Blijham, eerst een landbouwdorp, nu meer een woonplaats

 

De geschiedenis van ca 1850 tot ca 1950

 

Molenhorn te Blijham, 1920-1930. Bron: RHCGA Groninger Archieven, Beeldbank Groningen.

Molenhorn te Blijham, 1920-1930. Bron: RHCGA Groninger Archieven, Beeldbank Groningen.

 

Het gedeelte van de voormalige gemeente Wedde[1] dat ten noorden ligt van de Louwdijk, draagt de naam Blijham. De naam Blankham en Bli(e)ham komt ook voor op sommige oude kaarten en in akten. Onderverdeeld spreekt men van Oosteind, Westeind[2], Molenhorn[3], Lutjeloo[4], Morige[5] en Zandstroom[6], terwijl verdere benamingen als: de Heemen[7], Kerkhorn[8], Kenters- en Tjabbesstreek[9], de aanduidingen zijn geweest van kleinere gemeenschappen. Blijham telt ongeveer tweederde van het aantal inwoners van de voormalige gemeente Wedde en is dus het hoofddorp geweest. Van de eerder ruim 4000 inwoners wonen er ongeveer 2600 ten noorden van de Louwdijk (ca. 1950).

 

Hotel Nieuwburg, 1911-1921. Rechts liggen de rails van de stoomtram Oostelijk Groningen. Hotel Nieuwburg dateert uit 1787. In 1861 werd het gemeentelijk bestuur in het hotel ondergebracht, dat voordien in Wedde was gevestigd. In 1866 werd achter hotel Nieuwburg het gemeentehuis gebouwd. RHCGA Groninger Archieven, Beeldbank Groningen.

Hotel Nieuwburg, 1911-1921. Rechts liggen de rails van de stoomtram Oostelijk Groningen. Hotel Nieuwburg dateert uit 1787. In 1861 werd het gemeentelijk bestuur in het hotel ondergebracht, dat voordien in Wedde was gevestigd. In 1866 werd achter hotel Nieuwburg het gemeentehuis gebouwd. RHCGA Groninger Archieven, Beeldbank Groningen.

 

De zetel van de voormalige burgerlijke gemeente, die oorspronkelijk in het dorp Wedde gevestigd is geweest, wordt in 1861 naar Blijham overgebracht en ondergebracht in hotel Nieuwburg. Het gemeentehuis aan de Raadhuisstraat is gebouwd in 1886, op een terrein van de eigenaar van 't hotel Nieuwburg, die de grond destijds gratis afstaat voor dit doel. Het is enige keren verbouwd en uitgebreid, het laatst in 1938. In de gevel prijkt het wapen van de gemeente met het opschrift :

 

‘In hoc signo floresco’.

 

 

Hetgeen vertaald beduidt; ‘In dit teken werk ik’. In 1884 verzoekt de gemeente Wedde aan de regering een wapen te mogen voeren. Men ontwerpt een wapen waarop de symbolen, verwijzen naar ‘Jarfke’s Prophecye’, de profeterende Jarfke, een landman tussen hooioppers.

 

De minister keurt het ontwerp echter niet goed; de reden hiervoor is dat het wapen kan ontaarden in een soort schilderij of plastische voorstelling. Hij stelt een wapen voor dat meteen wordt geaccepteerd:

 

Het voormalige wapen van de voormalige gemeente Wedde waarvan het gemeentehuis in Blijham heeft gestaan.

Het voormalige wapen van de voormalige gemeente Wedde waarvan het gemeentehuis in Blijham heeft gestaan.

 

Rechts een kasteel van keel (rood) op een veld van zilver, links gedeeld; boven, een hooischelf van goud op een veld van sinopel (groen); beneden, twee golvende fasen (balken) van azuur (blauw) op een veld van zilver. Het kasteel herinnert aan de burcht te Wedde, de golvende fasen en de hooischelf aan de, midden 15e eeuw begonnen indijking van de Dollard en aan Jarfke's verzuchting:

 

 ‘Och, och, hoe moede ben ick geworden! Aleer ick door alle hoyop pers gekomen ben’.

 

Blijham is een zuiver agrarisch dorp geweest; een meubelfabriek en een borstelmakerij dateren van na de tweede wereldoorlog. De steenfabriek te Winschoterhogebrug kan ook tot de industriële sector gerekend worden. En ook een timmerfabriek heeft door het hele land ‘Blijhamster schoppen’ geleverd. Daarnaast is er zelfs een sigarenfabriekje geweest in Blijham.

