De Asingaborg van Ulrum op de kaart van Beckeringh uit 1782.

De familie Asinga
Hoewel Asinga niet bij name voorkomt onder de edele heerden van Ulrum moet de heerd zeer oud zijn. Hij wordt reeds genoemd in 1426 en bestaat dan reeds lang. In dat jaar wordt door de vertegenwoordiger van de bisschop van Munster een schenking goedgekeurd, door het echtpaar Abel Asinga en Bauwe Heemstra gedaan. De voorouders van Abel, Asingamannen genoemd, hebben namelijk ten behoeve van het Maria-altaar in de kerk te Ulrum een prebende gesticht. Abel en zijn echtgenote schenken aan deze prebende de Mensemaheerd op de Hucht te Ulrum, 26 jukken groot. De collatie van deze prebende zou blijven aan de bezitters van de Asingaheerd, die niet alleen heerd, maar ook 'castrum', dus steenhuis of borg wordt genoemd.

Van de familie Asinga (Asinge, Asege) is verder niet veel bekend. We weten niet of ze verwant zijn aan elders in de Ommelanden voorkomende  Asinga's. Wel zal tot deze familie behoord hebben Galo Asinga, die in 1478 als kerkvoogd te Ulrum vermeld wordt op een in dat jaar gegoten klok.

 

Tot 1504 blijft het goed eigendom van de familie Asinga. Vervolgens verkopen de gebroeders Eyse en Wygert Asege als voogden over de kinderen van hun overleden broer Sywert aan Jacob Hillebrandes Asegenheerd, groot 68 jukken met huis, heem en heerlijkheden. deze heerd is dan met hypotheek bezwaard en in gebruik bij een meier.


Een bijgewerkte afbeelding van de Asingaborg op de kaart van Beckerinh..

De familie Lewe
Jacob Hillebrandes draagt reeds in 1516 het goed over aan Frouwke Lewens, die het het op haar beurt met haar zoon Reynt Huynge in 1520 verkoopt aan Geert Lewe en zijn vrouw Hille de Mepsche. Als zoon van Herman Lewe en Bawe Tamminga heeft Geert Lewe ook aanspraken op de Tammingaborg te Hornhuizen.

 

Eveneens worden hem als zoon van Bawe Tamminga in 1523 door de kameraar en het kapittel van het bisdom Munster verpacht de tienden in het westelijk deel van de Marne te Hornhuizen, Vierhuizen, Niekerk, Vliedorp en Ulrum. Deze tienden zijn van ouds in pacht bij de familie Tamminga, dat is al in 1415 het geval. Zij gaan nu over aan de Lewes van Asinga en hun opvolgers en blijven tot 1795 in een of andere vorm van kracht. Zij bestaan uit de jaarlijkse heffing van een plak van alle melkgevende of drachtige koeien en schapen en uit de weltplege, dat is de verplichting die op bepaalde huizen ligt om de heffers van deze tienden op een uitgebreide maaltijd te onthalen.

Als hoofdeling 'te Tamminga' verkrijgt Geert Lewe in 1530 van de abt te Aduard rechten op de eilanden Busch, Hefzand en Sijmenszand (Kornzand).

Over Asinga vernemen we iets naders in 1551. In dat jaar verhuurt Geert Lewe aan Nese toe Leermens voor zes jaar ongeveeer 100 jukken land ten zuiden van zijn huis. Verder wordt overengekomen, dat Nese 30 koeien van hem zal kopen, twee wagens, een ploeg en een eg. Ook zal Nese 'meyerschewijse' de dijken onderhouden. Zij zal 300 rijder gulden betalen voor het schathuis en de kooltuin, terug te betalen bij het beëindigen van de huur, en tot 16 of 17 jukken beploegen en bemesten. Twee jaar later wordt echter een huurcontract gesloten met een andere meier.

