
ENGERSUM EN RINGEWEER (Uithuizen, sectie C 1 no. 191 en sectie E1 nrs. 198, 199). Situatie: 1973.
1.Borgterrein Engersum. 2. Boerderij Engersum. 3. Borgstee Ringeweer 4. Kerk. 5. Pastorie, gebouwd na 1820 en reeds weer verdwenen. 6. Hoofdstraat. 7. Stationsweg. 8. Station.
Het borgterrein van Engersum is nog gemakkelijk te herkennen (1973), ofschoon het thans geheel bebouwd is. De boerderij was waarschijnlijk het schathuis. Waar vroeger het voorgebouw van de boerderij stond zijn onlangs (circa 1970) fundamenten blootgelegd bij het tweede en vierde perceel, thans burgemeesterswoning, ten oosten van de kerk.
De plaats van Ringeweer is af te leiden uit de hier het hierboven geplaatste kaartje uit het huisarchief Menkema.
Onder de edele heerden van Uithuizen komt borg Engersum evenmin als borg Almersma voor, maar evenals op Almersma ligt op Engersma, zoals het huis ook wel genoemd wordt, een overrecht. Als persoonsnaam komt Engersma slechts eenmaal voor: in 1465 is Hebele Engersma getuige in een rechtszaak.
Dezelfde Hebele Engersma en zijn vrouw Thiart (ook Tiako) worden vermeld te Uithuizen op 16 februari 1466 bij de aankoop van land:
“Harcko Hammensz van Inaldingum en zijn vrouw Tiako, woonachtig te Eingeweer, verklaren te hebben verkocht aan Hebele Engersma en diens vrouw Thiart, woonachtig te Uithusen, twee jukken land op Inaldergermeda op de Noertgaren, welke verklaring bezegeld wordt door Eppe, pastoor te Inaldinge”[1].
Op 11 november 1531 horen we van een zekere Butte Aulsma:
“1531 november 11 (Wonsdage na Martini episcopi): Stadhouder benevens hoofdmannen van wege de hertog van Gelre en hoofdelingen, redgers en rechters der Ommelanden oorkonden, dat zij in de landsoosterwarf de doem door Butte Aulsma, redger te Uuthuesen, gewezen in het geschil tussen Willem Wicheringhe, burgemeester, en doctor Johan Sickinge van wege Harmen Gijsens ter ene en meester Goesen Almer van wege Johan Schroer te Nijenhuis ter andere zijde over een halve heerd land bevestigt hebben”[2].
En vier dagen later op 15 november 1531:
“-- Warfssententie van stadhouder en hoofdmannen vanwege hertog Karel van Gelre met de grietmannen en rechters van de Ommelanden in hoger beroep van het vonnis van Butte Aulsma, redger te Uithuizen en Uithuizermeeden in de zaak tussen burgemeester Willem Wicheringe en dr. Johan Sickinga vanwege Harmen Gijsens enerzijds en mr. Goesen Almer vanwege Johan Schroer te Nijenhuis anderzijds over een halve heerd met toebehoren, 15 november 1531. Gewaarmerkt afschrift, 1633.”[3]
Hij is dan dus redger[4] te Uithuizen en Uithuizermeeden. Dat zal hij ook geweest zijn in 1534:
“Vonnis door Butto Auwelsuma, richter te Uithuizen en Uithuizermeeden, betreffende een geschil tussen Johan Wylnes en Pauwel Meyens over de huur van land, 1534”.[5]
Pas omstreeks 1610 horen we weer iets van Engersum. Dan woont Butte Aulsma op Engersum.
Er is echter gegronde reden aan te nemen, dat de familie Ausema (variaties: Auwsema, Auwsum, Ausuma, Aulsuma, Awlsum, Awelsum) al lang tevoren op Engersum heeft gewoond, want reeds vanaf 1476 komen leden van deze familie voor als redger en hoofdeling, later jonker te Uithuizen. Hun wapen is gelijk aan dat van de familie Alberda. De naam Bonno wijst eveneens op verwantschap.
