Bericht van de webmaster
Een aantal jaren geleden krijg ik het boekwerkje van P. Biesta, ‘Pieterburen, Geschiedenis van kerk, kerspel en borg’ uit 1939 in handen. Na lezing moet ik het echter weer teruggeven. Vervolgens schenkt iemand mij een ander exemplaar, waarvan ik het niet kan nalaten het nogmaals te lezen. De inhoud is dusdanig dat het uitstekend geschikt is voor nazatendevries.nl. Omdat het auteursrecht van het werkje van 79 pagina’s inmiddels ca. 86 jaar is verstreken, kan het nu op de website gepubliceerd worden. Daarbij moet ik duidelijk aangeven dat de oude spelling van 1939 zoveel mogelijk is aangepast aan de huidige maatstaven en dat de inhoud gelezen moet worden naar de tijd van 1939. HH
Voorwoord
Toevallige omstandigheden hebben mij in aanraking gebracht met de kerkvoogdij van Pieterburen en zo komt het dat mij - zij het langs een omweg - enige tijd later gevraagd wordt ‘iets’ over het dorp te willen schrijven. In verband met de restauratie van het kerkgebouw is het aanvankelijk de bedoeling dat mijn schrijven over de Nederlands Hervormde gemeente zal gaan, maar wat de inhoud betreft wordt ik niet gebonden aan bepaalde grenzen.
Al bij het eerste bronnenonderzoek blijkt dat het niet mogelijk is om de geschiedenis van de kerk te beschrijven zonder hierbij ook een grote plaats in te ruimen voor het wereldlijke gebeuren. Om dit doel te bereiken, geef ik eerst een beschrijving aan de hand van reeds verschenen afzonderlijke studies van de voor de gehele Ommelanden geldende inrichting van het openbare leven, zowel kerkelijk als wereldlijk. Vervolgens ga ik nader in op de bijzonderheden betreffende Pieterburen. Ik hoop op deze manier tot een zo volledig mogelijke dorpsgeschiedenis te komen, waarvan de algemene trekken ook op andere Ommelander kerspelen van toepassing zijn. Het is mogelijk dat een ander dorp zich beter geleend zou hebben voor een behandeling van zijn historie op deze manier. Achteraf beschouwd zijn de omstandigheden echter juist voor Pieterburen gunstiger dan voor menig ander kerspel vanwege de talrijke gegevens uit de huisarchieven van Menkema en Dijksterhuis.
Ik ben mij ervan bewust in deze opzet slechts zeer ten dele geslaagd te zijn. Afgezien van de vele andere moeilijkheden - zoals bijvoorbeeld het ontbreken van eigenlijke kerspelarchieven - laten ook de omvang van het boekje en de beschikbare tijd niet toe, alles te doen zoals ik mij dat voorstel. Dit onderzoek heeft mij er echter volledig van overtuigd dat de ontwikkelingsgeschiedenis van de Ommelander kerspelen een belangrijk onderwerp is dat nadere bestudering meer dan waard is. Ook zonder een eigenlijk kerspelbestuur in de Ommelanden, is het overduidelijk dat de kerspelen als zodanig een grote rol hebben gespeeld in het dagelijkse leven en het kerspelverband door de bevolking zelf heel sterk wordt aangevoeld. Het gebruik van voetnoten is in verband met het karakter van dit werkje ongewenst. Er is daarom volstaan met een opgave van de archieven en de geraadpleegde literatuur. In de bibliotheek van het Rijksarchief te Groningen is wel een exemplaar opgenomen dat voorzien is van een uitvoerige vermelding van de vindplaatsen in handschrift.
Graag wil ik hier mijn grote dank betuigen aan de heer Drs. E. J. Werkman, chartermeester aan het Rijksarchief te Groningen, voor de vele raadgevingen die ik van hem heb mogen ontvangen. Dank breng ik ook aan de heer B. Rietema te Pieterburen, die mij verschillende inlichtingen, vooral over de latere tijd, heeft verschaft en aan de heer B. van der Veen Czn. te Groningen, die welwillend de in zijn bezit zijnde gegevens over de molen van Pieterburen aan mij ter beschikking heeft gesteld. P. Biesta
Inleiding
De te behandelen stof wordt ingedeeld in drie tijdperken, die hun begin of einde vinden bij een belangrijke wijziging in de kerkelijke en politieke toestanden. Het eerste hoofdstuk handelt van de oudst bekende gegevens tot aan de erkenning van de Hervormde Kerk als Staatskerk en de aansluiting van Stad en Lande als één gewest bij de Unie van Utrecht; tot die tijd is het dorp zeer zelfstandig geweest en staat het in een slechts los verband tot zijn omgeving.
In het dan volgende hoofdstuk wordt de tijd van de republiek tot aan de komst van de Fransen geschetst; het is het tijdperk, waarin de provincie het machtigste overheidsorgaan is.
In het derde hoofdstuk worden de jaren na 1795 behandeld; uit een nauwer samengaan van de tot dan toe betrekkelijk onafhankelijke gewesten ontstaat het Koninkrijk der Nederlanden, waarvan provincies en gemeenten onderdelen zijn met een beperkte autonomie.
Het laatste hoofdstuk behandelt de bijzonderheden en geschiedenis van het kerkgebouw, de afgebroken burcht en enkele andere gebouwen te Pieterburen.
Vanzelfsprekend is de overgang van het ene naar het andere tijdperk niet zó plotseling gegaan, dat deze met een jaartal te bepalen is. Een groot deel van de zestiende eeuw is gevuld met gebeurtenissen die voorboden zijn van de naderende overwinning van de reformatie. Men kan hierbij denken aan de doperse excessen te 't Zandt in 1536 en aan het optreden van de Van Starkenborghs in 1566 in de toen nog Roomse kerk van Garsthuizen. Zo ook aan de strijd tussen patriotten en prinsgezinden, die de weg voor de Fransen bereiden. De jaren 1594 en 1795 brengen echter zulke ingrijpende veranderingen in de politieke en kerkelijke constellatie van onze provincie, dat deze kunnen gelden als de markante jaren van die veranderingen. P. Biesta.
Geschiedenis van kerk, kerspel en borg te Pieterburen
Deel 1
De berichten die betrouwbare bronnen - dat zijn archiefstukken en kronieken - ons omtrent de lotgevallen van een Ommelander dorp en zijn bewoners verschaffen zijn, althans vóór de aanvang van de zeventiende eeuw, tamelijk schaars. Wij moeten het doen met de enkele, dikwijls onsamenhangende gegevens die zij bevatten en die geen mogelijkheid bieden tot het samenstellen van een aaneensluitend geschiedverhaal. Ze belichten slechts enkele bijzondere feiten en gebeurtenissen. De bewaard gebleven stukken zijn grotendeels van kerkelijke aard of houden daarmee direct verband. Aangezien de bemoeiingen van de kerk, en niet minder de kloosters, zich ook uitstrekken over wereldlijke zaken, is het mogelijk ook wat te vertellen over de belangrijkste bewoners en gebeurtenissen in deze eerste periode van de geschiedenis van het dorp.
Het oudste stuk waarin Pieterburen voorkomt, is een in het Latijn gestelde oorkonde van het jaar 1371, waarin een waterschap aangelegenheid geregeld wordt. Hierin is sprake van „parrochiani Sancti Petri", parochianen van Sint Pieter dus. De hier gebezigde aanduiding voert vanzelf tot de verklaring van de dorpsnaam.
“Buren" is de derde naamvalvorm van het Oudfriese woord “bur" (uitgesproken als boer), wat “bebouwing" of “huizen", meer algemeen “kom van een dorp" betekent. Pieterburen wil dus zeggen “dorp van St. Pieter". Met “buren" worden dus niet de dorpelingen, maar hun huizen bedoeld! De ontwikkeling die de naam doormaakt, voordat het tot zijn huidige naam komt, is geheel in overeenstemming hiermee. In het oudste, in de landstaal gestelde stuk, daterend van 1406, wordt gesproken van ‘Sunte Petersburen’, verder vindt men Petersburen en Pietersburen, waarvan dan tenslotte Pieterburen overblijft.
In hetzelfde stuk van 1406 komt een gelijksoortige dorpsnaam voor, namelijk ‘Sunte Marienburen’, dat is dus het ‘dorp van St. Maria’. Deze naam raakt echter al zeer spoedig in onbruik en wordt vervangen door Nieland, dat weer later, ter onderscheiding van een gelijknamig dorp, Westernieland wordt. Over het tijdstip waarop Pieterburen ontstaat, is het slechts mogelijk gissingen te maken. Vermoedelijk valt de vestiging - dit volgt uit de naam - na de kerstening van de Ommelanden, dus na het eind van de achtste eeuw, wanneer de latere bisschop van Munster Liudger hier zijn bekeringswerk verricht; hij komt in het jaar 793 o.a. te Usquert en Warffum.
Een wat nadere bepaling is echter nog wel mogelijk. In de eerder genoemde oorkonde van 1371 luidt de volledige aanduiding van Pieterburen ‘parrochiani sancti Petri in nova terra’ wat wil zeggen: de parochianen of dorpelingen van St. Pieter op het nieuwe land of op het nieuw ingedijkte land. Het is waarschijnlijk, dat aan dit ‘nieuw’ geen al te uitgestrekte betekenis moet worden toegekend, zodat wel aangenomen mag worden, dat Pieterburen betrekkelijk kort voor het jaar 1371 gesticht is. De oude zeedijk, waaraan het dorp gebouwd is en waarvan de overblijfselen in de hoofdweg nog te zien zijn - bij de dijkstal te Pieterburen - moet dan de eerste omdijking van dat nieuwe land geweest zijn. Met de gehele Groninger Ommelanden behoort Pieterburen dan kerkelijk tot het aartsdiakonaat Frisia, een deel van het bisdom Munster, dat al in stukken van de dertiende eeuw genoemd wordt. In 1561 - wanneer koning Philips II een nieuwe kerkelijke indeling in ons vaderland invoert - is het aartsdiakonaat bij het toen opgerichte bisdom Groningen ingedeeld. Al vroeg bestaat de onderverdeling van het aartsdiakonaat in zes decanaten - hier ook wel proosdijen genoemd - waarbij Pieterburen behoort tot de proosdij van Baflo. Deze indeling in decanaten met de daartoe behorende dorpen, is vastgelegd in een uit de vijftiende eeuw stammend register, maar bestaat echter al lang vóór die tijd. Het merkwaardige van de decanaten in de Ommelanden is, dat zij al sinds de tweede helft van de dertiende eeuw dikwijls door leken worden bediend.
Staatkundig zijn de Ommelanden tussen Eems en Lauwers in die tijd in drie kwartieren ingedeeld: Hunsingo, Fivelingo en Westerkwartier. Door zijn uitgestrektheid ontstaat een onderverdeling van Hunsingo in drie onderkwartieren; Pieterburen behoort dan tot het onderkwartier dat Halfambt en later ook wel Half Ambtsteradeel genoemd wordt. De beide andere onderkwartieren zijn de Marne en het Oosterambt. Deze kwartieren en onderkwartieren vormen in politieke en rechterlijke zin een betrekkelijke eenheid. Zo is een verdrag van het jaar 1415 bewaard gebleven tussen de stad Groningen en het Halfambt, waarin verschillende tussen hen hangende kwesties geregeld worden. Dat zij ook onderling oorlog voeren bewijst bijvoorbeeld de verzoening die in 1429 tot stand komt tussen de Marne en het Halfambt enerzijds en drie andere kwartieren anderzijds. Als er in 1456 een geschil is tussen een lid van het oude geslacht van de Onsta's en de stad Groningen sluiten zij te Baflo een overeenkomst ten overstaan van de gezamenlijke rechters van het Halfambt. Wij moeten ons die eenheid echter niet al te nauw voor te stellen. Het ontbreken van een feitelijke landsheer, van een centraal gezag dus, betekent wel een grote vrijheid, maar dit voordeel weegt eigenlijk niet op tegen de steeds toenemende verwarring, onderlinge strijd, onrust en wanorde, die er het gevolg van zijn. Het dorp of kerspel Pieterburen wordt in die tijd aan de Noordzijde begrensd door de oude zeedijk en Westelijk door het Broekster maar. De Zuidgrens wordt gevormd door de Oude Dijksterweg en het Westernielandster maar en de Oostgrens door een water dat van Zijlbrugge in Noordoostelijke richting naar de oude zeedijk toeloopt.
De benaming kerspel of karspel is bekend genoeg, zodat hier met een korte toelichting volstaan kan worden. Oorspronkelijk is het de naam van een dorp dat een kerk bezit, spoedig krijgt het echter naast deze kerkelijke ook een burgerlijke betekenis.
Bindt de gemeenschappelijke zorg voor instandhouding van de kerk en het onderhouden van de geestelijken de bewoners van een kerspel tezamen, al gauw komen zij tot het inzicht dat ook het gemeenschappelijk behartigen van hun materiële belangen, zoals bijvoorbeeld de zorg voor de afwatering en de dijken, grote voordelen biedt boven het individuele optreden. Daarbij komt dat de kerk, dus de geestelijkheid, ook grote invloed heeft op niet kerkelijke aangelegenheden. Het kerspel ontwikkelt zich dus tot een gebiedseenheid in kerkelijke en burgerlijke zin. Het treedt op als een eenheid o.a. in zake het onderhouden van de kerk, het betalen van belasting, waterschap zorg en soms ook in het zenden van afgevaardigden naar de landdag, waar bestuurszaken die de gehele Ommelanden betreffen, worden besproken. Een kerspel is vaak weer onderverdeeld in enkele kluften. Zo ook Pieterburen, dat bestaat uit een Ooster-- en een Westerkluft, die oorspronkelijk van elkaar verwijderd liggen en later door aanbouw samengroeien tot een geheel.
Er is eerder vastgesteld dat Pieterburen in 1371 een parochie is en dus ook een kerk heeft. Het kerkgebouw dat heden ten dage, zij het in gewijzigde vorm, het dorp siert, dateert echter uit de vijftiende eeuw. Aan de architectonische bijzonderheden van de kerk zal in een volgend hoofdstuk aandacht gewijd worden; hier moet nu echter wel de stichting van het gebouw ter sprake komen. Op goede gronden mag aangenomen worden, dat deze in de eerste helft van genoemde eeuw valt, tussen 1400 en 1450 dus. Als bij veel middeleeuwse kerken zal de totstandkoming van de bouw te danken zijn aan het initiatief en de mildheid van een enkeling. Hoewel er geen direct bewijs voor is gevonden, is het toch hoogstwaarschijnlijk dat het vrouwe Oda Ponte is die de kerk te Pieterburen gesticht heeft. Zij is de weduwe van Focko ten Dyke en ze is gedurende een groot deel van de vijftiende eeuw bewoonster van de gelijknamige borg. De wens, waarmee zij haar uitvoerig testament opent, is begraven te worden in ‘mijn graeve ende legherstede in mijn selfs kercke bij salige Ffocken mijnen man’.
Ook andere uitdrukkingen in dit testament voeden de mening dat zij zeer nauw met kerk en pastorie is verbonden. Met enig voorbehoud kan dan ook wel aangenomen worden dat zij inderdaad de stichtster is. Het opschrift van de grote torenklok vermeldt dat zij er de schenkster van is; haar naam is dus op dit moment nog in de kerk te vinden.
En zo heeft dan de stichting van de kerk het eerste verband gelegd met het huis ten Dijke, dat gedurende een viertal eeuwen, op de kerk na, zeker de belangrijkste rol in het dorpsgebeuren van Pieterburen heeft gespeeld. Wanneer het huis ten Dijke precies gesticht is, kan niet met zekerheid vastgesteld worden; vast staat wel, dat het een van de oudste Ommelander borgen is geweest. Het oudste gedeelte van het afgebroken gebouw dateert uit de veertiende eeuw. Vermoedelijk heeft het echter reeds eerder bestaan en dan als boerderij met de naam ‘Dijkstraheerd’, die ook een enkele maal voorkomt. Het huis heeft in de kwelder gestaan tussen de oude dijk waaraan het dorp ligt en een bijna geheel verdwenen dijk nog vóór de huidige zeedijk. Er is een eigen omdijking geweest om de gehele borgstee heen. Er zijn geen fundamenten van het voorhuis en de toren gevonden, terwijl de grond ter plekke overeenkomt met de in de wadden voorkomende zandplaten, zodat de veronderstelling voor de hand ligt, dat het gebouw op een dergelijke plaat opgetrokken is geweest.
