Zodra er in vroegere eeuwen in de onderwijswereld een vacature ontstaat, dat wil zeggen als er een nieuwe schoolmeester nodig is, melden zich terstond allerlei gegadigden aan. Naar een akte van bekwaamheid wordt niet gevraagd. Gewezen soldaten en landlopers solliciteren mee. De predikanten zijn belast met het onderzoek naar de geschiktheid.


De dominee in de Ommelanden is daarbij geheel afhankelijk van de oppermachtige burchtheer, die ook de schoolmeester aanstelt. Wat komt er van het onderzoek terecht, als de dorpsheer zijn oude koetsier of huisknecht met het onderwijs belast wil zien?

Schoolmeester met drie leerlingen door Adriaen van Ostade.


School


De door de Provinciale Synode in 1654 te Appingedam vastgestelde ‘Schoolordre’ schrijft voor, dat “sij moeten goede kennisse hebben van lesen, schrijven en singen ofte oock rekenen, na gelegenheit van de plaetse in dewelcke sij geroepen werden en bequaem zijn om tselve andere te leeren.” Blijkens bepalingen in deze schoolorde wordt rekenen in sommige plaatsen overbodig geacht. Lezen en zingen is hoofdzaak. De gemeente verwacht, dat deze kennis ten volle wordt beheerst door haar koster-schoolmeester-voorlezer en voorzanger. Het is de sollicitant verboden bezoeken af te leggen bij de autoriteiten. Hij heeft zich te onthouden van “onbeschaemde en onbehoorlijcke sollicitatiën, beloften of giften”. Dat deze bepaling moet worden gemaakt, geeft genoeg te denken. Is de gegadigde “so veel doenlick” met instemming van predikant en kerkenraad door de collator(en) aangesteld, dan wordt hij beschermd tegen vestiging van indringers die hem met zijn leerlingen een deel van zijn inkomsten zouden ontnemen. Met uitzondering van de weeskinderen der diaconie ontvangt de meester voor ieder kind wekelijks schoolgeld. De eerste taak van de nieuwbenoemde bestaat uit het ondertekenen van de ‘Schoolordren’ en van de ‘Confessie ende catechismus der Nederlandsche Kercken’.

Dit betekent volledige onderwerping aan de predikanten. In 1596 wordt te Westerlee een schoolmeester ontslagen, omdat hij hieraan probeert te ontkomen. De eis van het ondertekenen sluit aan bij het eerste artikel van de Schoolorde: “Die persoonen, die tot schoolmeesteren sullen worden aengenoomen, moeten zijn lidtmaten van de ware Gereformeerde gemeinte, gesond int geloove”. Tot de ongezonden in het geloof worden gerekend de wederdopers en de papisten, dat zijn de doopsgezinden en de rooms-katholieken. Vooral tegen de laatstgenoemden is men gekant. Onder andere in 1748 wordt er aan de schoolmeesters nog gevraagd “of er agt gegeven word, dat de kinderen der roomsgezinde in de schoolen niet brengen eenige hunner boeken, roosekransen, krucifixen, effigies, schilderietjes, enz.”. Ze mogen dus wel aan het onderwijs deelnemen, maar niets mag er op wijzen tot welk geloof ze behoren.

Kennisoverdracht.

Kennisoverdracht is eeuwenlang niet met het boek (het woord) vervlochten maar met de dagelijkse realiteit. In het huishouden, op boerenhoven en in ambachtelijke ateliers uit de agrarische periode waren volkskinderen direct bij de bron: de dagelijkse werkelijkheid. Ze leren alles al doende. Vanaf de zeventiende eeuw groeit bij ouders van de (economisch) hogere klasse de tendens om hun kinderen thuis af te schermen van het openbaar leven (aparte kinderkamers, gouvernantes en huisonderwijzers, specifieke kinderboeken, kinderspeelgoed).

Rond 1900 zal de overheid zelf meer onderwijsvoorzieningen uitbouwen (dus scholen oprichten) terwijl o.a. de caritatieve bezorgdheid van katholieke orden (congregaties) al veel langer tot het onderhouden van armenscholen had geleid. Vanaf het einde van de negentiende eeuw (± 1890) pleiten schoolpedagogen er meer en meer voor om de kennisoverdracht verbonden aan boekenwijsheid, aan te vullen met zgn. cultuuroverdracht (beschaving, omgangsvorm en brede ontwikkeling).


