Over 'bogen' in de kerk
De oudste poortjes in onze Groninger kerken hebben alleen een Romaanse rondboog (Oldeberkoop) of binnen een Romaanse rondboognis met een rondbogige opening (de noorddeuren in Janum en Wetsens). In Vries is boven de ingang een Normandische zig-zag versiering aangebracht. De Gotiek brengt een spitsboognis met daarin een opening, hetzij gedekt door een segmentboog (Janum), hetzij door een korfboog (Finkum). Soms is de boog boven de opening gemaakt in de vorm van een klaverblad (Morra). De ruimte tussen opening en nis boog leent zich goed voor versiering, die nu nog slechts sporadisch voorkomt. Te Kimswerd bevindt zich boven de noordingang een timpaan van rode zandsteen uit de 13e eeuw, versierd met een kop waarvan ranken uitgaan. Waarschijnlijk heeft ook de afgebroken kerk te Wierum een timpaan gekend. Te Finkum en Hoorn is de ruimte rechthoekig gehouden en opgevuld met evenwijdige rechthoeken. Verder komt versiering met bakstenen maskerkopjes en figuren voor, zoals dat in ’t Zandt het geval is. In de middeleeuwen is het niet ongebruikelijk boven de ingang het beeld van een heilige te plaatsen en bij verschillende kerken treft men het nisje voor het heiligenbeeld nog aan zoals te Bolsward, Kollumerzwaag en Weidum(2).


xx
Afb. boven: een schematische plattegrond van een oorspronkelijke middeleeuwse kerk in het
noorden van ons land met de belangrijkste onderdelen(2).


Bij veel kerken vindt men zowel aan zuid- als noordzijde een ingang, meestal in de westelijke helft en vaak tegenover elkaar. In de tijd dat het gebruik van twee deuren in onbruik raakt, heeft men dikwijls één dichtgemetseld. Meestal is dat de noordelijke geworden. Het zijn nu met name deze dichtgemetselde ingangen aan de noordzijde die in de volksmond nog steeds 'noormannenpoortjes' heten. Volgens de legende zouden de Noormannen de Friezen gedwongen hebben deze lage poortjes te bouwen opdat zij bij het binnengaan zouden bukken voor de Noorman.

 

De ware oorzaak
De ware oorzaak, dat deze poortjes laag zijn is echter, dat het kerkhof in de loop der eeuwen door voortdurend gebruik steeds hoger is komen te liggen en aangezien er ook vlak voor de gedichte opening begraven werd, lijken deze deuren inderdaad klein, hoewel ze dat in werkelijkheid niet zijn (2). Dit blijkt duidelijk wanneer bij restauraties het kerkhof verlaagd wordt om de juiste hoogte van de kerk terug te krijgen. Een en ander is bij de vele restauraties van de Groninger kerkjes overduidelijk gebleken. De hoogte van de deur lijkt na een restauratie maar betrekkelijk hoger te zijn geworden. Bedenk echter dat in die tijd de mensen beduidend kleiner waren dan tegenwoordig het geval is. Maar bovendien kan de legende niet op waarheid berusten om het simpele feit dat de laatste inval van de Noormannen in het noorden plaats heeft gevonden in het begin van de 11e eeuw en al onze kerken van latere tijd dateren. Het zou wel vreemd zijn, wanneer na het vertrek van de Noormannen dit gebruik nog gehandhaafd was. A. Lang(1) vermoedt dat een legende over huisdeuren later overgegaan is op de kerkdeuren. Dezelfde auteur meent in het plaatsen van twee ingangen tegenover elkaar een bouwwijze van Angelsaksische oorsprong te zien die door missionarissen naar onze streken is gebracht. In Engeland zijn ze ook voor gekomen bij de voorchristelijke Germaanse gebouwen en juist daar is veel voorchristelijk erfgoed gekerstend. Buiten Engeland en het Fries-Saksische kustgebied treft men ze weinig aan: een noord- en een zuiddeur is typisch voor het noorden, we hebben het dan over het kustgebied van Den Helder tot aan Denemarken, daar waar nog altijd de Nedersaksische taal wordt gesproken, zij het in verschillende dialecten.

In de katholieke kerken krijgen de beide ingangen een funktie bij het scheiden van de geslachten: de noorddeur voor de vrouwen, de zuiddeur voor de mannen. Binnen zitten de mannen aan de zuidzijde, de zijde van het licht, de vrouwen aan de zijde van de duisternis, dus het noorden. Op enkele plaatsen is deze gewoonte bewaard gebleven, maar meestal is het nu andersom.

