Wagenborgen, Fam Bronsweg. Paviljoen Rehoboth op het terrein van Groot Bronswijk, 1950-1960.
Collectie gemeente Eemsdelta. GAE0004. RHCGA, Groninger Archieven, Beeldbank Groningen.
Als de dag van gisteren herinner ik het me nog. Bijna elke dag als ik op mijn brommer van Heveskesklooster naar de kweekschool in Winschoten rijdt, en ik bij de driesprong links afsla naar Nieuwolda, staan ze daar lang de weg. Het is een handjevol hopeloze mensen. Voorzover ik mij herinner, zijn het alleen maar mannen. Ze zwaaien lachend naar alle voorbijgangers, soms met beide armen en wapperende slappe handjes. Ze roepen ook lachend, maar verstaan doe ik ze niet. Later kom ik er ook wel met de auto langs. Gevaarlijk dicht staan ze bij de weg, soms ook een paar meter erop. Voorzichtigheid is dan geboden. Niet vergeten: wel even terugzwaaien.
Groot Bronswijk, tot 1960 Vereniging Tot Christelijke Liefdadigheid (TCL) geheten, is een instelling voor gehandicaptenzorg in het dorp Wagenborgen die zich na 1960 omvormt tot psychiatrisch centrum. Het wordt in de volksmond meestal “Wagenborgen” genoemd en in het dorp zelf “de Stichting”. De instelling is actief geweest tussen 1873 en 2006. In 2006 en 2007 zijn bijna alle gebouwen afgebroken. Het terrein van Groot Bronswijk heeft een oppervlakte van 38 hectare en is aangelegd in de sfeer van een landschapspark. In Groot Bronswijk hebben gedurende 130 jaar psychiatrische patiënten, maar ook prostituees, armen en gehandicapten verbleven. Velen zijn door hun familieleden verstoten geweest.

Wagenborgen: het nieuwe paviljoen: behorende tot de psychiatrische inrichting Groot Bronswijk, juni 1930. Bijschriften: Het nieuwe paviljoen van de vereen. "tot christelijke liefdadigheid" te Wagenborgen, dat hedenmiddag in tegenwoordigheid van minister Ruys de Beerenbrouck officiëel is geopend.
De achterzijde van het nieuwe paviljoen te Wagenborgen, dat aan tal van zwakzinnigen een mooie, vriendelijke, gerieflijke verblijfplaats kan geven. Nieuwsblad van het Noorden, 23 juni 1930.
Collectie: Provinciale Groningse Oudheidkundige Commissie, 1173_0112_0032.jpg. RHCGA, Groninger Archieven, Beeldbank Groningen.
Voorgeschiedenis
In de tweede helft van de 19e eeuw worden in Nederland door particulieren veel initiatieven ontplooid voor de opvang van mensen die om wat voor reden dan ook buiten de samenleving dreigen te vallen, zoals armen en zwakkeren. In Groningen ontstaat in die tijd onder invloed van de Groninger Richting en Het Réveil, een nieuwe christelijke stroming die zich richt op een praktische vorm van geloofsbeleving. Deze stroming komt ook naar het Groningse dorp Wagenborgen, waar in 1867 onder leiding van de Ermelose predikant Eliza Frans Malga een christelijke school wordt gesticht. In 1869 wordt onder zijn leiding, geïnspireerd door de Ermelose predikant Hermanus Willem Witteveen, een vergaderzaal gebouwd voor de plaatselijke Vereniging van Evangelisatie. De door de Groninger Richting geïnspireerde preken van Malga beïnvloeden ook de gebroeders Jan en Wolter Brons en hun zus Trijntje Brons. Wanneer Witteveen een Huis van Barmhartigheid laat bouwen, geeft Malga de aanzet tot het stichten van een Huis van Barmhartigheid in Wagenborgen.
Eerste jaren
Leden van de rijke landbouwfamilie Brons (van wie Jan Brons later bekend wordt als oprichter van de Appingedammer Bronsmotorenfabriek) stellen aan Malga hun boerderij buiten het dorp ter beschikking voor het opvangen van de “gestoorden van geest”, een groep die nauwelijks wordt geaccepteerd in de toenmalige samenleving. Nadat zij bijna al hun geld eraan hebben besteed en ook hun hypotheken hebben verbruikt, springt het dorp bij en richt de Vereniging Tot Christelijke Liefdadigheid (afgekort als TCL) op om het particuliere initiatief te ondersteunen. In 1873 verkrijgt deze vereniging bij Koninklijk Besluit de status van rechtspersoonlijkheid. Malga leidt tot 1885 de TCL, die zich ten doel stelt “Het verplegen en verzorgen van idioten en die in ’t algemeen van zoodanige personen aan wie naar het woord van God barmhartigheid moet worden bewezen”.
De TCL blijkt een schot in de roos te zijn. Vanuit alle delen van het land stromen de “armen van geest” toe, zoals de patiënten vaak worden aangeduid naar analogie van de eerste Zaligspreking uit de Bergrede van Jezus; “Zalig de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der Hemelen” (Mat 5: 3). Deze tekst valt dan terug te zien op vele graven van vroegere patiënten van de TCL. Overigens komen er niet alleen idioten (verstandelijk gehandicapten) terecht, maar ook allerlei andere personen, zoals door tijdgenoten genoemd, lammen en kreupelen, blinden, doven, stommen, doofstommen, spastici, zwakzinnigen en krankzinnigen (beiden verzamelbenamingen voor verstandelijk gehandicapten), chronisch alcoholisten, toevallijders, zenuwlijders, lammen met waterhoofden, uitgestotenen, a-socialen en onmaatschappelijken.

Wagenborgen: psychiatrische inrichting Groot Bronswijk. Het gebouw Eben Haëzer,
vervaardiger M.A. Douma, 1973. Collectie Groninger archieven, 818_16505.jpg.