Nevenfuncties


De schoolmeester mag geen nevenfuncties bekleden, opdat hij in zijn werkzaamheden niet zal worden gehinderd of in zijn waardigheid zal worden aangetast. Deze onmisbare dorpsfunctionarissen mogen geen

 

secretarissen ofte gerichtsschrijvers, advocaten, wedlieden en schatbeurders zijn; geen tapperije houden, geen instrumenten (akten) in openbare herbergen schrijven, op geen bruiloften ten danse of anders spelen, of iets diersgelijcken. Oock geen carspelsaken bewaren of huismansbedrijf hebben tot beletsels hares diensts”.

 

Maar als het de heren regenten beter uitkomt, zijn dergelijke bezigheden wel toegestaan. In 1625 wordt de op het eiland Rottum wonende schoolmeester opgedragen

 

uptekeninghe ende goede registratie te doen van alle barchgoederen daer om ‘t eyland gestrandet ofte up de stroomen van dien gestrant.”

 

De drang naar bijverdiensten spruit voort uit een te lage bezoldiging. Het is dan ook wel eens moeilijk een bekwame gegadigde te vinden. Uit de opbrengst van de voormalige kloosterlanderijen wordt de schoolmeesters het leven iets verlicht.

Eerste plicht


De opvoeder der dorpsjeugd heeft tot eerste plicht zijn leerlingen tot getrouwe kerkgang aan te sporen. ‘s Zaterdags leren de kinderen de stichtelijke liederen, die ‘s zondags in de kerk ten gehore worden gebracht. Ook is het onderwijs afgestemd op bijbel en catechismus, tevens op het afhouden van “vloecken, sweren, vuilspreken, dobbelen, caertspelen ende alle gottloosheid, ijdelheid ende lichtveerdicheit.
De schooldienst duurt van april tot en met augustus, ‘s ochtends van 6-8 uur, van 9-11 uur en ‘s middags van 12-2 en van 3-5 uur. In de overige maanden wordt lesgegeven van 8-11 uur en van 12-3 uur. ‘s Woensdags- en ‘s zaterdagsmiddags is er geen school. Er zijn twee vakanties van drie weken. Daar er geen leerplicht bestaat, kan het gebeuren dat er soms vrijwel geen leerlingen aanwezig zijn. Dat ontheft de schoolmeester niet van zijn plicht. De lessen moeten voortgang vinden. Aan het leren lezen wordt veel aandacht besteed. Het schrijven komt pas later aan de orde. Voor het beoefenen van de tekenkunst heeft men, zoals gezegd, weinig belangstelling. De onderwijzer gaat er doorgaans slechts op nadrukkelijk verzoek toe over.



Zelfontwikkeling

De dorpsschool (ook wel De schoolmeester genoemd).

Een dorpsschool in de 18e eeuw

Het onderwijs in de 18e eeuw was heel anders dan nu. In plaats van klassikaal les te geven, zit de schoolmeester achter zijn katheder, handhaaft min of meer de orde, voorziet de leerlingen van schoolbehoeften en zet ze vervolgen aan het werk. De kinderen zitten op bankjes of op de grond en werken individueel.

Dit werken kan bestaan uit spellen, spellend lezen en lezen. Dit gaat allemaal half hardop, dus is het een geroezemoes van belang. De kinderen die al kunnen lezen mogen gaan schrijven. Dat zijn er meestal niet zoveel. Enkele keren per dag roept de meester zijn leerlingen naar zijn lessenaar, meestal in groepjes van drie.

Dan laat hij hen het geleerde opzeggen of voorlezen. Wie het niet goed doet, krijgt een paar venijnige tikken op de handpalmen met de plak, een houten stok met een breed uiteinde.

De dorpsschool (ook wel De schoolmeester genoemd).
Bronvermelding: paneel uit 1662 door Adriaan van Ostade. Muséé du Louvre, Parijs.

