xx

Geschiedschrijvers zijn in veler ogen voornamelijk duffe oude heren met baard en snor die jaartallen en verhalen kunnen oplepelen van overleden voorvaders en van diens prestaties of wangedrag. Veel van die verhalen zijn bekeken door een gekleurde bril, waardoor de waarheid soms in het midden en soms ver daarbuiten is te vinden. Zoek maar eens iemand die alles exact op kan sommen zoals het daadwerkelijk is gebeurd. Dus gaat met in vervlogen jaren op zoek en denkt men de speld te hebben gevonden in de schoolmeester. Dat is immers iemand die alles weet en in ieder geval kan vertellen. Zo kunnen we in de “Spiegel van Groningen: over de schoolmeesterrapporten van 1828” van J. van der Kooi lezen “,... dat een rapport geschreven door een in Groningen geboren onderwijzer uit Groninger ouders, getrouwd met een meisje uit een dorp van zijn verslag waar hij bovendien al vele jaren onderwijzer is, waardvoller en meer van binnen uit geschreven dan dat van bijvoorbeeld een jonge buiten de provincie geboren onderwijzer, nog maar pas in het dorp en getrouwd met een vrouw van elders. Hoe knap en objektief zo iemand misschien ook is”.

Vlees van eigen bodem moet je dus hebben en daarom worden in die dagen tientallen schoolmeesters in Groningen gestrikt om gegevens te verzamelen. Het wordt een van hogerhand opgelegd verlag en van dalle 177 onderwijzers uit 1828 en 1829 zijn zo gegevens bekend. De schoolmeesterrapporten bestaan uit de vragen en antwoorden uit diezelfde jaren met enkele laatkomers uit 1833, door de meesters en schoolonderwijzers zoals men toen zei, van een groot aantal Groninger plaatsen gegeven op een enquête, hen toegezonden door de Commissie van Onderwijs in de provincie Groningen. Deze antwoorden zijn bewaard gebleven, zij het op een enkele uitzondering na niet de originelen, maar in afschrift en zijn door Acker Strating en Mr. J. Pelinck Stratingh terechtgekomen op het Rijksarchief in Groningen, waar ze te raadplegen zijn in fotokopie, of, in bijzondere gevallen ook in de originele staat.

Aldus werden de schoolmeesters opgeroepen de toegezonden vragen te beantwoorden en te retourneren aan “den Schoolopziener van zijn District”. Of de schoolmeesters plezier in de enquête hebben gehad  of dat de schoolopzieners er de wind goed onder hadden, is niet bekend, maar uit 177 van de ongeveer 200 Groninger plaatsen waar in die tijd een school staat, komen al spoedig de antwoorden binnen. Om de identiteit te bewaren is de oude schrijfwijze zoveel mogelijk gehandhaafd.

 

De meester slijpt een pen voor een leerlinge.

Vragen:
1: Hoe is de naam van uwe woonplaats?
Antwoord: De naam mijner woonplaats is Oostwold, gelegen in de provincie Groningen, kwartier Winschoten in het district Oldambt, omstreeks 7 uren ten oosten van Groningen. Dit dorp heeft gedeeltelijk deszelfs naam ontleend, van de boschachtige streken welke hier voorheen geweest zijn. Sommige gissen dat de overstromende rivieren waarschijnlijk de zaden van boomen en kruiden met zich gevoerd en den grond met bosch beplant hebben. En omdat nu dit dorp misschien een der oostelijke gelegen dorpen was, zo gaf men hetzelve den naam van Oostwold.

2: Welke gehuchten en buurschappen liggen in dezelve? Hoever en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? En wat weet gij nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?
Antwoord: Een klein uur ten zuiden van deze kerk ligt het gehucht de Eekamp, behoorende voor het grootsten gedeelte onder Finsterwold; slechts 4 kleine boerderijen, benevens 4 a 5 arbeiders woningen alsmede eene kleine school, waarin alleen des winters een onderwijzer is bij 9 a 10 kinderen, behooren onder Oostwold.

