
De borg Mathenesse te Mensingeweer door Jacobus Stellingwerff (1667-1727. Gesloopt in 1872. Bron: Beeldbank Groningen.
Mathenesse, de naam komt ook voor als Mattenesse, Matenesse, Mattenes en Matenes. Het is een borg geweest bij het Groningse dorp Mensingeweer. De borgstee is niet duidelijk meer te herkennen, enkel de oprijlaan resteert[1]. In 1872 is het landhuis gesloopt en de grachten gedempt. Een boerderij wordt dichter bij de weg gebouwd. Ook het schathuis is gesloopt.

Afb. Johan van Mathenesse (gravure naar Anselmus van Hulle). Vader van Willem van Matenesse (1579-1622).
Opschrift onder portret:
"O gij die veel zwaarder leed hebt gedragen! (Aeneïs 1:199) // Johan van Mathenesse / Heer van Mathenesse, Riviere, Opmeer, Souteveen enz. Gedelegeerd assessor in de Raad van Staten-Generaal, namens de ridderschap en edelen van Holland en West-Friesland, Hoogheemraad van Schieland; en namens de genoemde provincies, gevolmachtigd ambassadeur voor het vredesverdrag enz. // Geschilderd door Anselm van Hulle. / Toegetreden tot het keizerlijk privilege. / 1648 / Gegraveerd door Cornelis Galle Junior. // Met het privilege van de koningen en van de staten van Holland."
Hoewel de naam Matenesse voor een „plaats" onder Mensingeweer pas in 1708 voor het eerst wordt vermeld, ligt de veronderstelling voor de hand, dat deze naam te danken is aan Willem van Matenesse (1579-1622)[2] gehuwd met Maria Nanninga (ca 1580-1659)[3], die in 1608 de belangrijkste collator[4] is te Mensingeweer. Zijn weduwe Maria Manninga is er zelfs in 1624 unica collatrix[5], zoals blijkt uit het opschrift van een in dat jaar gegoten klok[6]. Het moet haast wel, dat Willem van Matenesse eigenaar is geweest van de heerd die later de naam Matenesse zal dragen. Vermoedelijk heeft hij, zoals hij in 1602 de borg van Rasquert[7] van Christoffer van Ewsum (1523-1583), gehuwd in 1551 met Margaretha (Anna) van Dornum (geb. ca 1519) koopt, van deze ook de heerd te Mensingeweer verkregen. Immers Christoffer van Ewsum heeft uit het goed van zijn moeder Beetke van Rasquert (ca 1485-1554) in 1556 vier heerden aldaar geërfd, waarvan er een 301 juk (een juk land is vroeger de hoeveelheid grond die een span ossen in één dag kan ploegen, ongeveer gelijk aan een halve hectare) groot is geweest. Dit komt overeen met de grootte van Matenesse.
Vóór 1646 is de heerd in bezit geweest van Abbe Itema en zijn vrouw Trijntien Fraterma. Laatstgenoemde is in 1640 overleden en begraven op het koor van de kerk te Mensingeweer[8].
Grafschrift van Trijntien Fraterma
AN° DOMINI 1640, DEN 26 FEBRUARI, IS IN DEN HEEREN GERUST DE WEL EEREN DEUGENTRYCKE VROUWE TRINTYEN FRATERMO, DE HUSVROUWE VAN AB[D]A ITAMA.
Wapens: Rechts: Op een heuvelachtig terras een tegen een boom klimmend hert. Links: Een met twee pijlen van beneden naar boven schuinkruislings doorstoken lelie. Helleteken: een uitkomend hert. N.B. Letter D in ABDA nauwelijks herkenbaar. Abbe Itema en Tryntien Fraterma. Zie: OBS, blz. 252. GDW, blz. 471, nr. [2557].
Publieke verkoop
In 1646 wordt de heerd publiek verkocht, bestaande uit een behuizing met hoften[9], singel, grachten en plantages. Abbe Itema woont er zelf. De grootte is 31 jukken[10]. Koper wordt Abel Schultes, gehuwd met Diewer Klaesen, voor 16.200 gulden. Wegens wanbetaling wordt de heerd hetzelfde jaar opnieuw geveild.
Nu wordt Gerhardus Swartte[11], burgemeester van Groningen, gehuwd met Titia Verrucius, eigenaar voor f14.600. Deze overlijdt in 1665, waarna het goed vererft op zijn zoon Hendrik Swartte (1638-1685), secretaris van Groningen[12]. Diens weduwe, Titia Verrucius, moet in 1708 de „plaatse Matenes” laten verkopen. Dit is de eerste maal dat het huis bij name wordt genoemd.
