De Prehistorie
Noord-Nederland

We beginnen dit artikel met een citaat uit Grunn.nl (zie bij bronnen), waarin duidelijk wordt beschreven hoe de prehistorie in het noorden van ons land er moet hebben uitgezien. Daarna gaan we over op een meer algemeen gedeelte over dit deel van onze geschiedenis. Voor liefhebbers van de Groninger geschiedenis is de genoemde site een uitstekende bron van informatie.

 

(...)Het landschap van Noord-Nederland is in hoofdzaak gevormd na de derde ijstijd: het Saalien (plm. 200.000 voor Chr. - plm. 125.000 voor Chr.). Er is in dit gebied dan onder meer sprake van een glaciaal bekken, dat zich transformeert tot het dal van de rivier de Hunze. Het dal - bij Groningen 10 km. breed - strekt zich uit van het hedendaagse Emmen tot de Noordzeekust (die veel noordelijker ligt dan de tegenwoordige).

De Hunze (van 'hon': modder, moeras) slibt vanaf plm. 70.000 voor Chr. tot in de Middeleeuwen voor een groot deel dicht. Het dal wordt dan gevuld met veen, leem, klei en zand. De benedenloop van de rivier blijft beïnvloed door de zee. De monding van de oer-Hunze ligt (tot in de 9e eeuw) boven het tegenwoordige Pieterburen.
Gelijksoortige processen doen zich voor na de vierde en laatste ijstijd, het Weichselien (plm. 50.000 voor Chr. - plm. 10.000 voor Chr.), in het dal van een meer westelijk gelegen rivier: de A. Tijdens het Weichselien wordt Noord-Nederland overigens niet door een ijskap bedekt; wel is de ondergrond bevroren.
Kenmerkend voor het landschap is verder de Hondsrug (tot in de 19e eeuw komt ook de naam Bisschopsrug voor), deels ontstaan als opgestuwde rand van het gletsjerbekken, deels mogelijk al eerder aanwezig.
Er zijn over vrijwel de hele lengte van de Hondsrug (70 km. vanaf Klazienaveen) eigenlijk twee afzonderlijke takken, waarvan de kruinen in Drenthe op plm. 1 km. uit elkaar liggen.

De Prehistorie

Onnen ligt nog op een uitloper van de oostelijke tak; Haren, Helpman en Groningen liggen op die van de westelijke tak. De westelijke tak eindigt boven de Noorderbegraafplaats aan de Moesstraat en zet zich dan ondergronds nog voort tot bij Baflo. Het hoogste punt in Groningen ligt aan de Helper Esweg (8.91 m. boven NAP); in de binnenstad ligt het in de Donkersgang (8.57 m.).
Groningen is dus gelegen op het meest noordelijke deel van de Hondsrug; geografisch gezien een zeer gunstige plaats: naar in later eeuwen zal blijken zowel uit economisch als uit militair oogpunt van strategische betekenis.
De Hondsrug wordt op meerdere plaatsen doorsneden door erosiedalen, ontstaan rond 40.000 voor Chr. Daaronder een verbinding tussen de A en de Hunze direct ten zuiden van de Appèlbergen, in het latere grensgebied tussen Groningen en Drenthe (zie par. 041) en een verbinding ter hoogte van de latere Helperlinie tussen Helpman en Groningen.

Ten westen van de A ligt de 'rug van Tynaarlo', die beduidend lager is dan de Hondsrug. Deze rug volgt de lijn Eelde, Eelderwolde (tot ruim 3 m. boven NAP) - Ruskenveen en eindigt boven Hoogkerk. Westelijk daarvan ligt het dal van het latere Eelder- en Peizerdiep. Het Eelderdiep stroomt in Groningen door de huidige wijk De Held en mondt uit in de Hunze. Het Peizerdiep gaat naar het noorden over in een waterloop die in later eeuwen wordt aangeduid als de Hunsinge. De Hunsinge stroomt langs het tegenwoordige Leegkerk en Kleiwerd en mondt uit in de Hunze ter hoogte van Wierum.
Ten oosten van Groningen ligt bij Middelbert nog de 'rug van Slochteren' (0 - 3 m. boven NAP).

Een jager uit de Prehistorie

Onder de bodem van (de huidige provincie) Groningen bevindt zich het zogeheten 'Slochterenveld', bestaande uit poreus gesteente bedekt met lagen van afgestorven plantenresten, waaruit sinds 1959 aardgas wordt gewonnen. Het veld is 300 miljoen jaar geleden (tijdens het Carboon) ontstaan. Nederland lag destijds op de evenaar en kende een tropisch klimaat. Het noordoosten van de provincie Groningen ligt op een tafelberg.
Uit de prehistorie zijn over het gebied slechts schaarse gegevens bekend. Uit de laatste periode van het Paleolithicum (de oude steentijd), als er in het toendralandschap van Noord-Nederland alleen nog maar sprake is van jagers, vissers en voedselverzamelaars, dateren sporen van een tijdelijke nederzetting bij Sassenhein (een petgat, nu vooral visplas in Haren): plm. 11.000 voor Chr., na de laatste ijstijd.
Ter plaatse zijn vuurstenen werktuigen van rendierjagers uit de Hamburgcultuur gevonden.


Ook op het terrein van het UMCG (Academisch Ziekenhuis) zijn sporen uit deze periode aangetroffen. Hetzelfde geldt voor vondsten uit een haardkuil in de wijk Ruskenveen, die worden gerekend te behoren tot de Ahrensburgcultuur.


De Prehistorie

In de midden steentijd (het Mesolithicum) raken de toendra's geleidelijk begroeid met naald- en loofbossen en met lage struiken. Er wordt gejaagd op edelherten, wilde zwijnen en op waterwild. Ook oerossen worden bejaagd. Jachtwerktuigen zijn speren, harpoenen en pijl en boog.