 

Ze is een oude nederzetting aan de rand van de grootste uitbreiding van de Dollard geweest. De oudste kaart stamt uit 1595; deze is niet meer ‘bruikbaar’, maar een kopie van circa 1700 toont ons behoorlijk duidelijk hoe Blijham er op dat moment uitziet. Op deze kaart staan alle boerderijen in 't Westeind nog aan het zandpad, dat ongeveer 500 meter zuidelijker parallel loopt aan de hoofdweg. In tegenstelling tot de hoofdweg, die noordwaarts afbuigt naar Winschoterhogebrug, vervolgt dit pad zijn weg zuidwaarts naar Oude Pekela.

 

Kaart van de landen van Blijham, Bellingwolde en Vriescheloo: copie naar een copie van ca. 1700 van een kaart van 1590. Kaart van de landen ten zuidwesten van de Dollard tussen Heiligerlee, Wedde en Den Ham. "een mijle van twee ure gaens den mijle gerekent = 27 cm". Titel verso in pen. Kopie gemaakt naar kaart cat.nr. 5887. Originele kaart: cat.nr. 6746; deze is nagenoeg onleesbaar. Zie ook 5888. Bron. RHCGA Groninger Archieven, Beeldbank Groningen.

Kaart van de landen van Blijham, Bellingwolde en Vriescheloo: kopie naar een kopie van ca. 1700 van een kaart van 1590. Kaart van de landen ten zuidwesten van de Dollard tussen Heiligerlee, Wedde en Den Ham. "een mijle van twee ure gaens den mijle gerekent = 27 cm". Titel verso in pen. Kopie gemaakt naar kaart cat nr. 5887. Originele kaart: cat. nr. 6746; deze is nagenoeg onleesbaar. Zie ook 5888. Bron. RHCGA Groninger Archieven, Beeldbank Groningen. Klik op de kaart voor een vergroting.

 

Op de kaart van 1595 zien we de Heerweg bij boerderij no. 25 afbuigen naar de Turfweg, om dan via de Holtjerheerd uit te komen bij de Peekel Borch.

 

In het Oosteind staan de gebouwen, op een vijftal aan de noordzijde na, aan de zuidzijde van de verkeersweg, die dan vanaf de driesprong naar de Heemen loopt, waar ze overgaat in landwegen. De meesten gebouwen staan met het woongedeelte naar het voetpad dat hier, ongeveer 100 meter zuidelijker, parallel loopt aan de hoofdweg.

Van de genoemde landwegen wordt er één in 1854 door de Provincie aangekocht, om er een verharde weg op aan te leggen. Ook de Langebrug over de Westerwoldse A dateert van die tijd waardoor er dus een behoorlijke verbinding ontstaat met Bellingwolde.

 

Een paar jaar eerder is de Provinciale weg van Winschoten naar Blijham verhard en dit is voor de boeren in 't Oosteind aanleiding om ook in 't Oosteind tot wegverbetering te komen. Ze vragen concessie en subsidie van de Provincie en dit wordt inderdaad verleend; hadden ze een paar jaar gewacht, dan had de Provincie dit werk uitgevoerd. Ze mogen de weg van ongeveer 1800 meter zelf aanleggen maar ook zelf onderhouden. Beetje pech want na een paar jaar veranderen de regels waarna de Provincie zelf zulk soort wegwerkzaamheden uitvoert. Ze krijgen echter wel het recht om tol te heffen.

 

Oosteinde 21: Bakkerij. Vervaardiger Douma, M.A. 9 augustus 1974. Bron. RHCGA Groninger Archieven, Beeldbank Groningen.

Oosteinde 21: Bakkerij. Vervaardiger M.A. Douma, 9 augustus 1974. Bron: RHCGA Groninger Archieven, Beeldbank Groningen.


Door zuinig beheer van de tolopbrengst slaagt men er steeds in wat onderhoud uit te voeren maar dit loopt ver achter bij de staat van onderhoud van de Provinciale Weg en na driekwart eeuw eigen beheer is men erg gelukkig de zaak in 1930 in z'n geheel te kunnen overdragen aan de Provincie, waarmee ook de tolheffing komt te vervallen. De boerenweg wordt dan geheel opnieuw aangelegd, geëgaliseerd en geasfalteerd.

