Het dorp Oldekerk

 

Het dorp Oldekerk behoort als nederzetting tot de jongste van het Westerkwartier. Oldekerk is een karspelnaam, waarbij we dus in de eerste plaats aan de kerkelijke parochie moeten denken. Tot dit kerspel hebben Oosterzand en het twee km zuidelijker gelegen Kuzemer (2) behoord. Oosterzand vormt de Zandemer of Noorderkluft; Kuzemer (3) vormt met een deel van de Wijk en het er tussen gelegen Ekeburen de Zuiderkluft. Het dorp heeft dus beter Ekeburen kunnen heten, dat naar de eiken genoemd kan zijn, maar ook wel en zelfs waarschijnlijker, van de mansnaam Yke kan zijn afgeleid.

 

Vrouwenklooster


Er zijn sterke aanwijzingen, dat het in 1204 te Kuzemer gestichte vrouwenklooster zich hier, evenals in het buurkarspel Sebaldeburen, met een kerkelijke reorganisatie heeft belast. Er zal toen zeker ergens een kerk hebben bestaan, maar waarschijnlijk is toen de houten kerk door een stenen vervangen. Wanneer dit te Niekerk wat later is gebeurd, dan is daarmee de onderscheiding Oldekerk-Niekerk verklaarbaar. Het kerkeland van de voormalige parochie Oldekerk heeft min of meer ingekapseld gelegen in het corpusland van het klooster. Door de kerk te plaatsen ongeveer halverwege tussen Noorder- en Kuzemerkluft, wordt het kerkenpad voor de bewoners van beide kanten ongeveer even lang. Echte wegen leiden er in die tijd niet naar de kerk, die gestaan heeft op de plaats, waar we nu een klokkenstoel aantreffen. De kerkenpaden slingeren tussen de landerijen door en zijn door overlevering nog aanwijsbaar.

 

 

Klokkenstoel met resten van de toren op de voorgrond en de contouren van de kerk op de achtergrond (aangegeven met keien). Foto: Wikemedia Commons, 8 april 2017. Auteur: Hardscarf.

 

Tussen de Wijk en Oosterzand in heeft het Oldekerker meer gelegen. Het is een plas geweest, die vroeger het grootste deel van het jaar een oppervlakte had van meer dan 10 ha. Het meer is eigendom van het Kuzemer klooster. Het ligt in één van de grootste, maar tevens meest onrendabele, kloosterboerderijen. In het pachtregister is erbij aangetekend: “alles zeer slecht land, het hele jaar grotendeels onder water. Huur f. 4,54".


Er is in dei tijd tussen de Wijk en Oosterzand veel water, maar geen verbindingsweg. Men volgt het pad langs de kerk of vaart met een boot over het meer. In het Niekerker kerkboek lezen we op 1655: “Albert Geerts van plan naar Collum te gaan in ‘t Oldekerker meer verdronken”. Vanouds is er slechts een stukje weg van de Zandemer klap oostwaarts ter lengte van een paar honderd meter, waar vijf boerderijen van profiteren. Verderop rijdt men over buurmans grond.


Langere verbindingswegen legt men meestal dáár, waar de meeste slechte grond ligt of waar de heerden van twee kluften tegen elkaar opstrekken. Dit is ook het geval bij de oude Hereweg, de zandweg van Niekerk via Ekeburen naar Sebaldeburen, die voor een deel over de heide loopt. De Kuzemerweg, vroeger Kuzemer dwarsweg geheten, loopt van de Muntjeweg (Monnikeweg) langs het klooster naar de Zuiderstreek van Niekerk en kruist de Bruggelaan, die nu Mensumaweg heet (deze weg is genoemd naar een Tolberter grondbezitter en heeft van Tolbert naar de Matsloot gelopen). Als er in vroegere tijden nog bouwland geploegd wordt, merkt de ploeger maar al te goed, wanneer de schaar over het oude pad schraapt.

Te Ekeburen, op kloosterland, heeft al van oude tijden af de molen gestaan. In een koopakte van 1623 staat, dat “Marten Jansen, mollenaar op Cuismer” en Hendrikje zijn vrouw aan Lubbe Iwema van Niebert verkopen een windmolen met herberg en behuizing, alles staande op provinciegrond te Oldekerk voor € 385,71.