Langs de Noordzeekust, dan plm. 50 km. ten noorden van de tegenwoordige Waddeneilanden, ontstaat een waddenlandschap. In het binnenland vormen zich veenmeren. In Drenthe is bij Pesse een (in het Drents museum in Assen te bezichtigen) boomstamkano uit 8000 v. Chr. gevonden.
De hond is al gedomesticeerd; ook het paard als rijdier is al bekend. Aan het einde van het Mesolithicum wordt aardewerk geproduceerd
. Uit deze periode (8800 - 5000 v. Chr.) dateert in Groningen een haardkuil op een terrein ten oosten van het Oude Winschoterdiep (Barkmolenstraat).
Een en ander wil niet zeggen dat in het noorden van Nederland niet al op eerdere tijdstippen mensen verblijven. Op de zandgronden van Friesland en Drenthe (o.a. bij Tynaarlo en Assen) zijn voorwerpen gevonden die worden gedateerd op plm. 60.000 v. Chr.

Het zal daarbij mogelijk zijn gegaan om de homo neanderthalensis, weliswaar een hominide, maar niet een rechtstreekse voorvader van het huidige menstype, de homo sapiens sapiens (de verstandige mens), die eerst plm. 40.000 jaar geleden naar Europa is gekomen. Homo sapiens, afkomstig uit Afrika (Ethiopië), is zeker 195.000 jaar oud. Aangenomen wordt dat beide menssoorten zo'n 15.000 jaren lang tegelijkertijd in Europa hebben geleefd. Het aantal Neanderthalers in Europa zal overigens slechts enkele duizenden hebben bedragen.
Omhoog

Uit de overgangsperiode naar een volledig agrarische cultuur (in Noord-Nederland voornamelijk de Trechterbekercultuur): het Neolithicum (nieuwe steentijd: 5000 - 2000 v. Chr.), zijn er - voor wat betreft het grondgebied van Groningen - aanwijzingen voor een nederzetting op een terrein bij de Van Julsinghastraat/ het Oude Winschoterdiep (plm. 4500 v. Chr.).
Uit dezelfde periode dateren vondsten in de omgeving van de Prinsenstraat en op het terrein van het UMCG (3400 v. Chr.), waar eveneens sprake is van een nederzetting. Rond 3500 v. Chr. zou er een nederzetting hebben gelegen in de omgeving van de Bordewijklaan. Rond 2500 v. Chr. is hetzelfde terrein in gebruik als akker. Landbouwproducten zijn tarwe, gerst en lijnzaad.
Uit dna-onderzoek blijkt een rechtstreekse verwantschap tussen de bewoners van de noordelijke contreien tijdens het Paleolithicum en die tijdens het Neolithicum (en vervolgens tot in de huidige tijd). Van immigratiestromen uit andere streken van Europa is geen sprake.
De eerste sporen die duiden op het bedrijven van landbouw in Drenthe - op zgn. 'celtic fields' (akkers ter grootte van plm. 40 x 40 m., omgeven door zandwallen) - dateren uit 4050 v. Chr. (Gieten).

Kenmerkend voor een latere fase zijn de introductie van de bespannen schuifploeg of het eergetouw (vanaf plm. 3500 v. Chr.) en de houten wegen door de veengebieden waarop met karren, getrokken door ossen, kan worden gereden. Schijfwielen zijn er rond 2500 v. Chr. (Het paard als trekdier vindt pas ingang vanaf de 8e eeuw.)
De wegen maken deel uit van handelsroutes, die - zo blijkt uit bodemvondsten - voeren tot in Denemarken en Westfalen (en verder). Het tijdperk als geheel wordt wel aangeduid als dat van de hunebedbouwers. De hunebedden zelf (beschermd vanaf 1870) dateren alle uit de periode 3400 - 3050 v. Chr. De Noordzeekust ligt nu globaal ter hoogte van de Waddeneilanden. De zeespiegel ligt in deze periode op 4.5 m. beneden NAP.

Het begrip 'nederzetting' mag niet te ruim worden opgevat: het gaat veelal slechts om één of enkele woonstalhuizen, gebouwd op steeds wisselende plaatsen, bewoond door meergeneratie-families van mogelijk ongeveer 10 - 20 personen. Het stalgedeelte was geschikt voor 20 - 40 dieren.

De vroege bronstijd (2000 - 800 v. Chr.) heeft in het 'bodemarchief' van Groningen tot op heden slechts een beperkt aantal vondsten opgeleverd: een vuurstenen pijlpunt, in 2005 gevonden in de Lutkenieuwstraat; in 2007 twee pijlpunten in Helpermaar, een dolk op het bedrijventerrein Eemspoort en een vuurstenen kling in de Gr. Appelstraat. Meer vondstmateriaal is er uit de overgangsperiode naar de ijzertijd (800 - 100 v. Chr.).

In 2003 wordt aardewerk uit de periode 700 - 600 v. Chr. gevonden op een terrein aan de H.L.Wichersstraat; in 2007 in Helpermaar restanten van een woonstalhuis, gebouwd plm. 600 v. Chr. Eerder al worden aan de Verl. Lodewijkstraat blootgelegd de paalgaten van een boerderij, met spiekers (graanopslagplaatsen) en waterputten, uit ca 500 v. Chr. Een waterput in de omgeving van het Zuiderdiep wordt gedateerd omstreeks 500 - 300 v. Chr. Bovendien is ook daar aardewerk gevonden. Twee waterputten zijn aangetroffen op het huidige Guyotplein.
Aan het einde van de Moesstraat zijn sporen van een nederzetting uit 350 - 250 v. Chr. getraceerd.

Ook op wierden, de in het kweldermilieu kunstmatig opgeworpen heuvels uit de eerste periode van terpenbouw, plm. 500 v. Chr.- 400 v. Chr., gelegen in en ten noorden van de tegenwoordige stadswijken Selwerd, Paddepoel, Reitdiep en Beijum wonen al mensen: veeboeren, afkomstig uit Drenthe. Het vee wordt - in de zomer - geweid op drooggevallen kweldergronden. De veestapel bestaat - zo blijkt uit de bodemvondsten - voor ong. 70% uit runderen en voor plm. 20% uit schapen of geiten. Varkens komen minder vaak voor. Huiskatten en hoenderen zijn pas door de Romeinen naar onze contreien gebracht. De wierden liggen 3 tot 5 m. boven de (toenmalige) zeespiegel. Uit de periode 200 v. Chr. - 50 n. Chr. dateert een tweede reeks wierden (...) (1).