Aan Bonno (ook dus Butto) Awlsum, overleden in 1560, herinnert nog een koperen grafplaat in de kerk van Uithuizen met als opschrift:
BONNONI AWLSUM CONIUNX ET HAEREDES LIBERI. OBIIT 1560, DIE 19 IUN., AETATIS SUAE 34.
Wapen: Drie leliën, vergezeld in het schildhart van een sterretje. Helmteken: een lelie. N.B. Koper. Zie: GVA, 1890, blz. 50. Afgebeeld: C. H. Peters. Oud Groningen. Stad en Lande. Groningen 1921. Blz. 188. GDW, blz. 133, nr. [464][6].
Over Bonno Awlsum
“Bonno Awsum, is geboren in 1526 en overleden in 1560, jonker en hoveling[7] te Uithuizen, die in 1548 des Zondags na Pontiaan[8] in het huwelijk treedt met Abele Coenders, wiens bruiloftskostuum beschreven wordt in het Nobiliarium[9] van Coenders, uitgegeven door H.O. Feith ('s Gravenhage 1886), 79. Dit Groninger adelsboek vermeldt verder nog, dat zij in hun 12-jarig huwelijk vier kinderen hadden. Het echtpaar ligt begraven in de Herv. Kerk te Uithuizen, en in de zerk is een fraai bewerkt bronzen schild gevat met latijnsch opschrift, dat vertaald luidt:
“de echtgenoote en de nagelaten kinderen (hebben dezen steen gewijd) aan Bonno Awslum, hij stierf in het jaar 1560, 19 Juni, in den leeftijd van 34 jaren. Er is een overlevering, dat de doode, die in dit graf rust, een spaansch ridder is geweest. J.A. Feith vermoedt, dat jhr. B.A. (Bonno Awsum, Red.) in zijn jongelingsjaren vóór zijn huwelijk, evenals zoovele jonge nederlandsche edelen, deel heeft uitgemaakt van den hofstoet van Karel V en zoo in Spanje is geweest”[10].
Zie ook: De grafsteen van Bonno Awlsum (1526-1560), gehuwd in 1548 met Abele Coenders in de kerk te Uithuizen in Gron. Volksalmanak (Gron. 1890), 50-56; J.A. Feith, C.H. v. Rhijn, J. Vinhuizen en G.A. Wumkes, Grafschriften in Stad en Lande (Gron. 1910), 353. Een artikel over Bonno Awlsum volgt t.z.t.
Van dezelfde Bonno en zijn vrouw Abele Coenders zijn nog de kleren bekend die ze bij hun huwelijk in 1548 hebben gedragen. In 1541 is Butto Auwelsuma hoofdeling te Uithuizen. De familie bezit eveneens goederen en rechten in de buurt van Godlinze. Daar komen voor Butte Ausuma van 1521-1548, Bonno van 1548-1560, juffer Abel in 1568 en Butte in 1574. De laatste zal in 1610 op Engersum hebben gewoond. Zijn zoon Bonno compareert[12] van 1614-1632 voor Uithuizen op de landdag. Op hem volgt zijn broer Rudolf of Roelf, die in de kroniek van der Houve[13] als eigenaar genoemd wordt. Hij sneuvelt in 1637 bij Venlo.

Afbeelding: Zegel van Butto Auwerluma van 2 december 1544[14].
Diens zoon Botto komt van 1642-1650 „op Engersma" voor, maar zijn moeder Lamme Broersema woont er in 1643. Zij laat in 1652, inmiddels hertrouwd met Johan de Mepsche tot Westrup en Eelde[15], de borg publiek verkopen. Er horen dan o.a. drie „begrafenissen" bij op het koor in de kerk, twee gestoelten (herenbanken) en 38 grazen land. Zij blijft zelf de hoogste bieder voor 16.500 gl.