 

 

Het Kolonelsdiep op de plek van het vroegere Oldekerkermeer, gezien vanaf de Kroonsfelderweg naar het oosten. Foto: Wikemedia Commons, 8 april 2017. Auteur: Hardscarf.

 

Het Colonelsdiep, gegraven op last van de Spaanse stadhouder Caspar de Robles, loopt door het Oldekerker meer en westwaarts door de lage landen ten zuiden van Oosterzand. Op of bij het slappe dijkje staan dan enkele arbeidershuisjes. Het ‘Knellisdiepke’ heeft het Wolddiep gekruist, dat tussen zijn bekading een hoger peil heeft gehad, zodat hier een schutsluis wordt gelegd. Bij de schutsluis is toen ten gerieve van de schippers een eethuis gebouwd, de oude Gaarkeuken. Bij de verbetering van het Wolddiep in 1940 worden palen van de oude sluis gevonden. Wie de geschiedenis van deze oude vaarweg niet kent, zal niet vermoeden, dat hier vóór 1657, als het Trekdiep gereed komt, ruim 70 jaar de binnen vaarweg naar Friesland heeft gelopen. Ter weerszijden van het Wolddiep is er niet meer dan een sloot van overgebleven.


Vooral aan de zuidkant van het Colonelsdiep is door de boeren veel turf gebaggerd. Omstreeks 1850 liggen hier nog tal van met water gevulde petgaten. Door de demping bij de ontginning in later jaren daalt het maaiveld tot ongeveer 0,9 m. beneden NAP en het is dan ook jarenlang een echte blauwgrasstreek
(1).


Een ander laag gebied ligt tussen de tegenwoordige Langewolderweg (de vroegere Hereweg) en Kuzemer, bekend als de ‘Water-Kuzemer’. Aan deze Waterkuzemer heeft eerder een eendenkooi van het klooster gelegen. Het graven van een diepe afvoertocht onder de weg door, heeft voor een snelle afvoer naar de Katerhals gediend.

Langs de klokkenstoel loopt nu de Kroonsfelderweg. Vroeger is dit slechts een weggetje van Kuzemer naar de kerk geweest, verder niet. De naam Kroonsveld is uit de volksmond en betekent een verbastering van Cronenfels. Het is een Duitse Amsterdammer geweest, die in 1753 de boerderij koopt, die nu nog onder de naam Kroonsveld bekend is. Van oudsher heeft hier de heerd gelegen, die lange jaren het eigendom is geweest van de Groninger patriciërsfamilie Cloot. In het clauwregister wordt ze dan ook aangeduid als Clootstede of ‘het Olde Hoff’. De familie Cloot verkoopt de heerd in 1698 aan de Grijpskerker chirurgijn Hessel Vlieg voor € 450,–. Later wordt Rudolf de Mepsche eigenaar. Bij zijn faillissement is de heerd gekocht door de heer Johan Smellentin van Cronenfels voor €129,33. Er zijn dan 117 grazen land bij.

De nieuwe eigenaar laat de zaak opknappen, legt singels, beplant met bomen, aan en geeft het zo het aanzien van een herengoed. Cronenfels heeft er hoogstens af en toe tijdelijk vertoefd. Op 6 juli 1754 schrijft Ds. Holst in het Niekerker kerkboek: “Met attestatie gekomen van Amsterdam en met ons Heilig Avondmaal gehouden Mevr. Anna Hackfort, huysvrouwe van de Hoogwelgeb. Heer van Cronenfels”.
Drie jaar na de koop, krijgt de heer van Cronenfels de kans, zijn heerd met een zoete winst te verkopen. Een schipper oftewel kapitein van de Oostindische Compagnie keert, als zo velen in die tijd, met gespekte beurs uit de Oost terug. Het is de heer Pieter Andries Lindholm, die met zijn schip ‘Wiltrijk’ de Amsterdamse haven binnenvalt, waar hij door Cronenfels wordt opgewacht. De overeenkomst is spoedig getekend. Aan Lindholm wordt overgedragen “het vrije allodiale goed met desselfs stallen, huis, schure, loodsen, molen, enz. uitgesondert nogtans de brouwketel. Wijders plantagiën, dijckagiën, zaay-, weide en hooilanden, veen en turfland mitsgaders de jagt ende visschery - alles tesamen 1171/2 gras”. Lindholm betaalt voor de plaats € 5.218,47 en kan de brouwketel en het vee voor taxatieprijs overnemen.