 


 

 

Algemeen gedeelte

 

Lang, lang geleden...
De verschillende periodes uit de Prehistorie worden vaak bij hun Griekse benamingen genoemd. Zo heb je het Paleolithicum (Paleios betekent oud), Mesolithicum (Mesos betekent midden) en Neolithicum (Neos betekent nieuw). Het woord Lithos betekent steen.

 

Het Paleolithicum
Tussen 8 en 15 miljoen jaar geleden is er verschil gekomen tussen apen en mensapen. De eerste voorouder van de mens zoals we die nu kennen is de Ramapithecus. Dat betekent letterlijk 'grondaap'. Deze grondaap is ongeveer 4,4 miljoen jaar geleden ontstaan. Zo'n 4 miljoen jaar geleden verschijnen in Zuid en Oost Afrika de Australopithecinen., Ongeveer 2 miljoen jaar later komt het geslacht Homo. Uit die tijd stammen ook de eerste stenen werktuigen. Uit het geslacht Homo zijn de Homo Sapiens Neanderthalensis en de Homo Sapiens Sapiens ontstaan. De Homo Sapiens Neanderthalensis wonen in Europa. Zij jagen op groot wild en verzamelen kruiden en planten. In Dordogne en in de Pyreneeën zijn veel grotschilderingen gevonden. Waarschijnlijk wonden er Neanderthalers in die tijd veel bij elkaar, maar ze leven over het algemeen verspreid door heel Europa. De Homo Sapiens Neanderthalensis verdwijnt ongeveer 40.000 jaar geleden. De Homo Sapiens Sapiens is de mens zoals die nu nog rondloopt op de aarde. Waarschijnlijk zijn ze zo'n 100.000 jaar geleden ontstaan in Afrika.

 

Er waren natuurlijk niet opeens mensen. Eén van de aapsoorten ontwikkelde zich langzaam van aap tot mens.

Van aap naar mens
Er zijn natuurlijk niet opeens mensen. Eén van de aapsoorten ontwikkelt zich langzaam van aap tot mens. 30 miljoen jaar geleden ontstaat er een klein diertje: de Aegyptopithecus. Het lijkt onwaarschijnlijk dat het diertje van onze voorouders afstamt, want het lijkt meer op een hond! Er is over de nakomelingen van dit diertje niets meer bekend, tot 20 miljoen jaar geleden. Dan ontstaan de Dryopithecinen. Zij zijn veel beter vergelijkbaar met de huidige mens. Er zijn van hen veel overblijfselen gevonden op de eilanden van het Victoria-meer. In die periode verandert het klimaat; tropische regenwouden verdwijnen, het wordt koeler en droger en veel wouden maken plaats voor bossen en grasvlakten. De Dryopithecinen moeten zich aanpassen om te overleven, maar velen sterven toch. Overlevenden verhuizen naar de rand van het bos, waardoor een nieuwe groep onstaat: Ramapithecinen. Deze soort lijkt weer een beetje meer op de voorouders van de mens. De Ramapithecinen worden nu gezien als onze vroegste voorouder, maar er zijn niet genoeg bewijzen om daar helemaal zeker van te zijn.

 

Lucy
De eerste wezens die écht op mensen leken, verschijnen 4 miljoen jaar geleden in Zuid en Oost Afrika. Het zijn de Australopithecinen (australis = zuidelijk). In 1974 is er in Ethiopië een groot deel van een skelet gevonden. Het is een hele belangrijke vondst. Die belangrijke vondst moet een een naam hebben: Lucy. De naam komt van een liedje van de Beatles; 'Lucy in the Sky with Diamonds'. Dat wordt gedraaid in het kamp van de archeologen.

Er wordt een zeer precieze studie gemaakt van Lucy. Ze hoort bij de Australopithecus Afarensis. Ze is niet erg groot, ongeveer 1 meter, en ze bezit lange, slungelige armen. Er zit een bepaalde 'ouderdomsstof' in haar lichaam. Ze is ongeveer 20 jaar oud als ze sterft, dat voor deze soort waarschijnlijk redelijk oud is geweest.
Om te bekijken hoe 'menselijk' Lucy is geweest, hebben de onderzoekers vooral naar haar knieën gekeken. Zij hebben de vorm van haar kniegewricht vergeleken met die van de moderne apen en mensen. Bij mensen is het onderste uiteinde van het kniegewricht plat, bij apen niet. Als ze hetzelfde botgedeelte in het skelet van Lucy bekijken, zien ze dat het ook plat is. Daardoor weten ze dat Lucy rechtop kan staan en dat ook doet. Ook Lucy's heupbeenderen laten zien dat ze meer op een mens dan op een aap lijkt. Haar voeten lijken ook meer op de mens van nu, want haar grote teen zit recht naast de andere tenen. Waarschijnlijk kan ze net zo lopen en rennen als de mens van nu.

 

De Australopithecus Robustus
De Australopithecus Robustus leeft naast de Homo Habilis maar overleeft deze niet. Ze hebben ongeveer 50 Kg gewogen en worden wel 1,50 meter groot. Hij heeft alleen planten kunnen eten vanwege zijn grote kaak.

De Australopithecus Robustus

 

De Homo Habilis
De Homo Habilis (letterlijk: handige mens) is het eerste dier dat echt ‘mens' genoemd wordt. Dat komt omdat ze de eersten zijn geweest die zelf werktuigen zijn gaan maken. Dat zijn vooral hak-, kap- en snij-werktuigen geweest. Er zijn wel andere soorten die werktuigen gebruiken, maar die zijn niet genoeg ontwikkeld voor het mens-zijn. De Homo Habilis is groter dan de Australopithecus Afarensis. Hij heeft ook een grotere herseninhoudn namelijk 650 cm3.

 

De Homo Erectus
Nog een stapje verder vinden we de Homo Erectus (letterlijk: rechtop staande mens). Hij staat bekent als de eerste migrant. Hij gaat zijn ontstaansgebied in oostelijk Afrika verlaten en trekt richting China en later ook naar Zuid-Europa. Verder noordelijk kan hij niet omdat daar een ijskap ligt veroorzaakt door de ijstijd. Dit is de Out Of Africa theorie.