 

Ook Lutjeloo kent destijds zijn eigen boerenweg, verhard van 1870 tot 1880. Een viertal bedrijven zijn hier belast geweest met het onderhoud van deze gezamenlijke uitweg naar de Provinciale Weg. Aangezien deze weg geen verbinding vormt met een andere buurtschap, zal hier de kans op overdracht wel erg klein zijn geweest. De weg staat onder toezicht van 't gemeentebestuur, is voor een groot deel met klinkers en veldkeien bestraat en legt op de onderhoudsplichtige bedrijven een behoorlijke jaarlijkse last.

 

De tol die hier in 't laatst van de vorige eeuw wordt geheven, is erg billijk. Men betaalt twee cent per persoon wanneer men naar of van Vriescheloo gaat en voor ieder stuk vee is de tol vijf cent. Van de inning komt echter niet veel terecht en daarom wordt de tol dan ook opgeheven.

 

In de tijd dat de wegen nog niet verhard zijn, vormen de voetpaden, waaraan Blijham nogal rijk is, de hoofdverkeersaders. De vele wit geverfde, smalle bruggetjes (vonders), over iedere zwetsloot die het voetpad doorsnijdt, geven deze paden dan een karakteristiek en fleurig aanzien.

 

In de eerste helft van 1900 zijn de meeste vonders vervangen door dammen, waaronder duikers zijn gelegd. De paden worden dan twee keer per jaar door 't gemeentebestuur geschouwd en worden in de herfst van een nieuwe laag wit zand van één meter breed voorzien en de vonderleuningen worden wit geverfd. Deze schouw dateert van 1822, wanneer de Staten een verordening vaststellen waarbij het toezicht over alle openbare wegen, straten en voetpaden, aan de gemeentebesturen wordt opgedragen.

 

Volgens overleveringen moet er vroeger, noordelijk van de hoofdweg ook een pad hebben gelegen van ongeveer 300 meter. Dit pad vormt dan een verbinding tussen de Heemen en Winschoterhogebrug en loopt langs de huizen, waarvan nu nog resten in de grond worden aangetroffen, meest alle in de tweede Venne gelegen. Deze huizen staan echter op geen enkele kaart aangegeven en zullen dus wel zijn opgeruimd vóór 1595.

 

Naast de beide al eerder genoemde paden door West- en Oosteind loopt er ook nog een belangrijk pad door de Morige, vanaf de openbare lagere school tot de Louwdijk, aansluitend op het Hoornderpad. Dit Morige pad is in die tijd voor de bewoners van de vele verspreid staande arbeiders- en kleine boerenwoningen de kortste verbinding met het kerndorp de Molenhorn. Er is dan nog weinig sprake van bouwvoorschriften en ieder die een stukje grond bezit, zet hier een huisje neer zoals hem dat zelf het beste lijkt. Het resulteert in een stukje Blijham dat er schilderachtig uitziet en zijn eigen karakter heeft.

 

Eigenlijk bezit Blijham twee kernen: de Kerkhorn en de Molenhorn. De eerste is in vroeger tijden de belangrijkste, wanneer de kerk het centrale punt is; de tweede dankt zijn groei aan de stichting van het gemeentehuis in dit buurtschap, waaromheen allerlei ambachtelijke winkels en bedrijfjes ontstaan. Het in 1935 door de gemeente opgezette uitbreidingsplan beoogt een samensmelting van de beide kernen.

 

Voormalig gemeentehuis Blijham, gemeente Wedde, 1930-1940. Uitgever W. Nieuwbeerta. Bron. RHCGA Groninger Archieven, Beeldbank Groningen.

Voormalig gemeentehuis Blijham, gemeente Wedde, 1930-1940. Uitgever W. Nieuwbeerta. Bron. RHCGA Groninger Archieven, Beeldbank Groningen.