Of Lindholm vaak op het Oldekerker meer gevist heeft, is niet bekend. Wel weten we, dat hij drie jaar later genoodzaakt is de heerd te verkopen. Hoogste trekker is dan de Groninger advocaat Abraham Frylinck, die eigenaar wordt voor € 862,18. Frylinck met zijn vrouw Willemina Coenders zijn lid geworden van de kerkelijke gemeente van Niekerk en krijgen het gestoelte in de kerk. Van Alberda koopt hij later ook de op de oostzijde van Kroonsfeld gelegen boerderij.


De oude kerk aan het ‘Klokkepad’ moet ongeveer in 1623 afgebroken zijn. In 1611 heeft men er nog wat aan gerestaureerd, naar het schijnt. De grietman Pabo Broersema van Hanckema te Zuidhorn moet vervolgens vonnis vellen over een zekere Abel Menckes, die bij werkzaamheden in de kerk zijn medehelper Hindrick Jans Hoegstrate zou hebben uitgescholden en boosaardig gedreigd, hem buiten de kerk wat te zullen doen. De aanklager heeft de zaak heel erg opgeblazen en de grietman veroordeelt Abel niet, wegens gebrek aan voldoende bewijs.


Wat Broersema wel doet, is het schenken van een klok, om in een galg te worden opgehangen op de plaats waar de kerk gesloopt is. In 1630 luidt deze klok voor ‘t eerst. Ze heeft als opschrift gehad:


Anno 1630 is dese clock door beleydt van den Wel Edelen Jonker Pabe Broersema Grietman en andere Collatoren van Oldekerk, als de Wel Ew. Kasporis Boetis pastoir en Den Ed. Abel Reinders Harckema met Willem Fockes Kerkvoogden waren. Ja ik vertrouwe mie deze, dat ik in des Heren Huize magh gaen ende bliven, mien leven dag. Door dat vier (vuur) bin ik gelodene. Maester Nyklaas Sichmans heeft mie gegoten. Soli Deo Gloria.


Caspar Boetis (Bote) is predikant van Sebaldeburen en Oldekerk van 1623 tot 1663. De klokkenstoel is in 2000 opnieuw geplaatst. Tijdens WOII is de klok naar de smeltoven gegaan. Na de oorlog zorgt het gemeentebestuur van de voormalige gemeente Oldekerk er voor, dat er weer een nieuwe klok onder de galg komt te hangen. Om acht, twaalf en ‘s avonds zes uur wordt de kolk nu elektrisch geluid. De doden worden alleen door de klok in Niekerk uitgeluid.


Het kerkhof is al meer dan een eeuw niet meer voor begraving in gebruik. Ook alle zerken uit vroeger tijd zijn opgeruimd. Onder de hoekstijl van een hooischuur in de omgeving ligt er nog één, die de naam heeft gedragen van een cureet te Oldekerk, die tevens commissarius is geweest van de officiaal van Munster. Voor de invoering van de waterschappen heeft het karspelgebied eerst tot de Grote Polder van Oldekerk en Niekerk behoord, die dan wordt bemalen door de molens Hoop en Verwachting. De Hoop staat aan de Katerhals en de Verwachting aan het Lutjediep. In de lage landen bij het Kolonelsdiep heeft men verscheidene kleine molens geplaatst, in totaal zeven terwijl er ook een heeft gestaan aan de Matsloot, een paar percelen oostwaarts van het Wolddiep.

 

Molens


De molens de Hoop en de Verwachting zijn gebouwd in 1801. In 1869 zijn al deze landen samengebracht in het waterschap Hoop en Verwachting dat bijna 2000 ha. groot is geweest. Het strekt zich in die tijd uit van de Maarsdijk in het oosten tot het Wolddiep. De bemaling gebeurt door een stoomgemaal, dat aan het Niekerker diep is gebouwd. Dit waterschap is later opgegaan in het waterschap Noorderzijlvest.

 


Vrouwenklooster “Maria’s poort” te Kuzemer

Hendricus van de Marne, die omstreeks het jaar 1200 heeft geleefd, is een overtuigd strijder voor de kloosterorde van de Premonstratenzers. Op zijn naam staat de stichting van het mannenklooster te Kloosterburen in de Marne en de nonnenkloosters van Beerta, Schildwolde en ook dat van Kuzemer. De laatste twee dateren van 1204 en het schijnt proost Hendricus dus niet aan financiële steun te hebben ontbroken.