Na de dood van Geert Lewe, omstreeks 1561, verkrijgt zijn zoon Evert Asinga. Deze, in 1562 gehuwd met Willem Mulert, overlijdt omstreeks 1568 (in ieder geval voor 7 maart 1569.). Kort daarna overlijdt ook zijn zoon Geert (ook voor 7 maart 1569), waarna Asinga komt aan Geerts zuster Anna. Deze trouwt in 1586 met Johan Lewe van Peize, waardoor Asinga in de familie Lewe blijft.
Johan Lewe en Anna zullen in de aanvang niet op Asinga gewoond hebben. In die tijd is het zeer onveilig op het platteland. Bovendien is hij van 1590-1594 raad of burgemeester van de stad of hoofdman. Hoewel hij dus aan Spaanse zijde staat - zijn vader Joost Lewe is in 1580 uitgeweken, maar heeft zich in 1583 met de Spanjaarden verzoend- legt hij in 1594 de eed van trouw af aan het nieuwe bewind. Sindsdien heeft hij vermoedelijk op Asinga gewoond, ook na de vervening van het huis ter Hansouwe bij Peize van zijn zuster Oede.

In 1589 verhuren Johan en Anna Lewe voor drie jaar Asingaheerd, groot 52 en halve juk met inbegrip van de wierde aan de zijde van het hof en wierde 'up die bueren', verder het schathuis met het hof en de singel, zoals de verhuurder reeds in gebruik heeft. Over de borg zelf wordt niet gesproken. 

In 1609 of 1610 is er wederom sprake van verhuring van het borgland. Dan wordt het schathuis met annexen verkocht aan Wipko Claessen voor 2000 emder gulden, waarbij verhuurd wordt 61 jukken borgland dat onder het schathuis beklemd zal zijn. Maar aangezien Wipko zijn landhuur niet betaalt, wordt in 1611 de koop en de huur weer ingetrokken. Sindsdien neemt de heer van Asinga de schathuizen en het land zelf in gebruik.

 

Johan Lewe sterft in 1616, zijn vrouw Anna in 1630. Kort voor haar dood laat zij voor de toren van Vierhuizen en klok gieten.
Bij het huis Asinga horen dan schathuizen, grachten, hoven, singels, collatierechten, het staande redgerrecht over Ulrum, Vliedorp, Niekerk, Houw met annexen het grote redschap genoemd, een staande schepperij over Houwerzijl en het dijkrecht in het grote redschap. Door ruil met Casper van der Wenge is johan Lewe erin geslaagd deze rechten staande te maken. Verder hoort erbij de  'dekenij', bestaande uit de verplichting tot het brengen van lammeren elk jaar op Pinkstermaandag bij zonopkomst op het huis Asinga. Bij verzuim liep de boete elk uur op met vier Goudgulden; afkoop is mogelijk. Eveneens de weltplege en de heffing van een plak van koeien en schapen zoals hiervoren is aagegeven en dijkhaver en dijkgerst te betalen als vergoeding voor het dijkrechterschap.

De zoon van Johan en Anna Lewe Evert erft Ter Hansouw van zijn vader en Asinga en Panser, dat in 1628 verkregen is, van zijn moeder. Hij is in 1618 getrouwd met Anna Coenders, de erfdochter van Ewsum te Middelstum, die reeds in 1628 sterft. Evert zelf overlijdt in 1641.

 

Uit hun belangrijke nalatenschap krijgt een van de zoons, Abel Coeders Lewe, de borgen Asinga en Panser met landerijen en rechten toegewezen bij akte van boedelscheiding van 1648. Hij trouwt in 1647 met Elisabeth Hooftman genaamd Eickelberg.
Dit echtpar laat in 1659 het oude gebouw vervangen door een nieuwe woning. Het huis wordt uit een brede gracht opgetrokken en omgeven door hoven, tuinen en singels. De kosten belopen wel 25000 gulden. Misschien houdt met deze verbouwing verband de verkoop van het huis de Quinque in de Ebbingestraat te Groningen voor 15200 gulden.
Abel Coenders Lewe sterft in 1664, zijn vrouw in 1686. In hun testament is bepaald, dat de langstlevende in vruchtgebruik zal houden het huis Asinga met annexe rechten. De eigendom daarvan zou komen aan hun zoon Evert, terwijl hun dochter Anna Panser met bijbehoren zou krijgen.

 

Van In- en Kniphuisen
Vermoedelijk is na de dood van Abel Coenders Lewe zijn weduwe met haar kinderen op Asinga blijven bewonen. Zo kunnen van 1667-1685 Evert lewe en zijn zwager Haro Caspar van In- en Kniphuisen, heer van Lutsborg, de man van Anna Lewe, tegelijk op de landdag voor Ulrum compareren. In 1685 overlijdt Evert ongehuwd. Asinga vererft nu op zijn zuster Anna, waardoor Asinga aan de familie Van In- en Kniphuisen komt. Reeds in hetzelfde jaar schenken Anna en haar man als heer en vrouw van Ulrum aan de kerk aldaar een fraaie avondsmaalsbeker.