 

Als gevolg van het toenemend handelsverkeer in de omgeving begint in 1843 de verharding van de wegen in de omgeving met de aanleg van de weg Winschoten-Groningen. Aangezien er een belangrijke subsidie uit de overheidskas moet komen, wordt in de Statenvergadering over dit onderwerp nogal gediscussieerd. En zo lezen we dat er in de vergadering van 1850 wordt meegedeeld dat een met slechts enkele zakken graan beladen wagen van een landbouwer te Blijham, bespannen met tien paarden, in de weg tussen Winschoten en Blijham is blijven steken. Gevolg is, dat in 1851 wordt begonnen met een kunstweg van Winschoten door het Westeind tot de Morige. Winschoten draagt f 6000,- bij en Wedde f 3000,-. Winschoten stelt echter de voorwaarde dat de Winschoterhogebrug over de Pekel A, die in 1828 door het rijk aan haar in eigendom en beheer is overgedragen, door de Provincie moet worden overgenomen, waarmee de laatste akkoord gaat.

 

In 1859 wordt de weg Morige-Wedde aangepakt tot even zuidelijk van Wedde en in 1861 volgt de verharding naar Vlagtwedde en Bourtange. Al eerder is vermeld dat de zijtak door het Oosteind in 1852 door de boeren zelf is aangelegd. In 1857 zorgt de provincie voor de verlenging over Bellingwolde-Oudeschans naar Nieuweschans.

Een zijtak, de Rhederweg met aansluiting naar Aschendorf, komt in 1862 gereed.
De turfweg van Oude-Pekela naar Blijham is al in 1852 verhard en de weg Onstwedde-Wedde en die door Vriescheloo in 1866. De wegverharding Vlagtwedde-Ter Apel komt tot slot pas in 1904 tot stand.

 

Boerenbehuizing E. Botjes - Oosteind Blijham, 1931-1935. Uitgever: Boerenbehuizing E. Botjes - Oosteind Blijham. Bron. RHCGA Groninger Archieven, Beeldbank Groningen.

Boerenbehuizing E. Botjes - Oosteind Blijham, 1931-1935. Uitgever: Boerenbehuizing E. Botjes - Oosteind Blijham. Bron. RHCGA Groninger Archieven, Beeldbank Groningen.


Grote bedrijfsgebouwen met aangebouwde, fraaie woonhuizen kenmerken Blijham als een welvarend landbouwdorp. De grote schuren zijn nodig om de oogst van de veel verbouwde graangewassen te bergen. Vaak is in 't begin van deze eeuw nog een iets kleinere, open of ook wel gesloten landbouwschuur bijgebouwd, om de steeds groter wordende stro opbrengsten te kunnen bewaren. Daarnaast vindt men op veel bedrijven een nog kleinere dichte schuur, waarin de rijtuigen worden geplaatst en waarin nu de tractoren, auto’s als ook de kleinere werktuigen onderdak vinden. Boven de woonhuizen treft men één of twee grote graanzolders aan, die in die tijd nodig zijn om granen, peulvruchten en zaden, die niet direct worden verkocht, op te slaan. Tegenwoordig wordt bijna alles direct na het dorsen afgeleverd en zijn deze ruimten overbodig geworden. Vandaar dat bij nieuwbouw wordt gestreefd naar veel kleinere woonruimtebouw, waardoor de bewoning veel makkelijker wordt en met minder huispersoneel kan worden volstaan. Ook de grote kelders, onder het gehele voorgebouw aanwezig en voorheen nodig voor het bewaren van de veehouderij producten, hebben hun tijd gehad; waar ze nog worden aangetroffen, zijn ze vaak dienstbaar gemaakt aan het bewaren van pootaardappelen. De ruimten, vroeger nodig voor huisvesting van inwonend personeel, worden hoe langer hoe meer uitgebroken en als opslagruimte bij de schuur gevoegd.


De tuinen vóór en naast de woon- en bedrijfsgebouwen, zijn veelal bosrijk en smaakvol aangelegd met grote grasvelden, die in de laatste jaren voor gezamenlijke rekening met een motorgrasmaaier worden onderhouden, zodat alles steeds een nette indruk geeft en een rit door Blijham, tot een waar genoegen maakt.

 

Boerderij Waalkens, 1930-1940. Fotografische reproductie van prentbriefkaart. Bron. RHCGA Groninger Archieven, Beeldbank Groningen.

Boerderij Waalkens, 1930-1940. Fotografische reproductie van prentbriefkaart. Bron. RHCGA Groninger Archieven, Beeldbank Groningen.