3: Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zijn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zijn er ook opschriften op uwe torenklokken? En zoo ja; hoe luiden die?
Antwoord: Deze nieuwe kerk, gebouwd in den jare 1776 bevat geen dufsteen of duifsteen.
Hier zijn twee torenklokken. De oudste heeft tot opschrift: O! rex glorie criste cvmmcc.
De nieuwe klok heeft tot opschrift: vernieuwd toen te Oostwold kerkvoogden waren de heer Henrikus Sparringa en de Ed. Jan Willems Roemeling en Regnerus Blaauw Pastor, door Andries Heeres van Bergen Anno 1807.

4: Welke rivieren, stromen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelijke gemeente gevonden en welke is derzelver loop en uitwatering?
Antwoord: Men heeft hier eene uitwatering voor het zoogenaamde Meerland, loopende van het zuiden naar het noorden tot dat het zich in het Koediep ontlast.
Dit Koediep is gegraven in den jare 1635, het loopt van Oostwold westwaards aan bijlangs Midwolda en de Scheemda tot het zich in het zijldiep bij de Scheemda ontlast. Dit Koediep dient zoowel  tot afwatering der landen als tot scheepvaart, en wel voornamelijk om, bij slechte wegen, het hier bebouwd wordende koren te vervoeren.

5: Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zij nog aanwezig of droog gemalen?
Antwoord: Hier is het zoogenaamde Huningameer zijnde slechts eene groote vlakte laag en moerig land, met eenige diepte welke men gist is ontstaan te zijn door de overstroming des Dollards, welke er misschien eenig bovenveen zal afgespoeld hebben. Naderhand is hetzelve ook eenigen tijd droog gemalen geweest, ook hebben er eenige huizen gestaan, waarvan men de sporen nog kan ontdekken. Thans worden in dit meerland op de hoogste plaatsen reeds vruchten verbouwd, als: wortelen, aardappelen en ook wel haver.

6: Welke gasten wierden, essen, heuvels, hoogten of dijken in diens omvang? Hoe hoog zijn dezelve en welke uitgestrektheid?
Antwoord: Gasten, wierden, warven, essen en heuvels zijn hier niet; maar wel dijken.
De eerste dijk is hier begonnen gelegd te worden omtrent 1519; dat is niet geheel voltooid geworden voor het jaar 1545. Dezelve is gelegen geweest onmiddellijk achter het kerkhof alhier, loopende van het oosten naar het westen, doch is thans reeds geheel geslegt, alsmede de dijk bij de eerste indijking gelegd in 1666, hebbende dezelfde strekking, een kwartier uur gaans verder naar het noorden, loopende echter deze tweede dijk, ten westen van Oostwold meer noordwestwaarts dan de eerstgenoemde. De bij de tweede indijking gelegde dijk in den jare 1701 is gedeeltelijk nog aanwezig; doch wordt ook jaarlijks verlaagd; deze dijk zal thans nog op vele plaatsen de hoogte hebbben van 10 voeten: dezelve ligt wederom een kwartier uur gaans verder noordwaarts: loopt van Finsterwold noordwestwaarts tot voorbij Oostwold, vormende daar een halfrond van het westen naar het noorden en oosten en loopt dan, op den afstand van een half uur gaans van de eerste rigting min of meer noordoostwaarts aan enz.
De derde indijking is geschied in den jare 1769 hebbende ten oosten en noorden van Oostwold nagenoeg dezelfde richting als bij de tweede bedijkingen.
7: Welke bosschen zijn daar?
Antwoord: De bosschen van den Heer Siertsema

8: Welke zijn er de voortbrengselen uit ieder den drie natuurrijken?
Antwoord: 8a De voortbrengselen uit het dierenrijk zijn voornamelijk paarden koeijen, schapen, en verkens, hazen en pattrijzen, vossen, hoenders, eenden, duizen en riviervisch
8b uit het groeijende rijk: welige weide, tarwe, gerst en winterkool of raapzaad, boonen en erwten, rogge, haver, aardappelen enz. benevens de vruchten van den boomgaard en den tuinen
8c Het delfstoffelijk rijk levert hier weinig op, echter heeft men hier en daar nog plaatsen alwaar men zand en leem kan graven alsmede bagger.