De oudste bewoner, wiens naam ons door de stukken is overgeleverd, is Focko to Dijke geweest, die omstreeks 1400 te Pieterburen heeft geleefd. Van zijn voorvaderen, de vermoedelijke stichters van de borg gezien de overeenkomst tussen hun naam en die van het huis, is niets bekend. Persoonlijk komt hij, behalve in het genoemde testament, slechts voor in één bewaard gebleven akte van het jaar 1406, waarin hij tezamen met zijn standgenoot Tammo Tyamma een verklaring aflegt omtrent het betalen van een kerkelijke belasting, de zgn. tienden van lammeren en kalveren. Zijn opvolger, waarschijnlijk zijn zoon, is Abele to Dijke, die voorkomt in een in het jaar 1438 gesloten overeenkomst tussen de voornaamste inwoners van het gebied van Eenrum, Pieterburen en Westernieland, betreffende de waarneming van het rechtersambt aldaar, waarvan hieronder nader sprake zal zijn. Een kroniekschrijver vertelt van hem dat hij omstreeks het jaar 1420 betrokken is bij strijd tussen Schieringers en Vetkopers in Westerlauwers Friesland. Met andere gevangengenomen Vetkopers wordt hij naar Holland gevoerd en moet hij een losprijs betalen om zijn vrijheid terug te winnen. Deze Abele zal waarschijnlijk jong gestorven zijn, althans kort ná 1438 wanneer Oda Ponte ten Dijke, weduwe van Focko ten Dijke, bewoonster van het gelijknamige huis is. Zij is vermoedelijk de moeder van Abele en hij zal wel haar enig kind geweest zijn, want uit haar testament blijkt, dat zij zonder afstammelingen sterft. Of en in welke verhouding een zekere ‘Woltherus op ten Dijke’, die in 1510 commandeur van het Johanniterklooster te Wytwerd is, tot haar staat, is niet na te gaan. Betreffende Oda zijn meer bijzonderheden bekend. Verschillende akten van schenkingen aan kerk en geestelijken zijn bewaard gebleven en kunnen dienen als getuigenissen van haar vroomheid. Voorbeelden van dergelijke door haar gedane schenkingen zijn die van het jaar 1463 waarbij zij aan het klooster te Selwerd 14 grazen (een gras is een halve hectare) land schenkt, speciaal bestemd tot het onderhoud van de kosterij en het kopen van brood en wijn. Uit een andere akte blijkt dat zij aan de kerk van Middelstum een gift doet met de rente waarvan een priester onderhouden moet worden, die zijn dienst aldaar moet verrichten ter ere van St. Nicolaas; een gift onder die voorwaarde ter beschikking van de kerk stellen, wordt een prebende of vicarie stichting genoemd, die dan gewoonlijk aangeduid wordt met de naam van de heilige aan wie de stichting opgedragen wordt. Ongetwijfeld is Oda een voor die dagen zeer vermogende vrouw, die over een belangrijk landbezit beschikt, verspreid over een groot deel van de Ommelanden; zo bijvoorbeeld te Uithuizen en te Kantens, welk land later in bezit van het geslacht Ewsum komt. Het meest echter blijkt haar rijkdom wel uit het merkwaardigste document dat zij heeft nagelaten, namelijk haar testament, opgemaakt in het jaar 1448. Zij begint haar laatste wil met het uitspreken van de wens, begraven te worden in haar eigen grafkelder in de kerk te Pieterburen, bij haar man Focko; aan deze kerk schenkt zij 50 gulden om misgewaden te kopen en 60 gulden om verbeteringen in het gebouw aan te brengen. Tot universeel erfgenaam benoemt zij Lyuwert Schultinga, na aftrek echter van een groot aantal legaten, waarvan er hier enkele volgen.

De pastoor van Pieterburen, in wie zij blijkbaar een groot vertrouwen stelt - in verschillende haar betreffende akten wordt hij genoemd - stelt zij naast anderen aan tot executeur testamentair en legateert hem 31 guldens, haar beste paard, zeventien zilveren lepels en een zilveren beker. Uit dit stuk blijkt vervolgens dat zij ook te Pieterburen een prebende gesticht heeft, die naar St. Antonius genoemd wordt. De prebendepriester wordt, opdat hij zich in de winter goed kon voeden, in het bezit gesteld van een jaarlijkse toelage van een vette koe en vier mud rogge, telkens op 1 november uit te keren door Dijkstraheerd. Ook wordt aan hem daarnaast nog een som geld toegekend, net zoals aan alle andere priesters en kerken in het Half ambt. De ook door haar gestichte prebende te Eenrum en de daarbij dienstdoende priester worden niet vergeten, evenals nog vele andere kloosters en kerken in de Ommelanden en in de stad.
Als mede-executeur benoemt zij nog Johan Rengers van ten Post, aan wiens zoon Detmer zij in een aanvullend testament van 1464 het huis Ten Dijke met toebehoren, landerijen en gerechtigheden vermaakt. Deze Detmer Rengers, gehuwd met Hidde Onsta van Sauwerd, vinden we enkele jaren later, ongeveer 1470, vermeld als heer van Dijksterhuis. In het begin van de zestiende eeuw wordt hij opgevolgd door zijn zoon Luurt. Door het huwelijk van diens oudste dochter, Ditmera, met Hayo Manninga, komt het huis aan het geslacht Manninga. Zij laten het weer na aan hun zoon Luurt, die de bewogen tijden van reformatie en opstand tegen Spanje beleeft. Hun geschiedenis zal straks weer ter sprake komen, maar nu moet eerst enige aandacht gegeven worden aan de betekenis van de borgbewoners, hun verhouding tot de dorpelingen en de bestuursinrichting van een dorp en zijn omgeving in de tijd vóór 1594.
Vooraanstaande dorpsbewoners in de Groninger Ommelanden, zoals de heren van Dijksterhuis, noemen zich in de Middeleeuwen ‘hoofdelingen’. Deze stand schijnt zijn oorsprong te vinden in et kunnen uitoefenen van enige militaire macht en het bewonen van een versterkt huis, een burcht of ‘borg’.
Zoals gezegd zijn zij vooraanstaande bewoners, oorspronkelijk echter nooit in absolute zin ‘heer’ van een dorp. Als alle anderen noemt ook Focko ten Dijke zich hoofdeling in (en niet van) Pieterburen. Pas later krijgen zij gelegenheid hun invloed uit te breiden en begint hun positie in sommige opzichten veel overeenkomst te vertonen met die van een dorpsheer, zoals die in andere gewesten voorkomen. De bovengenoemde kenmerken van een hoofdeling gelden dan al lang niet meer; wie krachtens zijn bezittingen invloed in rechtspraak en bestuur heeft, voert deze titel. Nog later wordt hij alleen maar gebruikt door de regentengeslachten in de verbinding ‘jonker en hoofdeling’. Zo ook noemen zich de latere eigenaren van Dijksterhuis, wiens aandeel in de kerkelijke en wereldlijke inrichting van het dorp, naast die inrichting zelf, nu nagegaan zal worden.
Om te beginnen brengt de stichting van een kerk een aantal rechten en plichten met zich mee, welke consequenties gewoonlijk samengevat worden onder de naam van patronaatrecht. Stichting en begiftiging (fundatie en dotatie) van een kerk geven het recht om de pastoor ervan te benoemen. Deze benoeming moet dan officieel goedgekeurd worden door de kerkelijke overheid - in de Ommelanden door de officiaal, die optreedt als vertegenwoordiger van de bisschop van Munster - die de pastoor als zodanig in zijn ambt (officium) bevestigt en inleidt (investituur en institutie), waardoor deze tevens in het bezit gesteld wordt van de aan het pastoraat (of de vicarie of prebende) verbonden inkomsten. Dit recht om een geestelijke te benoemen wordt ‘collatierecht’ genoemd. Tevens behoudt de patroon de bevoegdheid om toe te zien op het beheer en gebruik van de goederen, door hem ten behoeve van het onderhoud van kerk en geestelijken geschonken. Hij heeft niet alleen het recht dit te doen, het is ook zijn plicht evenals het uit zijn private middelen te hulp komen, indien het kerkelijk vermogen niet in staat is aan een bepaalde eis van het ogenblik - bijvoorbeeld het verrichten van noodzakelijk en kostbaar herstellingswerk aan het kerkgebouw - te voldoen. Uit deze laatste onderdelen van het patronaatrecht heeft zich de kerkvoogdij ontwikkeld, die er een uitvloeisel van is en die als zodanig innig verbonden is met het collatierecht. Aan dit principe heeft men in de Groninger Ommelanden, zij het met een korte onderbreking, vastgehouden totdat de op dit moment nog geldende organisatie van de Hervormde Kerk wordt vastgesteld door koning Willem I. Uit de omschrijving van het patronaatrecht volgt, dat dit zowel in handen van een enkeling kan zijn als in het bezit van verschillende, die dan te samen hun kerk hebben gefundeerd en gedoteerd. Dit verklaart dat men later soms in één kerspel verscheidene collatoren aantreft, die tezamen het beroepingsrecht uitoefenen en toezicht houden op het beheer van de kerkgoederen. Het patronaat schap en dus later ook het collatierecht, zijn erfelijk en verhandelbaar als een gewoon vermogensrecht. Te Pieterburen blijkt niet geheel duidelijk, door wie het vóór de hervorming wordt uitgeoefend. Uit verschillende zinsneden in haar testament - waarin zij o.a. van de pastoor (cureet) van Pieterburen spreekt als van ‘mijn hoofdpriester’ - zou men kunnen afleiden dat het heeft toebehoord aan Oda ten Dijke, terwijl later een prebendaat voor de Antoniusprebende beroepen wordt door Hayo Manninga. Deze losse feiten bieden echter niet voldoende materiaal om er een conclusie aan te verbinden.
Komend tot de wereldlijke zaken volgt hier eerst een korte uiteenzetting van de inrichting van de rechtspraak. Hoewel het moeilijk te beoordelen is in welke mate er rechtszekerheid — een zo belangrijke factor in de menselijke samenleving — in het land tussen Eems en Lauwers heeft bestaan, zeker is wel dat hier de vorm van de rechtsbedeling aanvankelijk op een zeer democratische leest geschoeid is. De Ommelanden zijn van oudsher verdeeld in 65 rechtsgebieden, rechtstoelen, gerichten of jurisdictiën, gevormd door één of meer kerspelen, waarin recht gesproken wordt door een redger of richter. Deze redgers worden door niemand als zodanig benoemd. Zij treden op krachtens hun bezit, dat aan speciale eisen, hoofdzakelijk de hoeveelheid land betreffend, moet voldoen. De bezitters van behuisd land dat aan deze eisen voldoet, een zogenaamde ‘edele heerd’, oefenen dan om de beurt, telkens voor een jaar, het redgerambt uit. In iedere rechtstoel, al dan niet onderverdeeld in dorpen en kluften, is een bepaald aantal edele heerden, waarvan de bezitters bij toerbeurt het recht moeten ‘slijten’, zoals men dan zegt. De bezitters van edele heerden komen aan de beurt in een bepaalde volgorde, oorspronkelijk volgens de richting van zonsopkomst tot ondergang. In een register, het klauwboek genoemd, is de opeenvolging vastgelegd. Deze regeling is zeer oud en blijft wat betreft Pieterburen, dat tot het ‘gericht van Eenrum, Pieterburen en Westernieland’ behoort, in hoofdzaak ongewijzigd gehandhaafd tot de aanvang van de achttiende eeuw. In genoemde jurisdictie zijn achttien edele heerden gelegen, er zijn dus achttien toerbeurten of ‘ommegangen’ en iedere achttien jaar valt dus de bevoegdheid om het redgerrecht uit te oefenen weer op dezelfde heerd. Van deze achttien edele heerden behoren er zeker twee, namelijk Dijkzaterheerd en Idemaheerd, onder het karspel Pieterburen; van nog een derde, Oesdingaheerd, is dit niet met stelligheid uit te maken. De oudste klauwbrieven, waarin deze edele heerden met hun bewoners en de volgorde waarin het recht moet worden gesleten zijn vermeld, dateren van de jaren 1430 en 1438. Zij worden opgemaakt volgens een overeenkomst tussen leden van de families Onsta, Ter Borch, Herathema, Toe Dijcke, Tamminga, Boccharda en Sickinga; reeds toen dus hebben de geslachten van de latere landjonkers grote invloed op de rechtspraak. Beide bovengenoemde heerden te Pieterburen behoren aan de familie Toe Dijcke, waarvan ‘Dijcksterhuis alias Dijckzaterheerd’ in 1438 bewoond wordt door Abele toe Dijcke, die dus ook twee ommegangen in het redgerrecht bezit, welke later overgaan op zijn opvolgers. De overige zestien ommegangen zijn aan het eind van de zestiende eeuw eigendom van de geslachten Munster, Thedema, Ter Borch, Clant, Onsta, Lewe, Ewsum en de stad Groningen, die in het bezit is gekomen van de erfenis van de Herathema's. De taak van de redgers is te splitsen in drie onderdelen, te weten: rechtspraak, alle in zijn gebied voorkomende rechtszaken worden door hem behandeld; uitvoering van de vonnissen, bestaande uit het innen van boeten en gevangennemen en bewaken van misdadigers; tenslotte de volontaire jurisdictie, een taak die ongeveer overeenkomt met die van onze tegenwoordige notarissen, welke ambt tot het jaar 1811 zo goed als onbekend blijft in Groningerland. Verder bezit hij nog enkele plaatselijke bevoegdheden zoals: toezicht op de herbergen, ijken van de gewichten, en in tijd van nood oproepen en aanvoeren van de weerbare mannen.
De redgers worden bijgestaan door wedmannen, ambtenaren die zij aanstellen en van wie de taak het best te vergelijken is met die van de veldwachters en deurwaarders. In 1463 vervullen Focke Rijkes en Garle Plogersma dit ambt te Pieterburen. De redger bezit de bevoegdheid zijn ambt door een ander, ‘geconstitueerd redger’ genoemd, te laten waarnemen. Deze krijgt dan gewoonlijk een vast deel van de revenuen van de rechtspraak tot beloning, dat zijn hoofdzakelijk de boeten en proceskosten, soms bovendien nog een vaste toelage. Als geconstitueerd redger in het gericht van Eenrum cum annexis wordt in 1548 genoemd Eyso Grovinghe, en voor Hayo Manninga treedt in 1571 en '72 Arent Willems en in 1589 en '90 Johan Ritskens op. Het rechtjaar begint en eindigt met Pinksteren. Er wordt oorspronkelijk recht gesproken naar het Hunzingoër landrecht, dat later vervangen wordt door het Ommelander landrecht van 1601.
Hoger beroep is in de Ommelanden tot het midden van de achttiende eeuw in strafzaken onbekend. In civiele zaken is appel mogelijk op de ‘warf’, een vergadering van de gezamenlijke redgers. Uit de warven groeit langzamerhand de Hoofdmannenkamer, een permanent rechtscollege in de stad Groningen gevestigd, waarin het stadsbestuur weldra grote invloed krijgt.
Naast dat van redger komt in Hunsingo en Fivelingo nog een ander rechterlijk ambt voor, dat van overrechter. Het gebied waarin hij optreedt, valt niet altijd samen met dat van de redger. Pieterburen behoort tot het ‘overrecht van Pieterburen en Westernieland’. Deze overrechters worden door de karspellieden gekozen; het is mogelijk, dat het ambt later elders bij heerden omgaat, evenals het redgerrecht; te Pieterburen en Westernieland is dit nooit het geval geweest. Het schijnt echter, dat aan het eind van de zestiende eeuw de Manninga's zich er meester van hebben kunnen maken; zij krijgen althans in het begin van de volgende eeuw hierover een proces te voeren, dat nog nader besproken zal worden. De overrechters van Pieterburen en Westernieland en andere in de nabijheid liggende dorpen komen ieder jaar bijeen op de dinsdag na Pinksteren op het kerkhof van Lutke Saaxum om aldaar hun eed af te leggen in handen van de oudste overrechter. De nieuw aangezworen overrechters vereren dan volgens oud gebruik de gemeente een ton bier. Hun taak bestaat voornamelijk uit het beslissen in geschillen over de bediening van het redgerambt, de waarneming daarvan bij voorkomende gelegenheden en rechtspreken in gevallen waarbij de redger zelf partij is. Hun invloed en betekenis neemt in latere tijd sterk af.