In 1984 wordt een erg volledig skelet gevonden. Wel 70% van de botten zijn teruggevonden! Het blijkt een 12-jarige jongen te zijn van zo'n 1,70m groot. Deze jongen is dus een stuk groter dan Lucy. In volwassen stadium zal hij vermoedelijk een lengte van 1,80m hebben bereikt. Deze lengte is niet zo vreemd gezien de milieu-omstandigheden waarin deze mensen hebben geleefd. Dit zijn de hete vlaktes van Oost-Afrika, daar zal het vooral nuttig zijn om zoveel mogelijk warmte te kunnen verliezen en hoe kan dat beter dan door een zo groot mogelijk huidoppervlak? We zien zulke aanpassingen ook bij hedendaagse volkeren.

De Homo Sapiens wordt gekenmerkt door een nog groter hersenvolume en het betere gebruik van werktuigen. Hij woonde in grotten die meestal over een vallei uitkeken. In deze vallei vond hij alles wat hij nodig had om te leven. Het was een jager-verzamelaar die duidelijk groepen vormden. Zulke groepen bestonden meestal uit 3 generaties: kinderen, ouders en grootouders. Uit deze soort is de Neanderthaler geëvolueerd, hij trok naar Europa en het nabije Oosten.

Het hersenvolume neemt serieus toe (zo'n 750 á 1250 cm3). Ook de kaak gaat platter worden want hij kan nu beter jagen en dus meer vlees eten. De lichamelijke beharing vermindert ook geleidelijk. Er komt een technologische evolutie op gang, de werktuigen worden verbeterd, kijk maar naar de vuistbijl, en ze ontdeken hoe ze vuur kunnen maken.

 

De Homo Sapiens
De Homo Sapiens wordt gekenmerkt door een nog groter hersenvolume en het betere gebruik van werktuigen. Hij woont in grotten die meestal over een vallei uitkijken. In deze vallei vindt hij alles wat hij nodig heeft om te leven. Het is een jager-verzamelaar die duidelijk groepen vormt. Zulke groepen bestaan meestal uit dire generaties: kinderen, ouders en grootouders. Uit deze soort is de Neanderthaler geëvolueerd, hij trekt naar Europa en het nabije Oosten.

Een groot deel van het beschikbare leefgebied wordt ook door de Homo Sapiens Neanderthalensis bevolkt. Later is er uit de oorspronkelijke Homo Sapiens nog een nieuwe soort tot ontwikkeling gekomen: Homo Sapiens Sapiens ofwel de moderne mens. Na al deze ontwikkelingen komt het tussen De Homo Sapiens Neanderthalensis en De Homo Sapiens Sapiens tot een botsing. Uiteindelijk blijft De Homo Sapiens Sapiens als enige menssoortige bestaan.

 

Charles Darwin werd geboren in 1809 in Engeland. Hij was het vijfde kind van Robert Darwin (arts) en Susannah Edwood. Op school was Charles een nogal trage leerling. Zijn interesses gingen uit naar chemische expirimenten en jagen. Darwin studeerde geneeskunde en theologie. Na zijn studie begon hij aan een lange onderzoeksreis (van 5 jaar) naar Zuid-Amerike met het schip ‘Beagle'.

Charles Darwin
Charles Darwin wordt geboren in 1809 in Engeland. Hij is het vijfde kind van Robert Darwin (arts) en Susannah Edwood. Op school is Charles een nogal trage leerling. Zijn interesses gaan uit naar chemische expirimenten en jagen. Darwin studeert geneeskunde en theologie. Na zijn studie begint hij aan een lange onderzoeksreis (van 5 jaar) naar Zuid-Amerike met het schip ‘Beagle'. Op basis van zijn ervaringen tijdens deze reis ontwikkelt hij zijn evolutietheorie.
In de tijd waarin Darwin heeft geleefd (1809-1882) denken de meeste mensen dat al het leven is geschapen in een onveranderlijke vorm. Darwin, maar ook andere onderzoekers uit zijn tijd, denken hier anders over. Zij denken dat soorten niet constant hetzelfde blijven, maar in de loop van tijd veranderen of evolueren. Zijn theorie klopt niet met het ontstaan van het leven volgens de kerk. Toch wordt deze theorie nog steeds gezien als een hele belangrijke, misschien wel één van de belangrijkste theorieën uit de hedendaagse wetenschap. Darwin (foto links) overlijdt in 1882 en wordt begraven in Engeland.

 

Het ontstaan van de mensen volgens de godsdiensten
Er zijn dus wetenschappers die zeggen dat de mensen van de apen afstammen. Maar de godsdiensten zeggen weer heel wat anders. Ook de Grieken en de Romeinen hebben eigen ideeën. Allemaal theorieën, maar wat er van waar is? Geen idee! In dit hoofdstuk volgt in elk geval een overzicht van de godsdienstige theorieën over het ontstaan van de mens en het scheppingsverhaal volgens de joods-christelijke traditie.

Toen zei God: ‘Laten we mensen maken! Mensen die mijn evenbeeld zijn, die op mij lijken. Zij zullen zeggenschap hebben over de vissen in de zee. over de vogels in de lucht, over de dieren op het land.' God schiep de mens als het evenbeeld van zichzelf. Hij schiep de mens: man en vrouw'.

 

Adam en Eva

In de Bijbel (van het Christendom) en in de Tenach (van het Jodendom) staat allebei het zelfde scheppingsverhaal. Volgens het verhaal in Genesis 1 is de mens geschapen naar het beeld van God. Dat betekent dat er ‘iets of iemand' is die de mens heeft gevormd en dat het tijdstip aan te wijzen is. Vele geleerden hebben onderzoek gedaan naar het tijdstip van deze schepping. Volgens de Joodse godsdienst is de aarde geschapen in september 3760 voor Christus. Dus moeten de eerste mensen op een mooie zaterdag in die septembermaand – ongeveer 6000 jaar geleden – zijn gemaakt.

Lange tijd is er maar weinig twijfel aan de waarheid van dit verhaal. Ook als de evolutietheorie naar buiten komt, probeert men die theorie nog lange tijd te vergelijken met dit scheppingsverhaal. Zo verklaren ze de verschillende stadia van leven die uit fossielen blijkt uit verschillende scheppingen achter elkaar, want als God de wereld één keer kan scheppen, kan hij dat ook meerdere keren hebben gedaan!