_-_R.B._van_Leggelo,_1832_(minuutplan)_-_Matenesse.jpg)
Borg Matenesse. Tekening door H. Uilkens, ca. 1820. Kaart. Matenesse, Leens, sectie E 1, no. 45.
1. Borg (landhuis). 2. Schathuis. 3. Weg naar Baflo. 4. Weg Eenrum-Mensingeweer. 5. Baaiemer- of Kromme tocht, in 1866 vergraven tot een kanaal. Het Kanaal Baflo-Mensingeweer of Kanaal Mensingeweer-Baflo is een 4,7 kilometer lang.
Zie: Wikipedia.
Deftig huis
Het is dan een deftig huis, waarin verscheidene vertrekken, omgeven door grachten en “welbeplante” singels. De grootte van het bijbehorend land is dan 30+ juk. Tevens worden dan verkocht als gerechtigheden van ommegangen[13] en de collatie[14] van Mensingeweer.
Koper wordt Jacobus van Aelst, die in 1705 gehuwd is met Aurelia Swartte[15], een dochter van Titia zoals al eerder genoemd. Na de verkoop in 1708 schenkt Titia aan de kerk te Mensingeweer een avondmaalsbeker, die nu nog steeds aanwezig is.
Deze beker ziet er als volgt uit:
Wapen: Gevierendeeld: I en IV Swartte; Il en III Verrutius. Schildhouders: Rechts: een moriaan met lendendoek en hoofddoek, houdend in de achterwaartsgerichte rechterhand een handhoog. Links; een adelaar met opgeheven vlucht.
N.B. Groninger keur 5/E [= 1706/1707]. Titia Verrutius, weduwe van Hendrik Swartte, secretaris van Groningen, verkocht Matenese in 1708. Zie: OBS, blz. 253. GDW, blz. 471, nr. [2556][16].
Ook Van Aelst kan het niet bolwerken op Matenesse. In 1712 laten de crediteurs de verhuurde „plaetse" verkopen. Dit is wellicht een eerste aanwijzing dat de familie enigszins achterop is geraakt. Eigenaar wordt voor 7100 gulden Hendrik Ferdinand van In- en Kniphuisen (1666-1716), zoon van Haro Caspar von In- en Kniphuisen en Petronella Anna Lewe en gehuwd met Aurelia Jarges. Hij is heer van Ulrum[17]. Hij overlijdt als weduwnaar op 3 april 1716. Zijn oudste dochter Anna (1693-1734) vestigt zich nog hetzelfde jaar op Matenesse, maar het huis en de rechten, waaronder de staande collatie van Mensingeweer blijven bij het huis Asinga te Ulrum[18].

Matenesse. Tekening van Huilkens ca 1820.
Anna van In- en Kniphuisen begint onmiddellijk met het herstel en de verbetering van haar „deftig" huis. Zij trouwt in 1717 te Mensingeweer met Joost Lewe (1686-1757) van de Blauwborg bij Obergum, die zich nog hetzelfde jaar heer van Matenesse noemt.
Tot aan de dood van Joost Lewe in 1758 is er voortdurend aan het huis getimmerd. Stenen worden gekocht uit het tichelwerk van De Brake[19] bij Obergum, een deur komt uit de afbraak van de borg “Te Weer” bij Tinallinge. Er is een zomerhuis, er zijn lantarenpalen van Drents eikenhout en meloenbakken. Er wordt geverfd met gele oker, loodwit, brandbruin en zwartsel. In 1745 komen er een Engelse „bossem", Engelse ramen[20] en Frans glas. In 1747 wordt een gesneden schoorsteenmantel gemaakt door C. Kooistra, marmerverf en dukatengoud[21] worden gebruikt door Pieter Lofvers (1712-1788). Ook Berlijns blauw[22] en Engels rood[23] worden verwerkt. Voorbeelden zijn dit van hetgeen men bij de inrichting van een deftig huis heeft gebruikt.