Als vestigingsplaats voor het klooster in Langewold, valt de keus op een nogal hoog gelegen zandgrond, op de rand van een zich zuidwaarts uitstrekkend overslikt veengebied. Aan de westrand loopt een oud ‘maar’ de enige natuurlijke stroom die water afvoert naar een nog lager gelegen streek ten noorden ervan. Het is misschien dit maar of mar dat dan bekend is als ‘Kuze-mar’ naar een grondgebruiker in de buurt. Op de klank afgaande heeft men er later ten onrechte wel eens ‘kuise Maria’ van gemaakt. De naam van het convent, ‘Maria’s Poort’, heeft misschien tot deze verbastering bijgedragen.

Het stamklooster van de Premonstratenzer orde ligt in Premonstré in Frankrijk. De stichter is Norbert van Zanten en naar hem heet ze ook wel orde der Norbertijnen. De schepping van de orde is een poging tot hervorming van de verloren congregatie van de zogenaamde Reguliere Kanunniken. Ze is vrij onafhankelijk van de bisschoppelijke macht in die dagen en krijgt dan ook in streken ver van de bisschopszetel de meeste kans. Norbert heeft bepaald, dat men geen geestelijke behoefde te zijn om in de orde te worden opgenomen. Velen noemen deze bepaling haar deugd, maar het blijkt meteen haar zwakheid te zijn.
Een ongebonden leven, vooral in de dubbelkloosters, waarin mannen en vrouwen zijn opgenomen, is lang niet zeldzaam. Ook het Kuzemer klooster schijnt niet altijd onbesproken te zijn geweest. In een brief uit 1480 van het St. Bonifatiusklooster te Dokkum, het moederklooster van Kuzemer, is sprake van de roof van vijf nonnen uit “den clooster tho Cusemar”.

Maria’s Poort is een nonnenklooster, bij het volk beter bekend als het Convent van de Witte Vrouwen. De nonnen zijn gekleed in een witte lijfrok met een scapulier van wit linnen om de schouders. Als ze buiten de poort komen, dragen ze over hun kleding een witte mantel en over het hoofd een zwarte doek.

Het klooster moet in zijn beste tijd een mooi en ruim gebouw zijn geweest, waarvan de slanke torenspits uitsteekt boven het geboomte, dat de gebouwen omgeeft. Over het aantal bewoners van dit convent valt weinig met zekerheid te zeggen. Volgens Winsemius (aangehaald in de kroniek van Teenstra) zijn het er zestig. Het aantal kan ook groter geweest zijn. Blijkens een andere overlevering zijn er zestig maagden verdronken bij de hoge vloed van 14 december 1287.

Naast de priorin heeft het convent een mannelijke bestuurder, de proost. Hij is rentmeester over de kloosterbezittingen, vertegenwoordigt het klooster naar buiten in materiële aangelegenheden en vervult een semi-notariële functie. Hij verzegelt koopbrieven met zijn signet en dit zegel heeft rechtsgeldigheid ook voor wereldlijke rechters. Hij verhuurt kloosterland, int pachten en verzorgt kelder en keuken.
Een volledige lijst van proosten die dit klooster hebben bestuurd bestaat er niet. Bibliotheek en archief zijn, evenals van veel andere door oorlogshandelingen verwoeste kloosters, restloos verloren gegaan. In oorkonden lezen we namen van Allard (1385), Focke (1426), Wernert (1480), Hermannus van Dokkum (1550) en Gerhardus Muirlinck, afkomstig van Oldemarkt bij Steenwijk (1556).

Een uitvloeisel van de orderegels van het klooster is geweest, dat het zich meer met het kerkelijke leven in de omgeving bemoeid heeft dan b.v. stichtingen van de orde der Cisterciënzer, zoals Aduard en Gerkesklooster. We wezen er al op, dat de ligging van het kerkeland van Sebaldeburen en Oldekerk ten opzichte van de kloosterlanderijen niet toevallig kan zijn. Deze kerken, en later ook Grijpskerk als dochterkerk van Sebaldeburen, zullen in belangrijke zaken zoals priesterkeus, in sterke mate afhankelijk zijn geweest van het Kuzemer klooster. De zorg van het klooster schijnt zich ook zelfs uitgestrekt te hebben over huisvesting en levensonderhoud van de pastoor, zoals de steen verraadt, die te Grijpskerk in het oude pastoriehuis heeft gezeten.