Zoals reeds gezegd valt er van een centraal bestuur over de Ommelanden vóór de zestiende eeuw feitelijk niet veel te bespeuren. De kwartieren, onderkwartieren en zelfs de kerspelen genieten een grote zelfstandigheid: alleen de warven en de landdagen binden hen enigszins te samen. Geleidelijk aan komt er enig verband tussen de stad Groningen en de Ommelander kwartieren, in de vorm van onderlinge verdragen en bondgenootschappen. De landdag is een vergadering van Ommelanders waar de gemeenschappelijke belangen besproken worden; hij komt slechts zelden bijeen. Gerechtigd om op de landdag te verschijnen zijn, behalve de hoge geestelijken, ook de hoofdelingen en eigenerfden, van wie het landbezit aan de daartoe gestelde eisen voldoet, grotendeels overeenkomend met die welke gelden voor de bekleding van het redgerambt. Een karspel waar dergelijke eigenerfden niet voorkomen, kan volmachten zenden. Sinds 1536, in welk jaar Stad en Ommelanden Karel V als hun vorst erkennen en als één provincie samengevoegd worden, begint er een vaste lijn te komen in de ontwikkeling van een Provinciale Statenvergadering, waarin zowel de stad als de Ommelanden hun vertegenwoordigers hebben.
Evenals tegenwoordig is ook vroeger de regeling van de waterafvoer en van de aanleg en onderhoud van dijken een belangrijk voorwerp van zorg voor de plattelandsbewoners. Al vroeg bestaat in de Groninger Ommelanden een waterschap organisatie, die zich in bijna ongewijzigde vorm zeer lang, tot in de negentiende eeuw, heeft kunnen handhaven. Het land is verdeeld in een aantal waterschappen, zijlvestenijen geheten, die weer onderverdeeld zijn in schepperijen en deze laatste weer in zijl-eeden. In een zijleed worden de waterschap zaken bestuurd door een zijlrechter: hij verricht de schouwing van wegen, maren en tochten, int het schot (belasting) dat door de ingelanden opgebracht moet worden en houdt toezicht op het ‘zijlwerk’ (arbeid ten behoeve van het waterschap) dat zij moeten verrichten. Ook heeft hij enige rechtsmacht; van zijn beslissingen staat echter hoger beroep open op de schepper, die toezicht houdt op de in zijn schepperij gelegen zijleeden. Zaken die het gehele zijlvest betreffen, worden besproken op de vergadering van scheppers en zijlrechters, onder voorzitterschap van de overste-schepper. Deze laatste vormt met de scheppers nog een speciale rechtbank voor waterschap zaken (eveneens ‘warf’ en ook wel ‘waar’ geheten), die recht spreekt volgens het in de ‘zylbrief’ vervatte ‘zijlrecht’. Dit laatste is de verzameling van regels en verordeningen voor het beheer van de zijlen en voor het verrichten van zijlwerk. Aanvankelijk worden de zijlrechters evenals de scheppers gekozen; later gaat dit recht, net zo als dat van redger, bij heerden om.
Het toezicht op de aanleg en het onderhoud van zeedijken ressorteert niet onder de zijlvestenijen. Hiervoor is het kustgebied verdeeld in een aantal ‘dijkrechten’ die ieder één of meer ‘dijkrechters’ aanstellen. Hun taak komt in hoofdzaak overeen met die van de zijlrechters; zij worden op dezelfde manier tot hun functie geroepen. Een onderscheid is echter, dat de kosten verbonden aan het zijlwerk door het gehele zijlvest betaald worden, waartoe het heffen van zijlschot dient. De aanleg en het onderhoud van zeedijken geschiedt echter door de aanzwettende landeigenaren, die ieder persoonlijk verantwoordelijk zijn en de kosten dragen voor het gedeelte dijk, waaraan hun land grenst. Ter compensatie van deze kosten betalen zij een geringer zijlschot.
Het karspel Pieterburen vormt een zijl-eed in het Schouwerzijlvest, waarvan de uitwateringssluis dicht bij het gehucht Schouwen, ten Zuiden van Warfhuizen aan het Reitdiep (de Hunze) gelegen is. Dit zijlvest bestaat al in het jaar 1371, wat blijkt uit de al eerder genoemde oorkonde. In dit stuk stellen de vertegenwoordigers van de ingelanden, waaronder die van Pieterburen, enige bepalingen vast betreffende te verrichten werkzaamheden.
In 1428 wordt de Schouwerzijlbrief opgesteld, die het zijlrecht voor dit waterschap behelst. In 1521 wordt Westernieland, dat tot dan toe onder de in 1350 gelegde Hiddingezijl behoord heeft, bij het Schouwerzijlvest ‘ingelaten’. De toen bestaande omvang heeft dat zijlvest behouden, behalve natuurlijk de vergroting door later ingedijkte landen. Het zijlvest heeft bestaan uit drie schepperijen en zestien zijleeden; één schepperij valt op het huis ten Dijke en wordt daarom gewoonlijk de ‘schepperij van het huis ten Dijke’ genoemd. Hieronder behoren vier zijl-eeden en wel die van Eenrum, Pieterburen, Saaxumhuizen en Westernieland.
Het ‘dijkrecht van Pieterburen, Wierhuizen en Westernieland’, waaronder dan ook vallen Eenrum, Usquert, Uithuizen, Menkeweer, Kloosterburen en Ulrum, heeft betrekking op een groot deel van de zeedijken en slaperdijken langs de Noordkust van de provincie. Het oudste dijkrecht (een zelfde soort bepalingen bevattend als een zijlrecht), dat enige eeuwen van kracht blijft, dateert van het jaar 1501; er worden rechten en plichten van dijkrechters en pandplichtigen in beschreven. Het bestuur van dit dijkrecht is in handen van drie dijkrechters, waarvan één uit het karspel Pieterburen.
Veel bijzonderheden over de waterschap zorg uit de jaren vóór 1600 zijn niet bekend; de archieven van zijlvestenijen en dijkrechten zijn grotendeels verloren gegaan. Een enkel bericht, waarbij Pieterburen betrokken is, volgt hier. Zoals begrijpelijk is, wordt door belanghebbenden sterk aangedrongen op een grondig onderzoek naar de staat van de zeedijken, nadat in 1570, door de bekende Allerheiligenvloed het land zwaar geteisterd is. Een vermoedelijk in verband met dit onderzoek opgemaakt stuk, bericht over de treurige toestand van de zeedijken bij Pieterburen en Westernieland. Naburige kerspelen, die met grote moeite hun beschadigde dijken hersteld hebben, achten het dringend nodig dat ook de genoemde dorpen de dijken op een beter fundament leggen, niet op zand, zoals dan het geval is, maar op goede kleigrond. De tijd is er dan echter nog niet naar om het herstel van de zeedijken krachtig ter hand te nemen; nog na 1580 verkeren zij over het algemeen in een zeer treurige staat, zodat veel land door het zeewater onbruikbaar is geworden.
Aangezien statistische gegevens uit dit tijdperk uiterst schaars zijn, zijn de enkele getallen die bewaard zijn gebleven belangwekkend genoeg om ze hier te vermelden. Op zich zelf beschouwd zijn echter vooral geldbedragen tamelijk onbruikbaar materiaal, omdat het zeer moeilijk is deze met onze huidige valuta te vergelijken. Zij kunnen ons echter iets leren omtrent de verhouding van Pieterburen tot een nabij gelegen dorp, waarvoor Eenrum gekozen is. In een vijftiende -eeuws register, dat waarschijnlijk van een nog ouder origineel overgenomen is, wordt vermeld dat Pieterburen jaarlijks 9 schilling belasting aan de Münsterse officiaal moet opbrengen, waartegenover Eenrum 16 schilling moet betalen. In een overeenkomst van het jaar 1458 tussen de tot het SchouwerzijIvest behorende kerspelen betreffende schot, schouwen en te heffen boeten, wordt vastgesteld dat de Oosterkluft van Pieterburen 500 jukken (een juk is een halve hectare) schatplichtig land telt en de Westerkluft 249 jukken, totaal dus 749, terwijl Eenrum 1918 jukken van datzelfde land bezit. Wanneer in 1506 graaf Edzard van Ostfriesland heer van Groningen en Ommelanden is geworden, wordt hem een jaartax (vaste jaarlijkse belasting) toegestaan waarin Pieterburen 36 florijnen en Eenrum 25 florijnen moeten bijdragen; dat eerstgenoemd dorp hoger wordt aangeslagen, is mogelijk een gevolg van de grote rijkdom van de eigenaar van Dijksterhuis. Rest tenslotte nog een scheidsrechterlijke uitspraak bij een meningsverschil tussen de dorpen onderhorig aan het Schouwerzijlvest over het door hen te betalen schot, waarin Pieterburen met 750 juk schotplichtig land ruim 18 daalder moet betalen, tegenover Eenrum met 1918 juk bijna 48 daalder; deze meting blijkt dus ongeveer overeen te komen met die van 1458.
Wij zullen nu weer terugkeren tot de geschiedenis van dorp en borg, die wij bij de opvolger van Oda ten Dijke verlaten hebben. Nog nauwelijks hersteld van de burgerkrijg tussen Schieringers en Verkopers, breekt omstreeks 1500 opnieuw een roerige tijd aan voor Groningen en Ommelanden. In 1498 schenkt de Duitse keizer de Friese landen aan Albrecht, hertog van Saksen, die onmiddellijk de Ommelanders dwingt zijn rechten te erkennen en ook de stad Groningen probeert te veroveren, die echter de nieuwe landsheer een hardnekkige tegenstand biedt. In deze moeilijkheden is ook de Oostfriese graaf Edzard betrokken, die tenslotte de heerschappij over Groningen en Ommelanden bemachtigt. Teneinde zich te handhaven, is hij op zijn beurt genoopt de hulp van Karel, hertog van Gelre, in te roepen. De laatste wordt in die tijd door de stad als heer gehuldigd en probeert zijn macht ook in de Ommelanden te vestigen. Deze periode van strijd eindigt in 1536 met het besluit dat stad en Ommelanden keizer Karel V tot hun landsheer aannemen. Dit luidt een tijdperk van vrede in, dat duurt tot de opstand tegen Spanje. De Ommelander dorpen zijn ongetwijfeld allen betrokken geweest bij deze moeilijkheden en ook Pieterburen zal geleden hebben van de woelingen tussen de stad Groningen en het land. Vooral in 1498 woedt de strijd hevig; veel kastelen van hoofdelingen worden dan op last van de stad verwoest. Vermoedelijk om hun zaak te bepleiten, zenden de Ommelander jonkers in dat jaar een gezantschap van de meest vooraanstaanden uit hun midden naar Albrecht van Saksen.
Onder hen bevindt zich de hoofdeling Detmer Rengers ‘tho Dijke’ wat dus bewijst, dat hij een groot aanzien geniet onder zijn standgenoten. Of hij persoonlijk veel op Dijksterhuis verblijf houdt, valt te betwijfelen; in 1504 komt hij voor als ‘ambtman’ te Oterdum, d.w.z. als ambtenaar die namens de stad Groningen, het Klei Oldambt bestuurt; daar is dus waarschijnlijk zijn aanwezigheid het meest vereist. Hij wordt te Pieterburen opgevolgd door zijn zoon Luurt Rengers, van wie slechts te vermelden valt dat hij eveneens een huis in de stad bezit. Zijn dochter Ditmera, gehuwd met Hayo Manninga brengt Dijksterhuis in het midden van de zestiende eeuw in handen van dit van oorsprong Oostfriese geslacht. Het Groningerland heeft ruimschoots zijn deel gehad aan de toen uitgebroken oorlog tegen Spanje. Veel schade wordt er aangericht door de rondzwervende, dikwijls slecht betaalde, Spaanse en Staatse troepen, die zich door plunderen en roven proberen schadeloos te stellen. Het land gaat zwaar gebukt onder de hoge belastingen — behalve de gewone grondbelasting, accijnzen en jaartax, moet ook nog een zwaar hoofdgeld betaald worden — en leed van de vernielzucht, zowel van vriend als vijand. Slechte oogst en ziekte onder het vee worden veroorzaakt door een natte bodem en slecht voedsel. Een moeilijkheid is ook hier weer het verschil van gevoelen tussen stad en Ommelanden. De laatste sluiten zich in 1579 onmiddellijk aan bij de Unie van Utrecht; de stad, aanvankelijk ook staatsgezind, valt door het zgn. verraad van Rennenberg weer in handen van Spanje. De volgende veertien jaar, tot het sluiten van het traktaat van reductie, zijn de zwaarste geweest; in deze tijd zijn de Ommelanden het toneel van een hevige guerrillastrijd tussen de Spaanse troepen onder Verdugo en het Staatse leger onder Willem Lodewijk en later ook Maurits.
Twijfel omtrent het gezag waaraan men zich te houden heeft, verhoogt de onrust nog. Een order van de Hoofdmannenkamer van 22 september 1580 beveelt de inwoners van de kerspelen in het Halfambt ‘neerstigh’ wacht te houden, ter bescherming van het vaderland; in ieder kerspel moeten enige van de voornaamste ‘huisluiden’ zich gereed houden om bij een eerste oproep te paard en gewapend met een geweer en een ‘langhe busse’ zich ten strijde te begeven, terwijl ook enige bepalingen worden vastgesteld voor het regelen van het wacht houden en het klokluiden bij naderend gevaar. Of aan dit bevel van de Spaansgezinde Hoofdmannenkamer veel gevolg is gegeven, lijkt tamelijk onzeker.
Hayo Manninga, net zoals andere vertegenwoordigers van bekende geslachten, zoals Ewsum, Entens, Jarges etc., is vurig staatsgezind. Hij bezoekt trouw de Ommelander landdagen, zoals er bijvoorbeeld in 1578 een te Winsum wordt gehouden. De jonkers beleggen ook afzonderlijk vergaderingen om de toestand te bespreken. Enkelen van hen, waaronder Manninga, gaan zelfs zover zich ‘gedeputeerden der Ommelanden’ te noemen. In 1580 zijn zij -omdat zij de zaak van de opstand tegen Spanje voorstaan - genoodzaakt naar Oost-Friesland te vluchten, van waaruit zij pogingen in het werk stellen hun vaderland te helpen.
Nadat ze in 1584 bij Oterdum een kleine overwinning op Verdugo behaald hebben, slaat het anti-Spaanse of Staatsgezinde krijgsvolk weer aan het plunderen. Op 15 juni van dat jaar teisteren zij ook Pieterburen. Nadat de, inwoners geweigerd hebben schatting op te brengen, worden de huizen leeggeroofd en in brand gestoken.
Het vernielingswerk is echter nog slechts ten dele verricht wanneer de kerspellieden er in slagen de ordeloze troep, ongeveer 150 man sterk, op de vlucht te jagen; zij zijn genoodzaakt de buitgemaakte schapen weer in de steek te laten. De stad probeert in die tijd haar macht in de Ommelanden te verstevigen door de van oudsher daar gevestigde hoofdelingen van hun huizen te verjagen en deze door middel van gerechtelijke verkopen in handen van stadsburgers te spelen. Talrijke van dergelijke ‘keerskoopen’ vinden dan in de stad plaats en zo komt ook Dijksterhuis, de heerlijkheid van Hayo Manninga, in 1587 onder de hamer. Dat de tuinen en het schathuis al verwoest zijn en het land een zware jaarlijkse schatting moet opbrengen, zijn mede de oorzaak dat de geboden som uiterst laag is. Een kroniekschrijver vertelt, dat de minieme prijs van 53 gulden per halve hectare land geboden wordt, terwijl het bod voor het huis, dat 6000 gulden waard is, niet hoger dan 1500 gulden komt. Dit zal wel de aanleiding voor de schuldeisers zijn geweest om van de voorgenomen verkoop af te zien en de invordering van hun geld dus enige tijd uit te stellen; zo blijft Hayo Manninga eigenaar van het huis ten Dijke.
Kort daarop moet hij gestorven zijn. Hij wordt opgevolgd door zijn zoon Luurt Manninga, gehuwd met Emmerentiana Sonoy. Net zoals zijn vader is hij een trouw aanhanger van de Staatse partij.
Hij onderscheidt zich in de gevechten bij Oterdum, waar hij zwaar gewond raakt. Hij wordt ook enkele malen genoemd in verband met financiële zaken van de Ommelanden. Het forse optreden van Maurits en Willem Lodewijk maakt ten slotte een einde aan de burgeroorlog. In 1594 worden bij het zgn. tractaat van reductie, Groningen en Ommelanden herenigd tot één provincie ‘Stad en Lande’, deel uitmakend van de jonge Republiek der Verenigde Nederlanden.
Met een enkel woord moet nu nog melding gemaakt worden van Diederik Sonoy, gewezen gouverneur van Hollands Noorder kwartier, die van 1594 tot aan zijn dood in 1597 als gast van zijn schoonzoon Dijksterhuis bewoont. Moegestreden slijt hij daar de laatste jaren van zijn leven, waaraan een beroerte een einde maakt.
