De Carel Coenraadpolder, genoemd naar de voormalige Commissaris van de Koningin Carrel Coenraad Geertsema, is de meest noordoostelijk gelegen polder van Nederland. De Carel Coenraadpolder dateert van 1924 en ligt in de voormalige gemeente Reiderland. Daarvoor in de gemeente Finsterwolde en tegenwoordige in de gemeente Oldambt.  De polder is vernoemd naar oud-Commissaris van de Koningin Carel Coenraad Geertsema. De polder is evenals andere Dollardpolders zeer vruchtbaar. Vooral suikerbieten, graan en aardappelen worden hier verbouwd. Meest kenmerkend voor het gebied is het grote verschil in welvaart van de bewoners. In de omgeving van Beerta en Finsterwolde zijn en waren grote tegenstellingen tussen herenboeren en landarbeiders, zoals blijkt uit het contrast tussen de herenboerderijen met hun parkachtige slingertuinen en de zeer kleine landarbeidershuisjes. De laatste jaren zijn de verschillen echter steeds kleiner geworden. De boer zit nu eenzaam op de tractor en het beroep van landarbeider is grotendeels verdwenen.

 

De langgerekte Carel Coenraadpolder is in 1924 ingedijkt en daarmee de laatste die op de Dollard is terugveroverd. Halverwege de polder ligt een populierenbosje, een bijzonder landschapselement in het overigens zeer open en grootschalige akkerbouwgebied. Het bosje is ongeveer 2,5 hectare groot en ligt vlak achter de zeedijk aan een doodlopende weg. Op de dijk staat een gedenkteken ter gelegenheid van het op Deltahoogte brengen van de dijk in 1986. Deze plek biedt een prachtig uitzicht op de polder met het bosje en op de uitgestrekte kwelders met daarachter de Dollard, de Eems en Emden aan de overzijde. Het bosje heeft een interessante ontstaansgeschiedenis.

 

Slikwerkers op de dijk in de CC polder.
Slikwerkers op de dijk in de CC polder.

In 1940 worden hier barakken gebouwd voor de slikwerkers, in 1942 plaatsen de Duitsers er een geschutstelling en in 1945 worden barakken gebouwd voor een interneringskamp voor NSB-ers, die van 1953 tot 1961 gebruikt worden als woonoord voor Ambonezen. Als de barakken zijn afgebroken wordt het bosje aangelegd. In de volksmond wordt het nog steeds het 'Ambonezenbosje' genoemd.

In 1940 verrijst er, volgens een bericht in de Nieuwe Winschoter Courant van 12 september, een barakkenkamp dat plaats moest bieden aan ruim zevenhonderd slikarbeiders. 'Op het oogenblik werken er ruim tachtig arbeiders, een aantal, dat lang niet voldoende mag worden geacht om het werk geregelden voortgang te doen hebben. Er is thans een 5 a 600 ha. in bewerking’. Een maand later staat in dezelfde krant dat er elke week zeer veel arbeiders naar Duitsland vertrekken omdat daar meer te verdienen is.
'Ongunstig is de ontvolking van het werkobject in den C.C. Polder, de belangrijke inpolderingswerken aan den Dollard. Den vorigen zomer waren daar ettelijke honderden menschen aan het werk. Thans is dit aantal geslonken tot 45. Wij hebben er reeds eerder op gewezen, dat een te gering aantal arbeiders bij deze inpolderingswerken het gevaar in zich draagt, dat er van dit grootsch opgezette en belangrijke werk, waarbij het gaat om het winnen van verscheiden honderden hectaren vruchtbaar kleiland, weinig terecht zal komen!

 

Dollard Süd. Helemaal onderaan, op de dijk, staat de twee geschutsstellingen van de Duitsers. Links bovenaan de oplagplaats voor munitie en in het midden het sportterrein
Dollard Süd. Helemaal onderaan, op de dijk, staat de twee geschutsstellingen van de Duitsers. Links bovenaan de oplagplaats voor munitie en in het midden het sportterrein.