Andere funkties
Lang(1) maakt aannemelijk, dat de noord- en zuiddeuren ook verder in het kerkelijk leven een rol hebben gespeeld. Bij begrafenissen wordt het lijk door de noorddeur binnengebracht en aan de zuidzijde uitgedragen. Bij processies trekt men uit door de noorddeur en na de tocht rond het kerkhof of over de velden komt men weer binnen aan de zuidzijde. Ook bij begrafenissen en processies zijn de vrouwen in die tijd gescheiden van de mannen en in verschillende dorpen lopen nu nog steeds in een begrafenisstoet de mannen voorop en volgen de vrouwen. Bij de kerkdeur pleegt ook het huwelijk gesloten te worden, waarna in de kerk de inzegening volgt. De zuiddeur wordt daarom wel bruidsdeur genoemd. Boven de zuiddeur in de kooromgang van de Groninger Martini staat geschilderd: 'Alse sick ein brudegam frouwet aver sin brudt so wert sick din Godt aver di frouwen' (Jes. 62:5).
Het doopvont bevindt zich altijd bij de noordelijke ingang, immers door de doop moet de duivel uitgebannen worden. De noorddeur of duivelsdeur wordt dan opengezet, opdat de duivel daardoor kan wegkomen. In het noorden, de streek van de duisternis, huist de duivel. Misdadigers worden daarom ook aan de noordzijde van de kerk begraven. Door de vrouw is de zonde in de wereld gekomen en daarom hoort zij aan de noordzijde te zitten, maar eveneens door de vrouw is de Verlosser op de wereld en derhalve wordt het altaar van Maria aan de noordzijde geplaatst en vinden we in Loppersum de Maria-kapel dus aan de noordzijde.

Tijdens de mis wordt aan de noordzijde het evangelie gelezen voor de heidenen, en de brieven van Paulus aan de zuidzijde voor de bekeerden. Kalma(3) verhaalt, dat als de priester symbolisch naar de noordzijde van het altaar schrijdt, de mannen de hand op zwaard of mes leggen en de vrouwen deemoedig het hoofd buigen.

Bij de zuiddeur wordt in vroegere tijden ook recht gesproken, zowel het kerkelijke seendrecht als het wereldlijke recht. Soms moet men als straf bij de deur te schande staan, als het volk zondags ter kerke gaat. Verder worden bij de kerkdeur allerlei afkondigingen gedaan. Nog kan men hier en daar naast de deur een mededelingenbord aantreffen, o.a. te Sybrandahuis. Meermalen wordt ook het kerkhof voor wereldse zaken gebruikt: handel drijven, boelgoed houden, kermis vieren e.d.(2).

 

Bronnen:

1. Arend Lang, die ‘Normannenpoorten’der friesischen Dorfkirchen, ihre Entstehung und Bedeutung. De Vrije Fries, 1934. Blz. 90 t/m112.

2. R. Steensma, Vroomheid in hout en steen. Middeleeuwse kerken in Noord-Nederland. Bosch & Keuning N.V. Baarn, 1966. Blz. 23 t/m 25.

3. Kalma, J.J. By ús âlde tsjerken lâns, 2e printinge, Assen, 1943.

4. Wikipedia.

 


 

Woordverklaringen(4)

 

Angelsaksen.
Angelsaksen is de verzamelnaam voor de verschillende Germaanse stammen die zich, na het vertrek van de Romeinen in 407, in de loop van de 5e eeuw en later, in Engeland hebben gevestigd. Hierbij worden de tijdens de Romeinse bezetting van Brittania geromaniseerde Kelten, de Romano-Britten, naar de uithoeken van het eiland verdreven. Deze worden de voorouders van de huidige bewoners van Wales en Cornwall. De binnenvallende stammen zijn afkomstig uit het noordwesten van Duitsland en Nederland (de Angelen en de Saksen en mogelijk ook de Friezen en Franken) en uit Denemarken (de Juten). De Saksen vestigen zich in het zuiden van het land, de Juten in het zuidoosten (Kent), de Angelen nemen het grootste gebied in: het midden en noorden.