De eerste mensen volgens de Griekse mythologie
De oude Grieken zoeken een antwoord op de belangrijke levensvragen. Die antwoorden en verklaringen leggen ze vast in mythen. Zo hebben ze ook een verklaring voor het ontstaan van de eerste mensen. Meestal heeft de Griekse mythologie één verklaring op een belangrijke levensvraag. Een uitzondering is de mythologie rondom de eerste mensen. Daarover bestaan verschillende mythen:

 

• De theorie 'generatio spontanea';
Deze theorie gebruiken ze in de 19 eeuw. Aristoteles heeft deze theorie ontwikkeld. Daarbij wordt aangenomen dat levende wezens uit levenloze of dode materie kunnen bestaan. Dit kan alleen als er bijvoorbeeld levenskracht en lucht aanwezig is.
Sommige mensen denken zelfs dat bomen ganzen kunnen laten ontstaan. Bepaalde wetenschappers stellen zelfs recepten op om bepaalde organismen te laten onstaan. Uiteindelijk levert Louis Pasteur het bewijs dat deze theorie niet kan kloppen.

 

• Er is ook een ook een verhaal van Hesiodus;
Hij spreekt over verschillende generaties mensenrassen: het gouden, zilveren, bronzen en ijzeren ras. Het gouden ras is geschapen in het begin van de schepping. Zij zijn in feite bijna hetzelfde als goden. Het zilveren ras is ten onder gegaan aan hun hoogmoed en eigendunk. Zij moeten begraven worden. Daarna komt het bronzen ras voort uit bomen. Zij hebben elkaar uitgeroeid. Wij horen bij het ijzeren ras: wij zijn veroordeeld tot een leven van zwoegen en zorgen.


Hoe is het volgens de Romeinen geweest?
Volgens de Romeinen is het lang geleden leeg op aarde. Er zijn wel planten en dieren, maar geen mensen. De Goden vinden het langzamerhand maar een saaie boel worden. Er gebeurt nooit iets spectaculairs. Er is niemand die hen aanbidt. Daarom krijgt Prometheus (‘Hij die van te voren denkt') de taak mensen te maken. Hij gaat naar een rivier en pakt de rivierklei. Daarvan kneedt hij mensen in verschillende kleuren: blank, zwart, geel, en rood. Als hij de mensen heeft gekneed, pakt hij 2 rietstengels. Die prikt Prometheus in de neus van de mensen en hij blaast hen adem in.

 

Sneeuw in de prehistorie

Leven in de prehistorie
Stel je voor, je leeft in de prehistorie. Waar woon je? Wat eet je en hoe kom je daar aan? Welke taken zijn er in jouw stam? Op deze en nog andere vragen proberen we vervolgens het antwoord te vinden. We komen dan weer bij de apen, mensapen en mensen in de prehistorie in het algemeen. Voor de duidelijkheid, wij hebben het steeds over ‘de mens', maar het kan soms ook gaan over een soort tussen mens en aap in. Dan is de soort er wel bij vermeld.

 

Leven in de prehistorie: in het kort
Waarschijnlijk hebben de mensen in de prehistorie in groepen geleefd, ze hebben een territorium gekend. De plekken waar men het kamp opslaat, zijn niet toevallig. Men werkt volgens een vast plan en houdt rekening met waar en in welk seizoen voedselbronnen beschikbaar zijn. De taakverdeling tussen man en vrouw is goed verdeeld (zo denkt men): de mannen jagen, de vrouwen verzamelen of jagen op een kleiner prooi. Bij de vrouwen wordt waarschijnlijk ook rekening gehouden met zwangerschap en het zogen van kinderen. Gedacht aan de temperaturen in de prehistorie is het ook waarschijnlijk dat ze kleding hebben gedragen.

 

Jachtscene uit de prehistorie

Jagen en verzamelen
In de ijstijd jagen de mensen in Europa waarschijnlijk ook op groot wild als de woldragende mammoet. Ongeveer 75.000 jaar geleden vangen mensen aan de kust van Zuid Afrika zeehonden en pinguïns. 25.000 jaar geleden maken de eerste Australiërs jacht op de inmiddels uitgestorven reuzenkangoeroe. Wij eten ook elke avond een lekker biefstukje, een hamburger, of een slavink. Kortom, vlees is en blijft een belangrijk deel van ons voedsel.

 

Voedsel in de prehistorie
Waarschijnlijk bestaat tijdens de hele prehistorie het voedsel voor een groot deel uit planten, noten, vruchten en schaaldieren, omdat die met weinig inspanning en moeite verzameld worden. Maar de vondst van vuurstenen speer- en pijlpunten wijst erop dat oude volken ook al uitstekende methoden hebben ontwikkeld voor de jacht op wild.



Inoe-iet ( Wat zeg je?)


Volkeren van nu in vergelijking met volkeren van toen
Uit de ijstijd (die duurt van 2 miljoen tot 15.000 jaar geleden) is weinig bewaard gebleven. Er zijn maar een paar stenen en beenderen en benen voorwerpen van jagers uit die tijd gevonden. Wij hebben wel een idee hoe de kleding en onderkomens van de mensen uit die tijd er uit moeten hebben gezien. Er is geen direct bewijsmateriaal van hun leefwijze. Daarom bekijken wetenschappers volkeren uit een gelijksoortig klimaat waarvan ze denken dat ze op ongeveer dezelfde wijze hebben geleefd als de mensen in de ijstijd. Door dit te doen leert men veel over hoe het leven in de ijstijd moet zijn geweest.

De IJstijd bestaat uit verschillende warme en koude periodes van ongeveer 10.000 jaar die elkaar opvolgen. Tijdens een paar van deze periodes is het klimaat zelfs warmer dan nu, maar tijdens koudere periodes wordt Noord-Europa door grote ijsmassa’s bedekt. De Homo Erectus is de eerste mens die in deze streken leeft, maar waarschijnlijk alleen in de warmere periodes. Ongeveer 250.000 jaar geleden past de mens zich langzamerhand aan het leven in de koude perioden aan. De Inoe-iet, die door de meeste mensen gewoon Eskimo’s worden genoemd, wonen langs de kusten van Groenland en Noord Amerika. Zij hebben duizenden jaren weten te overleven in een landschap waar zelfs de zee het grootste gedeelte van het jaar is dichtgevroren. Ook al hebben de Eskimo’s veel uitvindingen van ‘de westerse samenleving’ overgenomen, het leven van de Inoe-iet in de vorige eeuw moet nog grote overeenkomsten hebben vertoond met dat van de jagers-vissers uit de ijstijd.