 

Dan neemt de bezetter het gebied over. Dollard Süd wordt er gebouwd. Het vormt met zestien andere batterijen een verdedigingsgordel rond Emden; vier van deze batterijen staan op Nederlands grondgebied. Expert op het gebied van Duitse luchtdoelbatterijen rond de Dollard is geschiedenisstudent Franz Lenseink uit Delfzijl. In een aantal speciaal gebouwde barakken bivakkeren gemiddeld zo'n 150 mannen van de Duitse marine-artillerie. Ze hebben een eigen voedselvoorziening en een eigen keuken. Er zijn weinig contacten met de burgerbevolking. Toch weet Geertje Hillinga-de Vries te vertellen dat er regelmatig Duitsers in het huisje bij de Tille langs komen. Vooral om te bellen, want Geertje bedient daar de ‘telefooncentrale’. ‘Geen slechte jongens hoor. Ze moesten wel en waren vaak erg bang’. Franz Lenseink: 'De batterij moest 24 uur per dag paraat zijn en dat betekende dat men maar weinig vrije tijd had. Zeker naarmate de oorlog vorderde, werden er steeds meer mannen elders in Duitsland ingezet. In 1944 kon iedere militair maar één week per jaar verlof krijgen'.


De militairen hebben een heel saai leven, want ze moeten wachten tot er een vliegtuig overkomt. Ondertussen moeten ze zich vermaken met kaartspelen, het maken van speelgoed, musiceren, lezen en dergelijke. Lenseiink heeft veel archieven geraadpleegd en een aantal militairen geïnterviewd die op de Batterie Dollart Süd gelegerd zijn geweest, mannen die inmiddels ouder zijn dan 75. ‘Wir haben uns wahnsinnig gelangweilt', is een veel gehoorde opmerking geweest. 'Maar',  zegt Franz Lenselink, 'als je het vergelijkt met het leven aan het Oostfront of op een onderzeeër dan hebben ze het niet slecht gehad’.  Het is niet bekend hoeveel vliegtuigen neergehaald zijn, maar volgens Lenselink is de trefkans bijzonder klein geweest, omdat men geen verfijnde technieken heeft gehad om vliegtuigen op grote hoogte te raken. Volgens de historicus zijn er hooguit twee of drie neergehaald door deze stelling. De Duitse militairen weten het zich niet meer te herinneren. Er zijn wel vliegtuigen in de Dollard gestort, maar het is niet zeker of dat gebeurd is door Batterie Dollart Süd.


Oud-landbouwsmid Jan Lingbeek uit Finsterwolde weet zich het opsporen van de geallieerde vliegtuigen nog goed te herinneren: 'Meestal 's avonds en 's nachts gingen grote formaties Britse bommenwerpers met hun onheilspellend gedreun richting Duitsland om hun bommen te lozen. Lange felle lichtstralen zochten het luchtruim af en meermalen was met het blote oog een minuscuul vliegtuigje te zien dat gevangen zat in meerdere lichtbundels' .


De stelling is uiteindelijk uitgeschakeld door de aanvallen van Polen en Canadezen. In het notulenboek van het waterschap Carel Coenraadpolder wordt de bevrijding in april 1945 beschreven: 'Op 16 april 1945 werd de naaste omgeving van de polders, ten noorden van Nieuw Beerta, Drieborg en Finsterwolde door Poolsche tanks bevrijd, doch deze rukten niet terstond op naar de Duitsche stelling in den Carel Coenraadpolder. Hierdoor was het mogelijk dat de Duitschers versterkingen aanvoerden over Nieuwe Statenzijl. De 4 batterijen welke op den zeedijk in de Duitsche stelling waren geplaatst en welke hadden gediend om Emden tegen luchtaanvallen te verdedigen, namen doorloopend de naar Nieuweschans optrekkende Poolsche colonnes onder vuur waardoor zij aan vele gebouwen schade aanrichtten en in wijden omtrek onrust en vrees teweeg brachten. Na eenige dagen werden de Polen door Canadezen afgelost die zware artillerie meebrachten! De kanonnen hebben de Duitse stelling in de nacht van 24 op 25 april tot zwijgen gebracht. De houten barakken zijn afgebrand door de beschietingen en er waren geen bunkers, zoals bij Nansum, en daardoor konden de Duitsers zich niet effectief beschermen. De geallieerden hebben tachtig krijgsgevangenen gemaakt, de rest is naar Duitsland gevlucht. In het ‘War Diary’, het oorlogsdagboek van het Canadese ‘First Battalion Regina Rifle Regiment’, waarvan Franz Lenselink een kopie in zijn bezit heeft, wordt gesteld dat door het bombarderen twee stellingen zijn uitgeschakeld en de gehele batterij goed beschoten is. 'Er bevonden zich kleine barakken met een kantine. Geen bier.'