 

Over de bevolking van Blijham
In tegenstelling tot andere delen van ons land, waar bij uitbreiding van de boerengezinnen de boerderijen zijn gesplitst, is hier steeds vastgehouden aan het volledig in stand houden van de bedrijven, ja heeft zelfs steeds de neiging bestaan tot uitbreiding. Zo is het aantal boerenbedrijven dus steeds tamelijk constant geweest en zijn er ongeveer 45 landbouwersgezinnen die hierop een bestaan vinden.

 

Van ongeveer één derde van deze bedrijven kunnen we zeggen dat ze de laatste honderd tot honderdvijftig jaar - sommigen al meer dan drie eeuwen - in dezelfde familie zijn geweest. De gehechtheid van de boeren aan hun grond is zeer sterk. Hetzelfde kunnen we zeggen van de oorspronkelijke kern van arbeiders van toen die in de Morige veelal een bedrijfje van een half tot twee ha exploiteert naast hun dagtaak bij de boer. Hierdoor begint de arbeidstijd op de grote bedrijven steeds zeer vroeg en eindigt vroeg in de middag, opdat ook voor het eigen bedrijfje kan worden gezorgd.

 

Werktijden
Tot ongeveer 1920 is een werktijd van half zes 's morgens tot twee uur in de middag normaal, het z.g.n. éénschaftswerk[10]. Alleen in de oogsttijd wordt doorgewerkt tot het donker wordt, terwijl ook de paardenknecht twee schaften moet maken, van half zes tot half twaalf en van één uur tot half zes. Na half oktober en als men te ver van huis is, wordt ook het paardenwerk dan in één schaft toegestaan. De arbeider heeft dan de nodige paardenarbeid op zijn eigen bedrijfje gratis en mag een dagwerk turf (zes voer) van 't veen halen. Bovendien heeft de vaste arbeiderskern het grasgewas van de sloten en meentgoten, waarvan hooi wordt gewonnen, om enkele koeien en schapen of geiten in de winter mee te kunnen voeren. Dit hooien is een moeizaam werk en valt vaak gelijktijdig met de graanoogst. Tegenwoordig zijn de meentgoten[11] gedicht, nadat het land is gedraineerd. Het hooi van de slootwallen moet over een groot terrein bij elkaar worden gehaald om een behoorlijke hoeveelheid bijeen te krijgen, zodat de animo voor dit emolument[12] niet groot meer is. Ook de werktijd heeft de laatste twintig jaar een belangrijke wijziging ondergaan en is nu normaal van zeven uur tot half vier, met enkele seizoenschommelingen. De vrije zaterdagmiddag is na de tweede wereldoorlog ingevoerd en maakt een eind aan het werken op de zondagmorgen, dat dan vaak voor komt.

 

Boerderij H.E. Dijkema, 1946-1948. Foto: Jos Pé. Bron: RHCGA Groninger Archieven, Beeldbank Groningen.

Boerderij H.E. Dijkema, 1946-1948. Foto: Jos Pé. Bron: RHCGA Groninger Archieven, Beeldbank Groningen.

 

Door het gebruik van tractoren is de paardenstapel belangrijk ingekrompen en is tweeschaftswerk overbodig geworden. Alleen bij het inhalen, loopt de arbeidstijd nog tot 's avonds half zeven. Meerdere arbeidersfamilies werken jarenlang op hetzelfde bedrijf en voelen zich hiermee hecht verbonden. Deze goede verhouding wordt zelfs door de vele werkstakingen en uitsluitingen in de eerste helft van deze eeuw niet verstoord. Door de tijdgeest en tot op zekere hoogte de voortgaande mechanisatie na de Tweede Wereldoorlog is deze goede verstandhouding er echter niet beter op geworden.

 

De opleiding van jonge werkkrachten, zoals in de vorige eeuw, van eierjongen naar kleine en grote knecht, tot arbeider en eerste arbeider, komt maar sporadisch meer voor. De romantiek die er dan ligt in de gezamenlijke arbeid op het bedrijf, waarbij men op elkaar ingesteld is en samenwerkt om het geheel goed te doen functioneren, heeft plaats gemaakt voor een zuiver zakelijke inslag, waarbij de hoogte van het loon de belangrijkste rol speelt. Dit alles heeft ertoe geleid dat van de leiding van het bedrijf veel meer wordt gevraagd dan vroeger. De mooie tijd, waarin na de oogst een vier- of vijftal spannen paarden achter elkaar 's morgens en 's middags de laan uittrekken om te gaan ploegen en eggen en de paardenknechten die elkaar beconcurreren in het maken van rechte voren, is voorbij. Het klaarploegen op wintervoor[13], op zodanig nauwkeurige wijze dat iedere voet grond zijn eigen water kan bergen, is de trots van elke ploeger. Dat is ook de tijd, waarin de boer ‘met zijn duimen achter ’t vestje’, 't land opgaat en in rustig tempo met een aanmoediging hier en een vermaning daar, het werk van zijn arbeiders beoordeelt. Voor veel werkzaamheden bestaan dan bepaalde normen die als dagtaak gelden, waaraan een bekwaam en handig arbeider, bij rustig doorwerken kan voldoen.