 

Op jacht met de Eskimo's
De hele geschiedenis door hebben de Eskimo's gejaagd op dieren die in zee of rivieren voorkomen. 's Zomers vangen zij vis met netten of speren, ‘s winters jagen ze op zeehonden. Tijdens de jacht maken de Eskimo's gebruik van een kajak en hun wapenuitrusting. De wapenuitrusting van een Eskimo bestaat uit harpoenen en speren voor jacht op zee. Met beide werpen ze op de prooi, alleen met een speer wordt vanaf grotere afstond geworpen. Grote harpoenen worden soms zelfs vanaf boten naar walrussen of walvissen geworpen. Aan de harpoenen zit een blaas die ervoor zorgt dat de harpoen blijft drijven. Als de jager zijn doel mist, kan hij zo zijn harpoen weer ophalen. Op het land jagen de Eskimo's met pijlen. De kajakken van de Eskimo's worden voor het grootste gedeelte gemaakt van huiden. De buitenwand van een kajak is helemaal gemaakt van huid. Om te voorkomen dat er water in de kajak loopt, worden alle inzittenden omsloten door een waterkering die met een trekkoord wordt aangetrokken. Ook hebben de inzittenden waterdichte kleding aan, die gemaakt wordt van zeehonden- of walruspels. De Eskimo's laten niets verloren gaan van de dieren waarop zij jagen. De huid wordt gebruikt om bijvoorbeeld kleding en kajakken van te maken. De beenderen worden gebruikt voor wapens en werktuigen. Ook krijgen alle ingewanden van het dier een nieuwe taak. Darmen kunnen bijvoorbeeld om een mes worden gewonden voor een betere greep en de blaas van het dier kan worden gebruikt om een harpoen te laten drijven. Anno 2012 zijn er nog steeds honderden eskimo's die op deze wijze door het leven gaan. Discovery Channel levert nog regelmatig het bewijs....


Woestijnjagers
In de kalahariwoestijn in Zuid-Afrika leeft een stam die de ‘Khoisan' of ‘Bosjesmannen' worden genoemd. Het is één van de weinige volken die nog steeds leven van de jacht op wilde dieren en het verzamelen van wilde planten. Ook al leven zij in een heel andere omgeving als die Inoe-iet jagers, ook hun leefwijze kan ons inzicht geven over de jagers-verzamelaars uit het verleden. Zoals bij verzamelculturen normaal is, verzamelen de Khoisan-vrouwen eetbare wortels en noten waaruit het voedsel voor het grootste deel bestaat. De mannen zorgen ook voor eten door op dieren te jagen.

 

Homo Sapiens

Op jacht met de Khoisan-mannen
De lievelingsprooi van Khoisan boogschutters is de antilope. Kleinere dieren worden gevangen in strikken of klemmen. Soms gebruiken de Khoisan bij de jacht op grotere dieren speren in plaats van bogen. De Khoisan gebruiken pijlen bij de jacht. Sommige pijlen hebben een metalen punt, er zijn veel pijlen met losse, holle punten en met gif gevulde punten. Het gif, dat uit de larven van kevers wordt gehaald, werkt langzaam. De jager moeten hun prooi vaak lang volgen tot hij sterft.

Natuurlijk neemt een Khoisan- man zijn wapenuitrusting mee als hij op jacht gaat. Verder neemt hij ook een grote leren zak met daarin zijn boog en houten pijlenkoker mee, zodat hij altijd zijn wapens binnen handbereik heeft. Een weitas wordt gebruikt om de benodigdheden voor vallen en strikken mee te nemen. Verder heeft een Khoisan-man een amulet met daarin delen van een antilope, zoals hoorn, hoef en voetbeentjes. De jager ‘voorspelt' hiermee wanneer hij op jacht moet.


Prehistorisch voedsel
Hoewel we niet precies weten wat de eerste mensen hebben gegeten, is het wel duidelijk dat de prehistorische mens zich nauw verbonden heeft gevoeld met de dieren en planten om zich heen. Na duizend jaren proberen ontdekt de mens op welke dieren hij moet jagen, welke planten eetbaar zijn en welke planten gebruikt kunnen worden om ziekten te behandelen. Veel van deze kennis is nu trouwens alweer verloren gegaan. Het prehistorische voedsel is veel gevarieerder dan het eten dat wij nu elke dag op ons bordje krijgen. In de maaltijd van de mensen uit de prehistorie zitten ook planten die wij nu als onkruid beschouwen. Nadat de mens graan is gaan verbouwen, wordt er nog steeds voedsel uit de vrije natuur gegeten. De mensen in de prehistorie kunnen eten alleen bewaren door te drogen, te zouten of het eten in zuur te leggen. De invloed van de seizoenen is van grote invloed op wat er in de prehistorie wordt gegeten. Een ander verschil met het voedsel van nu is dat er, met uitzondering van honing, weinig zoetstoffen bekend zijn geweest.

 

Eten uit het bos
Bossen leveren in de prehistorie veel voedsel op. Zo eten de mensen in de prehistorie allerlei planten en wordt er bijvoorbeeld van brandnetels brandnetelsoep getrokken en eten ze de bladeren van de paardebloem als ' salade'. Ook wilde noten en bessen zijn uitstekend voedsel dat ook nog gemakkelijk bewaard kan worden. Vooral hazelnoten worden waarschijnlijk voor de winter opgeslagen en vruchten kan men bewaren door er jam van te maken. Net als nu worden er in de prehistorie ook kruiden verzameld voor het eten. Verder gebruiken ze in de prehistorie ook specerijen. Zout wordt in de prehistorie ook wel gebruikt, maar meer om eten te bewaren, dan om het op smaak te brengen. Net als wij nu eten bestaat de maaltijd van mensen in de prehistorie niet alleen uit planten, maar ook uit vlees en vis. Verder eten de mensen nog meer dierlijke producten, zoals bijvoorbeeld eieren.


