De tekst is afkomstig uit: “Onze Volkstaal”, door Johs. Onnekes, uit 1885.
“DE GRONINGSCHE LANDBOUWER”
Ofschoon de provincie Groningen tamelijk afgezonderd ligt en eerst sedert betrekkelijk korte jaren door het spoorwegnet in het algemeen verkeer is opgenomen, komt het ons toch voor, dat zij, in vergelijking met andere provinciën, niet rijk is aan gewestelijke volkseigenaardigheden en kenmerken, althans niet in de welvarende kleistreken van het noordwesten[1]. Verschillende omstandigheden zullen daartoe hebben samengewerkt. In de eerste plaats zeker de bijzondere positie van de Groningse landbouwer, die, gelijk wij bij de beschrijving van het beklemrecht[2] zullen zien, in de regel wel geen volkomen eigenaar is van de grond, die hij bebouwt, maar evenmin eenvoudig huurboer.
Zijn toestand is vrijwel gunstiger, dan die van den gewone huurboer en zijn stand in de maatschappij vrijer en onafhankelijker. Meestal is hij welvarend, wat vooral geldt van enige jaren terug, als hij nog niet met de ongunst der tijden heeft te strijden, soms zelfs zeer rijk en bewoond, ten minste in de vruchtbare kleistreken, fraaie, dikwijls kostbare gebouwen (boerenplaatsen), voorzien van al de gemakken, die welvaart en beschaving aan de hand doen[3].
Bronnen: - Tekst uit: “Onze Volkstaal”, Johs. Onnekes, 1885."DE GRONINGSCHE LANDBOUWER"
| |||||||||
Noten: 1 Het noordoosten, het Oldambt, wordt hier door de schrijver schijnbaar buiten beschouwing gelaten. Juist daar ontstaan in de kleipolders de grote boerderijen met hun imposante voorhuizen van de herenboeren. 2 Een beklemrecht is een zakelijk, ondeelbaar en eeuwigdurend recht op de onroerende zaak van een ander om daarvan het volledige genot te hebben en waardoor men eigenaar wordt van de zich op de grond bevindende gebouwen en beplantingen. 3 Onnekes, de oorspronkelijke schrijver van dit artikel, gebruikt hier nog niet het woord herenboer, of hereboer. Een herenboer is een rijke boer. Een boer die kapitaalkrachtig genoeg is om niet zelf zijn land te bewerken maar hiervoor personeel (soms dagloners, arbeiders die niet in vast dienst zijn en per dag worden betaald) in dienst heeft. In Nederland kwamen deze herenboeren vooral voor in het Groninger Hogeland en het Oldambt, in mindere mate in de Groningse en Drentse veenkoloniën. Kennelijk werden deze boeren rond 1880 in het algemeen nog geen herenboeren genoemd. Dat is niet zo vreemd omdat de opkomst van de herenboeren vooral het gevolg is geweest van de agrarische revolutie die in 1867 begint. 4 Rond 1970 wordt de ‘landarbeider’ vaak ‘medewerker op een boerenbedrijf' genoemd. Mijn vader heeft dan het beroep van landbouwer op een gemengd bedrijf achter zich gelaten en wordt dan door de dame van de burgerlijke stand (echtgenote van de burgemeester en herenboer) op denigrerende toon ‘landarbeider’ genoemd. 5 Dis: maaltijd. 6 Schoften, schoft. Ned.: schaften. Schaft: De onderbreking van het werk om te eten of te drinken. Het werkwoord is 'schaften'. Het werkwoord 'schaften' is een synoniem voor eten. Het spreekwoord 'wat de pot schaft' betekent eten wat de pot voorschotelt. 7 ‘Ballastschieten’ is een verouderd woord voor ‘eten’. Tegenwoordig wordt dit woord in niet meer gebruikt. 8 Holdert: de betekenis van dit woord is in de loop van de jaren volkomen verdwenen. 11 Deze huisjes worden tegenwoordig, voorzover nog aanwezig, nog steeds arbeidershuisjes genoemd. 12 In de twintigste eeuw wordt aan de arbeider soms ook ‘vrij wonen’ toegekend: behoeven ze geen huur meer te betalen. 13 Landverhuizing heet later emigreren. 14 Met Friezen zal Onnekes hier hoogstwaarschijnlijk immigranten uit Oost Friesland (Dld) bedoelen. In het Oldambt zijn heel wat mannen met een Oostfriese vrouw gehuwd, zoals dat ook in mijn stamboom is gebeurd. Zo trouwt mijn overgrootvader (van moeders kant) Roelf Roelfs de Vries (1844-1914) in 1875 met Vrouwke Janssen (1839-1901) die afkomstig is uit Wymeer in het Duitse Reiderland. Over Wymeer is een boek op persoonlijke titel uitgegeven door Rolf Koens in 2003, waarbij de periode van 1713-1900 wordt beschreven. Het boek is niet opgenomen in de officiële OSB. In het kerkenboek van Wymeer vinden we behalve de geboorte van Vrouwke het volgende: "deze nae volgende syn de communicanten of ledematen van de gemeente tot Wymeer soo by de aenkomst van myn bedieninge zyn gewest: Frouwke Jansen". Omdat we hier te maken hebben met de Kirchenmitglieder anno 1713 en de Kircheneintritte van de gemeente tussen 1714 en 1723, gaat het daarbij om een andere Vrouwke Jansen, want onze Vrouwke Janssen, gehuwd met Roelf Roelfs de Vries wordt pas geboren op 25 augustus 1839.
|
|||||||||
|
|
|||||||||
|
|||||||||



