Geschiedenis van het Oldambt

Geomorfologie
Na de ijstijden waarin de ondergrond van het gebied gevormd is, komen de belangrijkste veranderingen in het Holoceen, de geologische periode waarin wij nu leven. Het eerst vindt veenvorming plaats in afvoerloze laagten, bijvoorbeeld in komvormige depressies in het keileemgebied. Oldambt is vrijwel geheel met veen bedekt geweest. Kleine restanten hiervan zien we nog aan het oppervlak, de rest is door de inbraken van de zee weggeslagen of bedekt met zeeafzettingen. Een stelsel van veenriviertjes - zoals de Tjamme – regelt de afwatering van het veen. De rivier de Eems begrenst het veengebied in het noorden. De veenvorming gaat vrijwel ongestoord gedurende lange tijd door de beschermde ligging achter de oeverwallen van de Eems. Vanaf deze hoog gelegen oeverwallen en de hoger gelegen zandgronden van Westerwolde wordt het veengebied ontgonnen. Bodemdaling is het gevolg, die in de 14e en 15e eeuw leidt tot inbraken van de zee. Hierbij ontstaan twee grote baaien: de westelijke Dollardboezem (het oude Oldambt) en de oostelijke (het Reiderland), gescheiden door het schiereiland van Winschoten. In de 15e en begin 16e eeuw bereikt de Dollard zijn grootste omvang.

Geomorfologie van het Oldambt

Ontginnings- en bewoningsgeschiedenis
De bewoningsgeschiedenis van het Oldambt valt in drie fasen uiteen: de prehistorie, afgesloten door een periode van zeer schaarse bewoning tussen circa 1000 jaar voor en 1000 na Christus als gevolg van de veenvorming; de middeleeuwse bewoning tot de Dollardinbraken en de fase van inpoldering van de Dollardpolders. Over de prehistorische bewoning van het deelgebied Oldambt is niet veel bekend. In de Merovingisch/Karolingische tijd neemt de bewoning in het huidige Oldambt weer toe en zijn er nederzettingen zowel op de terpen langs de Eems als op de boven het veen uitstekende zand- en keileemruggen. Als de zee de oeverwal van de Eems doorbreekt vormt zich een zeeboezem die door de keileem/dekzandrug van Winschoten in een oostelijke en een westelijke helft wordt verdeeld. Waarschijnlijk is echter niet één enkele stormvloed verantwoordelijk voor het ontstaan van de (grote) Dollard, maar is de zeeboezem geleidelijk groter geworden. Ook in de 15e eeuw is er nog veel landverlies, vooral in het Reiderland. Aan het eind van de 16e eeuw begint de mens het verloren land terug te winnen.
In het begin van de 16e eeuw bereikt de Dollard zijn grootste omvang. Een aantal nederzettingen, zowel op terpen als in het veengebied gelegen, wordt verlaten en verdwijnt in de golven. Mensen verplaatsen sommige dorpen naar de hoger gelegen zandruggen. Hierdoor ontstaan de dorpenreeksen Scheemda-Midwolda-Oostwold-Finsterwolde en Meeden-Westerlee-Heiligerlee-Winschoten-Beerta.

Een boer aan het ploegen


In de ondergrond, onder de Dollardklei, moeten nog de resten van overspoelde dorpen te vinden zijn.
Vanaf het eind van de 16e eeuw neemt de mens met succes de bedijking van de hoog opgeslibde kwelders van de zeeboezem ter hand, nadat eerdere pogingen (onder meer in 1454) mislukken. Bij de oudste inpolderingen spelen de kloosters, die in het gebied gevestigd zijn of er bezittingen hebben gehad, een actieve rol. Belangrijk zijn het Premonstratenzerklooster te Heiligerlee, opgericht in 1230, en het Cisterciënzerklooster in het verdwenen dorp Mentenwolde (ter plaatse van het huidige Nieuwolda), opgericht in 1247. Dit klooster is in 1299 tengevolge van de wateroverlast overgebracht naar Termunten. Voorts hebben er kloosters gestaan in Oosterreide, tussen Oostwold en Finsterwolde (het klooster Goldhoorn), en bij Ganzedijk (het klooster Palmar of Porta Major). Deze laatste kloosters zijn bij overstromingen verloren gegaan. De beide eerstgenoemde hebben voortbestaan tot de Reformatie.