Tot het kloosterbezit behoort in de eerste plaats het Corpusland. Dit is de cultuurgrond, die rondom het kloostergebouw heeft gelegen en die door eigen personeel wordt bewerkt. Bij de opheffing staat hiervoor ruim 200 gras te boek en het schotregister van 1540 vermeldt dezelfde oppervlakte. De werkelijke grootte was meer dan 200 ha, maar er behoort natuurlijk veel onproductief land bij: stukken heide, moerassen en veenplassen.


Buiten dit corpusland heeft het klooster bezittingen verworven door aankoop en niet zelden door schenkingen. Het komt dikwijls voor, dat bejaarde mensen afstand doen van hun grondeigendom, op voorwaarde, dat ze in het klooster de resterende dagen van hun leven in rust en met een goede verzorging kunnen slijten. Ze worden dan ‘provenier’ of ‘provenierster’ van het convent, dat daardoor tevens een soort bejaardencentrum wordt en zijn bezit blijvend ziet vermeerderen.

Het klooster is eigenaar geweest van alle boerderijen op de Jouwer, zeven in getal en allemaal met opstrek in het veen. Bij wijze van proveniersgeschenk krijgt het turflanden te Lucaswolde en onder Niebert. In laatstgenoemd kerspel heeft het bovendien een boerderij, waarover de proost in 1531 voor Meyt Bunnema, rechter in Vredewold een proces moet voeren tegen de inhalige Johan Crabbe. De gezegelde stukken van de kloostervoogd spreken echter een overtuigender taal dan de mondelinge aanspraken van de heer Crabbe.


De proost heeft zich verder, door bemoeiingen in waterstaatszaken en dijkaanleg, in het bezit weten te stellen van een aantal heerden op de klei in het noorden en in het kerspel Lettelbert, al is het mogelijk dat ook hierbij proveniersoverdrachten zijn geweest.

Op de klei heeft het klooster drie boerderijen in de Westerhorn, één in de Juursemakluft tussen Grijpskerk en Niezijl en twee op de Waarden. In de Westerhorn zijn het de beide heerden bij de Friesestraatweg, links en rechts van de Westerhornerweg en het kleine bedrijfje op de westkant van Wijfferingstede.

In Juursema bezit het klooster de grote boerderij ‘Wildehuesen’, de tweede buiten Grijpskerk aan de zuidkant van de straatweg en met een klein deel ten noorden hiervan. Deze voormalige kloosterboerderij heeft in de heerdenrij op de oude kustwal gelegen en is na de brand door een nieuwe bij de straatweg vervangen. In 1540 woont hier Johan to Wildehues. Deze, of een van zijn voorgangers, zal in de Middeleeuwen, als hier veel Duitsers immigreren, uit het Duitse Wildehausen, zich hier gevestigd hebben.

Als de Ruigewaard wordt ingedijkt in het begin van de 15e eeuw, zijn de kolonisten in de Waard, de heren Grijp, Ayckema c.s., niet van zins, de proost van Kuzemer mee te laten delen, ondanks zijn rechten op buitendijks land. In het proces dat volgt, treedt de abt van Dokkum op als pleitbezorger voor het Kuzemer klooster. De uitspraak luidt, dat ‘kusemer moneke’ buitendijks een aandeel krijgen, evenredig aan hun binnendijks gelegen bezit. Zeer waarschijnlijk is de proost dan toegewezen een smalle, lange strook, lopend midden door de nieuwe polder van de Legeweg tot voorbij het hoekje, waarop de kloosterboerderij de ‘Waardhoeve’ wordt gebouwd.

Bij de indijking van de Waardster polder wordt deze heerd nog eens vergroot door toevoeging van de aanzwettende strook buiten de Hoge dijk, ook wel Waarddijk genoemd. Dat is ook het geval met de andere kloosterheerd, ‘Schadinga’ genoemd. Deze uitbreidingen hebben echter plaats, als het Kuzemer klooster al lang niet meer bestaat.