Zijn begrafenis in de kerk te Pieterburen wordt bijgewoond door graaf Willem Lodewijk, dan stadhouder van Groningen en Friesland. Ter nagedachtenis van Sonoy en zijn echtgenote, Maria van Malsen, wordt in de kerk een rouwbord opgehangen. Een onbelangrijk maar romantisch verhaal is dat ene de Moor, die al 20 jaar in dienst is van Sonoy, hem ook als knecht vergezelt naar Dijksterhuis. Tijdens zijn verblijf daar laat de Moor het oog vallen op een dienstmaagd van het huis, die echter niet gesteld is op zijn attenties, mogelijk omdat zij haar hart reeds aan een ander verpand heeft. Gedreven door jaloezie vermoordt hij haar en misschien ook de knecht, die zijn medeminnaar is. Tot straf voor zijn wandaad wordt de Moor op 20 oktober 1596 in de nabijheid van Dijksterhuis onthoofd. De herinnering aan hem blijft levendig, doordat de kamer waar de misdaad is geschied sindsdien de „Moorianenkamer" wordt genoemd.
Van de Roomse geestelijken die te Pieterburen als pastoor of vicaris de kerk gediend hebben, is ons heel weinig bekend, terwijl wij ook maar van enkelen hun naam kennen. De oudste is Frederick, die in 1406 als ‘cureet’ van Pieterburen zijn zegel hecht aan de overeenkomst tussen Focko ten Dijcke en Tammo Tyamma. Dan wordt genoemd een Heer Ayteken of Aytetus, die ten tijde van Oda ten Dijke leeft en waarschijnlijk zeer haar vertrouwen geniet; zij noemt hem ‘mijn hoeftpriester’. In 1560 wordt Rudolphus Helpritii door Hayo Manninga tot vicaris van de Antoniusprebende te Pieterburen benoemd. Volgens een nog in de kerk aanwezige grafsteen sterft op 17 februari 1568 de pastoor van Pieterburen Aucko Ludolphi Oldehem. Gelijk met de strijd om de vrijheid spitsen zich de verhoudingen in zake de godsdienst hoe langer hoe meer toe; de aanhangers van de nieuwe leer, verkondigd door Liudger en Calvijn, behalen ook hierin de overwinning net zoals zij het vurigst op de bres staan om ons land los te maken van Spanje. Omtrent het verloop van de reformatie in Pieterburen zijn geen bijzonderheden bewaard gebleven. Dat de Manninga's haar zeer goed gezind zijn, is wel zeker; alleen al het feit dat Sonoy, een fel en vurig Calvinist, zijn dochter aan een van hen ten huwelijk geeft en zijn intrek op Dijksterhuis neemt, bewijst dit afdoende. Het is dus zeer waarschijnlijk dat zij, vooral in het decennium voorafgaande aan de reductie, hun ongetwijfeld krachtige invloed op dit punt zullen hebben aangewend, om zo de karspellieden kalm maar zeker voor te bereiden op de komende veranderingen. In 1594 wordt tenslotte de uitoefening van de Roomse eredienst in de gehele provincie ten strengste verboden. Dat deze maatregel vele ingrijpende veranderingen met zich brengt, laat zich begrijpen; een gevolg ervan is, dat een groot aantal geestelijken, dat niet tot de Hervormde Kerk kan of wenst over te gaan in grote maatschappelijke moeilijkheden komt. Zo vergaat het ook de laatste pastoor van Pieterburen, Hottzo Henricus, die een verzoek om onderstand richt tot de Staten van Groningen. Dit request (verzoek) is bewaard gebleven en geeft een schrijnend beeld van de moeilijkheden waarmee hij te kampen heeft. Hij zegt erin, niet te weten waar hij in zijn ouderdom troost en verblijf moet zoeken. De middelen die hem gegeven zijn om van te leven zijn hem afgenomen en andere bestaansbronnen heeft hij niet. In het laatste jaar, waarin hij gebruiker van de pastoriegoederen is en deze heeft moeten overgeven aan zijn protestantse opvolger, heeft hij er nog 70 daalder aan dijklasten en belasting voor moeten betalen; ook het gebruikelijke ‘najaar’ heeft hij niet genoten. Hij heeft graven noch dorsen geleerd en kan ook daardoor niet in zijn onderhoud voorzien. Hij verzoekt om enige alimentatie net zoals ook aan andere bejaarde pastoors is toegestaan, opdat hij zijn oude dag— hij is omtrent 80 jaar — niet in armoede en ellende moet doorbrengen. Hij vraagt, te ‘gedencken hoe soet een oldt man een goedt beetken is ende hoe een te moede is die v(o)erlaten wordt’. Hij eindigt met een beroep te doen op het christelijk medelijden van de heer en met een bede voor eendracht en vrede. Wat er verder met Henricus gebeurt, is niet na te gaan. Indien hem de alimentatie vergund is, zal dit waarschijnlijk ten laste van het fonds, gevormd door de geseculariseerde kloostergoederen gekomen zijn; in de rekeningen daarvan komt zijn naam echter niet voor. Vermoedelijk is hij kort na het indienen van zijn request gestorven; over het algemeen zijn de gewezen monniken en priesters nogal royaal behandeld en het ligt niet voor de hand, dat aan het verzoek van Henricus niet voldaan zou zijn. Met hem eindigt het eerste tijdperk van de geschiedenis van Pieterburen, waar aan het slot daarvan zulke belangrijke politieke en kerkelijke veranderingen in de provincie hun beslag krijgen.
Deel 2
Geschiedenis van kerk, kerspel en borg te Pieterburen
1594 tot 1795
Met het sluiten van het zgn. ‘tractaat van reductie’ in 1594, waarbij de stad Groningen zich aansluit bij de Unie van Utrecht en als gevolg waarvan de provincie Stad en Lande wordt opgenomen in de Republiek der Verenigde Nederlanden, wordt een in alle opzichten nieuw tijdperk ingeluid. De grote verandering in de kerkelijke en staatkundige toestand van het gewest eist in de allereerste plaats dat er op definitieve wijze orde wordt gesteld op de zaken van kerk en staat. Krachtig wordt in de eerste jaren na 1594 de hand aan de ploeg geslagen en zo zijn binnen korte tijd verschillende reglementen tot stand gekomen, die de gewestelijke zaken ordenen overeenkomstig de gewijzigde omstandigheden.
Het centrale college van de republiek, de Staten Generaal, heeft zich bij het sluiten van het tractaat van reductie de inrichting van de regering voorbehouden. De uiteindelijke beslissing, daterend van het jaar 1599, schrijft voor dat Stad en Lande geregeerd zullen worden door de Provinciale Staten, welk college uit twee ‘leden’ bestaat, nl. ‘Burgemeesteren en Raad van de stad Groningen ter eene en de Staten der Ommelanden ter andere zijde’. In het dagelijks bestuur, gevormd door de Gedeputeerde Staten, zullen uit elk van de beide leden vier afgevaardigden zitting hebben. Het tweede lid van de Provinciale Staten, officieel de ‘Staten der Ommelanden tussen Eems en Lauwers’ geheten, zal worden samengesteld uit de jonkers, hoofdelingen, eigenerfden en volmachten uit de drie kwartieren. Afgezien van de hoge Roomse geestelijken is deze samenstelling, evenals de voorwaarden waaraan door hen die zitting wensen te nemen moet worden voldaan, vrijwel onveranderd gebleven. De verhouding tussen stad en platteland laat ook in de tijd van de republiek vaak veel te wensen over; tot zulke hevige botsingen als vóór 1594 komt het echter niet meer. De regering van de provincie blijft in hoofdzaak tot het jaar 1795 ongewijzigd. Die van de Ommelanden ondergaat enkele kleine wijzigingen in het jaar 1749, kort nadat prins Willem IV tot erfstadhouder van deze provincie benoemd is. Om enigszins aan de wensen van het volk tegemoet te komen, kondigt hij het zgn. ‘reglement reformatoir’ af, waarin hij o.a. voor zich zelf enige invloed op de samenstelling van de Staten van de Ommelanden reserveert. Dit reglement brengt wel enige verbeteringen, het heeft echter de algemene ontevredenheid niet weg kunnen nemen. Nog geen 50 jaar later brengt de komst van de Fransen een radicale verandering in de bestuur toestanden van ons land.
Volgens het zesde artikel van het tractaat van reductie mag in het vervolg alleen de hervormde godsdienst openlijk worden uitgeoefend. Op 27 februari 1595 wordt door de overheid de ‘Ommelander kerkorde’ vastgesteld, waarbij het bestuur van de Hervormde Kerk en het beheer van de kerkgoederen geregeld worden. De provincie wordt verdeeld in een aantal classes, die ieder afgevaardigden zenden naar de provinciale synode, minstens eenmaal per jaar te houden. Pieterburen behoort tot de classis van de Marne en de ring van het Halfambt. Ook nadat de Hervormde Kerk staatskerk is geworden blijven er nog vele Roomsgezinden.
Voortdurende waakzaamheid van synode en classes verhindert echter de uitbreiding van het Katholicisme en zo blijft het dan bij enkele centra in de Ommelanden, terwijl de hier en daar verspreide enkelingen verstoken blijven van godsdienstoefeningen.
Met felheid wordt ieder opduiken van de Roomse gebruiken door de predikanten onderdrukt; zij sporen de in deze zaken naar hun mening wel eens wat te lakse overheid aan tot scherpe maatregelen. Op de synode van het jaar 1609 klaagt ds. Alardus Besten, afgevaardigde namens de classis van de Marne en predikant te Pieterburen, over Roomse godsdienstoefeningen die in zijn gemeente nog gehouden worden. De kerkvoogd Harmen Doens heeft op de beide Paasdagen in zijn huis „papistisschen exercitia" gehouden. Ook heeft hij het gewaagd om hem, Alardus Besten, tegenover een anderen predikant voor ‘schelm’ uit te maken. De overheid wordt door de synode verzocht strenge maatregelen te nemen, opdat hier een afschrikwekkend voorbeeld van zal uitgaan.
Bij dergelijke kleine voorvallen zal het wel gebleven zijn. Over het algemeen mag men aannemen dat binnen korte tijd in het grootste gedeelte van onze provincie de Hervormde godsdienst de enige is die uitgeoefend wordt. Synode, classes en predikanten waken zorgvuldig tegen alles wat aan de Roomse tijd herinnert. Aan het eind van de achttiende eeuw valt echter ook hierin een kentering waar te nemen. Met het aannemen van de nieuwe staatkundige denkbeelden helt men ook over tot een steeds groter wordende verdraagzaamheid ten opzichte van hen, die een andere geloofsovertuiging zijn toegedaan. Merkwaardigerwijze zijn het weer de predikanten die dan voorgaan in deze toegeeflijkheid wat betreft godsdienst, net zoals zij vaak ook in de dorpen de verkondigers zijn van de patriottische denkbeelden.
Een van de belangrijkste zaken waarmee zich de Ommelander kerkorde bezig houdt, is de verbetering van het onderwijs. Voorgeschreven wordt dat er in ieder kerspel een schoolmeester, tevens koster en voorzanger, aangesteld moet worden. De schoolmeester is echter in de eerste plaats een kerkelijk ambtenaar; de nadruk valt op zijn kosterschap en het onderwijs schiet er wel eens bij tekort.
Behalve het leren lezen en schrijven, zal zijn taak zijn de jeugd te onderrichten in catechismus en kerkzang ‘opdat de kinderen van kindesbeen an, de fundamenten der christelicke religion leeren’. De bezoldiging van de schoolmeesters is, vooral in het begin, over het algemeen zeer onvoldoende. Naast de wisselende inkomsten uit de kosterij-goederen en het door de leerlingen te betalen schoolgeld, krijgen zij in een groot aantal Ommelander dorpen nog een vaste toelage uit het fonds van de kloostergoederen, waarvan reeds eerder sprake is geweest. De schoolmeesters van Pieterburen hebben hierin echter nooit gedeeld. Vermoedelijk levert hier het kosterijbezit, in verhouding met de andere dorpen, voldoende op. Zij krijgen echter wel een jaarlijkse ‘liberale gifte’ van 18 daalder, hun door de collatoren uit de kerkgoederen toegestaan. Sinds 1698, in welk jaar de kerk van Pieterburen verrijkt wordt met een orgel, zijn zij ook in de gelegenheid het ‘organistentractement’ te genieten.
Van het intellectuele peil van de schoolmeesters uit die dagen moeten wij ons geen al te grote voorstelling maken; het zijn vaak eenvoudige lieden — niet zelden gewezen knechten of koetsiers van Ommelander jonkers — die zelf nauwelijks machtig zijn wat zij aan de kinderen moeten leren. Aardig is in dit verband een aanvullend testament van Gerhard Alberda van Dijksterhuis van het jaar 1782, waarbij hij aan zijn trouwe lijfknecht, Johannes Hindriks een pensioen van 300 gulden vermaakt. Speciaal wordt hem deze grote gunst verleend omdat hij ‘het ambiëren van een hem geoffreerde notabele bediening- heeft gerefuseert en heeft verkoozen zijnen Heer niet te verlaten’. Ongetwijfeld is deze ‘notabele bediening’ een schoolmeester ambt in een dorp, waarvan jonker Alberda de collatie heeft gehad.

Het huis ten Dijke hebben wij in het vorige hoofdstuk verlaten bij Luurt Manninga. Slechts enkele jaren is het hem vergund de zege van opstand en hervorming te beleven. Kort na 1600 verwisselt hij het tijdelijke met het eeuwige. Na zijn dood komt de borg in het bezit van zijn weduwe Emmerentiana Sonoy. Zij hertrouwt met Tammo Coenders en bewoont na diens dood Dijksterhuis tot aan haar overlijden in 1625. Zij wordt opgevolgd door haar zoon Hayo Unico Manninga, die te Pieterburen overlijdt in het jaar 1652. Zijn ongetrouwde zoon Luurt Manninga wordt na hem heer van Dijksterhuis. De verdeling van de nalatenschap van deze Luurt tussen zijn erfgenamen geeft aanleiding tot enige moeilijkheden. Het blijkt namelijk, dat hij gestorven is met achterlating van grote schulden. Dijksterhuis wordt in 1668 door Doedo Manninga, broer van Luurt, verkocht aan Egbert Horenken voor 24.060 gulden. Egbert Horenken is getrouwd met Sibille, dochter van Gerard Horenken en Beele Manninga, die weer een zuster is van Luurt en Doedo. Beele Manninga overlijdt al in 1660 en dus treedt Egbert Horenken namens zijn vrouw op als mede-erfgenaam van Luurt Manninga. Blijkbaar is de opbrengst van de borg nog niet voldoende om de schulden van Luurt te dekken; in 1670 vindt, op verzoek van zijn crediteuren, nog een gerechtelijke verkoop plaats van door hem nagelaten vaste goederen te Pieterburen, die eveneens door Egbert Horenken worden gekocht. Via hem vererft Dijksterhuis op zijn zoon Gerhard, wiens enige dochter Margaretha Josina, gehuwd met Willem Alberda, het huis aan het geslacht Alberda brengt. Achtereenvolgens zijn nu heer van Dijksterhuis geweest: Willem Alberda, tot 1721; Gerhard Alberda, overleden in 1784, na reeds in 1782 zwaar ziek te zijn geweest ten gevolge van podagra; Unico Allard Alberda, overleden in 1790 en opgevolgd door zijn zoon Gosen Geurt, tijdens wiens verblijf op Dijksterhuis de Franse revolutie ook in ons land zijn intrede doet. De steeds toenemende invloed die de achtereenvolgende bewoners van Dijksterhuis in de loop van de jaren op het openbare leven van Pieterburen verwerven, blijkt duidelijk uit de ontwikkeling van rechtspraak, waterschap zorg en collatierecht, die nu om onze aandacht vraagt.
Het jaar 1594 brengt in de Ommelanden vrijwel geen verandering in de inrichting van de rechtspraak en het bestuur van de zijlvestenijen, terwijl ook het collatierecht in het algemeen in handen blijft van hen, die het vóór 1594 bezeten hebben. In principe blijft dit alles dus zoals hiervoor geschetst is. In het wezen ervan ontwikkelt zich echter een belangrijke verandering, die — hoewel in sommige andere jurisdictiën al merkbaar aan het einde van de Middeleeuwen — te Pieterburen sinds het midden van de zeventiende eeuw valt waar te nemen. Het recht om als redger, zijlvest of schepper te mogen optreden is, zoals eerder al gezegd, afhankelijk van landbezit, dat aan bepaalde eisen moest voldoen.