DorsenDe polder Scheemderzwaag bedijkt men in 1597. Vervolgens worden in de westelijke Dollardboezem bedijkt: de aanwassen van Midwolda en Scheemda (1626), de 1e Midwol-derpolder (1675), de 2e Midwolderpolder (1701), Oostwolder-polder (1769), Finsterwolderpolder (1819), de Reiderwolderpolders (1862 en 1874), de Johannes Kerkhovenpolder (1878) en tenslotte de Carel Coenraadpolder in 1925. Over de bedijking van het oostelijke deel van de Dollard is minder bekend. De oudste inpolderingen, zoals het gebied ten zuiden en oosten van Winschoten en Beerta, dateren van vóór 1550. De Kroonpolder is ingepolderd in 1696, de Stadspolder in 1740.
Vanuit de oude dorpen worden satellietdorpen gesticht, zoals Nieuw Scheemda, Nieuw Wolda(?) en Nieuw Beerta.

De Johannes Kerkhovenpolder is een in 1878 door een particuliere maatschappij bedijkte polder. De oppervlakte is ongeveer 400 hectare. Binnen het complex van de Dollardpolders is het een bijzonderheid omdat hier niet hoog opgeslibde kwelders zijn bedijkt, maar wat lager gelegen natte slikken. Het is een fraai landschappelijk ensemble met een aantal centraal gelegen bedrijfsgebouwen, rationele percelering, bakenbomen en polderdijken. In de slaperdijk bevindt zich een dijkcoupure voor de ontsluitingsweg.

De landbouwerDe voortgaande bedijkingen zorgen voor problemen in de afwatering van de oudere Dollardpolders. Belangrijke afvoer-kanalen zijn het Termunterzijldiep (1601), dat uitwatert bij Termunterzijl, waar al in de 13e eeuw een uitwateringssluis in het oude riviertje de Munte ligt, en de Westerwoldsche Aa. De uitwateringssluis in dit laatste water verschijft steeds verder naar het noorden: in 1545 ligt het bij Oudeschans, in 1628 bij Nieuweschans, omstreeks 1700 bij Oud Statenzijl en tenslotte in 1877 wordt het Nieuwe Statenzijl gebouwd.

De akkerbouw is in het Oldambt altijd belangrijker geweest dan de veeteelt. In de oudere polders komt meer weiland voor dan in de jongere. Belangrijk is de teelt van graan. De vruchtbaarheid van de van nature arme gronden wordt vergroot door het opbrengen van mest, door klei uit de ondergrond op te graven, door slib uit het Dollardgebied aan te voeren en door oude dijken af te graven. Het Oldambt ontwikkelt zich rond 1900 tot een van de meest vooruitstrevende akkerbouwgebieden van Europa. Dit leidt tot scherpe contrasten tussen de rijke boeren en de arme landarbeiders, die door de mechanisatie steeds meer banen zien verdwijnen. Oost-Groningen wordt een communistisch bolwerk.

De specialisatie in de akkerbouw heeft ook gevolgen voor de traditionele boerderijbouw: de akkerbouw vraagt een ander type boerderij dan de melkveehouderij. De Oldambtster boerderij verschilt dan ook nogal van de overige traditionele boerderijen in Groningen. In de 19e eeuw worden verschillende boerderijen met een dwarshuis gebouwd en tenslotte zien we de ontwikkeling tot losstaande, villa-achtige woonhuizen. De status van de boerderij en zijn bewoners wordt tot uitdrukking gebracht door het grote aantal ramen, een stoep en een aangelegde tuin. In een aantal gevallen wordt een geheel nieuw voorhuis gebouwd in uiterst moderne stijl. Net als bij buitenplaatsen zijn ook hier fraaie tuinen aangelegd, die de welstand van de eigenaren duidelijk tot uitdrukking moeten brengen.