Vijf jaar later, in 1657, wordt de borg opnieuw publiek verkocht. Dan wordt koper de redger Hermannus Mettinck uit Warffum, gehuwd met Sophia Bima voor 390 gl. het gras, in totaal voor 14.820 gulden. Hij en zijn zoon Wilhelm wonen er tot 1699. Zij treden vaak op als geconstitueerde redger[16] van het huis Menkema, dat Engersum geheel heeft overvleugeld. De Alberda's kopen ook verschillende rechten van Engersum.

IIn het Groninger Museum bevinden zich nog vier glasruiten in hout gevat (16.5 x 39.5cm) met het opschrift:
“Johan Writzers op Engersum tot Uithuisen, vrou Hindrycka Wusum genoemd Writzers syn huisvrou. Anno 1700”.
In 1699 wordt Johan Writzers gehuwd met Hindrika Wussum eigenaar, die met zijn vrouw Hindrika Wussum de borg Engersum bewoont. Tot zijn dood in 1733 compareert hij voor Uithuizen op de landdag. In 1725 erft hij bovendien borg Onnema[17] bij Zandeweer:
“38. Akte van scheiding tussen Johan Writzers, heer van Engersum mede gecommitteerde in de generaliteitsrekenkamer wegens de provincie van Stad en Lande, en zijn vrouw Henrica Wussums ter ene, en Bernhard Knock, ontvanger van de admiraliteit van de provincie van Stad en Lande, als voormond, en Theodorus van Bruinsvelt, secretaris van de kamer van rekeningen en financiën van de provincie van Stad en Lande, als voogd over Anna Geertruida en Reinold Knock, als kinderen van wijlen Herman Knock ontvanger-generaal (van de provincie) bij Wobbina Writzers, ter andere zijde, met betrekking tot de nalatenschap van Ulphert Writsers en zijn vrouw Aijlcke Reinders, in leven heer en vrouw van Onnema, respectievelijk hun ouders en grootouders, 1725”.[18]
“Bij de scheiding ontvangen:
Jan Writsers c.u. de borgh Onnema te Zandeweer met al het daaraan verbonden, verder de heemstede bij 't Juck en wat door Egbert Clant heer van Nijenstein (1634-1709) daarover is "geaccordeert" geworden; en daartegenover Aa. Ga. en R. Knock:
1. een heerd land te Oldenzijl;
2. een heerd land te Loppersum;
3. een som geld "tot egalisatie".
b. verder Jan Writsers c.u.:
1. een heerd beklemd land te 't Zandt;
2. 7 grazen vrij land te 't Zandt bij de Westerwegh;
3. 7 grazen en een heem vrij land met bomen;
4. ½ grazen vrij land te 't Zandt bij de Westerwegh;
5. 4 grazen vrij land te Westerwegh;
6. 5 grazen "vrij gelt" (sic) te 't Zandt;
7. 5 grazen beklemd land op de Uijthuister Uijtterdijck;
8. een heerd met 27 grazen land te 't Zandt;
9. een heemstede te Zijldijk;
10. een heemstede te Zijldijk;
11. een heemstede te Warffum.
Waartegenover Anna Geertruida en Reinold ontvangen:
1. een heerd land te Oldenzijl onder beklemming;
2. een heerd land te Zijldijk onder beklemming en 5 grazen vrij land; 3. een heerd beklemd land te Oldenzijl;
4. een heemstede te Oldenzijl;
5. 10 grazen land gevoegd bij de sub a. 1 aan hun toegescheiden heerd;
6. circa 3 grazen "praebendeland" te Kantens gelegen.
Jan Writzers c.u.:
3 obligaties ten laste van de vrouw van Menckema, respectievelijk groot fl. 600, fl. 800 en fl. 4.000 en 1 ten laste van Joan Lewe c.u. heer en mevrouw van Middelstum, groot fl. 2.500 en de vroeger uit de boedel genoten fl. 924.