 

Bewijs van lidmaatschap van een van de meest beruchte NSB-ers, Ir. A.A. Mussert. Het is een bewijs voor het jaar 1934, maar uit het document blijkt dat Mussert al in febr. 1932 is ingeschreven als 'algemeen leider'. 'Je Maintiendrai', komt hier wel heel wrang over.
Bewijs van lidmaatschap van een van de meest beruchte NSB-ers, Ir. A.A. Mussert. Het is een bewijs voor het jaar 1934, maar uit het document blijkt dat Mussert al in febr. 1932 is ingeschreven als 'algemeen leider'. 'Je Maintiendrai', komt hier wel heel wrang over.

 

NSB-kamp
Op 24 juni 1945 stuurden Gedeputeerde Staten het waterschap Carel Coenraadpolder een afschrift van een vergunning tot het inrichten van barakken voor een interneringskamp voor NSB-ers. In dit kamp, dat een aantal jaren als zodanig dienst heeft gedaan, gaat het 'ruig' toe. In het boek ‘Slikken of stikken’ van Cees Stolk vertelt een ex-NSB-er over de gruwelen die in het kamp plaats hebben gevonden. 'Roken, lachen en fluiten was ten strengste verboden. Werd je betrapt dan kon je naar de strafbunker: een koud, kil hok zonder licht en comfort.' Kampcommandant J.A. Verdam, een oud-politieman, regeert er met straffe hand. Weerbarstige gedetineerden worden aan de ketting gelegd. De NSB-er Dr. Van der Vaart Smit schrijft in het boekje ‘Kamptoestanden uit 1949’: 'In de Carel Coenraadpolder werden in 1946 de heren Van den Hof R. Veen en W. Siemens ernstig mishandeld. De beide eersten hebben het niet overleefd. De vader van de jonge SS-man Bruinsma uit Bourtange, ridderkruisdrager (de hoogste militaire onderscheiding die het Duitse leger kende) werd alleen omdat hij zulk een zoon had zo zwaar mishandeld dat hij aan de gevolgen overleed.' Hoewel dit geschreven is door een NSB-er en waarschijnlijk de zaak gekleurd voorstelt, mag men stellen dat er geen frisse praktijken hebben geheerst in het kamp, waar alleen mannen en jongens verblijven. In juni 1946 schrijven twee maatschappelijk werkers: 'C. C. is een volkomen Duits kamp. V. (de kampcommandant) zou als hij Duitser was een Oberscharführer zijn. V. gaat er prat op de mensen te slaan.' Verdam wordt in 1950 veroordeeld tot tien maanden gevangenisstraf omdat hij verschillende mannen brandende sigaretten in de wang heeft gestoken en weer anderen met de handen in houtblokken heeft laten klemmen. Het kamp is dan ook gesloten vanwege die wantoestanden.

 

Rauwe slikken
Na de oorlog wordt het werk in de buitendijkse gronden hervat. Eén van die slikwerkers is de 71-jarige Koert Stek, oud-CPN gedeputeerde en later NCPN-wethouder van de gemeente Reiderland. Hij werkt daar van 1945 tot 1948. Voor de slikwerkers staat er een barak die alleen gebruikt wordt bij slecht weer. De werktijden zijn wisselend, afhankelijk van het getij.' We groeven greppels en er werden geen rijshouten dammen aangelegd, wel zomerdijkjes. Bij het begin van de dienst meldde je je bij de grote woning aan het begin van weg naar de dijk. Daar kreeg je laarzen uitgereikt. Als je zelf laarzen had, kreeg je een dubbeltje toeslag. We werkten daar met zo 'n veertig tot vijftig mensen, die allemaal uit de omgeving kwamen. Je liep dan over de kwelder, waar 's zomers vee weidde en daarna kwam je in de rauwe slikken. Daar stak je een stok in de grond waar je jas en je broodtas aan gehangen werd en dan ging je graven en spitten totdat het water opkwam en je naar de dijk liep. Eten deed je staande.
Soms zakte er iemand diep in het slik en dan moest je met een aantal mannen die persoon er weer uit trekken. Bij springtij moest je snel lopen. Na afloop leverde je de lieslaarzen weer in. Bij regen kon je wachten in de barak. Je deed dan niets anders dan kaarten of bamzaaien', aldus Koert Stek.