Te Oldekerk heeft buiten het Corpusland, dat zich uitstrekt van het Wolddiep tot aan de Renkema-boerderijen, nog een grote lap kloostergrond van de kleidijken in ‘t zuiden tot aan de Matsloot in het noorden gelegen, waarin het Oldekerker meer was gelegen. Tenslotte ligt er dan nog een kloosterheerd bij Enumatil, in de hoek Hoendiep en Westerdijk. Alles te samen heeft dit convent dus een nogal respectabel grondbezit van meer dan 1000 ha. Uit de opbrengsten van al deze landerijen zullen de kloosterlingen van Kuzemer een redelijk goed bestaan hebben gehad.

Van het klooster uit loopt naar ‘t zuiden een weg tussen de wei- en rietlanden door naar de Redendijk, de noordelijkste kleidijk. Dit weggetje is mogelijk slechts in de zomer bruikbaar geweest. Langs deze weg kan men dus de kleidijk bereiken en de boekweitakkers op het veen ten zuiden er van. Het zijn de zogenaamde buurackers , waarnaar het gehucht, dat later verderop is ontstaan de naam Boerakker heeft gekregen..

Het klooster zelf staat, waar nu de eerste boerderij ligt in de hoek Boerakkerweg (of Munnekeweg) - Kuzemerweg. Het terrein van de kruiden- en moestuin en het kloosterkerkhof is nog door grachten of de restanten daarvan omgeven.

In 1583 overlijdt in het Kuzemer klooster de geleerde Sybrandus Leo van Lidlum, uit het Friese kloosterleven verbannen. Wij is een vermaard geschiedkundige in zijn tijd geweest en staat in zo hoog aanzien, dat hij de abten van Dokkum en Mariëndal vertegenwoordigde op een nationaal kapittel te Leuven. Hij leeft in concubinaat met een vrouw die hem twee zonen schenkt. De kloosterorde-regels verbieden zoiets nadrukkelijk, maar hij kan er priester om blijven. Als de Hervorming in Friesland wordt ingevoerd, moet hij zijn priesterambt neerleggen of de protestantse leer aanvaarden. Hij weigert het laatste, verlaat zijn vrouw en zoons en neemt zijn intrek in het Kuzemer klooster.

Na Leo’s dood, is het met de rust in het klooster gedaan. De bewoners zullen het al spoedig verlaten hebben, want Staatse en Spaanse benden overnachten er om beurten. Door inundaties komen de lage landen onder water te staan en worden de boerderijen verlaten of verwoest.

Na de val van Groningen in 1594 worden ook de bezittingen van dit klooster geconfisqueerd. Maar het duurt nog lang, voordat het land weer ontzilt is en de pachters hun huur kunnen betalen. De stenen van de kloosterruïne worden door de boeren weggehaald om hun boerderijen weer op te bouwen.

Op de plaats wordt later door de provincie een boerderij gebouwd, die de naam krijgt van ‘Nie-Hofstede’. De kloosterboerderij heeft voorheen aan de noordkant van de Kuzemerweg gelegen, waar het weiland nog vol puin zit. Het oude kloosterkerkhof, begroeit met struiken en onkruid, wordt ook later nog wel als begraafplaats gebruikt.

De landbouwer Kremer, die eigenaar wordt, als opvolger van de familie Staal, is met de afgraving van het kerkhof begonnen. Wagens vol aarde worden door de boeren weggehaald, die er hun laag liggende percelen mee bemesten. Op het afgevlakte kerkhof liggen de knekels en doodskoppen in het rond en de voerlui rijden met doodshoofden op de rongen van de wagens langs het Wolddiep.

 

 


Oldekerk als gemeente

Het wapen van Oldekerk, 2014. Based on: Nederlandse wapens van het Rijk, de Provinciën, en de gemeenten, voorts van waterschappen, heerlijkheden, enz. beschreven volgens het officiële register van de Hoge Raad van Adel. (SVG is own work.) Auteur: Onbekend. Registratie: Hoge Raad van Adel.

Na wat gehaspel met de grenzen van de nieuw-gevormde gemeente in de Franse tijd, worden tenslotte Oldekerk, Niekerk en Faan samengevoegd tot de gemeente Oldekerk, de kleinste van het Westerkwartier. In 1811 heeft Geert Ploegh, landbouwer te Midwolde, namens de vrederechter van de kantoren Leek de eerste gemeenteraad geïnstalleerd. Maire (burgemeester) wordt baron d’Aulnis de Bourouill, heer van Bijma.