 

Voormalig sigarenfabriek F.J. Arentz, aan de Raadhuisstraat. Uitgever Zijl, S. van der. Bron: RHCGA Groninger Archieven, Beeldbank Groningen.

Voormalig sigarenfabriek F.J. Arentz, aan de Raadhuisstraat, 1910. Uitgever Zijl, S. van der. Bron: RHCGA Groninger Archieven, Beeldbank Groningen.

 

De vele machines die de laatste 25 jaar steeds meer op de bedrijven worden gebruikt, stellen aan boer en arbeider hele andere eisen. Het tempo is belangrijk verhoogd en bij gunstige weersgesteldheid hoort men bijna dag en nacht de tractoren werken.


De arbeider heeft zich in de eerste helft van de 20e eeuw (1900-1950), door middel van zijn organisatie, een belangrijk betere positie verworven, die met harde strijd gepaard is gegaan.


Toch is de bereidheid van jonge mensen niet groot meer om het beroep landarbeider te kiezen. Hieraan liggen vele oorzaken ten grondslag, die we hier niet nader zullen bespreken.


Maar het is een probleem van deze en de komende tijd, hoe de bedrijven van werkelijk vakbekwame arbeiders zullen kunnen worden voorzien. Bij de verdere industriële ontwikkeling zoekt een deel van de arbeidersbevolking zijn werk hierin. Zo trekken velen naar het nabije Winschoten en Oude Pekela, om te werken in de steenfabrieken, strokartonbedrijven en dergelijke. Ook de sterk toegenomen burgerij vindt hierin deels haar inkomsten.


De positie van de neringdoenden is de laatste halve eeuw veel onafhankelijker geworden. In de vorige eeuw bijvoorbeeld zijn de bakkers zeer afhankelijk van de boeren, die als grote gezinnen (waaronder enige meiden en knechten) tot hun beste klanten behoren. Een voorbeeld van een soort slaafse onderworpenheid in die tijd is dat een bakker het niet waagt om een pijp, laat staan een sigaar te roken als hij in de gezichtskring van een grote boer komt. Deze zal hem zeker over deze ongeoorloofde luxe aanspreken.

In de jaren 50 van de vorige eeuw is het verschil in stand lang niet zo groot meer. De ontwikkeling door onderwijs en radio en de grotere welstand onder alle lagen van de bevolking, heeft dit verschil aanmerkelijk verkleind. Voorheen is bijvoorbeeld ’t Nut’[14] in feite alleen toegankelijk voor boeren en intellectuelen, nu neemt ook de burgerij vrij algemeen aan de vergaderingen deel.

 

Ook de rivaliteit die er jarenlang heeft bestaan tussen de boeren uit het Westeind en Lutjeloo tegenover de Oostereinders, is verdwenen. Blijham staat bekend als een dorp, waar men gemakkelijk in de gemeenschap wordt opgenomen, wanneer de nieuw binnen komende zichzelf ook wil geven en aanpassen.

 

Molenhorn te Blijham met rechts Hotel Nieuwburg. Ansichtkaart 1910-1915. Bron: RHCGA Groninger Archieven, Beeldbank Groningen.

Molenhorn te Blijham met rechts Hotel Nieuwburg. Ansichtkaart 1910-1915. Bron: RHCGA Groninger Archieven, Beeldbank Groningen.