9: Welke is de grondgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?
Antwoord: Ten noorden van Oostwold is zware klei en ten zuiden meestal gemengde grond

10: Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?
Antwoord: Geene

11: Welke febrieken, trafijken of handwerken worden daarin gedreven?
Antwoord: Men heeft hier een potaschfabrijk, een molenaar, twee smeden, zeven kleermakers, vijf schoenmakers, drie bakkers, een kuiper, twee verwers, zeven winkeliers, waaronder ook tevens vijf kasteleins zijn, drie timmerlieden, twee stelmakers, twee barbiers-, een tuinman een wever en drie voerlieden.

12: Welke is de luchtgesteld in uw dorp?
Antwoord: De luchtgesteldheid is hier vrij gezond.

13: Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen bestaan er?
Antwoord: Hier is eene kerk, eene school en een leesgezelschap.

14: Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?
Antwoord: Behalve de onder vraag 11 begrepene handwerken, die door hun bedrijf, het werk zij uitoefenen, hun bestaan zoeken, zijn hier ook nog 17 boeren, die hun bestaan vinden in den landbouw en daardoor nog een bestaan verschaffen aan de arbeidslieden.

15: Hoe is hunne platte taal?
Antwoord: Hunne platte taal is aldus:
Pijter: Heur ijs Jaapk, ik mou di ijs wat zeggen dat mi no juist net in ’t sin schut
Jaapk: Heste al weer was nijs, tou proot den moaar weg ik zel ’t heuren er tou doun
Pijter: Guster lijpen der twij jongse op dit dijp te scheuveln en dou ze net onder disse tille wassen brook t ies stokken.
Jaapk: En hou beslong dat?
Pijter: Dat zek di zeggen. Er kwam net n olle jeude an, dij holp heur der nog weer oet ans wassen ze verzopen, want ’t was zoo wiet mit heur hen, dat ze geijn vout of bijn meer ruiren konnen.
Jaapk: Dat kon slim beslagen hebben veur dei jongste as dij olle jeude nijt komen was.
Pijter: Dat heste goud. Ze wassen ook hijl blide mit dij olle jeude, hij mos ook vort mit heur na hoes tou en dou passen ze hom vief stuver omdat hij heur holpen har: de jongste trokken dou vort dreuge boksens, hozen, schounen en alles an.
Jaapk: Er komt voaak nijt veul gouds van t ies, veur ’n dag of vijer kwam der ook ’n wigt, dij wol slitsken, en dou kwam ze te strompeln over ’n stijne dat ze der deel vol as ’n osse; zij vol de scholder oet ’t lid en kreeg ’n boele veur de kop as ’n lutje voest, het bloud goesde der moaar oet.