RHCGA, Groninger Archieven, Beeldbank Groningen.
De boerderij wordt te klein
Al snel blijkt de boerderij te klein voor de opvang van al deze mensen en in 1874 wordt met financiële steun een eerste, echt Huis van Barmhartigheid of paviljoen gebouwd; vrouwenhuis Bethel (“Huis van God”). In 1885 vertrekt Malga om zijn evangelisatie voort te zetten in de stad Groningen. Hij wordt als geneesheer-directeur opgevolgd door Karel Willem Hendrik Magendans, die ook directeur is van de christelijke school van Wagenborgen en die de TCL leidt tot 1925. Hij weet met name het gereformeerde volksdeel te interesseren voor de TCL. In 1886 treedt hij onder invloed van de Doleantie samen met de familie Brons en de school toe tot de gereformeerde kerk, waarmee de TCL ook een duidelijke gereformeerde signatuur krijgt. De TCL gaat daarmee een gouden tijd tegemoet. Magendans weet de gereformeerden te bewegen tot het verrichten van vrijwilligerswerk en tot het doen van schenkingen. Via contributie van betalende leden, geld uit renteloze aandelen, erfenissen, legaten en geld voor verpleegwerkzaamheden krijgt de TLC een veel sterkere financiële positie dan in de eerste jaren tussen 1874 en 1885, wanneer er weinig geld is en het onderhoud aan het gebouw te wensen overlaat.
Uitbreiding
In de daar op volgende jaren wordt de TCL steeds verder uitgebreid. In 1891 wordt paviljoen en mannenhuis Eben-Haëzer (“De Heer is mijn hulp”) geopend. Omdat het aantal graven op het dorpskerkhof bestemd voor patiënten van de TCL zijn limiet heeft bereikt, wordt voor hen de “grote begraafplaats” aangelegd. Deze blijft tot 1966 in gebruik. Daarna worden de patiënten weer op de dorpsbegraafplaats begraven. In de buurt van het verenigingsgebouw van de TCL wordt een apart begraafplaatsje aangelegd voor leidinggevenden en voor leden van de familie Brons. In de jaren erop verrijzen op het terrein voorzieningen als een bakkerij, boerderij, kerk, keuken, slagerij, smederij, schoenmakerij, timmerwinkel, tuinderij, wasserette en een ziekenzaal, waarmee de TCL grotendeels zelfvoorzienend wordt en een dorp binnen een dorp.

Wagenborgen: psychiatrische inrichting Groot-Bronswijk: gebouw Bethel.
Vervaardiger: M.A. Douma, 1973. Collectie Groninger Archieven. RHCGA, Groninger Archieven, Beeldbank Groningen.
Christelijke idealen en de medische wetenschap
In de eerste decennia is de TCL grotendeels een instelling van christelijke barmhartigheid geweest, waar medische inzichten er weinig toe doen. Als echter de zwakzinnigenzorg vooruitgang boekt, komen ook geneeskundige staatsinspecteurs naar Wagenborgen. In 1893 klagen zij dat Magendans onvoldoende kennis heeft van de eisen die de wet stelt aan instellingen als de TCL. Ze zijn ook niet te spreken over het feit dat er 20 (voor de wet) “ongeneeslijke krankzinnigen” rondlopen tussen de andere patiënten; zij dienen te worden afgezonderd. De TCL kan hier niet onderuit. Met een flinke financiële bijdrage van een freule wordt voor deze patiënten vervolgens in 1895 ‘idiotenpaviljoen’ Bethesda (Huis der Goedgunstigheid) gebouwd. Daarmee is de kous echter niet af. Na vele staatsinspecties en veroordelingen wordt uiteindelijk ingestemd met verbeteringen als het vervangen van de machtige ‘vaders’ en ‘moeders’ van de paviljoens door wel gediplomeerde hoofdverpleegsters. Personeel dient voortaan een opleiding te hebben genoten voordat men aan het werk mag op de TCL en de verzorging wordt verder op hoger peil gebracht door het verbeteren van hygiëne (minimaal een keer per week gewassen, vaker schone kleren) en voeding en door het afschaffen van dwangmaatregelen, zoals opsluiting in het kolenhok. Het aantal patiënten stijgt in 1905 tot 250 en in 1917 tot 303. In 1900 wordt paviljoen vrouwenhuis Salem (Huis des Vredes) gebouwd en in 1910 paviljoen mannenhuis Rehoboth (God heeft ruimte gemaakt). Mogelijk al in 1891 verrijst een watertoren bij de TCL, die in 1920 wordt verhoogd en als enige van Nederland een eigen zuiveringsinstallatie heeft. In de jaren zestig wordt een zuiveringsinstallatie gebouwd en verliest de watertoren haar functie. In de jaren na 1920 neemt het aantal patiënten toe tot 1100. In de jaren twintig wordt een Engels landschapspark rond de TCL aangelegd door tuinarchitect Jan Vroom jr. In 1930 wordt een nieuw paviljoen Bethesda gebouwd, met een mannen- en een vrouwenvleugel. Eben Haëzer, dat in 1910 een vrouwenhuis is geworden, wordt hernoemd tot Hebron en het oude Bethesda wordt hernoemd tot Eben Haëzer. Ergens in die periode moet ook het gebouw Zoar zijn gebouwd.

Gezicht op het medisch centrum van Groot Bronswijk. Vervaardiger: Jos Pém 1969.
Uitgever: Boekhandel Kloppenburg. Collectie Eemsdelta, voormalige gemeente Delfzijl.
RHCGA, Groninger Archieven, Beeldbank Groningen.