Hoogadelijk huis
Matenesse stijgt in aanzien. In 1756 heet het een „hoogadelijk" huis. De eigenaren zijn vervolgens ‘militairen’: Joost Lewe (1686-1757), geboren op de Blauwborg en gehuwd met Anna von Inn- und Kniphausen (1693-1743), brengt het tot luitenant-generaal en zijn zoon Hendrik Ferdinand (1723-1788) tot generaal-majoor. Matenesse levert ons eveneens een voorbeeld, dat het personeel van een borg goed genoeg is voor het schoolmeesterschap: in 1760 trouwt te Mensingeweer Roelof Jans Agricola (ca1724-1766), gewezen koetsier op Matenesse, beroepen schoolmeester te Mensingeweer, met Lucretia Hautuin (1729-1806), gewezen kokmeid op Matenesse. De naam Agricola zal Roelf Jans (mogelijk) hebben aangenomen bij zijn overgang naar de geleerde stand.
Joost Lewe wordt na zijn dood in 1758 als heer van Matenesse opgevolgd door zijn zoon Hendrik Ferdinand. Diens zuster Aurelia Anna Lewe van Matenesse (1722-1790), gehuwd in 1758 met Barthold Canter (1716-1796) verkrijgt het huis en de vanouds erbij behorende rechten in 1784 in eigendom. Zij overlijdt in 1790, haar man, Barthold Canter, in 1796.
Everdina Josina Lewe
Matenesse vererft met de collatie na de dood van Anna Aurelia op haar zuster Everdina Josina Lewe (1733-1808) , gehuwd met Maurits Clant van Hankema (1730-1804). Zij laten op 6 november 1792 het huis met hoven, lanen, singels en grachten met landerijen en rechten publiek verkopen.
Koper wordt de gezworen Pieter Knijpinga[24] (1741-1822) gehuwd met Anna Catharina Hoffman (ca 1760-1810). Deze laat in 1820 het huis op afbraak verkopen.
Koper wordt Berend Hayes Harkema (voor 1785-ca 1841), gehuwd met Syke Heertje Popma (1788-1842). Hij woont te Warfhuizen en koopt Mathenesse voor 925 gulden.
In de nabijheid wordt een nieuw huis gebouwd het „buiten" Matenesse. Na het overlijden van Pieter Knijpinga op 17 november 1822 komt het huis aan zijn schoonzoon mr. Hendrik Edzens Hagenouw Brongers (1781-1840), notaris en lid van de Tweede Kamer[25]. Deze overlijdt op Matenesse in 1840.
Na hem woont mr. P. Knijpinga op Matenesse[26]. Hij is van 1843-1851 burgemeester van Leens en Wehe en daarna notaris te Mensingeweer, waar hij overlijdt in 1867.
In 1872 wordt Matenesse door de erven van mr. H.H. Brongers verkocht aan Klaas Harms Wijk en zijn vrou Anje Kornelia Schuiringa. Dit echtpaar krijt 6 kinderen.
Het huis wordt dan afgebroken en een nieuwe boerderij wordt gebouwd ten noordwesten ervan aan de weg[27]. Zie onderstaande foto's.

Gedenksteen boerderij Mattenesse 1872. Mathenesserweg 1, Mensingeweer. Fotograaf: A.J. van der Wal, augustus 1970. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
Door het dempen van de grachten en latere verkavelingen is de borgstee niet meer te herkennen. Enkel de oprijlaan kan nog dienen ter oriëntatie (1973). De weg tussen Mensingeweer en Ernstheem draagt ook de naam Mathenesserweg, evenals een weg rond Rasquert, de Mathenesserweg.
Tegenwoordig staat de boerderij 'Mattenesse' bij de vroegere borgstee. De kop-hals-rompboerderij uit 1872 heeft een statig voorhuis met schilddak en kelder. In de achtermuur van de schuur herinnert een gedenksteen aan de bouw (zie foto). Deze achtermuur heeft ook twee bovenlichten met daarin een beeltenis van een koe en een paard verwerkt[28]. De boerderij is een Rijksmonument.

Boerderij Mattenesse 1872. Mathenesserweg 1, Mensingeweer. Fotograaf: A.J. van der Wal, augustus 1970. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

Boerderij Mattenesse 1872. Mathenesserweg 1, Mensingeweer. Fotograaf: A.J. van der Wal, augustus 1970. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

Boerderij Mattenesse 1872. Mathenesserweg 1, Mensingeweer. Fotograaf: A.J. van der Wal, augustus 1970. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

Boerderij Mattenesse 1872. Mathenesserweg 1, Mensingeweer. Fotograaf: A.J. van der Wal, augustus 1970. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

Bronnen, referenties en literatuur:
- W.J. Formsma e.a., Groninger Borgen en Steenhuizen, Assen 1973.
- Groninger Archieven.
- Pathuis/Alma, Groninger Gedenkwaardigheden.