Langzamerhand gaat men er toe over deze rechten los van de grond waarbij zij behoren te verkopen. Deze gang van zaken heeft tot gevolg dat de verschillende ‘heerlijke’ rechten op zich zelf staande vermogensrechten zijn geworden, losgemaakt van hun oorspronkelijk verband met de grond. Het is dus mogelijk ommegangen van het redger- of zijlrecht te kopen zonder de grond waarop zij vallen. Hierdoor kan het gebeuren dat meer dan één, ja zelfs alle ommegangen van een bepaald recht, in één hand komen. In het laatste geval, waarbij het recht dus uitsluitend eigendom wordt van één enkeling, zegt men dat het ‘staand’ is geworden, in tegenstelling met omgaand of ambulatoir. Hoe langzamerhand het redgerrecht van Eenrum, Pieterburen en Westernieland een staand recht van het huis ten Dijke is geworden, blijkt uit wat volgt.
De taak van redgers en overrechters in hun ambtsgebied zijn in het vorige hoofdstuk uitvoerig behandeld, terwijl ook iets geschreven is over een proces betreffende het overrecht van Pieterburen, waarover nu meer. Bij de gezamenlijke overrechters van het Halfambt wordt door de klauwgenoten van de jurisdictie van Eenrum, Pieterburen en Westernieland een proces aanhangig gemaakt tegen de bezitters van het huis ten Dijke — op dat moment Emmerentiana Sonoy – inzake het zich door laatstgenoemden reeds sedert jaren onrechtmatig toe-eigenen van het staande overrecht van Pieterburen en Westernieland. Emmerentiana Sonoy is — volgens de klagers — niet in staat te bewijzen, dat haar dit recht werkelijk toekomt.
In het gehele Halfambt worden de overrechters gekozen en dit hoort, volgens hen, te Pieterburen ook te gebeuren. Nadat het proces ruim drie jaar geduurd heeft, van 13 januari 1605 tot 7 mei 1608, en ook de Hoofdmannenkamer er nog in gemengd is, wordt Emmerentiana Sonoy opgedragen om te bewijzen dat het staand overrecht van Pieterburen en Westernieland toekomt aan de bezitter van het huis ten Dijke. Over de verdere afloop van dit geschil zijn geen gegevens. Volgens de registratie van heerlijke rechten in het Hunzingo kwartier, daterend van het jaar 1750, behoort het staand overrecht van Pieterburen en Westernieland in 1745 aan de Alberda's. Vermoedelijk zal de zaak door Emmerentiana Sonoy en haar opvolgers wel slepende gehouden zijn en zullen de klauwgenoten in verband met de sterk verminderde belangrijkheid van het overrecht wel geen moeite meer hebben gedaan om een voor hen gunstige uitspraak te verkrijgen.
Uit een serie koop- en ruilakten, beginnend met het jaar 1631, valt duidelijk het streven af te lezen tot concentratie van alle ommegangen van het redgerrecht van Eenrum, Pieterburen en Westernieland in handen van de heer van Dijksterhuis. De Manninga’s beginnen met dit werk, het wordt vervolgd door de Horenkens en tenslotte bekroond door de Alberda's. In het jaar 1717, na een transactie met de stad Groningen, bezit Willem Alberda 17 van de 18 ommegangen van het recht. Bij bovengenoemde registratie laat Gerhard Alberda aantekenen dat hem, krachtens een akte van 1745, het staande redgerrecht van Eenrum c.a. toebehoort. Dit is de voltooing van het werk waardoor de Alberda's een zo grote macht en invloed verkrijgen te Pieterburen. Met enig recht zou de heer van Dijksterhuis toen hebben kunnen zeggen, dat hij ook ‘heer van Pieterburen’ is. Het zal echter niet lang meer duren of het al eerder genoemde ‘reglement reformatoir’ brengt ook in de rechtsmacht van de Ommelander redgers, een zo zeer gewenste besnoeiing aan. Door dit reglement wordt hoger beroep mogelijk gemaakt van door de redgers gewezen vonnissen in strafzaken op de Hoofdmannenkamer, later gewoonlijk ‘Hooge Justitiekamer’ genoemd. Gelijkertijd worden maatregelen genomen om paal en perk te stellen aan de vaak buitensporig hoge gerechtskosten, die bij criminele processen geheel door de verdachte betaald moeten worden. Zelfs de kosten van het voorarrest zijn voor zijn rekening, ook al wordt hij vrijgesproken! Ook worden enkele voorschriften gegeven die als doel hebben de duur van de processen in het algemeen wat te bekorten.
Dit reglement heeft een grote verbetering gebracht in de rechtspraak van de Ommelanden; de absolute macht in strafzaken van de redgers wordt er voor een goed deel door gebroken.
Behalve dat het redgerambt macht en invloed verleent, is het voor de bezitter ook een onderdeel van zijn vermogen, dat hem veelal geen onbelangrijke baten afwerpt. De proceskosten, het boetegeld, de opbrengst van de volontaire rechtspraak, alles vloeit in de zakken van de redger die er, zo hij zich laat vervangen, gewoonlijk de helft van afstaat aan de geconstitueerde richter. Het wordt hoe langer hoe meer gewoonte een dergelijke persoon, gewoonlijk een jurist, aan te stellen. Ook te Pieterburen is dit in de latere jaren steeds het geval geweest. Sinds de heren van Dijksterhuis ook het staand redgerrecht van Wierhuizen bezitten, worden de daar voorkomende zaken gecombineerd met die van Eenrum, Pieterburen en Westernieland; in verschillende stukken is er, wat in feite onjuist is, sprake van het gericht van Pieterburen, Wierhuizen en Westernieland en dat van Eenrum.
De zaken van het eerste gebied worden behandeld op de wekelijkse rechtsdag te Pieterburen in het zgn. rechthuis. Nauw verbonden met het redgerrecht zijn het jacht- en strandrecht, welke rechten te Pieterburen behoren aan de heer van Dijksterhuis. Volgens de kroniekschrijver Eggerik Beninga brengt het strandrecht aldaar grote voordelen op; hij vertelt ook dat het strandrecht onder de inwoners van Emden berucht geworden is, wegens het droevig stranden van hun schepen op de waddenkust ten Noorden van Dijksterhuis. Ook het jachtrecht van Eenrum, Pieterburen en Westernieland is voor de eigenaar van het huis ten Dijke een waardevol bezit. Goosen Geurt Alberda vertelt in een door hem opgestelde beschrijving van het huis, dat er onder Pieterburen en Westernieland op één dag 50 á 60 hazen gevangen zijn en dat er nog in 1793, in één voormiddag, van Dijksterhuis tot Hiddingezijl 45 hazen geschoten zijn. Hij zegt er bij, dat hij twijfelt of het nageslacht dat wel zal kunnen geloven.
Als iets bijzonders deelt hij nog het verhaal mee, dat de collector van Pieterburen, Ebel Hindriks Nanninga, hem gedaan heeft. Deze is eens omstreeks midwinter met een knecht van Dijksterhuis per schaats naar Menkeweer gegaan en op die korte tocht hebben de beide mannen 28 hazen geschoten.
Dit moet gebeurd zijn tussen 1760 en 1770, zegt Gosen Geurt, ‘als zijnde destijds alles rustig en de boer arm’. In het bestuur van zijlvestenijen en dijkrechten wordt door de gebeurtenissen van het jaar 1594 hoegenaamd geen verandering gebracht. De reglementen van het Schouwenzijlvest van de jaren 1680 en 1755 zijn hoofdzakelijk van huishoudelijke aard: er komen bepalingen in voor over de verdeling van de werkzaamheden en bevoegdheden van scheppers en zijlvesten, over de schouwingen, de jaarlijkse maaltijden, de bewaring van het archief enz. In het reglement van 1755 van het dijkrecht van Pieterburen, Wierhuizen en Westernieland wordt uitdrukkelijk bepaald, dat het oude dijkrecht van 1501 van kracht blijft. Op het terrein van het zijlschot en de rechtspraak in de zijlvestenijen worden echter door het ‘reglement reformatoir’ belangrijke verbeteringen aangebracht, die van grote betekenis zijn voor de ingelanden. Ook hier maakt het reglement een einde aan de te grote macht van de jonkersgeslachten, die het merendeel van de schepperijen in hun bezit hebben.
Wat betreft de bezetting van het zijlrechtersambt van Pieterburen heeft jarenlang een diepgaand meningsverschil geheerst. Het begint in 1618 wanneer de ingezetenen een proces aanhangig maken tegen Goeytien Jacobs, zijlrechter van Pieterburen. De laatste beweert dat het zijlrecht van dat kerspel hem als een staand recht toekomt, waartegenover de kerspellieden als hun mening stellen, dat het een omgaand recht is. Een definitieve uitspraak wordt dan door de scheppers en zijlrechters niet gegeven en Goeytien blijft voorlopig in zijn recht gehandhaafd. In 1640 komt deze zaak echter opnieuw aan de orde, wanneer Goeytien Jacobs gestorven is en zijn zoon Tiesse Goeytiens de eed als zijlrechter wil afleggen. De karspellieden verzoeken aan scheppers en zijlrechters Tiesse niet toe te laten tot de eed. Vermoedelijk wordt aan hun verzoek gevolg gegeven; althans in 1641 treedt Peter Gerrits op als zijlrechter van Pieterburen. Pas in het jaar 1700 wordt deze kwestie voor goed geregeld. Uit het verhandelde op een „waardag" van het Schouwerzijlvest blijkt, dat het er dan om gaat of Themaheerd en Hoogheemsterheerd, beide te Pieterburen, ieder een ommegang hebben in het zijlrecht, dan wel of op een van deze boerderijen het staande zijlrecht valt. De eigenaren van genoemde heerden, respectievelijk de heer van Verhildersum en de heer van Dijksterhuis, maken dan door middel van een overeenkomst een einde aan het geschil. Beslist wordt dat het zijlrecht tussen de beide boerderijen zal omgaan, terwijl de eigenaren van het recht overeenkomen dat het om de beurt door de respectievelijke bewoners zal worden waargenomen. Wanneer in 1750 de ‘heerlijke’ rechten geregistreerd moeten worden, laat jonker Alberda aantekenen dat hem, met de staande schepperij van het huis ten Dijke, een van de ommegangen van het zijlrecht van Pieterburen toebehoort, terwijl de andere ommegang in gemeenschappelijk bezit van hem en kapitein Van Starkenborgh is.
Bij de jaarlijkse generale schouw speelt Pieterburen een belangrijke rol. Daar namelijk, in het café de ‘Vette Henne’, komen scheppers en zijlrechters van het Schouwerzijlvest bijeen op de vastgestelde dag, de maandag na St. Vitus (15 juni). De samenkomst begint om 7 uur ‘s morgens met een gezamenlijk ontbijt, waarna de heren hun tocht beginnen. Te laat komen wordt bestraft met een hele of halve ton bier of de waarde ervan. Wegens de hoge kosten wordt deze generale schouw in 1669 opgeheven, doch tien jaar later wordt hij weer in ere hersteld. Om echter de dure smulpartijen te voorkomen, wordt ook besloten dat er slechts een ‘simpel anbitinge sunder meer’ zal zijn en dat ieder, op straffe van boete, om 9 uur de herberg moet hebben verlaten. De rekeningen van verteringen die de herbergier van Pieterburen jaarlijks indient, zijn namelijk voortdurend hoger geworden. Behalve de generale schouw houdt de schepper met zijn zijlrechters een geregelde schouw over de in zijn schepperij gelegen objecten. In de schepperij van het huis ten Dijke komt in 1723 een belangrijk werk tot stand, namelijk het graven van het Pieterbuurster maar.
Wat betreft het dijkrecht moet nog vermeld worden dat Gerhard Alberda in 1750 bij bovengenoemde registratie opgeeft dat het opperdijkrechterschap van Eenrum, Pieterburen, Westernieland en Wierhuizen evenals het staande dijkrecht van de Kadijk van Pieterburen, Westernieland en Wierhuizen, zijn eigendom zijn. Hoewel, zoals eerder gezegd, de onderhoudskosten van de dijken door de pandplichtige eigenaren betaald moeten worden, wordt er toch een jaarlijks schot ‘juksgewijze’ geheven tot dekking van de kosten van schouw en administratie.
Verschillende malen is Pieterburen geteisterd door dijkbreuken, met als gevolg dat het zoute water veel schade aan het land aanricht. Zo is er een overeenkomst van het jaar 1668 tussen de dijkrechters van Pieterburen, Westernieland en Wierhuizen en de karspelgemachtigden, waarin besloten wordt om gezamenlijk de schade te herstellen die is veroorzaakt door een bij stormweer ontstane dijkdoorbraak. Vooral Westernieland is er slecht aan toe; de verschillende kolken die daar geslagen zijn, zullen met vereende krachten gedempt worden. In 1687 besluit het Schouwerzijlvest enige landerijen, o.a. te Pieterburen gelegen, die ‘door overloop der souwte wateren midt sandt en slick sijn bedorven geworden’ vrij te stellen van het betalen van zijlschot. Alle vroegere overstromingen worden echter in hevigheid en ernst overtroffen door de kerstvloed van 1717. De overlevering heeft de herinnering aan deze ramp bij vele inwoners van onze provincie levendig gehouden. Dat ook de inwoners van Pieterburen hevig geleden hebben van deze verschrikkelijke doorbraken laat zich begrijpen.
De dijken onder Pieterburen en Wierhuizen worden voor het grootste gedeelte weggeslagen en zijn met het maaiveld gelijk gemaakt. Bewaard gebleven is het verhaal van hetgeen een inwoner van Pieterburen, Alle Willems, en zijn vrouw hebben te doorstaan. Met hun 6 kinderen, waaronder een baby van twee weken, worden ze, nadat zij eerst geprobeerd hebben zich op het hooi in veiligheid te stellen, uit het huis gespoeld. De kinderen verdrinken hierbij jammerlijk. Man en vrouw geraken in een boom en klimmen vandaar op een stuk dak. Op dit primitieve vaartuig drijven zij rond tot ze, dicht bij een mulderswoning, wederom in een boom terecht komen. Uit deze hachelijke positie worden zij tenslotte in de loop van de middag gered. Door zijn hogere ligging blijft Dijksterhuis zelf van het water gevrijwaard; de grachten lopen echter vol, terwijl de schathuizen tot aan de vensterbanken onder water staan. Uit een waarschuwing die de geconstitueerde richter van Eenrum c.a. zich genoodzaakt ziet kort na de overstroming te geven, blijkt dat er ook mensen zijn die proberen te profiteren van de benarde omstandigheden waarin anderen zich bevinden. Hierin verbiedt hij de inwoners van zijn jurisdictie ten strengste zich goederen toe te eigenen die door de overstroming weggedreven zijn en aan anderen toebehoren. Vinders zijn verplicht van hun vondst terstond aangifte te doen. Er zijn zelfs mensen die van het wederrechtelijk toe-eigenen van dergelijke goederen een bedrijf maken, dat zij bij nacht en ontij uitoefenen! Begrijpelijkerwijs is een direct gevolg van deze kerstvloed ramp, dat er een ernstig onderzoek ingesteld wordt naar de toestand van de zeedijken in de gehele provincie. Het is de bekende provinciale ambtenaar Tomas van Seeratt die er, in samenwerking met de commissie uit de Provinciale Staten, in hoofdzaak mee belast wordt; hij heeft zich zeer verdienstelijk gekweten van deze lastige taak. Spoedig worden maatregelen afgekondigd, volgens welke het herstel van de dijken ter hand genomen moet worden.
Besloten wordt om de kleine kade, die ten Noorden van de weggeslagen dijk van Pieterburen ligt, zodanig op te hogen en te versterken dat deze in het vervolg als zeewering dienst kan doen. Voor de gehele dijk in het Noorden van de provincie vanaf Deikum tot aan de Zandster zeedijk worden als afmetingen voorgeschreven: ‘8 voet hoog, 80 voet anlaagh, 16 voet cappe’. De kosten zullen, als gebruikelijk, voor rekening van de aanzwettende eigenaren komen. In dit bijzondere geval zal echter daarin ook bijgedragen worden door de achterliggende landeigenaren in de karspelen die tot het dijkrecht van Pieterburen c.a. behoren. Merkwaardig is wel dat de verschrikkingen van deze overstroming voor de dijkplichtigen nog niet voldoende aanleiding zijn om met spoed de toestand van de dijken te verbeteren. Zo erg is dit zelfs dat de Staten zich twee jaar later genoodzaakt zien het werk dat te Pieterburen moet gebeuren, uit te besteden ten laste van de nalatigen! En in 1732 wordt nog geklaagd over de slechte staat waarin de zeedijken in het Noorden van de provincie verkeren, wat voor de commissie uit de Staten aanleiding is nogmaals een schouw te verrichten. Wij mogen echter aannemen dat eerder geldgebrek dan onwil de oorzaak is van het traineren van de werkzaamheden. Het land zal toch vele jaren onbruikbaar geweest zijn, zodat de landbouwers van alle inkomsten verstoken zijn in een tijd die juist zulke grote opofferingen van hen gevergd heeft.