Bij de terugkeer van Oranje, in 1813 wordt er niet gezuiverd. Als in 1814 koning Willem I de provincie bezoekt, wordt hij langs de Trekweg door een colonne van 3.000 man, onder bevel van de heer van Bijma, uitgeleid naar Friesland.

Ook in deze gemeente verandert er cultureel en economisch in de eerste helft van de 19de eeuw bitter weinig. Verdronken land blijft verdronken land en het Oldekerker meer handhaaft zich als een formidabele plas. Bij koppels trekken in het voorjaar arbeiders en kleine boeren naar de ‘Petten’ van Noorder- en Zuiderland om eieren te rapen van de talloze watervogels, die daar nestelen. In Groningen of Leeuwarden worden de eieren naar de markt gebracht. De polsstok blijft een veel gebruikt instrument en het eierzoeken blijft gewoonte tot ver in de vorige eeuw.

Het budget van de gemeente heeft weinig om ‘t lijf. Er gaat gemeentelijk minder om dan op het bedrijf van een gemiddelde boer. In 1853 is Mr. Roelf Quintus, de nieuwe eigenaar van Bijma, burgemeester op een salaris van € 79,41; de wethouders krijgen elk € 4,54. De totale inkomsten van de gemeente bedragen € 1.189,26.

De bouw van een Gereformeerde kerk in 1856 en later van een Christelijke school bij de molen, dragen bij tot de vorming van een kleine dorpskern in een tot die tijd huizenarme nederzetting. De kerk staat nog dertien jaar aan een met karrensporen doorploegde zandweg. De wegverharding brengt een ongekend gemak en een sterke toename van het doorgaande verkeer. Als het gemaal te Niekerk in gebruik wordt genomen, kan het Oldekerker meer drooggemalen worden. Gronden, die men zo goed als nooit heeft kunnen gebruiken, komen in volle cultuur, al duurt het vele jaren voor de blauwgrassen
(1) de aftocht bliezen. De vroegere particuliere Opvaart naar Bloemersma wordt doorgetrokken en een dijk dwars door het droge meer brengt de verbinding met Oosterzand.

In 1884 overlijdt een bekende figuur te Oldekerk, namelijk de korenmolenaar, bakker en landbouwer Douwe Klazens Pol, die sedert 1841 op Ekeburen bij de molen heeft gewoond. Hij is oud-kapitein van de Niekerker en Sebaldebuurster snik, die tweemaal per week op Groningen heeft gevaren.

In 1887 bouwt Bernard Kooi een nieuw gemeentehuis op de plaats van het café  ‘Het oude Gemeentehuis’ (De combinatie van herberg en gemeentehuis komt aanvankelijk veel voor. Bij de Drankwet van 1881 wordt dit verboden). De bouwsom bedraagt € 691,11. Al sinds 1893 zijn de straten op enkele plaatsen een weinig verlicht, door de tien in dat jaar geplaatste petroleumlampen.

De landbouwers, meest nog met gemengde bedrijven, zijn op grote schaal begonnen met bodemverbetering door het bezanden of bekleien van niet productieve gronden. Het Zuiderland wordt intensief verbeterd door het kleimennen van de kleidijken. De Haan van de Schensemaheerd (Dijkstreek 3) heeft het voorbeeld gegeven. Op den duur verdicht zich de teeltlaag in die mate, dat het land te zwaar wordt onder de ploeg. Het Zuiderland en andere knippige gronden worden dan in groenland veranderd.

In 1899 wordt de boterfabriek ‘Ons Voordeel’ opgericht, waar de melk door handkracht wordt verwerkt. In 1907 krijgt H. Veenstra vergunning om een stoomzuivelfabriek te stichten. Ze ondergaat hetzelfde lot, als al die plaatselijke fabriekjes met te weinig melkaanvoer. Een in 1885 opgerichte landbouwvereniging, kwijnt in de crisisjaren weg, maar komt na 1900 weer in bloei; in 1916 heeft ze 89 leden.