In het verzet
In 1925 wordt Van Magendans als geneesheer-directeur opgevolgd door journalist W.A. Vroegop, die in 1940 weer wordt opgevolgd door huisarts J. Schaafsma. Tot 1955 is Wagenborgen de enige instelling voor zwakzinnigenzorg in Noord-Nederland. Tijdens de Tweede Wereldoorlog wordt de TCL gebruikt voor onderduikers en andere verzetsactiviteiten. Schaafsma zit ook in het verzet. Op 9 maart 1943 pakken de Duitsers vier joodse patiënten op, die afgevoerd worden naar Sobibor, waar ze worden vergast. In 1990 wordt voor hen een monument geplaatst op het terrein. Bij een razzia op 27 september 1944 wordt de instelling door 300 man van de SD, Wehrmacht en Kriegsmarine omsingeld en wordt er een huiszoeking verricht. Er worden twee verpleegsters zonder ausweis opgepakt. De gehandicapten worden echter ongemoeid gelaten.
“Na onderzoek blijkt het aannemelijk dat ze zijn geslachtofferd om de rest van de mensen in de kliniek met rust te laten. Directeur van de stichting, dokter Schaafsma, speelt hierin een rol. Welke rol is nog steeds onduidelijk. Wel had hij eens in de zoveel tijd contact met de Duitsers in Groningen, en was hij hoofd van het verzet in Wagenborgen. De hele oorlog heeft hij zijn kliniek, en alle 800 patiënten en honderden medewerkers weten te behoeden van de Duitsers. Op vier Joodse patiënten na”[1].

Wagenborgen: Groot-Bronswijk: het Zusterhuis. Vervaardiger: M.A. Douma, 1973.
Collectie: Groninger Archieven. RHCGA, Groninger Archieven, Beeldbank Groningen.
De weggevoerde Joodse patiënten
De inhoud van het koffertje dat de vier Joden mee mogen nemen op transport: 1 paar werkschoenen, 2 paar sokken, 2 stel ondergoed, 2 stel lakens en slopen, 2 hemden, 2 wollen dekens, 1 werkpak, 1 eetgerei, 1 beker, 1 lepel, 2 handdoeken, 3 zakdoeken en 1 pullover[2].
Sinette Henriëtte Stoppelman – 1909-1943
Sinette Henriëtte Stoppelman, roepnaam: Sientje, geboren 20 januari 1909 te Oude Pekela. Dochter van Mozes Stoppelman en Willemina Bargeboer. Beroep van april 1930 tot augustus 1930, dienstbode in Groenlo bij Joodse familie Stoppelman en later op een boerderij bij familie Kuper. Opname Christelijke instelling ‘TCL’ Wagenborgen: 6 augustus 1930, paviljoen Bethel D14, werkzaam in de keuken van Stichting TCL. Kinderen: Hendrik Stoppelman (geboren op 14 oktober 1931), Bernard Stoppelman (geboren op 17 juli 1940). Overleden: omgebracht in de gaskamers van Sobibor, Polen, op 13 maart 1943 op 35 jarige leeftijd.
Betje Stoppelman – 1895-1943
Betje Stoppelman, roepnaam: Betje, geboortedatum 24 juli 1895, geboorteplaats: Winschoten. Dochter van Mozes Stoppelman en Willemina Bargeboer. Beroep niet bekend. Kinderen: 1e levenloos kind (geboren op 2 juni 1922) door vader Mozes aangegeven op 25 juli 1922, gemeentehuis Oude Pekela. 2e levenloos kind (geboren op 23 november 1924) door vader Mozes aangegeven op 24 november 1924, Gemeentehuis Oude Pekela. Hendrik Stoppelman (geboren op 12 september 1927). Opname Christelijke Inrichting ‘TCL’ Wagenborgen: 6 augustus 1930, paviljoen Salem. Werkzaam in de Keuken en Wasserij van Stichting TCL. Overleden: omgebracht in de gaskamers van Sobibor (Polen) op 13 maart 1943 op 47 jarige leeftijd.
Haar vader Mozes Stoppelman is lid van het familieorkest Stoppelman, in die jaren een bekend orkest voor danspartijen en feesten in Oost-Groningen. Betje heeft in Oude Pekela bekend gestaan als een ‘jongensgek’. Ze krijgt dan ook zowel in 1922 als in 1924 een levenloos geboren kindje. Van wie ze zwanger is geraakt, is altijd onbekend gebleven. De gemeenschap moet haar niet en ze ontvlucht Oude Pekela. Na een tijdje doorgebracht te hebben in Groningen, komt ze op 9 april 1930 wonen in het vrouwenpaviljoen Salem te Wagenborgen. We weten niet hoe haar leven daar is geweest. Op 16 december 1941 moet ze zich registreren als Jood en krijgt ze persoonsbewijs nr. 30477. In de kaartenbak van de burgerlijke stand staat op 9 maart 1943: ‘vow’, hetgeen betekent ‘vertrokken onbekend waarheen’[3].
Heintje Levi – 1890-1943
Heintje Levi, roepnaam Heintje, geboortedatum 7 juni 1890, geboorteplaats Groningen. Dochter van Jozeph Levi en Rika Leverpoll. Beroep onbekend. Kinderen Jozef Levi (geboren op 8 mei 1914). Opname Christelijke inrichting ‘TCL’ Wagenborgen: 31 januari 1942, paviljoen Eben Haëzer. Opname (overplaatsing) Joodse inrichting ‘Het Apeldoornsche Bosch’, 16 juli 1942. Opname (overplaatsing) Christelijke inrichting ‘TCL’ Wagenborgen, 22 januari 1943. Extra informatie: opvallend is dat Heintje met haar opname in TCL te Wagenborgen niet is ingeschreven in de Burgerlijke stand van de toenmalige gemeente Termunten. Overleden, omgebracht in de gaskamers van Sobibor (Polen) op 13 maart 1943 op 52 jarige leeftijd.
