisnummer 167 er uit. De kerk is opgeknapt en wordt gebruikt als schuurruimte. Foto: ©Harm Hillinga, 18 nov. 2012.

 

Noten, bronnen, literatuur:
01. RHC Groningen, Doopsgezinde gemeenten Beerta, Meeden en Midwolda, 1756-1989. Datering 1808. Nr. 970, 7.
02. Doopsgezind Nederland, www.doopsgezind.nl.
03. Wikipedia.
04. RHC Groningen, Doopsgezinde gemeenten Beerta, Meeden en Midwolda, 1756-1989. Datering 1808. Nr. 970, 7.

05. Herdenkingsdienst aan Andre du Croix, Stadskanaal 20 maart 2005. Naar een artikel in het 'ADW' en de 'Eenheid' door Bart Smits.
06. Global Anabaptist Mennonite Encyclopedia Online, met toestemming van de Herald Press, Harrisonburg, Verginia en Waterloo, uit de Mennonite Encyclopedia, Vol. 1, pag. 741-742, aldaar geplaatst.
07. Zijn zoon, André J. du Croix, heeft over Ds. Du Croix een boek geschreven: 'Kroniek van het leven van Ds. André du Croix. 1910-1945'.
08. Johan Wesselink, zoon van Arie en Sinie Wesselink, 21 dec. 2012.

 

 

 

Aan bovenstaande tekst is de uiterste zorgvuldigheid besteed. Desondanks kunnen er best fouten voorkomen.
Constateer je fouten en/of heb je vragen, correcties, aanvullingen...geef die dan even aan mij door via mijn E-mail adres.
Laat ook eens een bericht achter in het Gastenboek.

 

Hoogeveen, 7 dec. 2012.
Verhaal: © Harm Hillinga
.

Menu Artikelen.
Terug naar de HomePage.
Top