Hoewel tegen de zin van de synode en de predikanten wordt na 1594 het collatierecht in de Ommelanden gehandhaafd. Ook met betrekking tot het collatierecht van Pieterburen valt waar te nemen hoe de heren van Dijksterhuis er naar streven om zoveel mogelijk stemmen in hun bezit te krijgen. Zij slagen erin door aankoop en door aan hen gedane schenkingen een dusdanig aantal stemmen te bemachtigen, dat zij de meerderheid krijgen en dus alle andere collatoren kunnen overstemmen. Een collator wie het gelukt is een dergelijke positie te veroveren, wordt gewoonlijk ‘primaire collator’ genoemd; komen ook de nog resterende stemmen in zijn bezit, dan is hij ‘unicus collator’ geworden. Dit laatste hebben de eigenaren van het huis ten Dijke niet kunnen bereiken. Bij de registratie geeft Gerhard Alberda op dat hij in 1750 het presidium van de collatoren van Pieterburen en 11 stemmen in de collatie van dat dorp bezit. Als primair collator is hij het die in 1754 ds. Remb. de Cock beroept.
De kerkelijke goederen, zowel de fondsen als de gebouwen, gaan na de reformatie automatisch over in handen van de nu hervormde gemeenten. Zij zijn onmisbaar voor het naar behoren verrichten van de dienst. Een enige tijd later opgesteld reglement regelt het gebruik. Daar het collatierecht in de Ommelanden blijft bestaan, behouden dus ook de collatoren het beheer van de goederen.
Het is duidelijk dat daar, waar een primaire of unieke collatie bestaat, dit makkelijk tot misbruiken aanleiding kan geven. De Ommelander kerkorde schrijft wel voor dat een primaire collator twee of drie kerkvoogden moet benoemen, die toezien op het beheer. Hun invloed is echter over het algemeen zeer gering. Gewoonlijk wordt te Pieterburen de predikant met de boekhouding belast. Hij moet jaarlijks rekening en verantwoording afleggen aan de heer van Dijksterhuis. Betalingen worden gedaan op de ‘kerkenrekendag’, gehouden in het rechthuis. Teneinde enige orde te brengen in de vaak chaotische toestand waarin de administratie van de kerkgoederen verkeert, stellen de Provinciale Staten in 1773 een reglement vast waarin de collatoren verplicht worden boek te houden van hun beheer en eens per drie jaar verantwoording af te leggen aan de Gedeputeerden. Dit reglement brengt inderdaad enige verbetering, al worden dan niet alle bezwaren tegen de bestaande toestand er door uit de wereld geholpen.
Enkele woorden moeten nog gewijd worden aan een interessant en belangrijk, doch tamelijk ingewikkeld onderdeel van de dorpsgeschiedenis, namelijk het belastingwezen. Behalve het onderhoud van de kerk en de armenzorg (diaconie) is er door het kerspel als zodanig weinig te onderhouden en is er, mede door het ontbreken van kerspelbezit, geen geldelijk beheer van enig belang. Dit onderscheidt de kerspelen in het bijzonder van onze tegenwoordige gemeenten. De belastingen, die opgebracht moeten worden, worden uitgeschreven door en geheven ten bate van de provincie. Hierin zijn hoofdzakelijk twee soorten te onderscheiden, de ‘verpondingen’ en de zogenaamde ‘commijspenningen’. De verponding is een grondbelasting, waarvan het bedrag nogal eens verschilt; iedere landeigenaar moet hiertoe naar rato van zijn hoeveelheid land bijdragen. Onder de ‘commijspenningen’ vallen allerlei andere belastingen, zoals het hoofd- en heerdstedengeld, de belasting op het gemaal, bezaaide landen, hoornvee, ambachten enz.
De verpondingen worden in ieder kerspel geadministreerd door een „schatbeurder", die gekozen wordt door de kerspellieden. Hij haalt het geld op en draagt ten kantore van de ontvanger-generaal te Groningen zoveel af, als waarvoor zijn kerspel is aangeslagen. De gewone verbinding tussen de stad en Pieterburen, zowel voor reizigers als voor goederenvervoer, is de schuit van Groningen die als dichtstbijzijnd dorp Mensingeweer aandoet. Dit dorp, op ongeveer vijf kwartier afstand van Pieterburen, is te bereiken langs een weg die gelukkig bijna altijd, zelfs in de winter, bruikbaar is; alleen bij opdooiend weer is hij beslist onbegaanbaar. De belastbare grond te Pieterburen blijkt uit een opgave van het jaar 1708, welke in overeenstemming met de originele „meetcedulle" is opgemaakt. Tot het kerspel behoort 904 juk oud land en 379 juk nieuw land, totaal dus 1283 jukken; hierbij zijn niet gerekend de 13 jukken, in beslag genomen door dorp, wegen enz. Van deze 1283 juk valllen om onbekende reden 501 juk buiten de verponding. De ‘commijspenningen’ worden verpacht, welk systeem op de duur aanleiding geeft tot veel onenigheid en misbruiken. Hierin wordt verbetering gebracht door het ‘reglement reformatoir’, waarin voorgeschreven wordt dat in het vervolg ook deze belastingen geïnd moeten worden door collecteurs, gekozen door de kiesgerechtigde kerspellieden. In tijden van nood moet natuurlijk wel eens op een bijzondere wijze door de kerspelen in de lasten van de provincie worden bijgedragen. Zo bijvoorbeeld na het opheffen in het jaar 1621 van het twaalfjarig bestand met Spanje. Met het oog op de dan weer ingetreden oorlogstoestand wordt besloten om de provincie in staat van verdediging te brengen. Een gevolg hiervan is dat te Pieterburen aanvankelijk 15, later 12 soldaten ingekwartierd worden, wat voor rekening van het kerspel komt. Dat deze landverdedigers meer last dan vreugde veroorzaken, blijkt wel uit een request, reeds enkele maanden later uit naam van de ingezetenen van Pieterburen — o.a. ondertekend door de heer van Dijksterhuis en de predikant — ingediend bij Gedeputeerde Staten. De ‘requestranten’ verzoeken om opheffing voor Pieterburen van de inkwartiering ‘dewijl sijluiden aldaer weinich periculen (gevaren) van de vijants lopers hadden te ver wachten’. Op het request wordt gunstig beschikt, mits eventuele gevolgen niet voor rekening van Gedeputeerden zullen komen.
In dezelfde tijd ook worden — op kosten van de kerspelen in de jurisdictie van Eenrum, Pieterburen en Westernieland — paarden en wagens naar het leger in Meppel gezonden. Deze bijdrage in natura tot de oorlogslasten wordt dus, in tegenstelling met de gewoonte, niet door de kerspelen maar door het rechtsgebied gedragen.
Hiermee zijn de lotgevallen van Pieterburen, gedurende de tijd van de Republiek van de Verenigde Nederlanden in hoofdtrekken geschetst. Wat betreft de laatste jaren valt nog te vermelden, dat zeker ook daar, evenals elders in de provincie, iets merkbaar is van het streven naar invloed onder de bezittende klasse. Dit heeft de gemoederen ontvankelijk gemaakt voor de revolutie, vanuit Frankrijk naar ons land overgebracht.
Deel 3
Geschiedenis van kerk, kerspel en borg te Pieterburen
Vanaf 1795
Terecht kan men zeggen, dat het jaar 1795 een keerpunt is in de geschiedenis van de Ommelander kerspelen. De nieuwe opvattingen op staatkundig gebied zegevieren en leiden na een drietal jaren van overgang tot grote veranderingen in de inrichting van de regering. Na de intocht van de Fransen begint men in het gehele land ijverig met de hervorming van de bestuursorganen. Men gaat daarbij uit van de gedachte, dat de burgerij invloed moet hebben op de regering. Het beginsel dat alle mensen gelijke rechten hebben, is een van de voornaamste leuzen, waaronder in Frankrijk de vaan van de opstand geheven is. Niet zonder slag of stoot – denk maar aan de verwoede strijd tussen de aanhangers van de gewestelijke zelfstandigheid en die van de eenheidsstaat, de zgn. federalisten en ‘unitarissen’ - komt tenslotte in 1798 de eerste grondwet voor de Nederlandse eenheidsstaat tot stand. De nieuwe „Bataafsche Republiek" zal zijn één en ondeelbaar, met een centrale regering, gevestigd in de Haag, waaraan de gewestelijke en plaatselijke besturen ondergeschikt zullen zijn.
De betrekkelijke zelfstandigheid, die de kerspelen tot nog toe gekenmerkt hebben, gaat hiermee verloren. De staatsregeling van 1789 eist dat de rechtspraak zal geschieden uit naam van het volk. Rechtspraak uit naam van particulieren is dus verboden en zodoende moeten de oude gerichten verdwijnen. Bij een regeling van mei 1803 worden zij opgeheven; de provincie wordt verdeeld in zes jurisdictiën, waaronder die van het Hunsingo kwartier, ieder onder een rechter of drost. Met het oog op het bestuur is een indeling van het land in kleinere gebieden onmisbaar; dit geeft aanleiding tot de instelling van gemeenten naar Frans voorbeeld. Nadat verschillende regelingen zijn ontworpen, die nooit geheel zijn uitgevoerd, komt tenslotte bij keizerlijk decreet van 21 oktober 1811- ons land is dan inmiddels bij Frankrijk ingelijfd en wordt rechtstreeks bestuurd vanuit Parijs -, de indeling van de provincie Groningen in gemeenten tot stand, die sindsdien slechts enkele kleine wijzigingen ondergaan heeft. In de grenzen van de tegenwoordige gemeente Eenrum zijn die van de voormalige jurisdictie van Eenrum, Pieterburen en Westernieland en die van Wierhuizen terug te vinden.
Deze twee jurisdictiën zijn al veel vroeger verbonden door het feit dat het staand redgerrecht van beide in bezit is van de heer van Dijksterhuis. Tussen Pieterburen en Wierhuizen bestaat dan nog een bijzondere band in de persoon van de predikant, aan wiens hoede beide gemeenten zijn toevertrouwd. Sinds de kerstvloed van 1717 de kerk van Wierhuizen heeft verwoest, is die gemeente wel blijven bestaan maar gaan de inwoners van dat kerspel ter kerke te Pieterburen. Door het vaststellen van de gemeentegrens van Eenrum wordt dus de van oudsher bestaande samenhang tussen deze vier kerspelen officieel bevestigd.
De invloed van de revolutie gaat vanzelfsprekend ook niet ongemerkt voorbij aan de Hervormde kerk. Volgens een besluit van de ‘Representanten van het volk van Stad en Lande’ d.d. 8 maart 1796 zal de kerk in het vervolg door geen politiek gezag meer gesteund worden en houdt zij dus op als staatskerk een eerste en enige plaats in te nemen.
Op Dijksterhuis heeft men betrekkelijk weinig van de revolutiestorm te lijden gehad. Gosen Geurt Alberda vertelt in zijn al eerder genoemd aantekenboek, dat de inwoners van Pieterburen nogal „geattacheerd" zijn aan Dijksterhuis, wat tot gevolg heeft dat bij de woelingen van 1796 de borgbewoners weinig last hebben ondervonden. Ongetwijfeld zal de persoon van deze jonker hiertoe het zijne hebben bijgedragen. Tot 1830 heeft hij op de burcht gewoond. Op een zondag van dat jaar wordt hij door een hevige koorts aangegrepen, als gevolg van een ziekte die hem spoedig ten grave sleept. In het notulenboek van de kerkenraad wordt hij met de volgende woorden herdacht:
‘Op het huis Dijxterhuis in deze gemeente overleed op d. 20 Mei dezes jaars (1830) de Hoogwelgeboren Heer jonkheer G. G. Alberda van Dijxterhuis, Heer van Dijxterhuis, beschreven in de Ridderschap en lid van de Gedeputeerde Staten in deze provincie, unicus collator en administrerend kerkvoogd dezer gemeente, in de ouderdom van ruim 64 jaren. Een overlijden bijzonder ook voor deze gemeente zeer treffend! dezelve moet hierdoor een getrouwen handhaver van hare belangen, een vriendelijken en weldadigen menschenvriend en eenen voorbeeldigen christelijken voorganger missen. De gedachtenis van dezen regtvaardigen zal in deze gemeente steeds in zegening zijn en blijven’.
Na zijn dood wordt de borg aangekocht door zijn zuster Willemina Jeanne Alberda, douairière Lewe van Aduard, overleden in 1845. Haar erfgenaam is Gerhard Alberda van Menkema, na wiens dood in 1902 Dijksterhuis een roemloos einde vindt onder de slopershamer.
De heerlijke rechten, sinds vele jaren aan Dijksterhuis verbonden, worden bij voorbaat onder invloed van de Franse revolutie krachteloos. Sommige van deze rechten hebben later nog wel enige tientallen jaren een steeds bedreigd bestaan geleid. Wij willen ons bepalen tot de verdere geschiedenis van de twee voornaamste van deze rechten.
Aan het redgerrecht wordt al in 1796 een einde gemaakt, wanneer bepaald wordt dat rechters in het vervolg door volkskeus benoemd zullen worden. Door de kiezers in de rechtstoel van Pieterburen, Wierhuizen en Westernieland wordt op 27 juli 1796 te Pieterburen voorlopig als rechter aangesteld de ‘burger’ Adam Tjabbens.
Met de reeds genoemde nieuwe rechterlijke indeling van 1803 vervalt deze regeling weer. De vroegere eigenaren van het redgerrecht worden dan verzocht een opgave in te dienen van de door hen geleden schade wegens het niet meer mogen uitoefenen van het recht. Men staat dus dan op het standpunt, in tegenstelling met de opvattingen van 1795, dat schadevergoeding voor het verlies van heerlijke rechten billijk is. Goosen Geurt Alberda begroot die schade op f 500,- jaarlijks voor het verlies van de staande jurisdictie van Eenrum c.a. en van Wierhuizen en van het staande overrecht van Pieterburen tezamen.
Met het collatierecht gaat het anders. Nadat in een publicatie van het Comité revolutionair de heerlijke rechten en dus ook het collatierecht, in het algemeen zijn afgeschaft, wordt op 13 mei 1796 een reglement vastgesteld op de beroeping van predikanten, schoolmeesters enz. Zij wordt in handen gelegd van de stemgerechtigde lidmaten, die aan bepaalde eisen moeten voldoen. Deels als gevolg van de verwarde tijden blijkt het later echter niet zeker of de collatierechten al dan niet zijn afgeschaft. Op sommige plaatsen worden zij net als vroeger uitgeoefend, op andere vindt een beroeping op de bovenbeschreven wijze plaats. Zo beroept Gosen Geurt Alberda als collator van Pieterburen en Wierhuizen in 1809 ds. J. Snethlage tot predikant aldaar. In 1814 wordt aan de onzekerheid een einde gemaakt doordat de koning de collatierechten weer in ere herstelt. Volgens de eigen opgave van Gosen Geurt is het niet zeker of hem de primaire dan wel de unieke collatie van Pieterburen toebehoort.
Hij kiest de eenvoudigste weg en noemt zich ‘collator’ zonder meer. Zoals eerder vermeld, noemt de kerkenraad hem later ‘unicus collator’, terwijl zijn zuster in 1841 ds. H. Huysers, de opvolger van ds. Snethlage, beroept als ‘unica collatrix’. Er is echter geen enkel bewijs dat hun dat recht werkelijk toekomt, maar niemand verzet zich en in feite komt het op hetzelfde neer.
Uit latere beroepingen blijkt dat het collatierecht wordt uitgeoefend in overleg met de kerkenraad. Wanneer na het overlijden van Gerhard Alberda van Menkema zijn erfgenamen geen prijs stellen op het behoud van het recht, wordt de geboden gelegenheid onmiddellijk aangegrepen door de kerkvoogden van Pieterburen. Voor een som van f1800,— wordt op 23 april 1904 het collatierecht van hun gemeente, bestaande uit elf stemmen, door hen van de familie Lewe van Nijenstein aangekocht. Hun aankoop wordt bevestigd door overschrijving in het register van heerlijke rechten in het Hunsingo-kwartier.