De eerste slag in de Tachtigjarige Oorlog is in1568 uitgevochten bij Heiligerlee, een dorpje bij Winschoten. Graaf Adolf van Nassau verliest hierbij het leven. In 1873 is een monument voor hem, broer van Willem van Oranje, opgericht. Een andere broer, Willem Lodewijk, laat versterkingen aanleggen in het grensgebied.

Ebelsheerd

 

Op een strategische plaats, tussen de uitgestrekte moerassen van het Boertanger veen en de Dollard, wordt in 1593 de vesting Oudeschans gesticht door graaf Willem Lodewijk van Nassau, nadat in 1589 al iets noordelijker de Booneschans is opgeworpen. Door de voortgaande bedijkingen in het Dollardgebied moet ruim 30 jaar later (in 1628) een nieuwe vesting worden gebouwd: de Langakker- of Nieuweschans. Aan het eind van de 18e eeuw raakt Oudeschans als vestingplaats in verval en wordt in 1814 opgeheven. Nieuweschans verliest zijn verdedigingsfunctie in 1882. De vestingwerken worden voor een deel verwijderd; inmiddels geniet het dorp vooral bekendheid als kuuroord. In Oudeschans zijn de verdedigingswerken deels hersteld.
De schaalvergroting in de landbouw en de Europese landbouwpolitiek drukken in de 20e eeuw hun stempel op het gebied. Ruilverkavelingen brengen grote veranderingen aan in het landschap. Een deel van het Oldambt, de graanrepubliek van weleer, verandert in een “Blauwe Stad”, een nieuw stedelijk woonmilieu, gecreëerd rondom een nieuw aangelegd meer.

Vooral de ruilverkavelingen uit de jaren ’60 en ’70 van de vorige eeuw hebben het landschap danig aangetast. ZeEen villa te Nieuw Beerta zijn echter ook een gevolg van de tijdgeest: na de Tweede Wereldoorlog staat vergroting van de voedselproductie voorop in het Nederlandse landbouwbeleid, terwijl ook het beleid in de Europese Unie onder de impulsen van Sicco Mansholt lange tijd gericht was op optimalisering en productievergroting.

Vroeger is de meest voorkomende vorm van percelering de opstrekkende verkaveling vanaf de bewoningsassen. In de Dollardpolders kan van zuid naar noord een verandering worden geconstateerd van smalle, strookvormige percelering naar modern-rationele verkaveling. Deze kenmerken zijn door de ruilverkavelingen grotendeels verdwenen. Op veel plaatsen is zelfs een geheel andere kavelrichting aangebracht.

De geschiedenis verder uitgespit
Het Oldambt, als landstreek tussen de oude Ommelanden en Westerwolde in Oost-Groningen, bestaat uit oorspronkelijk twee gebieden die samengevoegd zijn: het Klei-Oldambt en het Wold-Oldambt.

Tegenwoordig wordt ook het tot Nederland behorende deel van Reiderland (met uitzondering van de Punt van Reide) tot het Oldambt gerekend. Het omvat de huidige gemeenten Reiderland, Scheemda, Winschoten, het zuidoostelijke deel van de gemeente Delfzijl, een deel van de gemeente Menterwolde en een deel van de gemeente Bellingwedde. Oorspronkelijk worden ook het grondgebied van de gemeenten Veendam en Pekela tot het Oldambt gerekend, maar tegenwoordig wordt dit gebied onder de Veenkoloniën gerekend. Het Oldambt is van oorsprong een landbouwgemeenschap en kent een roerige geschiedenis. De streek is voor Nederlandse begrippen zeer dunbevolkt en is economisch weinig ontwikkeld. Met het zogenaamde Blauwestad-project hoopt men hier verandering in te brengen.