Anna overlijdt in 1686, kort daarna in hetzelfde jaar ook haar moeder, Elisabeth hooftman. Haro Caspar van In- en Kniphuisen sterft in 1694. Zijn zonen Willem Abel en Evert, die het 'teneenemael in sijn sinnen is geslaegen', kort daarna.


Asinga komt aan de overgebleven zoon Hendrik Ferdinand, getrouwd met Aurelia Jarges, die in 1693 Sassema geerfd heeft en in 1705 ook Meyma verkreeg. verder koopt hij in 1694 Bewsum. Sassema en Bewsum worden niet lang daarna afgebroken, maar de rechten blijven aan de eigenaars van Asinga.

Onbezwaard blijft dit bezit niet. Zo wordt in 1695 van de kerk te Ulrum een hypotheek op Asinga genomen, groot 4000 gulden.
Aurelia sterft in 1702, Hendrik Ferdinand in 1716. Wederom volgen enige sterfgevallen vlak na elkaar. Hun oudste zoon Schelto Jan, die in 1709 Meyma van zijn vader gekregen heeft, sterft eveneens in 1716, diens vrouw Charlotta Maurice van In- en Kniphuizen van de Nienord kort daarna in 1717, een zoontje van een week nalatende, Johan Carel Ferdinand. Henderik Ferdinand van In- en Kniphuisen heeft behalve Schelto Jan nog vier kinderen. Anna die in 1717 trouwt met Joost Lewe van Mathenesse.

 

Haro Caspar, die in 1728 zou trouwen met Josina Geertruida van In- en Kniphuisen van de Nienoord, een oudere zuster van de overleden Charlotte Maurice. Na de dood van Josina Geertruida in 1729 hertrouwt hij in 1731 met Petronella Anna Lewe, dochter van Evert Joost Lewe van aduard. Willem, die in 1750 trouwt met Susanna Johanna Alberda van Dijksterhuis.


Johanna Habina van In- en Kniphuisen
Geen wonder is het, dat bij de opeenvolgende sterfgevallen in de jaren 1716-1718 en de ingewikkelde familieverhoudingen langdurige processen ontstaan over de erfenissen Nienoord-Asinga en alles erbij horende.
Na de dood van Johan Carel Ferdinand in 1737 treffen de erfgenamen in 1738 een schikking waarbij wordt bepaald, dat Asinga zou komen aan Haro Caspar van In en Kniphuisen en Joost Lewe van Mathenesse namens zijn kinderen bij Anna, die in 1734 overleden is. De Nienoord wordt toebedeeld aan Willem en Johanna Habina van In- en Kniphuisen.

 

De moeilijkheden zijn hiermee niet ten einde. Ze duren voort onder de erfgenamen. In 1760 komt tenslotte een regeling tot stand waarbij Asinga ten deel viel aan Ferdinand Folef een zoon van Haro Caspar. Ferdinand Folef trouwt eerst met Clara de Hertoghe van Feringa en na haar dood  in 1768 met de rijke Amsterdamse burgemeestersdochter Anna Maria Graafland. In hetzelfde jaar erft hij ook de Nienoord.

Afwisselend woont zij daar en op Asinga, maar meestal op Asinga. Daar worden hun kinderen geboren, voor Ulrum compareert Ferdinand Folef ook op de landdag. In 1779 wordt in het park van Asinga naar de smaak van die dagen een Chinese tent gebouwd.
Politiek staat hij aan de zijde van de patriotten. Hij moet dan ook in 1787 zijn functie als lid van de Gedeputeerde Staten opgeven. Particulier leidt hij, volgens Teenstra, 'een vrolijk leven met rijden en rossen, jagen en visschen, bras- en drinkpartijen, en verspilt veel geld'. Financiele contacten heeft hij met Meijer Amschel Rothschild te Frankfort. In 1795 maakt hij door zelfmoord een eind aan zijn leven.

