Over borg Almersma is zeer weinig bekend. Onder de edele heerden van Uithuizen en Uithuizermeeden komt Almersma niet voor, wel ligt er een overrecht op de heerd. Het eerst wordt Almersmahuis vermeld in 1448. In dat jaar kopen Reint Almersma en Teteken zijn vrouw van Sijcke op Hiddighamedum te Uithuizen een wierde bij Almersmahuis. Reint is wedman te Uithuizen. In 1465 komt hij nogmaals voor:
Warfssententie in hoger beroep van een vonnis van Focke Ewekuma in de zaak tussen Johan Holenborch en Reint Almersma, 1465. Gewaarmerkt afschrift, 1633[1].
Huidige situatie
Bronnen, referenties en literatuur:
Noten: 1 Groninger Archieven, 1605 Stadsbestuur van Groningen (2), 1594 – 1815. 2 "St. Annen leenbrief ofte heer Robertspraebende toe Uthuysen" gegeven door Wibbo Almersum en zijn vrouw Menneke, 1520 aug. 18. Groninger Archieven, 657 Verzameling Keiser, 1237-1833, 5. 3 Een prebende (Latijn: praebenda, "te schenken deel") is het vaste, jaarlijkse inkomen of de dotatie uit kerkelijke goederen die in de middeleeuwen en daarna wordt toegekend aan een geestelijke, meestal een kanunnik, als vergoeding voor zijn bediening. Het wordt ook gebruikt voor de geestelijke titel of functie zelf waaraan inkomsten verbonden zijn. 4 Een prebende (Latijn: praebenda, "te schenken deel") is het vaste, jaarlijkse inkomen of de dotatie uit kerkelijke goederen die in de middeleeuwen en daarna wordt toegekend aan een geestelijke, meestal een kanunnik, als vergoeding voor zijn bediening. Het wordt ook gebruikt voor de geestelijke titel of functie zelf waaraan inkomsten verbonden zijn. 5 Collatoren zijn personen met het recht (collatierecht) om een begunstigde, zoals een predikant of beneficiant, aan te wijzen voor een kerkelijk ambt of stichting, vaak voortkomend uit een historisch vruchtgebruik of stichtingsakte. Dit recht berust vaak bij nazaten van de oprichter en spelen een rol bij beurzenstichtingen. 6 ‘Nalatenschap van Menneke Almersum, tisschen: Menolt Ompteda ter eene, en de erfgenamen van Menneke Almersma ter andere zijde, 1545 december 5’. Groninger Archieven, 521 Familie Gruys, 1423 – 1834, 187 7 Het ontstaan als zodanig van een Doopsgezinde Gemeente in Uithuizen ligt waarschijnlijk tussen 1600 en 1630. De leden komen dan regelmatig en georganiseerd in het geheim bijeen in boerderijen, waarvan de bezitters Doopsgezind zijn. In 1636 proberen de jonkers Gosen Schaffer van Almersma en Rudolf Ausma van Engersum paal en perk te stellen aan deze bijeenkomsten. In 1686 is in officiële zin sprake van een Doopsgezinde Gemeente te Uithuizen. De Gemeente behoort destijds tot de Oude Vlamingen, die conservatief zijn in gebruiken en orthodox in de leer van Menno Simons. 8 Grafzerk in de kerk: “Anno 1637, op den 14 augusti, is den manhafte Rudolf Ausma op Engersma, joncker en heuvelinck tot Uythuysen en Uythuystermeden, capitain van het nassousche regiment van stat Groningen en Omlanden in de belegeringe van Venlo van den cardinael Ferdinando geschoten, sodat hy 2 uyr daerna voort is gestorven, out synde geweest 51 jaeren en 7 daegen; hy is op den 28 van deselve maent in de kercke tot Uythuisen begraeven”.
| |||||||||
|
|
|||||||||
|
|||||||||