Na de dagtaak moet ‘meester’ zichzelf bekwamen om in kennis niet achter te raken, doch meer en meer toe te nemen. Dat is hier en daar wel nodig ook. In 1627 is te Haren de opvoeding der jeugd opgedragen aan iemand die niet kan zingen en schrijven en die amper kan lezen. Het geven van schrijflessen levert voor een dergelijke meester geen bezwaren op. Er wordt in het leslokaal een prent opgehangen met een geschreven letter of met een woord er op. De kinderen hebben dan slechts tot taak letter of woord na te schrijven. De schoolmeester is inzake zijn ambtsbezigheden en zijn particuliere leven allereerst rekening en verantwoording schuldig aan de predikant ter plaatse, vervolgens aan de kerkenraad en tenslotte aan de classis.

Vaak is er met de meesters iets aan de hand. Dronkenschap kom veel voor en irriteren van de predikant is nogal eens aan de orde. Het maakt de indruk dat zij ook op min of meer gemaskerde wijze wel eens ‘peerdecoopmanschap’ bedreven of heimelijk een herberg houden. In dit laatste geval gaat men ongenood op vastgestelde tijden bij meester op bezoek, als is het een sociëteit en betaalt na afloop of bij gelegenheid het genotene.

Zwarte kunst


Een merkwaardig geval doet zich voor te Niezijl in 1614.
Daar is een schoolmeester die in zijn vrije tijd ‘magiam exerceerde’, de Zwarte kunst beoefent. De classis komt er achter en de liefhebberij wordt verboden.

Een andere onderwijzer die in beschonken toestand met dronken lieden de psalmen Davids heeft gezongen, die de predikant bespot en die tijdens de preek gaat hooien, wordt van zijn kerkdienst geschorst, maar mag de school wel blijven waarnemen.

Dit vindt plaats onder de bedreiging “zoo hij hem niet beterde de facto gedeporteert” zou worden. Maar de Ommelander predikant, die belast is met het toezicht op zijn school gaat zelf lang niet altijd vrijuit. Ook in menige pastorie is het alcoholverbruik helaas te groot.

 

 

Hendrik Wester (1752-1821), Schoolmeester en onderwijshervormer

Hendrik Wester

Hendrik Wester staat bekend als één van de grondleggers van een verbeterd onderwijs. Hij is vooral een man van de onderwijspraktijk, niet van de theorie. Hij begint zijn carrière als winkelbediende in de Stad. In 1772 rolt hij het onderwijs in als (tijdelijk) schoolmeester van Ten Boer en vanaf 1783 van Oude Pekela.

 

Wester schrijft een vijftigtal schoolboekjes, onder andere over een betere spelmethode, orde in de school, klassikaal in plaats van individueel onderwijs, begrijpelijke lesstof, Nederlands en geen dialect als spreektaal en het belang van een onderwijzersopleiding.
Al deze zaken past hij toe in zijn Pekelder school, die daardoor een modelschool wordt.

 

Na 1795 erkent de Bataafse overheid de waarde van zijn arbeid en benoemt hem in 1801 tot één van de eerste schoolopzieners in het land. Om het peil van de onderwijzers te verhogen richt Wester in 1802 in Winschoten een onderwijzersgezelschap op.

Dorpsschool 1864 (P. Van Dijke).

Dorpsschool 1864 (P. Van Dijke). "Kijk naar het bord." Wat is er gaande?

 

De straffende schoolmeester, door Jan Steen.

Afb. boven: De straffende schoolmeester, door Jan Steen.

 

 

De Schoolmeester maakt medecyn niet tot fenyn.

 

"De schoolmeester. Maak medicijn niet tot fenijn".

Door letterkunst, zo hoog verheven, Is ons veel nut en heil gegeven, Dat ons de weg ten hemel toont: Maar, om het schuim van 't goud te scheiden, Is 't misbruik dezer kont te myden, Op dat de wijsheid ons bekroont.

 

Zo rond 1700 hebben de meeste dorpen een schooltje, al moeten we ons daar niet te veel bij voorstellen. De meeste schoolmeesters op het platteland houden immers school als bijverdienste. Ze zijn meestal koster, maar ook wel landbouwer, herbergier, barbier of kleermaker. Hun kennis is erg beperkt en de leerstof wordt er zoals in de Middeleeuwen letterlijk ingehamerd. Veel kinderen vinden het dan ook niet leuk om naar school te gaan, het is net een tuchthuis. Gelukkig is het niet alle dagen school. De kinderen lopen school van Allerheiligen tot Pasen, en soms niet eens zo lang, soms moeten ze meehelpen op het land.