Daartegenover Anna Geertruida en Reinold Knock:
1. een obligatie ten laste van de provincie Groningen (vaste goederen), groot fl. 3.000;
2. een obligatie ten laste van de provincie (ontvanger-generaal), groot fl. 300;
3. een obligatie ten laste van wijlen Reint Lewe c.u., groot fl. 3.000; 4. een obligatie ten laste van Claas Clasen c.u., groot fl. 600;
5. een obligatie ten laste van Willem Alberda, heer van Dijksterhuis, groot fl. 500”.[19]
Zijn weduwe, Hindrika Wussum overlijdt in 1758 en wordt te Uithuizen begraven. Erfgenaam wordt hun kleinzoon de weesheer[20] Hendrik van Sijsen, een zoon van hun dochter Liefke en Johan van Sijsen".
Onnema vindt de familie belangrijker dan Engersum. In 1761 biedt Hendrik van Sijsen[21] de buitenplaats uit de hand te koop aan met de beklemming van 55 grazen land. Blijkbaar is de verkoop gelukt, althans Hendrik van Sijsen overlijdt in 1794 op borg Onnema bij Zandeweer, terwijl op Engersum in 1792 Thomas overlijdt, een zoon van Hindrik Pietersen Vincent (ca 1734-1797) en Martjen Pieters Kremer (ca 1734-1811), wier kinderen de naam Van Veen aannemen.
Afbeelding: Hendrik van Sijsen (1705-1801. Hij is burgermeester van Groningen geweest).
Tomas wordt in de kerk van Uithuizen begraven:
HIER RUST HET STOFFELYK DEEL VAN DE EERZAME TOMAS H. PIETERSEN VINTSENTZE, DE ZOON VAN D.E. HINDRIK PIETERSEN VINTSENZE EN MARTJEN PIETERS, WOONAGTIG TOT UITHUISEN OP ENGERSUM, OVERLEDEN DEN 2 JULII 1792, OUT 31 JAAREN EN 6 MAANDEN.
N.B. Niet meer aanwezig. Vermeld: GSL, blz. 359. Naam Vintsentze elders niet gebruikt. Zie: OGS, blz. 207. OBS, blz. 404. GDW, blz. 679, nr. [3767].[22]
Na de dood van een van hen, Robbert Hindriks van Veen, wordt in 1851, de ruime behuizing Engersum met tuinen, hoven, singels en landerijen verkocht, te samen groot 24 bunders.
Hoe het op dat moment staat met de oude borg is niet duidelijk. Van der Aa bericht in zijn ‘Aardrijkskundig Woordenboek’ van 1848, dat de burg „Ungersum" te Uithuizen nog in stand is.
Huidige situatie
Feith deelt in zijn ‘Ommelander Borgen’ mee, dat de laatste overblijfselen of ruïnes in 1855 gesloopt zijn.
Een boerderij heeft aan de noordzijde van de Schoolstraat gestaan. De boerderij is genoemd naar de borg Engersum. In 1854 wordt de afgebeelde boerderij nieuw gebouwd. In 1925 wordt de boerderij door de weduwe Schilhorn van Veen verkocht aan de gemeente Uithuizen die het datzelfde jaar laat afbreken
Meer lezen: De grafsteen van Bonno Awlsum van borg Engersum in de kerk van Uithuizen..
De tekst is grotendeels afkomstig van “W.J. Formsma e.a., Groninger Borgen en Steenhuizen, Assen 1973” en is voor deze website bewerkt en aangevuld grotendeels volgens de bronnen genoemd in de noten.
Bronnen, referenties en literatuur:
- Groninger Archieven
- J. A. Feith, De grafsteen van Bonno Awlsum in de kerk te Uithuizen. Gron. V.A. blz. 50-56.
- Van der Aa, ‘Aardrijkskundig Woordenboek’, 1848.
Noten:
|