Rond Heintje Levie hangt een enorm mysterie. Ze wordt geboren als negende kind in een Gronings gezin. Een deel van haar leven brengt ze door in de Joodse psychiatrische inrichting Het Apeldoornsche Bosch in Apeldoorn. In de nacht van 21 op 22 januari 1943 worden bij een razzia alle patiënten en het personeel van het Apeldoomsche Bosch op de trein gezet naar Auschwitz, waar ze vergast worden. Heintje Levie ontspringt de dans. Haar naam duikt in het voorjaar van 1943 ineens op in Wagenborgen. Onduidelijk is of ze door een verpleegkundige is meegenomen. of dat ze ten tijde van de razzia op familiebezoek in Groningen is[4].
Heiman Aptroot – 1924-1943
Heiman Aptroot, Roepnaam Heiman, geboortedatum 1 augustus 1924, geboorteplaats: Hoogezand. Zoon van Bernard Aptroot en Margaretha van Delft. Opname Joodse inrichting ‘Het Apeldoornsche Bosch’ Apeldoorn: 18 november 1929. Opname (overplaatsing) Christelijke inrichting ‘TCL’ Wagenborgen 3 maart 1931, Heiman is dan 6 jaar oud. Paviljoen Rehoboth. Overige informatie: Heiman schijnt, aldus een verpleegster, een druk mannetje geweest te zijn. Met een boterham in de hand als afleiding hebben de zusters hem kunnen verzorgen. Overleden: tijdens de reis van Westerbork naar Sobibor (Polen) op 13 maart 1943 op 19 jarige leeftijd.

Wagenborgen. Watertoren op het terrein van Groot Bronswijk. Gebouwd in 1920, afgebroken in 2007. Vervaardiger: P.B. Kramer, 1920-1925. 2138_5636.jpg. RHCGA, Groninger Archieven, Beeldbank Groningen.
Onthulling van het Joodse monument
Op het voormalig terrein van het Psychiatrisch Ziekenhuis Groot Bronswijk te Wagenborgen is op donderdag 4 mei 1990 om 11:00 een Joods monument onthuld, ter nagedachtenis aan de vier Joodse bewoners die tijdens de Tweede Wereldoorlog, begin maart 1943, zijn afgevoerd via Westerbork naar Sobibor in Polen en daar om het leven zijn gebracht. Tijdens de plechtigheid is een korte toespraak uitgesproken en zijn bloemen gelegd door een vertegenwoordiging van GGZ Groningen en door een leerlingen-delegatie van de beide scholen uit het dorp Wagenborgen. Na een moment van stilte en passende muziek heeft de onthulling van het monument plaats gevonden.
Vervolgens is er voor de genodigden en belangstellenden gelegenheid geweest om na te praten in het gebouw De Open Poort naast de Ned. Herv. Kerk.
De plaatsing van het monument is een initiatief geweest van de Commissie Historisch Erfgoed Groot Bronswijk, die zich langdurig heeft bezig gehouden met het inventariseren van het erfgoed, met als doel het vele materiaal te inventariseren, te behouden en toegankelijk te maken voor een breed publiek. Dit alles in het kader van de definitieve sluiting van het instituut.
Het monument dat op 4 mei is onthuld, is eerder als muurplaquette bevestigd bij de ingang van de Boerderij, het ontmoetingscentrum van Groot Bronswijk. Op 25 april 1990 is het door Rabbijn Everts met Joodse rituelen onthuld. In de jaren daarna wordt het een ‘vergeten monument’.
Anne Koopmans, jarenlang werkzaam geweest op Groot Bronswijk en lid van de Commissie Historisch Erfgoed, heeft zich met name het lot van de maquette aangetrokken en is één van de drijvende krachten om te komen tot een ‘waardig monument’, onttrokken aan de vergetelheid. Na een vrij langdurig historisch onderzoek, met hulp van archivaris Els Kramer uit Groningen, heeft hij de vier namen van deze Joodse bewoners weer een gezicht willen geven door hun persoonlijke geschiedenis te beschrijven. Er is van zijn hand een boekwerkje verschenen met daarin de geschiedenis van de zusjes Betje en Sientje Stoppelman, Heintje Levie en Heiman Aptroot.
Voormalig directeur Jan Rijpkema spreekt op diezelfde 25 april 1990 de woorden: ‘het wegvoeren van de Joden was een gebeurtenis die lange tijd collectief door zowel bewoners als medewerkers van het ziekenhuis is verzwegen’.
Met dit monument en het te verschijnen boekje is het ‘verzwijgen’ definitief voorbij.
De Raad van Bestuur van GGz Groningen heeft besloten het monument en het naastliggende kerkhof, waar de familie Brons, oprichters van Groot Bronswijk begraven liggen, voor de toekomst goed te beheren. Peter Smulders, de laatste directeur van het ziekenhuis heeft hierin ook een zeer belangrijke rol gespeeld.
Het dorp Wagenborgen krijgt er een monument bij dat blijvend geadopteerd zal blijven door leerlingen van beide scholen. En gelijkertijd een plek om de vier ‘Groot Bronswijk Joden’ waardig te blijven gedenken[5].

Wagenborgen: het nieuwe paviljoen: behorende tot de psychiatrische inrichting Groot Bronswijk, juni 1930. Bijschriften: Het nieuwe paviljoen van de vereen. "tot christelijke liefdadigheid" te Wagenborgen, dat hedenmiddag in tegenwoordigheid van minister Ruys de Beerenbrouck officiëel is geopend.
De achterzijde van het nieuwe paviljoen te Wagenborgen, dat aan tal van zwakzinnigen een mooie, vriendelijke, gerieflijke verblijfplaats kan geven. Nieuwsblad van het Noorden, 23 juni 1930.
Collectie: Provinciale Groningse Oudheidkundige Commissie, 1173_0112_0032.jpg. RHCGA, Groninger Archieven, Beeldbank Groningen.