 


 

  Lees ook:
- Wikipedia, Blijham. Over de geschiedenis vóór 1850.
- Blijham, alles wat je moet weten
- Het dijkrecht van Blijham
- Monumenten in Blijham
- Blijham.com
- Dorpsfilms Blijham

 

Noten, bronnen, referenties en literatuur:

- (Algemene bron) Afdeling Blijham Groninger Mij van Landbouw 1854-1954. Jubileum uitgave ter gelegenheid van het 100 jarig bestaan met historische schetsen door E. Buringh, rustend landbouwer te Blijham, Ridder in de Orde van Oranje-Nasssau. telt het gemeentebestuur in hotel Nieuwburg te Blijham, waarbij in 1886 een nieuw gemeentehuis wordt gebouwd.

 

1 De gemeente Wedde heeft tot 1968 bestaan. Tot die gemeente hebben naast het hoofddorp de volgende dorpen, buurtschappen en gehuchten behoord: Blijham, Hoornderveen, Hoorn, Lutjeloo, Morige, Tjabbesstreek, Wedderheide, Weddermarke en Wedderveer. Het gemeentehuis heeft zich eerst in Wedde bevonden. Sinds 1861 zie Wikipedia, Blijham (compleet verkort overzicht van o.a. de geschiedenis van Blijham, met name van vóór 1850).

2 Het landregister van 1636 vermeldt ook een Steenhuis Camp in het Westeind. Langs de Westerwoldse Aa hebben zich meerdere rivierduinen met bewoning en oud akkerland bevonden dat als garst zijn aangeduid, zoals De Graast, vroeger De Gaast, Garst of Udengast genoemd (onder Bellingwolde), de Kleine Garst te Blijham (eerder ook Lutjegast of Monnicken Gast genoemd) en De Gaast bij Lutjeloo (Lutjeloostergast), die tot het kerspel Vriescheloo heeft behoord. De landerijen van het Westeind (ten Westen van de Vennekesloot) hebben tot het midden van de 18e eeuw onder Winschoten behoord. De weg door de Meulenhörn heeft vanouds het Winsel geheten.

3 Het dorp heeft rond 1900 uit twee kernen bestaan verschillend karakter. De noordelijke kern Kerkhorn (Kerkhörn), gelegen aan de weg naar Bellingwolde (en in de 16e eeuw tot De Heemen), bestaat uit grootschalige classicistische en Oldambtster boerderijen. De andere kern, Molenhorn (Meulenhörn) of het Winsel genoemd, heeft vlak bij Wedderveer gelegen aan de weg tussen Winschoten en Wedde, en heeft uit kleinschaliger bebouwing bestaan. De naam Molenhorn verwijst naar de plek van de Blijhamster molen, die hier tussen 1613 en 1824 heeft gestaan. Vervolgens heeft hier tot 1922 windmolen De Hoop gestaan. Daarnaast heeft van 1822 tot 1945 nog een tweede molen bij deze kern gestaan: de Lutje Molen, die is verbrand door oorlogsgeweld. Na de Tweede Wereldoorlog is de ruimte tussen beide kernen geleidelijk aan bebouwd.

4 Lutjeloo ("klein open bos"), vroeger ook Lutkeloe genoemd, is een gehucht even ten zuidoosten van Blijham. Het is het noordelijkste esdorp van Westerwolde.

5 Morige is nu een buurtschap. Het ligt even ten zuiden van Blijham aan de oude weg van Blijham naar Wedde. Morige heeft ruim 450 inwoners (2026). Morige ligt op de zandrug in het noorden van Westerwolde, die een hoefijzervorm rond de Westerwoldse Aa vormt. De rechterzijde van het hoefijzer is de rijke kant geweest, daar staan de herenboerderijen van Bellingwolde aan de rand van de klei. Morige ligt op de linkerkant, dat is de plek geweest voor de arbeiders aan de rand van het hoogveengebied.

6 Het gehucht ligt ten zuiden van Blijham, net onder de N 368. Zandstroom is net als het naastgelegen Morige een randveenontginningsgebied. Oorspronkelijk is Zandstroom de naam van een woning, die in 1899 voor het eerst wordt genoemd. De buurtschap bestaat uit een aantal parallel lopende lanen die de richting van de ontginning weergeven.

7 De Heemen is een buurt. Het ligt direct ten oosten van Blijham, aan de noordzijde van de weg (Oosteinde) naar Bellingwolde. Nu staan hier twee boerderijen, een bedrijfswoning en een kapschuur. Ten oosten van de grootste boerderij (niet-historisch 'Heemhoeve' genoemd) met een fraaie ‘slingertoene’ staat een bijbehorende rentenierswoning in dezelfde stijl (gebouwd uit plm. 1870).