Het is niet eenvoudig een inzicht te krijgen in de financiële staat van de nalatenschap. Wel is bekend, dat de weduwe krachtens huwelijkcontract aanspraak maakt op rond 500.000 van de geinventariseerde boedel. De omwenteling van 1795 maakt een eind aan allerlei privileges en rechten. Krachtig protesteert Anna Maria tegen deze onteigening zonder schadevergoeding.
Terwijl al deze moeilijkheden nog slepende zijn, overlijdt zij te Groningen in 1803. Bij de boedelscheiding komt Asinga aan de oudste zoon Jan Carel Ferdinand, Nienoord aan de jongste zoon Haro Caspar van In- en Kniphuisen.
Hoe het verval voortgang maakt, blijkt al duidelijk hieruit, dat Nienoord in 1802 gedeeltelijk wordt afgebroken en Asinga geheel en al in 1809.

Het 'hoogadellijke' huis Asinga, met vergulde leeuwen als windwijzers - het wapen van de borg bestaat uit twee tegen elkaar klimmende leeuwen- wordt in 1809 in De Doelen te Groningen publiek en op afbraak verkocht. De borg zelf komt voor 6001 gulden in de handen van Jan Andries te Kollum. Met het puin worden de dijken van de Nieuwe Ruigezandster polder versterkt. Het huis bevat veertien royale kamers, een keuken en diverse kelders. In de blauwe zaal staan 54 stoelen. Er is een witte zaal en evenals op de Nienoord een tapijtenzaal. Verder een bonte kamer, groene kamer en een goudleerskamertje. Ook worden genoemd een preceptorskamer en een generaalskamer, waarschijnlijk genoemd naar generaal Joost Lewe, die omstreeks 1738 het beheer heeft over Asinga. Op afbraak worden ook verkocht het schathuis, een nieuw getimmerde schuur met turfschuur, een koetsierswoning, de Chinese tent en alles wat op het terrein staat. Verder worden verkocht banken en grafkelder in de kerk en heerlijkheden en gerechtigheden. Ook het bos wordt gekapt. Zo is Asinga geliquideerd. Als laatste herinnering aan de familie Van In- en Kniphuisen te Ulrum staan nog de namen Jan Carel Ferdinand en zijn vrouw Magdalena Dorothea Lewe van Aduard op het in 1806 vergrote orgel in de kerk. Jan Carel Ferdinand overlijdt als kolonel op non-actief te Groningen in 1842. De baten van zijn erfenis bedragen slechts 643,66 gulden. 

Aan de buitenzijde van de borg lag de toegangslaan naar de borg met een ingang vanaf de Singel en een ingang vanaf het Melkpad, nu Asingastraat. Het borgterrein raakt na de inval van de Fransen in Nederland in 1795 in verval, doordat alle heerlijke rechten - lees inkomsten - van de borgbewoners zijn afgeschaft. De laatste bewoner van de borg vertrekt in 1809. In dat jaar wordt, zoals we hebben gezien, het huis Asinga, inclusief tuinen en bossen, publiek verkocht.

De borg bestaat dan dus uit een huis met vijftien royale kamers, een keuken en diverse kelders, een schathuis, schuren, een koetsierswoning en een Chinese tent (vermoedelijk een zomerhuisje), kassen, lanen, bossen en landerijen. Het huis brengt op afbraak 6.001 gulden op. Verder worden in een jaar tijd duizenden bomen en struiken, van groot tot klein, verkocht. In 1810 wordt de borg afgebroken. Het puin is gebruikt voor de versterking van de dijken in de Nieuwe Ruigezandsterpolder, gelegen tussen Zoutkamp en Lauwerzijl.

Na de afbraak is het vrijgekomen stuk land vrijwel uitsluitend gebruikt als landbouwgrond. Een deel van het terrein dat tegen de zuidoostelijke helling van de wierde lag, is afgegraven.
De geschiedenis van het Asingaverleden leeft in Ulrum al jaren voort in de vorm van de Asingabank in de hervormde kerk, het bejaardenhuis Asingahof, de Asingastraat en aan de rand van het park het riante woonhuis Asingaheerd.
In 1809 werd dus de Asingaborg verkocht voor afbraak. Daarmee ging niet alleen de borg verloren, maar na de afscheiding van 1834, 25 jaar nadat de borg is afgebroken gebeuren er nog een aantal zaken die beslist niet over het hoofd gezien mogen worden. J.S. van Weerden schrijft daarover in zijn boek ‘Spanningen en Konflicten, Verkenningen rondom de Afscheiding van 1834’.