Beginperiode van Groot Bronswijk
In de jaren na de Tweede Wereldoorlog daalt het aantal patiënten tot ongeveer 800. Langzamerhand veranderen ook de behandelmethodes. In 1960, na een aantal jaren van moderniseringen aan de paviljoens, wordt huisarts Schaafsma als geneesheer-directeur opgevolgd door zenuwarts A.W. Verhoog. Er breekt een nieuwe periode van verpleging aan, die gepaard gaat met een naamsverandering: in 1960 wordt de TCL ter ere van de oprichters omgedoopt in Groot Bronswijk,. De TCL blijft als stichting nog bestaan tot 1997 en is in die periode onder meer betrokken bij het opstarten van zwakzinnigeninrichting Nieuw Woelwijck bij Sappemeer en geriatrisch verpleegtehuis Vliethoven bij Delfzijl. Onder leiding van Verhoog wordt het aantal patiënten geleidelijk teruggebracht tot 700. In 1971 verrijzen er een nieuw paviljoen Bethel (ter vervanging van het oude Bethel, dat in 1960 op afbraak verkocht is) en Hebron. De christelijke achtergrond verdwijnt steeds meer naar de achtergrond, hetgeen terug te zien is in de namen van nieuwe afdelingen, zoals De Burcht (jaren zeventig), De Sluis (resocialisatie), De Brug (klinische gedragstherapie), De Wilg (kortdurende individueel gerichte vervolgbehandeling), De Wende en Tamarinde. Verder verrijzen er onder andere een opnamekliniek, observatiecentrum (in 1968), personeelsflat, arbeidstherapiegebouw, opleidingscentrum en een theehuis (anex linnenkamer).
Brand in Salem
Een traumatisch gebeuren voor de bewoners van Wagenborgen en omgeving vormt een felle brand die op 24 oktober 1970 woongebouw Salem van Groot Bronswijk in de as legt. Hoewel de bedrijfsbrandweer en de brandweerkorpsen van omliggende gemeenten geholpen door dorpelingen massaal uitrukken, kan men niet voorkomen dat van de 119 vrouwelijke patiënten er 16 om het leven komen. Het vuur wordt mede snel verspreid doordat de voorkeur wordt gegeven aan snelle evacuatie boven het doven van het vuur. Doordat alle deuren tegen elkaar worden opengezet, kan het vuur zich snel verspreiden. Veel patiënten rennen in dolle paniek naar boven of kruipen in kasten of onder bedden. 32 van hen kunnen worden gered, maar voor 7 van hen komt de hulp te laat. 24 anderen raken gewond, waarvan 9 later alsnog overlijden. Later blijkt dat het vuur met lucifers is aangestoken door een jeugdige patiënte, die als reden opgeeft “ook weleens op vakantie” te willen. Nadat drie maanden later, op 2 februari 1971, nog eens 13 patiënten overlijden tijdens een brand in de gesloten verpleeginrichting Mariënkamp in Rolde, worden Kamervragen gesteld en komt een discussie op gang over de brandveiligheid van de oude gebouwen. Daarop worden maatregelen genomen om dergelijke rampen in de toekomst te kunnen voorkomen[6].

Wagenborgen: Groot-Bronswijk : een gewonde wordt in veiligheid gebracht bij de brand in het paviljoen Salem. Betreft de brand in de nacht van zaterdag 24 op zondag 25 oktober 1970.
Bij de brand kwamen 16 verpleegden om het leven. De brand werd bestreden door de korpsen van Termunten, Delfzijl, Midwolda, Nieuwolda en Winschoten.
Totaal werden 22 stralen lagedruk en 3 stralen hogedruk ingezet.
Vervaardiger: Persfotobureau D. van der Veen, 25 oktober 1970.
Gepubliceerd in Groninger Gezinsbode. Groninger Archieven. RHCGA, Groninger Archieven, Beeldbank Groningen.
Jaren zeventig en tachtig
Van 1973 tot 1979 komt Groot Bronswijk meermalen negatief in het nieuws door conflicten tussen de leiding en het personeel over het te volgen beleid. Er is ook te weinig gekwalificeerd personeel en het aantal patiënten daalt snel. In 1974 wordt dr. A.W. Verhoog opgevolgd door P.N. Houx. In 1977 verklaart hij dat Wagenborgen nog altijd meer een opvangcentrum is dan een psychiatrisch ziekenhuis; de aanduiding waarmee de instelling zich sinds 1960 tooit. Na een zoveelste fluistercampagne over de instelling, over het verlenen van hulp bij masturbatie aan patiënten door verplegers, neemt hij dat jaar ontslag. Hij wordt opgevolgd door waarnemend directeur Frits von Meijenfeldt (tevens lid Eerste Kamer voor de CDA), die de interne structuur verbetert en werkt aan een betere scheiding van de patiënten en het vergroten van hun privacy. Tussen 1979 en 1981 worden paviljoen Salem en een aantal leegstaande stafwoningen verbouwd tot aparte wooneenheden en in 1981 komt De Brink gereed; zes wooneenheden voor verstandelijk gehandicapten. Het gebrek aan beleid in de jaren ervoor heeft Groot Bronswijk echter geen goed gedaan en begin jaren tachtig moet het complex van de 410 bedden 175 inleveren. Om de toekomst beter tegemoet te kunnen treden, wordt de samenwerking verbeterd met Delfzicht (Delfzijl), het St.-Lucasziekenhuis (Winschoten) en met Vliethoven (Delfzijl). In 1982 wordt Von Meijenfeldt opgevolgd door een tweekoppige directie: psychiater J. Rijpkema, die daarvoor reeds adjunct-directeur is, wordt psychiatrisch directeur (tot midden jaren negentig) en er komt een algemeen directeur. In 1988 wordt Peter Smulders aangesteld als algemeen directeur. Hij blijft dit tot het einde toe.[7].