 

Ambonezenkamp

Vader, moeder en hun zeven kinderen in het kamp. Aan de muur links een wandkleed met een Hollands landschap.
Vader, moeder en hun zeven kinderen in het kamp. Aan de muur links een wandkleed met een Hollands landschap.

In 1950 worden ruim veertigduizend Ambonezen gehuisvest in Nederland. Dat waren de zestienduizend KNIL-militairen met hun gezinnen, die de Nederlandse regering in voormalig Nederlands-Indië trouw zijn gebleven. Zij worden opgevangen in allerlei kampen. Vanaf 1953 wordt ook het NSB-kamp in de C.C.polder daarvoor gebruikt. In gesprek met Otniel Leirissa, 64 jaar, Rudy Pattipeiluhu, 43 jaar, Tommy Ferdinandus, 47, jaar, Nina Ferdinandus Jempormiasse, 46 jaar en Frans Jempormiasse, 71 jaar blijkt dat het merendeel van de ruim driehonderd mensen die in de C.C.polder worden gehuisvest, afkomstig is uit het kamp Schattenberg in Westerbork, het voormalige doorvoerkamp voor joden. Sommigen van hen hebben ook gezeten in Mantinge en de Weerribben. Frans Jempormiasse is met zijn vrouw en drie kinderen, waaronder Nina, eerst in Geleen en Groesbeek ondergebracht en komt pas in 1957 naar de C.C.polder.


Op 1 september 1953 komen er 59 gezinnen en 18 alleenstaanden (in totaal 311 personen). De mensen kennen elkaar niet als ze met bussen in het kamp arriveren. Otniel Leirissa: ' We werden met broodjes en koffie ontvangen in de kantine door beheerder Lokken, die ons het nummer van de barak wees waar we met ons gezin terechtkonden' In het kamp wordt een barak omgebouwd tot kerk. Er is een eigen Nederlands-hervormde predikant. In een andere barak is een ziekenzaaltje waar zuster Pattiasina de scepter zwaait. Zij is vroedvrouw en heeft tientallen kinderen ter wereld geholpen, onder andere Rudy Pattipeiluhu. Frans Jempormiasse en zijn vrouw krijgen er nog twee kinderen. Ook is er een aantal kinderen overleden.
Tommy Ferdinandus: 'Ik herinner me nog een tochtje naar de dijk. Ik liep met een paar vriendjes voorop, en achter ons viel een meisje in het water. De Nederlandse leerkracht Kommer sprong meteen in het water, maar kon het meisje niet redden! De kinderen werden evenals de ouderen begraven op het kerkhof van Finsterwolde.


Het schooltje bestond uit twee klaslokalen. Er was een kleuterklasje met juf Jannie. De laagste klassen van de lagere school kregen les van een Ambonese leerkracht en de derde en vierde klas van meester Kommer.’ De eerste herinneringen van Nina Ferdinandus over die tijd zijn niet positief: ' Op school moest je altijd melk drinken. Vies vond ik dat, ik nam dan ook altijd het kleinste kopje mee. Als je niet wilde luisteren moest je voor straf op één been in de hoek staan en dan pompen, daar werd je heel erg moe van. Het was wel lekker dat je Maleis kon praten. Nederlands leerde ik pas toen ik in Appingedam woonde.' Tommy Ferdinandus vult aan: 'De vijfde en zesde klas volgden we in Winschoten. We werden met een schoolbus gehaald' De kinderen uit het woonoord werden ook een week geplaatst bij een gezin in Finsterwolde om het Nederlandse gezinsleven te leren kennen. Nina: 'Ik heb daar voor het eerst stamppot gegeten, dat vond ik lekker, maar ik wilde het liefst zo snel mogelijk weer terug'.
Sommige mannen gaan werken, maar van hun loon moeten ze zestig procent afdragen voor het Commissariaat van Ambonezenzorg. Veel animo om te werken is er dus niet. In het kamp krijgen volwassen ƒ 3,- per week en personen onder de 21 ontvangen ƒ 2,-. Eén keer per jaar worden kledingbonnen verstrekt. De mensen in het woonoord zijn allemaal lid van de politieke partij CRAMS. Rudy Pattipeiluhu: 'Dat bestuur regelde allerlei zaken met de beheerder, bijvoorbeeld als iemand wilde verhuizen!’