Ook in de bestuursregeling van zijlvestenijen en dijkrechten wordt begin 1795, ingegrepen, als gevolg waarvan scheppers en zijlrechters van hun posten worden ontheven. Zij worden vervangen door anderen, gekozen door de zijlschot gevende landgebruikers. Dit systeem fungeert nog in 1808. Het heeft echter aan de gebruikelijke bestuurspraktijk niets veranderd, zij het dan dat na 1806 de koning van Holland en daarna keizer Napoleon zich de benoeming van de scheppers voorbehouden. Tussen 1813 en 1822 bestaat er een tussentoestand, een samenvoeging als het ware van de reglementen van vóór en ná 1795. Na een in 1822 verschenen koninklijk besluit wordt in de provincie Groningen het waterschapsbestuur weer geheel op de oude voet, van vóór 1795, ingericht. Zo wordt ook de schepperij van het huis ten Dijke weer een onbetwist eigendom van de eigenaren van dat huis. De zuster en opvolgster van Gosen Geurt Alberda belast Oopke Eisses Smit, een inwoner van Pieterburen, met de waarneming van het ambt. Wanneer hij in 1833 eens weigert een bij zijn functie behorende werkzaamheid te verrichten, namelijk het tekenen van obligaties, wordt hij genoodzaakt ontslag te nemen. Reeds heeft men de vrouwe van Dijksterhuis verzocht een opvolger voor hem aan te wijzen, wanneer de schepper besluit van zienswijze te veranderen, waardoor hij in zijn functie gehandhaafd kan worden. In 1825 wordt een belangrijke verzwaring van de dijk, ressorterend onder het dijkrecht van Pieterburen, Wierhuizen en Westernieland, ter hand genomen. Ook dit gebeurt weer geheel voor rekening van de pandplichtige eigenaren, die als tegemoetkoming in die kosten een renteloos voorschot van de regering ontvangen. De polder gevormd door de landen tussen deze en de oude dijk gelegen behoort eveneens onder het dijkrecht van Pieterburen c.a. Deze landen verkrijgen tussen de jaren 1847 en 1852 afwatering door de Schouwerzijl.
Aan het bestaan van de overoude zijlvestenijen en dijkrechten wordt in het midden van de vorige eeuw een einde gemaakt, wanneer alom nieuwe waterschappen in de zin van de moderne waterstaatswetgeving worden opgericht. In 1855 wordt het dijkrecht van Pieterburen opgeheven, welk lot in april 1856 ook het Schouwerzijlvest ten deel valt; beide worden opgenomen in het volgens Statenbesluit van 5 december 1854 opgerichte waterschap Hunsingo. Pieterburen behoort op moment van dit schrijven (1939) tot het onderdeel Eenrum van dat waterschap.
In 1918 wordt het waterschap ‘de Slikken’ opgericht, omvattende de kwelder en slikgronden achter Pieterburen, Westernieland en Den Andel. Als noord- en zuidgrens van dit waterschap worden twee lijnen aangenomen evenwijdig aan en respectievelijk 40 m en 1400 m noordelijk van de huidige zeedijk. Dit waterschap wordt opgericht met de bedoeling de opslibbing en drooglegging van deze gronden te bevorderen.
Evenmin als het collatierecht te Pieterburen praktisch ooit opgeheven is geweest, is er als gevolg van de revolutie enige verandering gekomen in het beheer van de kerkelijke goederen. Dit wordt, net zoals in rustiger jaren, nog steeds gevoerd door de heer van Dijksterhuis. In deze gang van zaken wordt voor het eerst enige wijziging gebracht als gevolg van een schrijven van 10 maart 1821 van het door koning Willem I opgerichte ‘College van toezicht op de kerkelijke administratie van de hervormden in de provincie Groningen’. Overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van het nieuwe reglement voor de Hervormde Kerk van 1816 wordt hierin aan de kerkenraad verzocht een opgave te doen van personen die in aanmerking komen voor de benoeming tot kerkvoogd of notabele. De kerkenraad antwoordt hierop dat de kerkelijke goederen door de tegenwoordige kerkvoogd en collator, jhr. Gosen Geurt Alberda, op een uitstekende wijze beheerd worden, zodat er geen enkele aanleiding voor verandering is. Zij verzoeken dan ook het nieuwe reglement tijdens het leven van deze heer van Dijksterhuis niet verbindend te verklaren voor Pieterburen.
De gevraagde opgave wordt echter toch aan deze mededelingen toegevoegd; boven aan op de lijst staat natuurlijk jhr. Alberda. Op 21 maart 1822 wordt door hem het eerste college van kerkvoogden en notabelen geïnstalleerd. In deze bijeenkomst wordt hij benoemd tot administrerend kerkvoogd. Hieruit blijkt dus dat aan het verzoek van de kerkenraad niet voldaan is. Vanaf deze tijd dateert dan ook de splitsing van collatierecht en kerkvoogdij, die tot nog toe onafscheidelijk verbonden zijn geweest in de Ommelanden. Het koninklijk besluit van 9 februari 1866, waardoor het beheer van de goederen van de Hervormde Kerk vrijgemaakt wordt van staatstoezicht, is aanleiding voor een heftige strijd in Pieterburen over de wijze waarop die goederen in het vervolg beheerd zullen worden. Deze strijd is er de oorzaak van dat de collator sindsdien geen zitting meer heeft in het college van kerkvoogden en notabelen. Nadat als gevolg van bovengenoemd koninklijk besluit het officiële college van toezicht is opgeheven, wordt onmiddellijk een nieuw college opgericht, onder welks toezicht de plaatselijke kerkvoogdijen zich vrijwillig kunnen scharen; voor hen geldt dan het door dit college vastgestelde reglement van beheer. Sluit een kerkvoogdij zich niet aan, dan moet een plaatselijk reglement vastgesteld worden. Voor deze laatste weg wordt in Pieterburen gekozen: er wordt een voorlopig college van kerkvoogden benoemd en een plaatselijk reglement ontworpen, dat op 29 december 1869 door de stembevoegde lidmaten wordt goedgekeurd. In 1871 blijkt echter dat zich een partij gevormd heeft die alsnog aansluiting wenst bij het provinciaal college van toezicht. Hiertoe behoren o.a. jhr. Alberda, die inmiddels zijn mandaat als kerkvoogd heeft neergelegd, en de predikant, ds. Dons. Er wordt een door deze partij georganiseerde stemming gehouden, die ten gunste van de aansluiting verloopt. Aangezien het bestaande college van kerkvoogden niet genegen is de administratie over te geven, wordt door Alberda c.s. een eis daartoe ingesteld bij de rechtbank te Appingedam. De eisers worden door deze rechtbank bij vonnis van 28 november 1872 niet ontvankelijk verklaard, uit overweging dat de gehouden stemming niet geldig is geweest. Het gerechtshof te Groningen bevestigt dit vonnis, zodat voor de eisers geen andere weg overblijft dan zich bij de bestaande toestand neer te leggen.
Men begrijpt dat dit alles niet zonder slag of stoot is gegaan. Het kerkelijk leven lijdt onder dit geschil en verdeelt de inwoners van Pieterburen in twee kampen. De Officier van Justitie te Appingedam spreekt in zijn conclusie van een ‘geding, dat de gemoederen te Pieterburen en Wierhuizen in hoge mate verdeeld houdt en met bitterheid vervult’. Het is zelfs bijna aanleiding tot een publiek schandaal geworden wanneer tijdens de godsdienstoefening waarin ds. Dons de keuze van het ‘revolutionnaire’ college van de kansel af bekend maakt, deze heren zich naar de voor kerkvoogden en notabelen bestemde banken begeven.
Slechts het rustig optreden van het fungerend college, dat ter voorkoming van een botsing die banken verlaat, redt de situatie. Nog in 1875 klaagt de kerkvoogdij in een brief aan het classicaal bestuur dat de geestelijke toestand van de gemeente, vooral als gevolg van de twisten over het beheer van de kerkelijke goederen en de gevoerde procedure, zeer veel te wensen overlaat.
Op duidelijke wijze heeft de kerkvoogdij er in de tweede helft van de vorige eeuw blijk van gegeven, dat de belangen van het dorp in de ruimste zin haar ter harte gaan. Verschillende nuttige werken, buiten het eigenlijke kerkelijke leven om, zijn op haar initiatief tot stand gekomen of worden door een ruime bijdrage uit de kerkgoederen mogelijk. Zo wordt bijgedragen in de kosten van aanleg van een op 11 oktober 1869 voor het verkeer geopende grindweg tussen Eenrum, Pieterburen en Westernieland. Deze weg is niet alleen een belangrijke verbetering in de verbinding van deze drie dorpen, maar betekent ook een vergemakkelijking van de kerkgang voor de verderaf wonende lidmaten van de gemeente van Pieterburen. In 1873 wordt door kerkvoogden en notabelen besloten een straatverlichting te Pieterburen aan te leggen. De kosten zullen betaald worden uit de kerk middelen, aangezien er in de ‘verste verte’ geen kans bestaat dat dit werk door de burgerlijke gemeente ter hand genomen zal worden.
De verlichting zal, behalve dat er een algemeen belang mee gediend wordt, zeer nuttig zijn voor de bezoekers van avondkerk en catechisatie en voor de leerlingen van de avondschool. Deze petroleumverlichting wordt jaren later door de gemeente Eenrum vervangen door een elektrische straatverlichting. In 1877 wordt op verzoek van het gemeentebestuur van Eenrum, een bijdrage gegeven in de kosten van verbetering van de haven van Pieterburen.
Aan deze subsidie worden verschillende voorwaarden betreffende de uitvoering van het werk verbonden. Een belangrijke post op de kerkvoogdijrekening is ook de aan verschillende behoeftige kerken verleende ondersteuning.
Zoals in het vorige deel blijkt, is tijdens de republiek het onderwijs een zaak die door ieder kerspel voor zich geregeld wordt en waarop geen toezicht van de kant van de wereldlijke overheid uitgeoefend wordt. Hoewel de grondwet van 1814 voor het Koninkrijk der Nederlanden bepaalt dat het onderwijs in het vervolg een voorwerp van zorg voor de regering zal zijn, heeft het vele jaren geduurd alvorens dit voorschrift leidt tot wetgeving op onderwijsgebied. De bekende wet van Van der Palm, daterend van 1806, heeft - zij het aangevuld door enige Koninklijke besluiten - gegolden totdat in 1857 de wet op het lager onderwijs tot stand komt. Hierin wordt o.a. voorgeschreven dat in iedere gemeente lager onderwijs moet worden gegeven op kosten van die gemeente. Naar aanleiding van deze bepaling wordt het schoolgebouw te Pieterburen, dat eigendom van de kerk is, aan de burgerlijke gemeente verhuurd. Ingrijpende veranderingen vinden overigens niet plaats. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het feit, dat de kosterij als ambtswoning dient voor de in 1870 door de gemeente Eenrum benoemde hoofdonderwijzer. De kerkvoogdij blijft steeds een grote belangstelling koesteren voor het welzijn van het onderwijs en uit dit ook op daadwerkelijke wijze. Evenals het gebouw behoort ook de losse inventaris tot het kerkbezit; de meubelen worden in uitstekende conditie gehouden en belangrijke aanvullingen vinden plaats door het aanschaffen van een collectie natuurkundige instrumenten en schoolbanken volgens Amerikaans model.
De f 100,- die de gemeente Eenrum jaarlijks als huur voor het schoolgebouw betaalt, wordt in 1874 wederom ter beschikking van die gemeente gesteld. Dit gebeurt om tegemoet te komen in de kosten verbonden aan het uitgebreid lager onderwijs dat sinds dat jaar te Pieterburen gegeven wordt. Het volgend jaar wordt deze bijdrage verhoogd tot f 175,-, wat ten goede moet komen aan de onderwijzer. In 1875 bedraagt het aantal schoolgaande kinderen niet minder dan 180, wat de noodzakelijkheid met zich meebrengt dat de school en het onderwijzend personeel moeten uitbreiden. Het onderwijs te Pieterburen verkeert dan in een zeer bloeiende staat en verheugend is vooral het geringe schoolverzuim. Tenslotte wordt echter, mede ten gevolge van de wet op het lager onderwijs van 1878, het verband tussen kerkvoogdij en school geheel verbroken.
In 1892 worden schoolgebouw en kosterswoning te Pieterburen door de gemeente Eenrum aangekocht. In 1898 overlijdt plotseling Derk Luitjes Broekema, sinds 1868 president-kerkvoogd van Pieterburen en gedurende al die jaren de stuwende kracht in het college van kerkvoogden en notabelen. De gemeente heeft veel aan hem te danken; zijn onvermoeibare strijdvaardigheid ter bevordering van de kerkelijke belangen van Pieterburen. De diaconieën worden in het begin van de 19e eeuw in haar ondersteuningstaak geholpen door een bijdrage uit de burgerlijke kas. Omstreeks 1820 wordt deze subsidie echter ingetrokken en moet uitgezien worden naar een ander middel om de diaconie de nodige gelden te verschaffen. Er wordt dan te Pieterburen een commissie van gemeenteleden gevormd die moet bepalen hoeveel iedere ingezetene moet bijdragen tot de armenzorg.
Genoemde maatregel van de overheid wordt, volgens de notulen van de kerkvoogdij, zeer toegejuicht omdat daardoor de christelijke naastenliefde weer gelegenheid krijgt om op te bloeien.
In 1873 wordt door de gereformeerde ingezetenen van Pieterburen in combinatie met die van Westernieland een afzonderlijke gemeente gesticht. In hetzelfde jaar wordt de eerste steen gelegd voor haar kerk door ds. P. A. Lanting van Winsum.
Uit het plaatselijk verenigingsleven van de vorige eeuw kunnen genoemd worden de rederijkerskamer ‘de Noordstar’ en de schermvereniging ‘Adolph van Nassau, beide ínmiddels opgeheven. In 1875 bestaat ook al een leesgezelschap, waarvan de door de kerkvoogdij beheerde boekerij als een voortzetting is te beschouwen. Aan het einde gekomen van dit overzicht van de voornaamste gebeurtenissen vóór 1939, moet gewezen worden op twee belangrijke werken, waarvan de totstandkoming een reden tot vreugde is voor alle inwoners van Pieterburen. In de eerste plaats de beëindigde restauratie van de stijlvolle Hervormde kerk, die op 14 mei 1939 met een plechtige inwijdingsdienst wederom in gebruik genomen is. Vooral de in hun oude vorm herstelde gotische vensters geven het interieur een stemmingsvolle aanblik. Een van de mooiste Ommelander kerken heeft hierdoor weer veel van haar oude schoonheid teruggewonnen, in overeenstemming met haar waarde als monument van godsdienstzin, geschiedenis en kunst.
En daarnaast het groots opgezette inpolderingswerk, dat uitgevoerd wordt in Rijks werkverschaffing. Wanneer dit werk eenmaal gereed zal zijn, mag met recht gezegd worden, dat een mijlpaal in de geschiedenis van ons dijkwezen bereikt is. Er zal dan een einde gemaakt zijn aan de huidige toestand, waarbij het land, liggend achter de dijk tussen de Negenboerenpolder en de Noordpolder, slechts door één zeewering beschermd wordt. Door de in aanleg zijnde 6000 m lange dijk wordt een oppervlakte van 400 ha land ingepolderd, dat straks van kwelder in vruchtbaar bouwland herschapen zal kunnen worden.
Deel 4.
Geschiedenis van kerk, kerspel en borg te Pieterburen
Enkele bijzonderheden uit de bouwgeschiedenis van kerk en borg.
De kerk van Pieterburen, verscholen tussen hoog opgaand geboomte op een kleine hoogte aan de zuidzijde van de weg gelegen, omgeven door het oude kerkhof, is oorspronkelijk een rechthoekig gebouw, afgesloten door een vijfzijdig koor. Zoals hierboven al gezegd is, valt de bouwtijd in de vijftiende eeuw, waarschijnlijk tussen de jaren 1400 en 1450. Later, vermoedelijk omstreeks 1600, wordt zij vergroot met één dwarsarm, zodat de plattegrond momenteel die van een halve kruiskerk is. De hoge spitsboogvensters, die bij de jongste restauratie veel aan schoonheid gewonnen hebben, herinneren aan de gotische bouwtrant.