Prehistorisch voedsel
Hoewel we niet precies weten wat de eerste mensen hebben gegeten, is het wel duidelijk dat de prehistorische mens zich nauw verbonden voelt met de dieren en planten om zich heen. Na duizend jaren proberen ontdekt de mens op welke dieren hij moet jagen, welke planten eetbaar zijn en welke planten gebruikt kunnen worden om ziekten te behandelen. Veel van deze kennis is nu trouwens alweer verloren gegaan. Het prehistorische voedsel is veel gevarieerder dan het eten dat wij nu elke dag op ons bordje krijgen. Nadat de mens graan is gaan verbouwen, wordt er nog steeds voedsel uit de vrije natuur gegeten. De mensen in de prehistorie kunnen eten alleen bewaren door te drogen, te zouten of het eten in zuur te leggen. De invloed van de seizoenen is van grote invloed op wat er in de prehistorie wordt gegeten. Een ander verschil met het voedsel van nu is, dat er, met uitzondering van honing, weinig zoetstoffen bekend zijn.

 

Voedsel als medicijn
Veel planten zijn niet alleen voedzaam, maar hebben ook geneeskrachtige eigenschappen. Van deze geneeskrachtige eigenschappen is al duizenden jaren gebruik van gemaakt en sommige planten worden nog steeds gebruikt. De bladeren van wijnruit werd tegen hoofdpijn gebruikt; kattekruid was een goed geneesmiddel tegen verkoudheid.

 

Het eerste vuur

Vuur
Voor ons is het heel ‘normaal' dat we leven in een warm huis en dat we veilig zijn voor wilde dieren. Voor de eerste mensen is dat helemaal niet zo vanzelfsprekend, totdat ze ontdekken hoe ze zelf vuur kunnen maken. Zelf vuur maken is een van de belangrijkste ontdekkingen die door de eerste mens is gedaan. Behalve vuur om jezelf op te warmen en wilde dieren op afstand te houden, kun je met vuur ook vlees roosteren en de punten van houten speren harden. Voordat ze zelf vuur leren maken, maken de mensen in de prehistorie waarschijnlijk als wel gebruik van het vuur dat bij toeval ontstaat na een blikseminslag. Als de mensen ontdekken hoe zij zelf vuur kunnen maken door twee stokjes tegen elkaar te wrijven, is dat een grote vooruitgang. Het eerste bewijs van het bestaan van vuur is van ongeveer een kwart miljoen jaar geleden.


Uiterlijk
‘Zit mijn haar wel goed?', ‘Staat dit truitje mij wel leuk? '. Niet alleen de mensen nu, maar ook de mensen uit de ijstijd zijn met hun uiterlijk bezig. Welke kleren en stoffen hebben de mensen in de prehistorie? Waarmee versieren de mensen zichzelf?

 

Kleding en stoffen
De mensen uit de ijstijd zijn waarschijnlijk de eersten die kleding hebben gedragen. Het is in elk geval bijna zeker dat hun lichaamsbeharing niet genoeg is geweest om hen in het koude klimaat warm te houden. Daarom maken ze kledingstukken van de huiden en vachten van dieren waarop ze jagen voor hun voedsel.

De rendierjager

Na het bewerken moeten deze huiden erg warme kleding zijn geweest. Misschien zijn de huiden ook wel gebruikt om er een schuilplaats van te maken. De eerste wollen weefsels zijn vermoedelijk gemaakt in het Nabije Oosten. Daar worden in de late steentijd voor het eerst schapen gehouden als huisdieren.

 

Huiden bewerken
Een dierenhuid wordt in drie fasen tot leer bewerkt. Om te beginnen wordt de huid schoongemaakt en gereinigd. Met kammen wordt het teveel aan haar weggehaald. Daarna wordt de huid ‘gelooid'. Dat is om er voor te zorgen dat de huid langer mee gaat. Als laatste wordt het leer versierd. Het leer wordt ook behandeld tot het de juiste dikte heeft en niet uitdroogt.

 

Benodigdheden
Vuursteenmessen zijn schijfvormige messen die worden gebruikt om het dier te villen en de huid te snijden. Met een schraper wordt al het overtollige vet en weefsel van de afgestroopte huid gehaald. Als huiden eenmaal behandeld en gelooid zijn, kan het leer in de goede vorm worden gesneden. Elzen, puntige benen werktuigen, worden gebruikt om gaten te maken langs de zomen van de stroken voor het aaneen naaien.


Versieringen voor je lichaam
Vroeger hebben de mensen hun lichaam veel meer versierd dan wij ‘westerlingen' dat nu doen. Grafschilderingen, beeldhouwwerken en bewaard gebleven overblijfselen laten ons een zien hoe de mensen in de prehistorie zich hebben versierd. Er zijn veel verschillende versieringen: tatoeages, lichaamsbeschilderingen, sieraden en rare kapsels.

 

Sieraden
De meeste sieraden die de mensen in de prehistorie hebbeb gedragen, zijn niet alleen voor de versiering. Van bijna alle sieraden wordt gedacht dat ze een bepaalde toverkracht bezitten. Voor bijna alle sieraden worden delen van dieren gebruikt bijvoorbeeld de klauwen van een luipaard of zelfs lijven van insecten. Ook worden er vaak veren gebruikt om als sieraad te dienen.

 

Lichaamsbeschildering
Net als sieraden, hebben lichaamsbeschilderingen ook een betekenis. Zo beschilderen medicijnmannen hun lichaam soms om op boze geesten te lijken. Verder gebruiken de mensen in de prehistorie soms ook 'make-up'. Dat wordt bijvoorbeeld gebruikt om de huid rond de ogen donker te kleuren. Ook zijn er stammen waar zij de tanden zwart kleuren.