In 1928 wordt in het Westerkwartier een Vereniging opgericht met het doel een dagschool voor landbouwonderwijs te stichten. Als standplaats wordt Oldekerk gekozen. Na een bloeiperiode, wordt een modern schoolgebouw binnen de kom van Oldekerk gebouwd (het huidige AOC-Terra).

Vlak vóór de bevrijding, op 10 april 1945, wordt de jonge en zeer geziene burgemeester Mr. M. Ritzema, na zijn arrestatie door de Duitsers, tijdens een transport te Bakkeveen gefusilleerd. Hij is geboren te Leens, waar ook zijn broer, R. Ritzema, op de eerste april van hetzelfde jaar wordt doodgeschoten.

In 1990 is de gemeente Oldekerk opgeheven en is de nieuwe gemeente Grootegast gevormd met de kernen Opende, Kornhorn, Doezum, Grootegast, Lutjegast, Sebaldeburen, Oldekerk, Niekerk en Faan. Burgemeester van deze gemeente wordt de heer Kornelis Bertus Dijkstra.

 

 


Blauwgras. Sesleria albicans. Poaceae. Original book source: Prof. Dr. Otto Wilhelm Thomé Flora von Deutschland, Österreich und der Schweiz 1885, Gera, Germany.

Original book source: Prof. Dr. Otto Wilhelm Thomé Flora von Deutschland, Österreich und der Schweiz 1885, Gera, Germany

Source: www.biolib.de. The author died in 1925, so this work is in the public domain in its country of origin and other countries and areas where the copyright term is the author's life plus 80 years or less.

 

 

 

 

Noten:

 

1. Blauwgras (Sesleria albicans) staat op de Nederlandse Rode lijst van planten als uit Nederland verdwenen. De plant is in Nederland voor het laatst gezien in het wild in 1986. De soort komt nog wel elders in Europa voor, zoals in Noord-Ierland, Duitsland en België. Blauwgras wordt gekweekt en in siertuinen aangeplant, vaak in rotstuintjes.

Blauwgras groeit in dichte pollen en wordt 5-50 cm hoog. De plant vormt korte wortelstokken (rizomen). De bladeren hebben een ruwe rand. De plant bloeit van april tot mei met blauwachtig gekleurde aren.


De plant groeide in Nederland op droge, kalkhellingen in Zuid-Limburg. De zogenaamde blauwgraslanden, die tot in het midden van de 20ste eeuw nog wijd verspreid waren over grote delen van Nederland, ontlenen hun naam niet aan de kleur van het blauwgras, maar hebben deze te danken aan het blauwige waas van de massaal erop voorkomende zeggesoorten, te weten zeegroene zegge (Carex flacca), zwarte zegge (Carex nigra) en vooral blauwe zegge (Carex panicea).

 

2. Kuzemer is een gehucht in de gemeente Westerkwartier. De plaats is vooral bekend omdat hier in 1204 een vrouwenklooster is gesticht. Het klooster heeft behoord tot de orde van de Premonstratenzers. Het is gesticht op een hoger gelegen stuk zandgrond te midden van een groot veengebied. De naam zou verwijzen naar een maar, dat verbasterd is tot mer. Het klooster heef als naam Maria’s poort gehad, wat aanleiding is geweest om de naam van Kuzemer te zien als kuise Maria.

 

3. De buurtschap Kuzemer heeft geen plaatsnaamborden, en ook geen gelijkluidende straatnaam - wat bij veel andere buurtschappen wél het geval is - zodat je ter plekke nergens aan kunt zien dat en wanneer je de buurtschap binnenkomt en weer verlaat. Het buurtschap telt tegenwoordig ongeveer een twintigtal huizen met circa 50 inwoners.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bronnen:


- Wikipedia/Wikimedia/Creative Commons
- Plaatsengids.nl
- Verzamelde (gecontroleerde) info van lezers

 

 

Deze pagina maakt deel uit van www.nazatendevries.nl.
Aan bovenstaande tekst is de uiterste zorgvuldigheid besteed. Desondanks kunnen er best fouten voorkomen.
Constateer je fouten en/of heb je vragen, correcties, aanvullingen...geef die dan even aan mij door via mijn E-mail adres.
Laat ook eens een bericht achter in het Gastenboek.
Hoogeveen, 22 januari 2019..
Update: 11 juni 2020.
Samenstelling: © Harm Hillinga
.
Menu Artikelen.
Terug naar de HomePage.
Top