Stichting T.C.L. "Hebron", Wagenborgen. Groot Bronswijk: paviljoen Hebron Stichting T.C.L.
Uitgever: J. Prenger, 1949, nr. 1149. 1986_18680.jpg. RHCGA, Groninger Archieven, Beeldbank Groningen.
Laatste jaren van Groot Bronswijk
In 1992 wordt besloten om Groot Bronswijk op te laten gaan in een samenwerkingsverband met het psychiatrisch ziekenhuis in Zuidlaren, GGZ Groningen en het Academisch Ziekenhuis Groningen. Van de resterende 400 patiënten worden er 320 ondergebracht in instellingen in Delfzijl, Winschoten en Stadskanaal. Groot Bronswijk wordt daarmee opgeheven: Het ligt volgens directeur Smulders te afgelegen, en door voortschrijdend inzicht en medische en maatschappelijke ontwikkelingen wordt het niet langer noodzakelijk gevonden patiënten onder te brengen in kolossale gebouwen zoals in Wagenborgen. Het duurt echter nog 14 jaar voor de laatste patiënt is vertrokken.
In 1993 komt Groot Bronswijk in het nieuws wanneer patiënt B. Potze door vier mannen, waarvan hij er aan een nog geld schuldig is, wordt gemarteld en vervolgens voor dood wordt achtergelaten in een bushokje,. De initiator van het viertal wordt in 1994 veroordeeld tot 5 jaar cel met TBS en de overigen tot straffen van 2,5 jaar, 2 jaar en 1 jaar. Het voorval veroorzaakt destijds veel opschudding onder patiënten en personeel.
In 2002 koopt Woonzorg Nederland het terrein van GGZ Groningen. Woonzorg komt daarop met een plan voor 80 luxe ouderenwoningen op het terrein van Groot Bronswijk met een ontspanningscentrum, zwembad, grand café en sportvoorzieningen. In 2005 wordt dit plan vervangen door een plan voor 50 seniorenwoningen. De provincie blokkeert dit besluit echter, omdat het contingent woningen voor de gemeente Delfzijl niet toereikend is. Ondertussen vertrekken de patiënten en komen de gebouwen leeg te staan. Omdat het terrein vrij toegankelijk is, hebben vandalen vrij spel in de leegstaande gebouwen. Woonzorg probeert nog anti-krakers in de gebouwen onder te brengen, maar dit komt niet van de grond. Nadat de laatste patiënten van De Zijlen in november 2006 naar het Solwerderhuis in Appingedam (Woonvorm Appingedam) zijn vertrokken, wordt dan ook snel werk gemaakt van de sloop. In 2007 gaat als laatste de watertoren plat. Doordat Woonzorg haar plannen niet kan verwezenlijken, raakt de herontwikkeling van het terrein in een impasse. Er wordt nauwelijks nog onderhoud verricht aan het terrein, dat zienderogen verloedert. Van de gebouwen blijven alleen de beide hoofdgebouwen en de boerderij (verbouwd tot sportschool) bewaard. Een van beide hoofdgebouwen staat echter nog steeds leeg en is sindsdien verpauperd. In de huisjes van De Brink is nog een korte tijd een herberg gevestigd, maar na een conflict wordt ook deze herberg gesloten en worden de gebouwtjes gesloopt. Het hertenkampje wordt geteisterd door vandalen. De begraafplaats raakt overwoekerd, totdat vrijwilligers in 2009 het initiatief nemen tot restauratie ervan[8].

Slaapzaal op 27 september 1933. Nieuwsblad van het Noorden.
Latere functies
In 2008 wordt door de gemeente Delfzijl besloten tot de bouw van projecthotel Envilla Wagenborgen op het terrein, voor de huisvesting van ongeveer 1.200 grotendeels buitenlandse werknemers die betrokken zijn bij de bouw van de energiecentrale Magnum van Nuon in de Eemshaven. Veel bewoners zijn het hier niet mee eens. Hun bezwaren tegen de bouwvergunning worden in 2010 echter afgewezen door de Raad van State, waarop de eerste werknemers eind 2010 het projecthotel gaan bewonen. In totaal komen er 1.450 woonunits op het terrein, waarvoor ook ongeveer 170 bomen op het terrein worden gekapt. In 2012 verdwijnt Envilla alweer.
Plannen
In de loop der jaren passeren een aantal plannen voor het terrein de revue. In januari 2015 wordt besloten dat het dorp zelf mag kiezen wat er met het terrein moet gebeuren. De daarvoor opgerichte Stichting Wagenborger Investeringsfonds krijgt dan toestemming om de 500.000 euro die voor de herinrichting van het terrein beschikbaar gesteld is, zelf te besteden. Begin 2016 wordt besloten tot de plaatsing van 6 hectare aan zonnepanelen op een deel van het terrein[9].
Het is niet teveel gezegd, wanneer we stellen dat het dorp Wagenborgen, even ten zuiden van Delfzijl gelegen, zijn bekendheid dankt aan het psychiatrisch ziekenhuis Groot Bronswijk. Inmiddels behoort deze instelling sinds 2004 tot het verleden. Groot Bronswijk past dan niet meer binnen de ontwikkelingen op het gebied van psychiatrische zorg. De paviljoens en de markante watertoren, jarenlang beeldbepalend voor het dorp, zijn gesloopt. Een aantal gebouwen krijgt een andere bestemming of wacht nog op de sloop. Het terrein wordt eigendom van Woonzorg Nederland, die ongetwijfeld een aantal ideeën heeft met betrekking tot de ontwikkelingen van deze locatie.
Voor het dorp betekent het verdwijnen van Groot Bronswijk een behoorlijke aderlating. Velen uit het dorp hebben er werk en de patiënten, voor zover ze zich vrij hebben mogen bewegen, zijn altijd gezien als mededorpelingen[10].