- Wikipedia, Mathenesse (Mensingeweer), geraadpleegd 8 februari 2026.
Noten:
1 Wikipedia, Mathenesse (Mensingeweer), geraadpleegd 8 februari 2026.
2 Hij is een zoon van Johan (VII) Jonkheer van Mathenesse en Florentina van Culemborg
3 Zij is een dochter van Luijrt Manninga en Wemerentia Sonoy
4 Een collator is historisch gezien degene die het recht (collatierecht) bezit om een predikant of pastoor te benoemen in een parochie.
5 Betekent dat dit recht bij één persoon ligt, wat in de middeleeuwen veel voorkomt bij landeigenaren. Hier dus zelfs in de 17e eeuw.
6 Zie “De Michaëlkerk” van Mensingeweer.
7 Beetke (van Rasquert) overlijdt in 1554. Bij de erfscheiding van haar goederen verkrijgt Christoffer van Ewsum het volgende jaar het huis te Rasquert - de naam Aylkemaheerd komt dan al niet meer voor -, omschreven als 'soedaene borchstede toe Rasquardt myt heminge und grafften, steen und steenhues'. Christoffer bezit niet alleen de borg te Rasquert, maar ook de Linde bij Marum en de heerlijkheid Jennelt in Oost-Friesland, waar hij meestal verblijft. Hij is getrouwd met Margaretha van Dornum, een dochter van Ulrich van Dornum, de voorvechter van de Hervorming in Oost-Friesland. Christoffer is eveneens hervormingsgezind en zelfs de doopsgezinden genegen. Herhaaldelijk verleent hij Menno Simons onderdak. Geen wonder is het, dat na de gebeurtenissen van 1566 de Raad van Beroerten zijn goederen verbeurd heeft verklaard. Daarbij is ook de heerd te Rasquert, groot 124 jukken. In 1583 overlijdt hij te Jennelt. Zijn bezittingen die hij na de pacificatie van Gent teruggekregen heeft, worden na zijn dood bij executie verkocht in 1584.
8 Zie “De Michaëlkerk” van Mensingeweer.
9 In Nedersaksische gebieden, zoals in Groningen, betekent 'Höfte' simpelweg 'hofstede' of 'boerderij'. Het meervoud "hoften" zou dan kunnen verwijzen naar meerdere van dergelijke erven of boerderijen.
10 Een "juk" is een oude oppervlaktemaat, gebaseerd op het land dat een span ossen in één dag kan ploegen (ca. een halve hectare).
11 Mr. ‘Geertt Swartte’, die 28 februari 1603 te Lingen in 'Westphalen' wordt geboren en 24 maart 1665 te Groningen overlijdt, is in zijn tijd een groot geleerde en een man van veel aanzien; hij studeert aan verschillende universiteiten o. a. te Osnabrück, te Bremen, waar hij 24 april 1622 arriveert en op 23 april 1628 bij zijn vertrek een ’loflijke’ verklaring ontvangt, welke in het archief der familie de Savornin Lohman bewaard wordt. Van Bremen gaat hij naar Leiden en vandaar via Engeland naar Orleans, waar hij assessor wordt van de „Noble et illustre nation d'Allemagne establie en l'université d'Orléans", van welke instelling hij op 9 december 1632 een bul ontvangt. Bron: De Nederlandsche Leeuw.
12 Is van 1665-1678 secretaris van Groningen; 1679 en 1680 extraord. lid der admiraliteit van Harlingen; lid Staten Genoraal 1681; hoofdman Hooge Justitiekamer 6 Juni 1681, 82, 3, 4, 5; is in 1664 een van de eerste 3 gekozene voogden van de nieuw ‘getimmerde’ Noorderkerk, blijkens een zilveren beker in de Nieuwe Kerk te Groningen.
13 Een ommegang is een rotatiesysteem geweest voor de functie van plattelandsrechter binnen een klauw of kluft, afgeschaft in 1795. Een kluft heeft gefunctioneerd als een bestuurlijke onderverdeling, vaak aangeduid met kluft, klauw of clauw.
14 Collatie: (hier) het recht om een predikant te benoemen.
15 Swartte, Aurelia (ged. Groningen 22-8-1682 – Groningen 20-2-1768), dichteres. Dochter van Hendrik Zwartte (1638-1685), secretaris van Groningen en rechter in Bellingwolde, en Titia Verrutius. Aurelia Zwartte trouwt op 1-11-1705 in Mensingeweer met Jacobus van Aelst (gest. 1714); op 1-12-1715 (odertr. 25-10-1715 in Leeuwarden, 15-11-1715 in Amsterdam) in Abcoude met Justus Johannes Beilanus (1677-1727). Uit huwelijk wordt één dochter geboren.