De 14 heren
Allereerst is de verdeling van de rechten van belang. Onder meer de collatierechten komen in handen van veertien boeren wat het beroepen van een nieuwe dominee erg gecompliceerd maakt. Dat dan ook nog eens een deel van die heren 14 niet kerkgaand is, is voor serieuze kerkbezoekers een doorn in het oog. Er heerst onvrede.
Van Weerden behandelt in zijn boek uitvoerig de liquidatie van het huis Asinga en de gevolgen daarvan voor de kerkelijke gemeenschap van Ulrum. Een hoofdstuk waarvan we de waarde en het belang niet moeten onderschatten.

 

De Asingaborg van Ulrum op de kaart van Coenders.

Borgen en jonkers
Ruim 100 jonkerborgen zijn er nog in de provincie Groningen in de dagen van de Republiek, aldus Van Weerden. Door de afschaffing van de heerlijke rechten is een belangrijke bron van inkomsten van de praktisch tot dorpsheren geworden jonkers opgedroogd, zodat het niet mogelijk is, zich de weelderige levensstaat die zij gewoon zijn te voeren, langer te veroorloven. De een na de ander hebben ze zich van het platteland teruggetrokken en zich in de stad Groningen, of elders, gevestigd.

Voor de dorpen heeft dit terugtrekken naar de steden belangrijke gevolgen gehad. De tot riante landhuizen verbouwde borgen komen de een na de ander onder de hamer en deze verkoop leidt bijna overal tot sloop en afbraak. De kostbare inboedels worden op boeldagen gemijnd en de houtopstanden geven aanleiding tot het houden van grote veilingen. De verkopingen duren zo lang als er iets te verkopen valt. Na luttele jaren blijft op de plaats, waar eens een bedrijvigheid heeft geheerst, waar de jachthoorn heeft weerklonken, waar op gezette tijden een huwelijksfeest, een blijde geboorte of een droevig sterfgeval zijn weerklank heeft gevonden tot in de kleinste behuizingen van het dorp, slechts een kale vlakte over, geschikt gemaakt voor weide of akkerland.
De afbraak van de borgen met haar bijgebouwen, het vellen van de bomen in de rondom gelegen bossen en plantsoenen, het vertrek van de borgbewoners heeft het platteland een ander gezicht doen krijgen. Voor een gedeelte van de dorpsbevolking mogen hierdoor van enkele winstpunten sprake zijn geweest, voor een ander deel, in het bijzonder voor de ouden van dagen en de invaliden, die niet meer in het arbeidsproces zijn opgenomen, is het een verlies geweest. Want op de uitgebreide borgterreinen heeft juist deze bevolkingsgroep als goedkope werkkracht arbeid en brood gevonden. En tenslotte betekent het verdwijnen van de borg met haar lommerrijke omgeving voor het landschapsbeeld een grote verarming.

Alleen al in het Marnegebied worden in een kwart eeuw tijds vier borgen geliquideerd. De eerste daarvan, de grote Tammingaborg te Hornhuizen, valt in 1803 in slopershanden. Daarna volgen in 1809/10 de Asingaborg te Ulrum, in 1822/23 de Lulemaborg te Warfhuizen en in 1832 Borgweer te Wehe. In dit gebied is slechts Verhildersum te Leens is tot op de dag van heden blijven bestaan.
Welk een rijk bezit zulk een borg voor het dorp heeft uitgemaakt, van welk een omvang de liquidatie van zulk een landgoed is geweest, blijkt uit de volgende gegevens, die betrekking hebben op de Asingaborg te Ulrum, afgebroken precies 20 jaar vóór de intrede van ds Hendrik de Cock als predikant bij de Hervormde gemeente aldaar.


De Asingaborg wordt afgebroken

Het begint in 1809 als op 2 oktober en de daaropvolgende dagen, het volledige boerenbeslag, waaronder 5 of 6 paarden, 11 melkkoeien, 1 stier en een aantal kalveren en schapen voor de verkoop worden gepresenteerd. Nog in hetzelfde jaar, op 8 en 16 november, heeft in het logement ‘De Doelen’ te Groningen de verkoop plaats van ‘het hoog adellijk huis Azinga te Ulrum’, op afbraak, met voor- en achterbrug, met 14 royale kamers, singels, lanen, bossen, woningen, landerijen, waarbij o.a. de 12 jukken grond, waar de borg op stond, zitbanken in de kerk en de heerlijkheden en gerechtigheden van het Grote en Kleine Reedschap, alles tezamen in 57 percelen.