Herinnering aan “De Stichting”, zoals het ziekenhuis in het dorp wordt genoemd, vormen zeker de beide begraafplaatsen op het terrein: het oude gestichtkerkhofje met de graven van de stichters en de grotere begraafplaats, waar met name patiënten, maar ook personeelsleden hun laatste rustplaats vonden. Groter tegenstelling is niet denkbaar, wanneer we zien hoe verzorgd de eerste erbij ligt en hoe verwaarloosd de laatst genoemde. Het is te wensen, dat piëteit en historisch besef leiden tot behoud en zorgvuldig onderhoud ook van deze begraafplaats.
Een burgerinitiatief resulteert in de werkgroep Groot Bronswijk. Deze werkgroep heeft al met vele instanties contact gezocht om te komen tot behoud en onderhoud van de begraafplaats. Het lijkenhuis, nog te zien op oude foto’s, staat er helaas al lang niet meer. Het zou een museaal karakter kunnen hebben gegeven aan deze dodenakker om de herinnering levend te houden aan het bestaan van “De Stichting” in de periode van 1873 tot 2004. Een constructie in staal zou de contouren kunnen aangeven van het lijkenhuis, zoals men bijvoorbeeld heeft gedaan in het Friese Beers om het verdwenen hoofdgebouw van de Uniastate weer te geven of in het Ostfriese Ihlow bij Aurich om het verdwenen Cisterciënzerklooster aan de vergetelheid te ontrukken[11].

Hoogste punt bereikt bij de bouw van dependance 'Groot Bronswijk' in Delfzijl.
Persbureau D. van der Veen, 1973. Collectie: Groninger Archieven. RHCGA,
Groninger Archieven, Beeldbank Groningen.
Het ontstaan van Groot Bronswijk
De ontstaansgeschiedenis van Groot Bronswijk is niet te begrijpen zonder deze te bezien in het licht van de geestelijke en kerkelijke ontwikkelingen van die tijd.
In de 19e eeuw krijgt de zogenaamde Groninger Richting grote invloed in de kerk. Het is een stroming die uitgaat van de Groninger Academie en die een middenpositie wil innemen tussen de orthodoxie en het modernisme. Al gauw schuift zij meer op in vrijzinnige richting. Botsingen op het kerkelijk erf blijven dan ook niet uit, met als bekendste de Afscheiding van 1834 onder leiding van Ds. Hendrik de Cock. In Wagenborgen staat van 8 september 1844 tot 4 november 1872 Ds. Everwienus van der Pers aan het roer, die de Groninger Richting van zijn leermeester Dr. Petrus Hofstede de Groot is toegedaan. Het komt weliswaar niet tot een kerkscheuring maar het kerkelijk leven is er behoorlijk in verval geraakt[12].

Wagenborgen: ingang begraafplaats Groot- Bronswijk.
Vervaardiger: M.A. Douma, 1973. 818_16528.jpg ID: NL-GnGRA_818_16528.
RHCGA, Groninger Archieven, Beeldbank Groningen.
Elisa Frans Malga[13]
De komst in 1864 van Elisa Frans Malga, opgeleid als evangelist door Ds. H.W. Witteveen te Ermelo, luidt een periode in van grote opleving. Ds. Witteveen sticht in 1859, uit onvrede over een aantal zaken in de Hervormde Kerk – inmiddels door het Provinciaal Kerkbestuur uit het ambt gezet- de Zendingsgemeente te Ermelo. Zijn visie op de kerk, haar prediking en de missionaire activiteiten die hij ontplooit, vinden hun oorsprong in het Reveil. Tot die activiteiten zijn onder andere te rekenen het opzetten van opvanghuizen en een zendingsschool voor de opleiding van zendelingen en evangelisten. Aan genoemde school ontvangt Malga zijn opleiding.
Malga’s preken, waarschijnlijk eerst gehouden in de schuur van de herberg waar hij zijn intrek heeft genomen, trekken veel volk. Mede door Malga’s toedoen, komt er in 1867 een christelijke school in het dorp en houdt hij er evangelisatiebijeenkomsten. Om een en ander structuur te geven, wordt de Vereniging van Evangelisatie opgericht, die in 1869 kan beschikken over een perceel grond waarop een vergaderzaal met woning verrijst. Vanaf dat moment vinden de diensten daar plaats. De Vereniging hoopt door haar bijeenkomsten een wending te kunnen geven aan wat zij ziet als verval van en in de plaatselijke kerk. Het blijft niet bij woorden, de boodschap van het Evangelie krijgt ook handen en voeten.
Zeker is dat in al het werk dat Malga verricht, de invloed van Ds. Witteveen groot is geweest. In dezelfde periode immers waarin Ds. Witteveen te Ermelo een Huis van Barmhartigheid opricht, geeft Malga in Wagenborgen de eerste stoot tot het oprichten van de Huizen van Barmhartigheid, het latere Groot Bronswijk. Het eerste Huis van Barmhartigheid in Wagenborgen verwerft op 31 oktober 1873, bij Koninklijk Besluit rechtspersoonlijkheid. Van 1873 tot 1960 is de officiële benaming Vereniging Tot Christelijke Liefdadigheid, waarbij de letters TCL een begrip worden. Pas na 1960 verandert de naam in Groot Bronswijk, met verwijzing uiteraard naar de familie Brons.
Van 1874 tot 1885 heeft Malga de leiding en treedt hij op als adviseur van de familie met wie de geschiedenis van Groot Bronswijk begint.
Geraakt door de preken van Malga overdenken de broers Jan en Wolter en hun zuster Trijntje Brons, allen ongehuwd, in hun boerderij hoe zij zich met wat ze bezitten dienstbaar kunnen maken voor wie zorg nodig hebben. De zorg die men beoogt, zal met name moeten worden besteed aan “gestoorden van geest”, voor wie nauwelijks begrip of plaats is in de toenmalige samenleving. De rode draad door dit alles is zeker de eerste Zaligspreking uit de Bergrede van Jezus: “Zalig de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der hemelen”, Mattheüs 5: 3. Niet voor niets vindt men de tekst vaak aangehaald op grafstenen van patiënten.