 

Gotiek
De gotiek is de naam voor de bouwstijl in de late middeleeuwen zoals die is toegepast in de periode tussen 1140 en 1500 in zowel de beeldende kunsten en de architectuur, maar die vooral aanwezig is in kerkgebouwen. Het wordt gezien als een vernieuwende stijl sinds de val van het Romeinse rijk, in welke periode vooral de Romaanse stijl wordt toegepast. De Gotiek kent het veelvuldig gebruik van spitsbogen en hoge glasramen evenals de aanwezigheid van baldakijnen en roosvensters die de verticaliteit versterken. Door de grote hoogte van de kerken en kathedralen dienen de muren aan de buitenkant van het gebouw verstevigd te worden met steunberen om de spatkrachten ten gevolge van de zware gemetselde gewelven te kunnen opvangen. Vooral in de Franse en Spaanse kerken wordt de techniek van de luchtbogen gebruikt; deze bogen vormen de verbinding tussen de steunbeer en de buitenmuur. Het tongewelf en kruisgewelf wordt vervangen door het kruisribgewelf waarbij de ribben de dragende elementen worden. In het noorden kennen we alleen de Romaanse en de Romano-Gotische bouwkunst, waarbij de laatste langzaam en ingetogen op de eerste overgaat.

 

Kooromgang
Een kooromgang, koorommegang of deambulatorium in de kerk is een overdekte wandelgang rondom, en geopend naar, het koor. De kooromgang is te beschouwen als een verlengstuk van de zijbeuken en is meestal even breed. Bij een kruiskerk wordt de verbinding tussen de kooromgang en de zijbeuken onderbroken door het transept. Op de omgang kunnen straalkapellen aansluiten.
Het meest voorkomende type kooromgang is lager dan het koor. Vanwege de drieledige opzet wordt een koor met een dergelijke omgang ook wel basilicaal koor genoemd. In slechts weinige gevallen is de omgang even hoog als het koor.
Een omgang komt vooral voor bij kathedralen en grotere kerken en heeft oorspronkelijk gediend om de doorgang van pelgrims bij de uitstalling van relieken te bespoedigen. De omgang wordt ontwikkeld in de Romaanse architectuur en bereikt een hoogtepunt tijdens de Gotiek.

 

Korfboog. Korfboog.

Korfboog
Een korfboog is in de architectuur een boog die qua ontwerp is opgebouwd uit drie of vijf aansluitende cirkelsegmenten. Dit versieringselement is vooral toegepast in de late Gotiek en in de Renaissance, tot in de 17e eeuw toe. Korfbogen kunnen worden toegepast in poorten en boven vensters, waarbij soms in het midden een sluitsteen kan worden aangebracht. Vaak is de ruimte tussen de boog en het rechte bovendeel van het kozijn dichtgemetseld, wat de gevel een levendig aanzien geeft. In latere jaren zijn korfbogen opnieuw toegepast, bijvoorbeeld in de historiserende 'Um1800-stijl' uit het begin van de 20e eeuw.
In het ontwerp bestaat de boogvorm van de korfboog meestal aan de beide zijkanten uit een cirkel met een kleine straal en in het midden uit een aansluitende cirkel met een grotere straal. In totaal kan met twee dezelfde kleine cirkels, en een grote cirkel een korfboog worden geconstrueerd. Soms worden nog twee middelgrote cirkels gebruikt tussen de kleine cirkels en de grote cirkel om de boog vloeiender te laten verlopen.
Een boog die ongeveer even sterk is als de korfboog, is de ellipsboog. De korfboog krijgt daarin vaak de voorkeur omdat die minder moeilijkheden oplevert om te kunnen metselen. De korfboog verloopt echter minder vloeiend in zijn boogvorm dan een ellipsboog. Bij een bakstenen boog toont zich dit in de stenen van de boog met het voegwerk. Beide bogen worden ook wel als stijgende boog uitgevoerd. Hierbij liggen de zogeheten geboorten van de boog niet op dezelfde hoogte.
De korfboog gaat vanaf de geboorten al snel de hoogte in. Naar het midden van de boog neemt de hoogte nog wat toe. De korfboog kan de voorkeur hebben ten opzichte van andere boogvormen, als een boogvorm met een beperkte steek gezocht wordt. Bij een brug met een korfboog ontstaat meer bruikbare breedte van de onderdoorgang met nog voldoende hoogte ten opzichte van bijvoorbeeld een rondboog. Ook bij kelders zijn tongewelven in de vorm van een korfboog uit te voeren.

 

Rondboog


Rondboog. Rondboog.
Rondboog.