16: Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswijze; welke zijn hunne zeden en gewoonten?
Antwoord: De tijd van opstaan is hier zeer verschillende doch over het algemeen staat men hier vrij vroeg op. De werklieden onder den boeren stand moeten des zomers veelal des morgens om 3 a 4 uren hunne legersteden verlaten en ten tijde van den oogst nog vroeger; doch dit hangt ook veelal af  bij de weersgesteldheid.
De tijd van ontbijten is hier over het algemeen te 7 uren. Des middags eet men hier te twaalf uren, en des avonds, voor het grootste gedeelte des jaars, te 6 uren; doch des zomers bij groote drukte wordt ’s avonds wel eens 8, 9 à 10 uren eer er gegeten wordt, hierna regelt zich ook het te bed gaan.
De buren bezoeken elkander hier meestal desavonds te 7 uren, dan wordt er koffij gedronken eene pijptabak gerookt en te 10 uren scheidt men weder van elkander.
Bij het trouwen had men hier voorheen de gewoonte om bruiloften te geven, waarop dan de familie der getrouwde, benevens een meer of min groot aantal inwoners werd genodigd, om bruiloft mede te vieren.
Des voormiddags kwam men dan reeds zamen en men scheidde van veelal niet voor des anderdags morgens. Bij zulk eene bruiloft werd gegeten, gedronken, gedanst, gezongen enz. doch thans zijn hier de bruiloften geheel afgeschaft; slechts de ouders der getrouwden zijn hierbij tegenwoordig.
Met de begrafenisplegtigheden is het hier nog bijna op den ouden voet. Een groot aantal menschen volgen het lijk naar het graf van het kerkhof terug gekomen zijnde, wordt er gegeten, vervolgens thee gedronken, te 7 à 8 uren andermaal gegeten en te 10 uren vertrekt ieder weder.

17: Welke plaatselijke bijzonderheden zijnde nog bekend, die onder geene vorige vragen kunnen beantwoord worden?
Antwoord: Uit dit dorp is het oud adelijk en beroemd geslacht van Huninga herkomstig. Johannes Epinus Huninga is bij de oprigting der Hoogeschool te Groningen in 1614 hoogleeraar geweest in de wijsbegeerte en Regtsgeleerdheid: in 1620 werd hij tot Raadsheer in Groningen en in 1627 tot Burgemeester van die stad verheven.
Zoo ook Ailko Huininga van Oostwold die in het jaar 1636 Ambtman was van het klein Oldambt en Kerkvoogd van Woldendorp.
De standplaats der Huninga’s is, niet ver weg van deze kerk, en werd tot voor weinige jaren, wanneer dezelve in eene nieuwe boerenbehuizinge veranderd werd, het oude steenhuis nog genoemd.
Van dit geslacht draagt ons Huningameer deszelfs naam.
Hiermede heb ik deze opgegevene vragen beantwoord, en meen dus aan het verlangen der schoolcommissie te hebben voldaan.

Oostwold, gemeente Midwolda,
oktober 1828, Eppo Harms Bosch.

 

Van deze schoolmeester leren we precies hoe de dagindeling van velen in Oostwold is geweest en we lezen over Johannes Epinus Huninga en over Ailko Hunninga die na hem ambtman van het Klein Oldambt en kerkvoogd van Woldendorp is geweest. Zijn collega schoolmeester in Woldendorp, Jan Berends Smedingh, schrijft onder meer “…dat hier in de kerk te Woldendorp begraven ligt de beroemde Huininga welks Grafzerk alhier in de kerk nog aanwezig is. Men zegt dat hij hier een Borg of Slot heeft gehad waarin hy gewoond heeft, dit is ook zeer waarschijnlyk, terwijl hier heden een boerenplaats aanwezig is, welke genaamd wordt Huiningaweer, daar misschien het Slot gestaan zal hebben…”.
Veel is het helaas niet wat de schoolmeesters van Oostwold en Woldendorp over de Huninga’s schrijven.

 

 

 

Verder lezen: Verder lezen: De Schoolmeester in de Ommelanden. De Schoolmeester in de Ommelanden.

 

Bronnen:
01.RHC Rijksarchief Groningen;
02. Historische vereniging Winshem (1998).

 

 

 


 

Deze pagina maakt deel uit van www.nazatendevries.nl.
Aan bovenstaande tekst is de uiterste zorgvuldigheid besteed. Desondanks kunnen er best fouten voorkomen.
Constateer je fouten en/of heb je vragen, correcties, aanvullingen...geef die dan even aan mij door via mijn E-mail adres.
Laat ook eens een bericht achter in het Gastenboek.
Hoogeveen, 10 jan. 2010.
Verhaal: © Harm Hillinga
.
Menu Artikelen.
Terug naar de HomePage.
Top