Magie

 

Magie
In kleine samenlevingen, waar de wetenschap niet zo'n grote rol speelt, is magie en tovenarij heel normaal. Het is daar het heel gewoon om te geloven dat rampen, ziektes en ongelukken komen door de mysterieuze krachten van geesten. Als je dat gelooft, is het logisch dat je ook gelooft dat je de geesten om hulp en raad moet vragen. Door de geesten om hulp te vragen, hopen de mensen in de prehistorie dat het kwaad verdwijnt. Meestal is er een speciaal persoon om met de geestenwereld contact te maken. Zo iemand wordt meestal een sjamaan, waarzegger of medicijnman (een medicijnman kan ook iets anders zijn) genoemd. Meestal moet er een soort offer worden gebracht en moeten er allerlei rituelen worden uitgevoerd. Ook dragen de mensen in de prehistorie vaak een amulet om zichzelf te beschermen. Waarschijnlijk hebben de allereerste mensen magie gebruikt. Zo denken ze er achter te komen, waar en wanneer ze het best kunnen jagen en hoe ze ziektes kunnen genezen.


Waarzeggen
In sommige samenlevingen hebben medicijnmannen verdovende middelen gebruikt, zoals de papaverzaden, om in trance te raken. Sterker nog, dat gebeurt in de binnenlanden van Afrika nog dagelijks. Er zijn ook waarzeggers die door muziek en dans in een soort trance raken. Daarvoor worden bijvoorbeeld trommels of bellen gebruikt. Waarzeggers, medicijnmannen en sjamanen maken op verschillende manieren contact met de geesten. Sommige lezen boodschappen, anderen worden door de geesten bezeten en weer anderen spreken met de geestenwereld via heilige voorwerpen. Een waarzegkom wordt gebruikt om de oorzaak van tegenspoed te ontdekken. De kom wordt met water gevuld. Zo probeert de sjamaan de betekenissen van de voorwerpen op het water te raden.


Kunst

 

In heel Europa werden sieraden gemaakt, zoals kettingen en hangers van ivoor. Ook lansen en speerwerpers werden versierd. Het meest bekendste zijn de beeldjes van dieren en vrouwen met het symbool vruchtbaarheid. Ze werden venus genoemd. Veel stammen vereerden de vruchtbaarheid van de vrouw om zo het nieuwe leven de eren.

Grotschilderingen
Van 35.000 tot 15.000 v. Chr. maakten de Homo Sapiens grotschilderingen. Deze zijn vooral gevonden in Spanje, Frankrijk en op Sicilië. Ze werken op kalkmuren met een stift van vuursteen en op zachtere rotsen wordt ook wel met de vingers gewerkt. Deze tekeningen worden door de geleerde Leroi Gourhan ingedeeld in 4 groepen:

Groep 1 (35.000 t/m 22.000 v. Chr.): Gegraveerde stenen platen met vruchtbaarheids-tekens of omtrekken van dieren.
Groep 2 (22.000 t/m 17.000 v. Chr.): De dieren worden verder uitgewerkt en er zijn oren staarten, hoorns, slagtanden en haren te zien.
Groep 3 (17.000 t/m 13.000 v. Chr.): In deze tijd worden de mooiste schilderingen gemaakt. De dieren zijn wat grootte en kleur betreft heel nauwkeurig gemaakt.
Groep 4 (13.000 en later): Deze schilderingen liggen in erg diepe grotten. De bewegingen zijn erg goed weergegeven. Sommige mensen denken dat met de schilderingen mensen worden bedoeld, en weer anderen denken dat ze zijn bedoeld om de jacht gunstig te stemmen. Ook kan het zo zijn dat de schildering de gevoelens van de mensen uit die die tijd uitdrukt.


Beeldhouwwerk
In heel Europa worden sieraden gemaakt, zoals kettingen en hangers van ivoor. Ook lansen en speerwerpers worden versierd. Het meest bekendste zijn de beeldjes van dieren en vrouwen met het symbool vruchtbaarheid. Ze worden venus genoemd. Veel stammen vereren de vruchtbaarheid van de vrouw om zo het nieuwe leven de eren.

 

Dood...

Dood en begrafenis
Iedereen wordt geboren en iedereen gaat ook een keer dood. Nu is het heel normaal dat je, als je bent gestorven, wordt begraven of gecremeerd. Maar wat hebben de mensen in de prehistorie met het lichaam van een overledene gedaan?

Sinds de eerste Neanderthalers ongeveer 40.000 jaar geleden hun doden hebben begraven, hebben de meeste volken volgens een bepaald ritueel afscheid genomen van hun doden door begraving, lijkverbranding of mummificatie. Voor de mensen in de prehistorie betekent de dood niet het einde van het bestaan, maar een nieuw onderdeel van de levensreis. Vaak wordt de dood gezien als het moment dat de geest het lichaam verlaat om ergens anders te gaan wonen. Bijvoorbeeld in de hemel, in het landschap, in een graf of gewoon in een huis. In de meeste samenlevingen wordt de dood nog steeds beschouwd als een belangrijke fase in iemands leven. De manier waarop met het lijk van de dode omgaat, verschilt van cultuur. In sommige oude samenlevingen worden de lijken verbrand, in andere samenlevingen worden ze begravenm, waarbij soms bloemen en stuifmeel zijn gebruikt. In sommige culturen geven de mensen de dode voedsel en gereedschappen mee. De geest van de overledene kan zo overleven op zijn weg naar ‘het hiernamaals'.


Referenties/bronnen:
(1). Grunn.nl: stadshistorie (1998, Kor Feringa). Het citaat is met toestemming van Kor Feringa overgenomen.
(2). De stadsgeschiedenis van Groningen wordt illustratief weergegeven in Meindert Schroor, 'Historische Atlas van Groningen' (SUN, 2009). Zie par. 039, respectievelijk par. 076 voor het stadswapen en de stedelijke vlag en par. 266 voor de provinciaal Groningse vlag.
(3). Archeon museum. De prehistorie in Archeon, febr. 2000.
(4). De historie van de kleding. Scientias, juni 2009.
(5). Wikipedia.
(6). Mediabestanden: Wikipedia en van derden ontvangen bestanden.

 


Deze pagina maakt deel uit van www.nazatendevries.nl.
Aan bovenstaande tekst is de uiterste zorgvuldigheid besteed. Desondanks kunnen er best fouten voorkomen.
Constateer je fouten en/of heb je vragen, correcties, aanvullingen...geef die dan even aan mij door via mijn E-mail adres.
Laat ook eens een bericht achter in het Gastenboek.
Hoogeveen, 3 juni 2013
Revisie: 9 mei 2012
Verhaal: © Harm Hillinga
.
Menu Artikelen.
Terug naar de HomePage.
Top