Een rondboog, halfcirkelboog of volboog is een boog die een halve cirkel beschrijft. Het middelpunt van de boog ligt in het midden op de lijn die de geboorten verbindt. Esthetisch bevredigt deze vorm niet, omdat het lijkt dat de boog doorzakt. Dit wordt opgelost door het middelpunt hoger te leggen dan de verbindingslijn tussen de geboorten, het gevolg is dat de boog vanaf de geboorten met een verticaal gedeelte begint. Een andere oplossing is het middelpunt iets onder de denkbeeldige lijn tussen de geboorten te leggen. Statisch is deze boog niet ideaal, omdat er kans is dat deze gaat spatten. Goed aanrazeren (het aanvullen met metselwerk of beton van de holten tussen de gewelfkappen) kan helpen om het spatten tegen te gaan. De rondboog komt veel voor in de Romeinse, Romaanse en Renaissance-bouwkunst. Een voorbeeld van een gewelf waarin de rondboog is toegepast is een tongewelf.

 

 

Seendrecht
Het kerkelijk of synodaal recht wordt in het noorden vóór de Reformatie van 1598 seendrecht genoemd.

 

Segmentboog.  

 

 

 

Segmentboog

Een segmentboog, steekboog of toog, is een boog die meestal een deel van een cirkel beschrijft. Het trekpunt van de boog ligt onder de lijn die de geboorten met elkaar verbindt. De segmentboog oefent een sterke zijwaartse druk uit en wordt om die reden alleen voor kleine overspanningen gebruikt, zoals raam- of deuropeningen. Voor dragende constructies zoals bijvoorbeeld bruggen wordt de boog meestal parabolisch uitgevoerd. Bij de meeste getoogde muuropeningen wordt er een segmentboog gebruikt.

 

 

 

 

 

 

 

Spitsboog. Gotiek.

 

 

 

 

Spitsboog
Een spitsboog is een boog waarvan de vorm wordt bepaald door twee symmetrische cirkeldelen die elkaar in de top snijden. Deze boog wordt in de Gotiek bij kerkbouw toegepast. Bij een spitsboog zijn de spatkrachten minder dan bij een rondboog. Een smalle verhoogde spitsboog heet ook wel een lancetboog. Later zijn er varianten op de spitsboog ontwikkeld, bijvoorbeeld de tudorboog en de ezelsrugboog. Spitsbogen worden op verschillende plekken toegepast, waaronder in vensters (spitsboogvenster) en gewelven (spitstongewelf).

 

 

 

 

Timpaan.

Tympaan, timpaan of tympanon

Het woord is afkomstig van het Griekse tympanon en betekent oorspronkelijk handpauk of tamboerijn. In de antieke bouwkunst is het een driehoekige gevelveld tussen de kroonlijst en de schoon oplopende daklijsten van het gebouw. In de middeleeuwse bouwkunst is het timpaan (ook boogtrommel genoemd) de ronde (romaans) of spitsbogige (gotiek) vulling tussen de bovendorpel en de boog, met name boven portalen van kerken, vaak met beeldhouwwerk versierd. Het timpaan kan bestaan uit één groot beeldhouwwerk maar kan ook opgedeeld zijn in meerdere registers, zoals bij de timpanen in de westgevel van de Notre-Dame in Parijs waar die in drie registers zijn opgedeeld. In de latere classicistische bouwkunst wordt timpaan wel als synoniem gebruikt voor fronton. Omwille van de Griekse etymologie is de schrijfwijze tympaan ook gebruikelijk, maar in 1995 opteert de Nederlandse Taalunie voor timpaan.

 

Bronnen:
1. Deels in de tekst opgenomen.
2. Drs R. Steensma, Langs de oude Groninger kerken, Bosch & Keuning N.V. Baarn.
3. Drs. R. Steensma, Vroomheid in hout en steen, Middeneeuwse kerken in Noord-Nederland, Bosch & Keuning N.V. Baarn, 1966.
4. Het Friesche Volksalmanak 1847.


 

 

Deze pagina maakt onderdeel uit van de site www.nazatendevries.nl. Aan bovenstaande tekst is de uiterste zorgvuldigheid besteed. Desondanks kunnen er best foutenvoorkomen.Constateer je fouten en/of heb je vragen, correcties, aanvullingen... geef die dan even aan mij door via mijn E-mail adres.

Hoogeveen, 25 jul 2012
Verhaal/bewerking: © Harm Hillinga
Terug naar menu Artikels en Columns HomePage