 

Leveranciers
De slager, bakker en groenteboer leveren bijna dagelijks hun goederen aan de centrale keuken. Groenteboer Jan Bennink, 73 jaar, doet zaken met beheerder Lokken. 'Aanvankelijk werd er in Finsterwolde vreemd tegen de Ambonezen aangekeken. Maar ze waren heel beleefd en wat dat betreft konden de mensen hier veel van hen leren. De jonge generatie sprak goed Nederlands, alleen de ouderen spraken Maleis. Ik ben ook uitgenodigd voor een bruiloft. Ze biljartten een enkele keer in het café en traden op met een dansgroep. Ze betaalden altijd hun boodschappen op tijd. Tien jaar nadat ze vertrokken waren, kwam een Ambonees in de winkel om nog een schuld af te lossen van tien gulden, dat deed hij ook bij bakker.’ Slager Roelof Folkertsma te Finsterwolde, 50 jaar, herinnert zich nog dat de Ambonezen komen: 'Ik stond in de voordeur van de slagerij met mijn vader. Ze kwamen met bussen en kleine vrachtwagens. Van kinds af aan is mij bijgebracht dat het minderwaardig publiek is. Er is altijd gesproken over: "Dat is maar een Ambonees". Gelukkig denk ik er nu heel anders over. Ik weet zeker dat ze in hun hart beter zijn dan de meeste Nederlanders. Want als er iemand in het gezin of de familie iets heeft, zorgt de hek familie ervoor. Mijn vader leverde altijd vlees en ik ging vaak mee. Als jongetje zag ik de mannen 's morgens bij het appèl met lange sabels lopen in militaire kledij. De centrale keuken werd bediend door de Ambonezen zelf Ze kochten veel koeienpens en koeienlongen; die bereiden ze met bananen en dan deden ze er stokjes door Per gezin kwamen ze met stapelpannetjes naar de centrale keuken. Het geld werd betaald door het Ministerie van Maatschappelijk Werk. Mijn vader moest ieder jaar opnieuw inschrijven om te kunnen leveren. De beheerders Lokken en Slijkhuis gaven daarover advies. Mijn vader zal best wel eens een rollade onder de tafel naar hen hebben doorgeschoven. Later werd de centrale keuken niet meer gebruikt en werd de inkoop ook niet meer centraal gedaan. De bewoners van het kamp kwamen toen ook wel in de winkel. Wij hebben er hele goede herinneringen aan de Ambonnezen’.

 

Vervolg Deel 2. vervolg Deel 2

 

Bronnen:
01. Vanaf (ongeveer) mijn 18e jaar heb ik diverse aantekeningen gemaakt van berichten in kranten en heb ik krantenknipsels verzameld. Vooral in de beginperiode heb ik bij de verzamelde gegevens geen aantekeningen over de bron bewaard, zoals welke krant en de datum van verschijnen. Pas veel later kwam ik tot het besef dat juist de bron zo belangrijk kan zijn.

  1. 02. Groninger IC (4 juni 2009).
  2. 03. Winschoter Courant (diverse uitgaves).
  3. 04. Geertje Hillinga-de Vries.
    05. 'Slikken of Stikken', 1939-1955 werkverschaffing in Groningen. Cees Stolk. Uitgevering Meinders, 1993.

 

 

 

Deze pagina maakt deel uit van www.nazatendevries.nl.
Aan bovenstaande tekst is de uiterste zorgvuldigheid besteed. Desondanks kunnen er best fouten voorkomen.
Constateer je fouten en/of heb je vragen, correcties, aanvullingen...geef die dan even aan mij door via mijn E-mail adres.
Laat ook eens een bericht achter in het Gastenboek.

 

Hoogeveen, 5 januari 2014.
Verhaal: © Harm Hillinga
.

Menu Artikelen.
Terug naar de HomePage.
Top