 

Van welke omvang de plantagiën zijn geweest, blijkt uit een advertentie in de Provinciale Groninger Courant, ook in dezelfde maand november, waarbij H.E. Noordhuis en Compagnie (de combinatie die het houtgewas heeft aangekocht), bekend maken, dat bij hen uit de hand te koop zijn enige duizenden ‘elderen, eschdoorns, berken, tax, esschen en hagedoornen, pootlings alsmede jonge stam- en appelboomen’. Verder ook beste jonge ‘persieke-, abrikoose-, kerse-, peere-, pruime- en andere heestergewassen’, met daarnaast ‘annasse-, persieke- en druivekassen, enz.’.

 

In een volgende aankondiging komt de mededeling dat op 16, 17 en 18 januari 1810 te koop zullen worden gepresenteerd ‘± 600 extra mooie eiken, iepen en esschen, benevens 250 linden, een menigte sparren, beuken, elzen’, en ook nog vele jonge vruchtbomen als perziken, abrikozen, appel-, pere-, pruime- en kastjanjebomen, met een grote partij brandhout, gekapt en op wortel, enz. Op 10 december volgt de verkoop van nog eens ‘250 extra rechte opgaande iepen boomen van 20 tot 30 voeten stam, benevens 200 linden en een partij jonge iepen en esschen, alles staande bij de borgstede Azinga’.
Inmiddels heeft op 18 april en de daarop volgende dagen de verkoop plaats gevonden van de kostelijke inboedel van het huis Asinga; een uitgebreide omschrijving daarvan kan men vinden in de dagbladadvertentie.
Uit deze massale verkopingen treedt duidelijk de omvang van het Asingabezit naar voren; ook kan men de gevolgtrekking maken, dat ze voor het dorp Ulrum maar een trieste gebeurtenis zijn geweest, omdat het verdwijnen van de borg met haar bewoners het aanzien van het dorp sterk is verminderd.

Een kaart van de gemeente Ulrum uit 1868. De gemeente heeft dan 2700 inwoners.

 

 

De situtatie in 2016
Van het terrein en het gebouw is helemaal niets meer over. Alleen wie goed kijkt, ziet op de plek waar de borg heeft gestaan nog een lager gelegen gedeelte in het landschap. Het is de plek waar de grachten hebben gelopen.

 

Vervolgens fuseren de gemeente Ulrum, Leens, Eenrum en Koosterburen per 1-1-1990  En nadat eerst de nieuwe gemeente nog heel even Ulrum heeft geheten, wordt dit per 1-1-1992 De Marne. Inmiddels zijn we 24 jaar verder en er zijn nog steeds stemmen dat het onder de oude gemeente Ulrum allemaal veel beter is geweest.

 

Of dat zo is, kunnen we maar beter in het midden laten. Het geeft echter wel aan dat oud zeer lang kan doorwerken. Dat zal in het begin van de 19e eeuw niet anders zijn geweest.

En het verdwijnen van de winkels uit het dorp lijkt voor velen nu net zo triest te voelen als men 200 jaar geleden naar het braakliggende borgterrein zal hebben gekeken. Wat dat betreft is er niet zoveel verschil met de periode rond de afbraak en nu…..

Bronnen:
Website Het Marnegebied
Spanningen en Konflikten, Verkenningen rondom de Afscheiding van 1834, J.S. van Weerden.
De Ommelander borgen en steenhuizen, ISBN 90 232 2314 4
Website Wikipedia

Deze pagina maakt deel uit van www.nazatendevries.nl.
Aan bovenstaande tekst is de uiterste zorgvuldigheid besteed. Desondanks kunnen er best fouten voorkomen.
Constateer je fouten en/of heb je vragen, correcties, aanvullingen...geef die dan even aan mij door via mijn E-mail adres.
Laat ook eens een bericht achter in het Gastenboek.
Hoogeveen, 26 juni 2017.
Samenstelling: © Harm Hillinga
.
Menu Artikelen.
Terug naar de HomePage.
Top