In een klasje zitten kinderen van alle leeftijden tussen zes en twaalf samen. De meester geeft ieder kind een aparte taak en af en toe wordt de les overhoord. De catechismus en de gebeden kunnen opzeggen is nog steeds heel belangrijk, met wat geluk leert het kind ook lezen, rekenen of schrijven. Toch blijft het analfabetisme in onze streken erg hoog.

Als de Fransen het land binnenvallen, kan in Vlaanderen nauwelijks de helft van de mannen en een kwart van de vrouwen zijn naam schrijven. In de Franse tijd gaat het van kwaad naar erger. De bestaande schooltjes worden als achterlijk aanzien en worden dus afgeschaft. Veel plannen worden er wel gemaakt, maar weinig wordt verwezenlijkt, vooral voor de lagere scholen blijft het vooral bij plannen op het papier.

Pas vanaf het concordaat (overeenkomst van de regering met de paus) tussen Napoleon en de paus in 1802 kan het schoolwezen zich enigszins herstellen, maar het is nog steeds ondermaats als Belgie in 1815 opgaat in het Koninkrijk der Nederlanden.

Voor Koning Willem 1 is de hervorming van het schoolwezen één van zijn belangrijkste prioriteiten. Tijdens zijn bewind gaater meer geld naar scholen dan in een veel groter land als Frankrijk. In Belgie worden in die jaren meer dan duizend schoolgebouwen gebouwd, er komt zelfs een heuse opleiding voor onderwijzers, ook de kwaliteit van het onderwijs neemt toe.

De leerlingen worden nu in groepen verdeeld en iedere groep krijgt afzonderlijk les. In iedere klas komt een groot zwart schoolbord en netjes gerangschikte schoolbanken. Naast de catechismus, lezen en schrijven is er nu ook veel aandacht voor rekenen, te beginnen met hoofdrekenen.
Ook het nieuwe stelsel van maten en gewichten wordt ingeoefend, later komt daar ook nog geschiedenis en aardrijkskunde bij.
Het loon van de onderwijzers is ondanks de verbeteringen toch nog niet voldoende om rond te komen met als gevolg dat drie op vier onderwijzers nog altijd koster zijn.

Door de revolutie van 1830 ontstaat de eerste schoolstrijd, veel heilzame vernieuwingen gaan verloren, althans voor een tijdje.
In 1842 wordt elke gemeente verplicht tenminste één lagere school op te richten of een bestaande vrije school over te nemen. Godsdienstleer is in iedere school verplicht, want zo leert het volk braaf en ijverig te zijn.

Als de liberalen in 1878 aan de macht komen wordt godsdienst uit het programma geschrapt en vervangen door nuttiger vakken, zoals natuurwetenschappen. De katholieken gaan in verzet en richten honderden eigen lage schooltjes op. Zo zijn de gemeentescholen (de officiele) en de katholieke scholen (de vrije) ontstaan. Het nadeel van het vrij secundair onderwijs is dat de katholieke ouders een hoog schoolgeld moeten betalen doordat er weinig of geen staatsubsidies zijn.
In 1958 wordt dan uiteindelijk ook beslist dat het vrij onderwijs recht heeft op subsidies, maar het officieel onderwijs daarentegen mag fors uitbreiden.
Dit compromis kost de belastingbetaler een fortuin, maar het maakt België tot een onderwijsparadijs.

 

Verder lezen: Verder lezen: De Schoolmeestersrapporten uit 1828. De Schoolmeestersrapporten uit 1828.

 

Bronnen:
RA Groningen;
01. Historische vereniging Winshem (1998), P. Noord; Historische situering van leren vs onderwijzen, P. Timmermans;
02. Het verhaal van Groningen;
03. De familie Everhaerdt met aanverwanten.

 


Deze pagina maakt deel uit van www.nazatendevries.nl.
Aan bovenstaande tekst is de uiterste zorgvuldigheid besteed. Desondanks kunnen er best fouten voorkomen.
Constateer je fouten en/of heb je vragen, correcties, aanvullingen...geef die dan even aan mij door via mijn E-mail adres.
Laat ook eens een bericht achter in het Gastenboek.
Hoogeveen, 11 januari 2010.
Verhaalbewerking: © Harm Hillinga.
Menu Artikelen.
Terug naar de HomePage.
Top