16 Pathuis /Alma, Groninger Gedenkwaardigheden.
17 Zie “De Asingaborg en het verloren Asingabezit”.
18 Zie “De Asingaborg en het verloren Asingabezit”.
19 "De Brake" in Obergum verwijst naar een historische steenfabriek (ca. 1638-1974) en het bijbehorende landhuis (borg) 'de Braeke', die in het Groningse tweelingdorp Winsum-Obergum lagen, bekend om de productie van bakstenen en draineerbuizen en gerund door rijke families, met de locatie nu als wijk met tichelwerk.
20 Ramen in Engelse stijl, vaak "sash windows" of "guillotine ramen", zijn kenmerkend door hun verticaal schuivende vleugels en het gebruik van kleine ruitjes (spijlen) voor een authentieke, vaak historische uitstraling.
21 Dukatengoud. Dit bladgoud wordt “los” bladgoud genoemd omdat het bladgoud los tussen de velletjes vloeipapier in het boekje ligt. Om dit bladgoud te verwerken heb je een aantal speciale gereedschappen nodig; zoals een bladgoudkussen, bladgoudmes en goudoplegger.
22 Pruisisch blauw is een van de eerste moderne synthetische pigmenten. Het wordt ook wel Berlijns blauw genoemd. Er is zeer weinig van dit pigment nodig om de sterke blauwe kleur te verkrijgen. De kleur is echter niet zo lichtecht. Door de hoge kleursterkte is de kleur snel overheersend. De kleur heeft vaak een groenachtige ondertoon en is voor mengen van paars daardoor minder geschikt.
23 Engels rood is een kleur, meer bepaald een roodtint. Het is een kleurtoon van Indiaans rood gemengd met een pigment van ijzeroxide. De kleur genoemd naar de kleurstof die als pigment gebruikt wordt in onder andere (kunst)schilderverf. De kleurbenaming Engels rood wordt voor het eerst gebruikt rond het jaar 1700.
24 Pieter Knijpinga, geboren te Emden op 6 oktober 1741, weduwnaar, 4 kinderen, vroeger ontvanger. Zoon van Focko Knijpinga, luitenant, en Petronella de Visser, gehuwd met Anna Catharina Hofmans, dochter van Willem Hofmans, predikant te Uitwierde. Hij overlijdt op 17 november 1822. Zijn dochter Petronella is getrouwd met H.H. Brongers. In 1776 heeft hij klein- en grootburgerrecht in de stad Groningen verworven. Sinds 1789 treedt hij enige malen op als gezworene. Overigens is hij boekhouder van stads wijn- en brandewijnaccijns. Hij treedt in de Franse tijd niet op de voorgrond, wordt alleen gemeensman in de stad in 1803 en tijdens de inlijving lid van de arrondissementsraad van Appingedam en werkt als collecteur van de loterij. Hij heeft in de Violenstraat zuidzijde gewoond, waar hij een heel complex huizen bezit. Hij heeft verder huizen aan de Nieuwe Ebbingestraat, een huis aan het Nieuwe Kerkhof en een huis aan de Grote Markt met een stal erachter. Onder Mensingeweer heeft hij het buitenverblijf "Mattenesse" met beklemming van 19½ juk onder Eenrum, 28½ juk onder Mensingeweer en Eenrum en 5 juk onder Warfhuizen. Hij is collecteur (= belastingontvanger), boekhouder en gezworene (= gemeenteraadslid) in de stad Groningen geweest.
25 Hendrik Edzens Brongers wordt geboren als een zoon van predikant Jullenius Brongers en Henriëtte Clara Hagenouw. Zijn zus, Lubbina Brongers, trouwt met de latere gedeputeerde van Drenthe, Hugo Christiaan Carsten. Bij vonnis van de rechtbank van Appingedam wordt de naam van zijn moeder, Hagenouw, aan zijn achternaam toegevoegd: Hagenouw Brongers. Hij trouwt in 1808 met Petronella Knijpinga, met wie hij twee dochters en een zoon krijgt.
26 Dit heb ik niet kunnen ‘natrekken’.
27 Dr. J.W. Formsma, De Ommelander Borgen en Steenhuizen, Assen 1973
28 Wikipedia, Mathenesse (Mensingeweer), geraadpleegd 8 februari 2026.
|