8 De noordelijke kern Kerkhorn (Kerkhörn), gelegen aan de weg naar Bellingwolde (en in de 16e eeuw tot De Heemen), bestaat uit grootschalige classicistische en Oldambtster boerderijen.

9 Tjabbesstreek of Tjabbesoord is een buurtschap met zo'n tien huizen. De plaats ligt aan de rand van de voormalige gemeente, ongeveer halverwege Blijham en Oude Pekela. Het buurtje is ontstaan door kleinschalige vervening. De naam is afgeleid van Nantko Tjabbes, een vervener die hier een stuk heidegrond in bezit heeft gehad. In 1875 verkopen hij en zijn vrouw Hendrika Dorgeloos (de feitelijke eigenaar volgens het Kadaster) het perceel aan een zevental arbeiders, die hier een huis op hebben gebouwd. Postaal valt Tjabbesoord onder Blijham.

10 Een schaft (afgeleid van het werkwoord schaften, dat eten betekent) is de traditionele pauze voor de maaltijd of rusttijd tijdens de werkdag. De term wordt vooral gebruikt in de landbouw en de bouw, en verwijst historisch gezien naar de momenten waarop arbeiders op het veld of de bouwplaats stopten om te eten. De term komt onder andere voor in het begrip "éénschaftswerk", dat stamt uit de Nederlandse landbouwgeschiedenis (en dan specifiek in de Groningse landbouw rondom de 19e en 20e eeuw).

11 Een meetgoot is een kunstmatige vernauwing waardoor kritische stroming wordt teweeggebracht om debieten (= het volume van een vloeistof of een gas dat per tijdseenheid door een doorsnede stroomt)
te kunnen meten. Meetgoten worden onderverdeeld volgens de vorm van de bodem van de meetgoot, alsook van het profiel.

12 Emolumenten zijn alle extra vergoedingen of voordelen die een werknemer boven op het vaste salaris ontvangt. Dit kan zowel in geld (financieel) als in natura (goederen/diensten) zijn.

13 Wintervoor is een landbouwtechniek waarbij klei- en zavelgronden in het najaar grof worden omgeploegd. Doordat de aarde in grote kluiten openblijft liggen, kan vorst de grond 'stukvriezen'. Dit leidt in het voorjaar automatisch tot een fijn en kruimelig zaaibed.

14 De Maatschappij tot Nut van 't Algemeen (kortweg 't Nut) is een landelijke vereniging met plaatselijke afdelingen (‘departementen’), opgericht in 1784, die zich ten doel stelt het welzijn, in de ruimste zin, van individu en gemeenschap te bevorderen. De vereniging streeft naar individuele en maatschappelijke ontplooiing met een zo hoog mogelijk cultureel gehalte. De Maatschappij hield en houdt zich bezig met zaken die het algemeen belang dienen, zoals onderwijs, ontwikkeling en maatschappelijke discussie. Ze heeft daarmee een bijdrage geleverd aan de democratisering van Nederland.
Van begin af aan heeft de Maatschappij zichzelf gezien als een instelling voor volksontwikkeling, en dat betekende - zeker 150 jaar lang - voor ontwikkeling van het "lagere volk", de ‘achtergestelden’.


Deze pagina maakt deel uit van www.nazatendevries.nl. Aan bovenstaande tekst is de uiterste zorgvuldigheid besteed. Desondanks kunnen er best fouten voorkomen. Constateer je fouten en/of heb je vragen, correcties, aanvullingen......... geef die dan even aan mij door via mijn E-mail adres (zie rode balk boven). Wij hebben ons uiterste best gedaan om de auteurs van teksten/citaten en copyrightbepalingen van afbeeldingen te achterhalen. Mocht je rechthebbende zijn en hierover vragen of opmerkingen hebben, neem dan contact op via e-mail. Lees ook de 'Disclaimer' en 'Privacy' voor méér informatie en laat ook eens een bericht achter in het Gastenboek, dan weet ik waarvoor ik het doe.

Hoogeveen, 19 juli 2026.
Redigering: René van Rijn.
Samenstelling: © Harm Hillinga.
Klik hier om naar het menu ARTIKELS te gaan.
Klik hier om terug te gaan naar de HOMEPAGE.
Top