Oldambt is ook de naam van een waterschap dat ongeveer het gehele gebied omvat. De gemeenten Reiderland, Scheemda en Winschoten zullen per 1 januari 2010 na de herindeling verder gaan als gemeente Oldambt. De naamgeving is door een verkiezing onder de inwoners tot stand gekomen. De inwoners van de drie gemeenten hebben keuze gehad uit de drie namen, Reiderland, Winschoten en Oldambt, waarbij de laatste 62% van de stemmen heeft gekregen. De benaming Oldambt kan op twee manieren opgevat worden: Landschappelijk: het gebied met landschapskenmerken van het Oldambt (kaart 1) en Staatkundig: het historische Ommeland/gewest Oldambt (kaart 2).

Oldambt

Links: Kaart 1. Rechts: Kaart 2. (Bron afb.: Wikipedia).

Tot ver in de middeleeuwen maakt het Oldambt deel uit van Fivelingo. Deels is dit te zien in de samenstelling van het decanaat Farmsum, dat behalve het gehele Oldambt ook gebieden rondom Appingedam omvat. De Frankische gouw is bestuurlijk onderverdeeld in ambten, waarvan het Oldambt er één is. De vroegst bekende (Friese) benaming van het gebied is Alda Ombechte, wat op de rand van het zegelwapen van het Wold-Oldambt staat (vanaf 1347 in gebruik). Dat het Oldambt ('het Oude Ambt') als eerste van de gebieden in het noorden van (het huidige) Nederland onder Frankisch bestuur zal hebben gevallen en vandaar de naam oude ambt hebben gekregen is een andere visie.

Staatse troepenHet Oldambt maakt sinds de middeleeuwen deel uit van het bisdom Münster, zowel in wereldlijke als in geestelijke zin en wordt daarin plaatselijk bestuurd door de Ripperda's in Farmsum, een oud adellijk geslacht dat het dekanaatsambt bezit. Daarnaast wordt het Wold-Oldambt bestuurd door de Gockinga's in Zuidbroek en de Houwerda's in Termunten. Het plaatselijke bestuur in een kerspel wordt geregeld door middel van een rechtsommegang (dingspel) en de functie van de hoofdelingen.

Het gewest bestaat voornamelijk uit graslanden, wolden (veengebieden) en kwelders. Het Oldambt is destijds verdeeld in twee delen: het Wold-Oldambt (Zuid-Oldambt) en het Klei-Oldambt (Noord-Oldambt). Tot het Wold-Oldambt behoren de kerspelen: Meeden, Noordbroek, Zuidbroek (met de achterliggende gebieden van Muntendam en de veengebieden), Scheemda, Eexta, Midwolda, Oostwold, Finsterwolde en Oost-Finsterwolde. Tot het Klei-Oldambt behoren de kerspelen: Termunten, Klein-Termunten, Wagenborgen en Borgsweer.

De grens tussen Reiderland en het Oldambt wordt gevormd door de Tjamme. De kuststreek wordt voornamelijk bewoond door Friezen en de wolden door Saksen. Beide groepen vermengen zich in een vroeg stadium en de overheersende taal wordt al spoedig het Gronings. Het gebied hoort bij het Friesland tussen Eems en Lauwers (de latere Groningse Ommelanden). De stad Groningen weet het gebied te veroveren door de Gockinga's uit Zuidbroek en de Houwerda's uit Termunten te verdrijven in 1438. Beide onderdelen van het Oldambt vervallen in Groningse handen en mede achtervolgd door deze feiten blijven de Oldambtsters strijden om hun vrijheid en onafhankelijkheid (van Groningen), onder meer in 1647. De strijd mag niet baten en de Oldambtsters blijven de achtergestelde positie ten opzichte van Fivelgo en Hunsingo houden. Door de overheersende positie van de Stad ontwikkelen zich in het Oldambt, anders dan in Fivelingo, Hunsingo en het Westerkwartier, ook geen jonkergeslachten. In het Oldambt hebben daarom ook nooit borgen gestaan met heerlijke rechten.