Merkwaardig is dat het koordak, bestaande uit kruisribgewelven, ongeveer twee meter hoger is dan dat van het overige gedeelte van de kerk. Dit komt slechts zelden voor; in onze provincie wordt iets dergelijks gevonden in de Martinikerk te Groningen en in de kerk te Warffum. In 1841 wordt in het koor een nieuwe marmeren vloer gelegd. Opvallend mooi zijn de rijk gebeeldhouwde kansel, herengestoelte en banken. De preekstoel, uitgevoerd in Louis XVI stijl (± 1785), draagt het wapen van de Alberda's. In 1720 wordt echter reeds enig loofwerk aan het klankbord gemaakt door de beeldhouwer Jan de Rijke. Op het herengestoelte komen de wapens voor van vier bekende Groninger jonkersgeslachten, nml. Alberda, Horenken, Clant en Tamminga. De zitbanken, welke voorzien zijn van snijwerk, dateren uit het laatste kwart van de achttiende eeuw. In 1698 wordt in de kerk een orgel geplaatst. Het wordt gebouwd door de bekende Hamburgse orgelbouwer Arp Snitger, die hiervoor 550 gulden ontvangt. De plaatsing en de bouw van het balkon worden verricht door de timmerman-schrijnwerker Allert Meijer, van Groningen; hij brengt voor dit ‘structure en fondament’ werk 600 gulden in rekening. In 1701 moet Snitger nog eens terugkomen, om enkele kleine verbeteringen aan te brengen; in hetzelfde jaar wordt door Allert Meijer voor 52 gulden een rugpositief met loofwerk vervaardigd. Het pedaal wordt in 1704 door de orgelmaker ‘mr. Jannes’ gemaakt en in 1705 brengt de eerder genoemde Jan de Rijke nog enkele versieringen van snijwerk aan. In 1771 wordt door Antoni Hinsz een belangrijke herstelling verricht, welke 856 gulden gekost heeft. De windlade en -leidingen, het klavier en de blaasbalg moeten hersteld worden, terwijl het aantal pijpen wordt uitgebreid. In 1867 is wederom een grote reparatie nodig; deze wordt verricht door de orgelmaker Lohman te Assen; er is een som van ongeveer f 1000.- mee gemoeid. Aan het eind van de 19e eeuw oordelen kerkvoogden en notabelen echter, dat het orgel versleten is en beginnen zij de aankoop van een nieuw voor te bereiden. Verschillende orgelbouwers worden uitgenodigd plannen te ontwerpen. Dat het college gelijk heeft, blijkt wel uit het feit dat het hoogste bod voor het oude orgel f 250.- bedraagt! Het werk wordt tenslotte opgedragen aan de fa. Leichel te Lochum, waarbij als voorwaarde gesteld wordt dat het front groter maar wel van dezelfde vorm als het oude moet worden.
Dit is juist gezien, het past zich bijzonder goed aan bij het interieur van de kerk. Leichel heeft de naam mooie orgels te bouwen en heeft ook te Pieterburen bewezen, dat deze roem hem toekomt; hij is er in geslaagd een orgel met een prachtige volle toon te vervaardigen. Sinds enige tijd geschiedt de luchttoevoer langs elektrische weg, zodat het ‘puistertreden’ overbodig is geworden. Het oude orgel is overgebracht naar de kerk van Mensingeweer. De mooie klok in het front van het orgel dateert reeds van 1700 en is vervaardigd door de uurwerkmaker Jacob Jansen. Wil men de overlevering geloven, dan wordt zij op bevel van de heer van Dijksterhuis daar aangebracht, opdat hij de predikant een wenk kan geven de dienst te eindigen, wanneer het volgens hem lang genoeg geduurd heeft! Op 26 december 1922 breekt, nadat het kerstfeest gevierd is, brand uit in de kerk. Hoewel het lukt om deze met emmers water te blussen, kan toch niet voorkomen worden dat een gedeelte van de balustrade, ter linkerzijde van het orgel, vernield wordt. De Groningse beeldhouwer Haver heeft de schade weer hersteld.
Een welsprekende herinnering aan vroegere dagen zijn de vijf rouw- of wapenborden die in het koor zijn opgehangen. Zij zijn vervaardigd ter nagedachtenis van Diderik Sonoy (†1597) en zijn echtgenote Maria van Malsen (†1584), Susanna Elisabeth Alberda van Menkema († 1744), haar echtgenoot Gerhard Alberda († 1784) en Gosen Geurt Alberda (†1830). De borden zijn bij de laatste restauratie voor zover nodig hersteld en wormvrij gemaakt. Onder het koor, gesloten door een zware zerk, bevindt zich een grafkelder, waarin de heren van Dijksterhuis en hun gezinsleden begraven worden. Als laatste wordt in 1845 Willemine Jeanne Alberda van Dijksterhuis er bijgezet.
De koperen weerhaan op het koor van de kerk, voorstellend het wapen Alberda, wordt in 1709 vervaardigd door de koperslager Lucas Cramer, die hiervoor 7 gulden en 14 stuivers ontvangt. Volgens een gedenksteen, die later aan de binnenzijde van de torenmuur is ingemetseld, wordt in 1698 een portaal voor de ingang van de kerk gebouwd. Deze gedenksteen wordt voor 64 gulden vervaardigd door de steenhouwer Jacobus van Zanden. In 1700 legt deze Jacobus ook 80 blauwe vloerstenen in het portaal. Slot en vensterscharnieren worden geleverd door Peter Ceur, slotenmaker te Groningen, terwijl aan Eitje Gales ‘kalkbrandersche’ te Obergum de kalkleverantie gegund wordt.
Dit portaal moet weer worden afgebroken wanneer in 1805 de heer van Dijksterhuis besluit een nieuwe toren tegen de kerk aan te laten bouwen. Ter herinnering aan dit feit wordt nogmaals een steen in de torenmuur gemetseld, waarop ook vermeld staat wie aan de bouw hebben meegewerkt. Omdat de tekst van de steen dit niet geheel duidelijk uitdrukt, is het wel goed om er de aandacht op te vestigen dat de bouwkosten geheel uit de kerkgoederen en niet door jonker Alberda persoonlijk zijn betaald.
De oude stompe toren, die vrij van de kerk heeft gestaan, wordt bij deze gelegenheid afgebroken. Het stenen bouwwerk, bekroond met een houten spits is mooi van lijn en sluit goed bij de kerk aan. Een grote reparatie wordt aan de toren verricht in het jaar 1877, wanneer door een storm veel schade is aangericht. In de toren bevinden zich twee klokken, een kleine en een grote. Het opschrift van de grote, een zeer fraai stuk gietwerk, luidt:
‘Vrou Odo tho Dika heft dese kloek eirst laten geten, unde die pastor unde die kerricksworen, Antonius van Utrecht me fecit, Anno Domini MVcLIII’.

Hieruit blijkt dus dat Oda ten Dijke de klok heeft geschonken en dat het gieten in 1553 heeft plaats gevonden. Dit is een schijnbare tegenspraak, omdat Oda juist uit een eeuw vroeger stamt. Vermoedelijk is de klok in 1553 omgegoten door de klokkengieter Antonius van Utrecht, wat ook af te leiden is uit het woordje „eirst".
Van de kleine klok, vermoedelijk zeer oud, is het opschrift helaas niet meer te lezen. Volgens de overlevering is zij afkomstig uit het in 1717 verwoeste kerkje van Wierhuizen. Het oude toren uurwerk, kort geleden aan het Museum van Oudheden te Groningen geschonken, dateert reeds van vóór 1704, wanneer het door Meindert Hindriks, uurwerkmaker te Groningen, grondig gerepareerd is.
Op het ingangsportaal van de kerk bevindt zich een duiventil, waarvan de voordelen de predikant ten goede komen. Als gevolg van de bouw van de toren moet deze til verdwijnen en moet de predikant dus deze aanvulling van zijn traktement derven.
Ter compensatie wordt hem dan uit de kerkgoederen jaarlijks een bedrag van
f 25,- toegestaan. De nieuwe begraafplaats van Pieterburen wordt in 1826 aangelegd op een gedeelte van een perceel pastoriegrond en in 1860 uitgebreid met de rest van dit perceel. In 1863 wordt deze grond, waarvoor aanvankelijk huur betaald moet worden aan de predikant, door de kerkvoogdij aangekocht; het kerkhof maakt vanaf dan dus deel uit van de kerkgoederen.
De ruime pastorie, omgeven door een mooie tuin, heeft oorspronkelijk het aanzien van een gewone boerderij; nog duidelijk zijn het dwarse voorhuis en de schuur in het tegenwoordige gebouw te onderkennen. Dat de vroegere predikanten behoefte hebben gehad aan een boerenbehuizing, is een gevolg van het feit dat de pastoriegoederen hoofdzakelijk of uitsluitend uit land bestaan, dat zij zelf gebruiken, zodat zij dus naast dominee ook landbouwer zijn. Omstreeks 1710 wordt veel geld besteed aan de verbetering van de pastorie: er worden dan een nieuwe schuur en een nieuw zomerhuis gebouwd. In 1758, wanneer Rembertus de Cock predikant is, wordt het oude woonhuis grotendeels vernieuwd.
In 1880 besluit de kerkvoogdij, in verband met de veranderde eisen, de pastorie grondig te restaureren. Op verzoek van ds. Offerhaus wordt dan de schuur afgebroken en in plaats daarvan een aantal kamers gebouwd.
Zoals al in het vorige deel vermeld is, blijft de school tot 1892 eigendom van de kerk. De kosterswoning wordt ambtswoning van de hoofdonderwijzer. Het thans (1939) nog steeds in gebruik zijnde schoolgebouw wordt in 1867 door de kerkvoogdij gebouwd en sindsdien moet ook door de gemeente Eenrum huur betaald worden. In 1875 wordt het gebouw met een derde lokaal uitgebreid, omdat het te klein geworden is om alle leerlingen te kunnen bevatten. Het in gebruik nemen in 1876 van de vergrote school gaat gepaard met een kinderfeest. Nadat school en kosterij door de gemeente Eenrum zijn aangekocht wordt onmiddellijk begonnen met een verbouw. Gedurende de verbouwingstijd wordt onderwijs gegeven in het catechisatielokaal en in het koor van de kerk.
In 1884 wordt door kerkvoogden en notabelen besloten om het oude armhuis af te breken en op dezelfde plaats een nieuw te bouwen, dat vier kamers zal bevatten. De aanbesteding van dit werk vindt in het volgende jaar plaats.
Hiermee zijn in beknopte vorm de voornaamste bijzonderheden betreffende het kerkgebouw en de daarmede min of meer verband houdende huizen opgesomd. Wij willen nu nog enige ogenblikken stil staan bij Dijksterhuis, het oude rechthuis en de korenmolen.
Wie de borgstee van Dijksterhuis wil bereiken langs de vroegere officiële toegangsweg moet in het Westeind van Pieterburen een sintelpad volgen, dat in noordelijke richting loopt. Na dan achtereenvolgens de ‘kleine poort’ en de ‘grote poort’ gepasseerd te zijn, komt men op het erf van de tegenwoordige boerderij Dijksterhuis, waar vroeger het schathuis (d.w.z. veehuis), het koetshuis en het paardenverblijf van de borg hebben gelegen. De oude schuur dateert ook nog van de glorietijd van Dijksterhuis; opvallend zijn de hoge zijmuren. Over een dam in een brede gracht bereikt men dan een ongeveer vierkant stuk land, waarop de borg gestaan heeft. In plaats van de dam heeft vroeger een brug toegang gegeven tot het huis. Deze brug is voorzien geweest van een fraai smeedijzeren hekwerk, dat absoluut roestvrij is. Dit hek bevindt zich nog op het erf van de boerderij. Het huis ten Dijke, waarvan het oudste gedeelte dateert uit de veertiende eeuw, is een rijzig stenen gebouw, een van de hoogste borgen van onze provincie, hoewel het een betrekkelijk kleine oppervlakte heeft gehad. Op de vroegere buitendijkse ligging is reeds eerder gewezen. De toren, waarop men bij helder weer de zee in wijde omtrek heeft kunnen overzien, en het voorhuis zijn de oudste gedeelten. Het interieur is geheel in overeenstemming met de stand en rijkdom van de bewoners. Bij een in 1785, na de dood van Gerhard Alberda gehouden veiling van een deel van de inboedel, worden als kopers vermeld een groot aantal borgheren uit de omtrek, die graag hun huis willen verfraaien met voorwerpen waarop Unico Allard Alberda geen prijs meer stelt. In 1791, kort nadat Gosen Geurt eigenaar is geworden, vindt een belangrijke verbouwing van de borg plaats. Zoals dit ook bij andere kastelen en deftige huizen vaak wordt aangetroffen, hebben verschillende kamers in Dijksterhuis een naam. Zo vindt men er bijvoorbeeld een officierskamer, moriaanskamer, raadskamer, preceptorskamer, gewelfde kamer, groene kamer en gele kamer. Behalve het huis zelf hebben ook de tuinen en beplantingen de belangstelling van Gosen Geurt Alberda. Hij is genoodzaakt een groot aantal bomen te laten kappen - vandaar de vele houtveilingen bij Dijksterhuis in het begin van de negentiende eeuw – maar hij zorgt steeds onmiddellijk voor nieuwe aanplant. Nu zijn nog slechts enkele oude bomen de laatste getuigen van de prachtige boomgroei, te midden waarvan het huis heeft gestaan.
Uit een bewaard gebleven ‘register van het jonge appelhof’ blijkt, dat daar 57 perenbomen en 21 appelbomen hebben gestaan. Hier onder komen de meest verschillende soorten voor. Er is een naamloze perenboom bij, waarvan de vruchten, volgens de samensteller van het register, zwaarder dan twee pond wegen. Na de dood van Gosen Geurt in 1830 wordt de borg publiek verkocht. Zijn zuster, die koopster wordt, vraagt van te voren aan L. D. Broekema te Pieterburen haar een schatting te geven van de waarde van huis en bijbehorende landerijen. Hij voldoet aan dit verzoek, maar voegt er aan toe dat wanneer het land in kleine stukken gepresenteerd zal worden en er daardoor veel liefhebbers zullen zijn, de koopprijs aanzienlijk hoger zal worden dan zijn schatting bedraagt. Zeker tot haar geruststelling eindigt hij zijn brief als volgt:
‘Weten egter de boeren van Pieterburen, dat het jemant ernst is de burg met de landerijen te koopen en in wezen te houden dan zullen zij er, dunkt mij weinig aan doen’.
Zoals gezegd, vermaakt de laatste vrouwe van Dijksterhuis haar bezit aan Gerhard Alberda van Menkema. Een testamentaire voorwaarde is, dat het huis binnen dertig jaar niet mag worden verkocht of afgebroken omdat zij enige zekerheid wil hebben dat het in stand gehouden wordt. Aan de letter van deze bepaling is de hand gehouden, maar helaas is de eigenlijke bedoeling van de erflaatster niet verwezenlijkt. De erfgenamen van Gerhard Alberda besluiten het huis op afbraak te verkopen en ondanks de van verschillende zijden ondernomen pogingen dit te verhinderen, hebben zij gevolg gegeven aan hun voornemen. De borg wordt voor de geringe som van 2475 gulden verkocht aan de molenaar van Eenrum onder voorwaarde dat vanaf 1 september 1903 het huis met de grond gelijk gemaakt moet zijn. Als herinnering is in het Museum van Oudheden Groningen een fraai poortje bewaard gebleven, terwijl het inrijhek met de bekronende vazen is overgebracht naar de borg Menkema te Uithuizen.
In 1882 wordt het oude rechthuis van Pieterburen door de toenmalige eigenaar, S. Lofvers, verkocht. De koper beleeft er niet lang plezier van; twee jaar later wordt het oude huis, waaraan vele historische herinneringen verbonden zijn, door brand verwoest. Op dezelfde plaats, in het oostelijk gedeelte van Pieterburen, schuin tegenover de inrijlaan van ‘Klinckenborg’ wordt een nieuw wit huis opgetrokken, waarin anno 1939 een kruidenierswinkel gevestigd is.
Tot slot van dit hoofdstuk nog het volgende over de molen. Volgens een besluit van Gedeputeerde Staten, staat er te Pieterburen reeds een molen in het jaar 1628. Deze — een standaardmolen — wordt later vervangen door een zes- of achtkanten bovenkruier, die een vlucht van 68 voet heeft. Hij is gebouwd uit hout en riet met een stenen onderstuk en beschikt aanvankelijk over één paar molenstenen. Later wordt hij verbouwd tot koren- en pelmolen; op 22 maart 1846 is hij door brand vernield. Onmiddellijk wordt begonnen met de bouw van een nieuwe koren- en pelmolen - een achtkantige bovenkruier - welke heden ten dage nog steeds dienst doet. Het typische muldershuisje dateert van het jaar 1734.
Dit moet het einde zijn van de geschiedenis van Pieterburen. Dat zij oppervlakkig is, vele leemten telt en dat verschillende belangrijke zaken slechts vluchtig aangestipt zijn, heeft de belangstellende lezer ongetwijfeld al bemerkt. Toch durf ik hopen, dat dit boekje er toe bij zal dragen de interesse voor de geschiedenis van de grond die wij bewonen, te bevorderen, ook bij hen die niet door bijzondere banden verbonden zijn aan het dorp Pieterburen.
P. Biesta
Meer lezen, twee artikels met veel foto's:
De Petruskerk van Pieterburen
De borg Ten Dijke of Dyksterhuis