De toenmalige hoofdplaats van het Oldambt is Midwolda. Het wapen van het Oldambt is de directe voorloper van die van de voormalige gemeente Midwolda. De afgebeelde vergrote kruiskerk van Midwolda dient als plaats voor bestuur en rechtspraak. Zo wordt hier het Oldambtster landrecht in 1471 opgetekend. Andere rechtsplaatsen waren Zuidbroek, Finsterwolde in het Wold-Oldambt en Oterdum (later vervangen door Termunten) in het Klei-Oldambt.

Het kanonOp 23 mei 1568 trekken de Spaanse troepen het Oldambt binnen. Ze worden opgesteld bij het klooster van Heiligerlee en worden opgewacht door het Staatse leger, dat de Spanjaarden vervolgens het veen in drijft. Deze gebeurtenis wordt gezien als het begin van de Tachtigjarige Oorlog. Rond 1800 hebben de (inmiddels ontgon-nen veengebieden en) weilanden plaatsgemaakt voor akkers. Dit gebeurt enerzijds omdat er verschillende veepesten uitbreken en het vee dus niet meer kan grazen, anderzijds worden de landbouwkundige technieken en de opbrengsten belangrijk verbeterd. Nu kent men in het Oldambt overwegend bouwland. De introductie van de aardappel in de kleigebieden zorgt voor een grote toename van de rijkdom van de landbouwers. Door de verbetering van de levensomstandigheden voor boerenarbeiders neemt de kindersterfte af, en de levensverwachting toe. De arbeidersgezinnen worden steeds groter. Door het grote overschot aan arbeidskrachten en de sterk gestegen welvaart verandert het karakter van het Oldambt en komt er een enorm verschil tussen rijk en arm. Door het te grote standsverschil ontstaan wrijvingen tussen boeren en hun arbeiders. De rijkdom van de landbouwers kan men tegenwoordig nog steeds zien aan de kapitale boerderijen in dit gebied.

Ook is de communistische partij in de gemeente Reiderland een van de overblijfselen van deze ongelijkheid. Tegenwoordig wordt ook het voormalige Reiderland tot het Oldambt gerekend. De CPN heeft in het Oldambt haar grootste aanhang met name in deze gemeente. De rest van het Oldambt is overwegend socialistisch gebied, waarbij de SDAP en later PvdA de boventoon voert. De bevolking is tot ver in de 20e eeuw werkzaam in de landbouw, al hebben de aardappelmeel- en strokartonindustrie, aan de rand van het gebied, eveneens een belangrijke rol gespeeld.
De periode na de Duitse bezetting in 1940 kent weinig opleving al zijn er vormen van verzet tegen de bezetter. De bevrijding van het Oldambt in 1945 wordt uitgevoerd door Canadese en Poolse militairen.

Bronnen:

1. H. Feenstra, Duizend jaar Gronings taallandschap (Bedum 1998).
2. E. W. Hofstee, Het Oldambt: een sociografie Deel 1 vormende krachten (Groningen 1937).
3. O.S. Knottnerus 'Land Kannaän aan de Noordzee: een vergeten hoofdstuk' in: J.N.A. Elerie en P.C.M Hoppenbrouwers (red.) Het Oldambt deel 2. 4. Nieuwe visies op geschiedenis en actuele problemen (Groningen 1991) p. 25-72.
5. Siemon Reker, Goidag Taalgids Groningen (Assen 2005).

Aan bovenstaande tekst is de uiterste zorgvuldigheid besteed. Desondanks kunnen er best fouten

voorkomen. Constateer je fouten en/of heb je vragen, correcties, aanvullingen...

geef die dan even aan mij door via mijn E-mail adres.

Hoogeveen, 11 juni 2009
Verhaal: © Harm Hillinga

 

Menu Artikels.
HomePage