De boerderij is al gauw te klein voor het toenemend aantal te verzorgen mensen. Door financiële steun van buitenaf kan gelukkig in 1874 een echt huis worden gebouwd, het eerste Huis van Barmhartigheid. Het krijgt de naam Bethel, Huis van God. De vreugde hierover wordt echter al spoedig overschaduwd door het overlijden van Jan Brons op 12 september 1874, 43 jaar oud.
Hij wordt begraven op de begraafplaats in het dorp, in tegenstelling tot zijn broer Wolter en zijn zuster Trijntje, die hun laatste rustplaats vinden op het terrein van “De Stichting”. Ook financieel en zakelijk doemen er donkere wolken op aan de horizon. Bethel is in een steeds slechtere staat van onderhoud geraakt, terwijl er geen goede regelingen zijn inzake de verpleegprijzen.
Daarnaast is de combinatie van evangelist, overigens in die periode buiten Wagenborgen, en “directeur” van de TCL voor Malga een te zware opgave. In 1885 vertrekt hij met zijn gezin naar de wijk Helpman van de stad Groningen om daar volledig als evangelist werkzaam te kunnen zijn. Tot zijn dood, op 5 januari 1913, is hij in Groningen werkzaam gebleven. Hij wordt bijna 75 jaar oud.

Wagenborgen: begraafplaats Groot-Bronswijk. Vervaardiger: M.A. Douma, 1973.
Collectie Groninger Archieven. RHCGA, Groninger Archieven, Beeldbank Groningen.
Enkele jaren eerder, op 22 december 1910, is zijn echtgenote Hendrikje van Loo op 71-jarige leeftijd overleden. Ze zijn begraven op de Zuiderbegraafplaats te Groningen.Twee zerken naast elkaar dekken de graven van de familie Malga. Doordat de zerken groen zijn uitgeslagen, is de tekst met moeite leesbaar. De linker zerk dekt de graven van drie zoons, de rechter zerk die van het echtpaar Malga en Jan Lubertus Bunt. Laatstgenoemde is blijkbaar liefdevol in het gezin Malga opgenomen, zoals is verwoord in het grafschrift:
van vader en moeder verlaten
door de Heer aangenomen.
Jan Lubertus overlijdt op 23 maart 1906, 23 jaar oud.
Op het graf van Hendrikje lezen we:
zij was velen ten zegen door
woord en daad.
Het graf van Eliza Frans is voorzien van het grafschrift:
na bange lichaamsstrijd
ging hij in het Vaderhuis.
Op 19 september 1886 sterft Johannes Gerardus Hermannus, 19 jaar oud.
In de Heer ontslapen, zoals het op de steen luidt, waarop we ook vinden aangebracht:
hij was zachtmoedig
in zijn leven, en geduldig
in zijn lijden,
getroost in zijn sterven.
Over het sterven van Gerrit lezen we op de steen:
Op Paasmorgen
ging in door lijden tot heerlijkheid.
Hij overlijdt op 5 april 1896, 21 jaar oud.
Johan Joachim is bijna 25 jaar oud, wanneer hij sterft op 2 oktober 1898.
De steen is voorzien van het grafschrift:
door verdrukkingen ingegaan[14].

Impressie van de oude begraafplaats. Bron: onbekend.
Verslag over de laatste oorlogsdagen in 1945 in paviljoen Bethesda
Wat is oorlog? Hier beschrijft Gré Medema haar aangrijpende belevenissen tijdens de laatste oorlogsdagen, de dagen waarin Wagenborgen na moeizame gevechten wordt bevrijd. Als verpleegster maakt ze mee wat de strijd betekent voor patiënten en verpleegsters.
“Op 12 en 13 april trokken veel vluchtende Duitse soldaten door Wagenborgen op weg naar Delfzijl. Wij, de verpleegsters, dachten nu ook spoedig bevrijd te zullen zijn. Maar dat ging echter niet zo gemakkelijk als we gehoopt hadden. In de week van 15 – 22 april werd hier in de omstreken van Wagenborgen nog hevig gevochten. We zagen huizen en boerderijen in vlammen opgaan of door granaten ineen storten. Vanuit Bethesda werd nog hulp verleend voor het afleggen van een door een granaat dodelijk getroffen echtpaar.
Het leslokaal richtten we in als lazaret, als hospitaal, voor de burgerbevolking. Reeds ’s avonds werd de eerste patiënt gebracht. Die overleed de volgende nacht aan de verwondingen. Het was mooi warm weer, maar we moesten onze patiënten binnen houden. Het was buiten te gevaarlijk, de granaten suisden door de lucht.
Er werden maatregelen getroffen om alles zo snel mogelijk onder de vloer te kunnen brengen. Luiken werden vergroot en glijplanken aangebracht. Het gedeelte onder de gangen was het meest veilig. Hier waren banken en stoelen geplaatst en een paar olielampjes opgehangen voor de verlichting. Ook werden aan weerszijden van het huis nooduitgangen in de muur gemaakt. Ondanks al deze goede maatregelen, lokte het verblijf onder de vloer ons niet erg aan; hier huisden ook ratten en muizen. We besloten het zo lang mogelijk boven de vloer vol te houden.
Op zaterdagmiddag 21 april kwam echter de opdracht dat we allen in de kelders moesten, omdat de Engelse tanks in aantocht waren. De patiënten die juist aan tafel zaten, verhuisden we in allerijl naar beneden, al waar de maaltijd zo goed dit ging werd voortgezet. ’s Avonds hebben we ook nog zo goed als mogelijk de invaliden en de zieken die in de gangen waren geplaatst, naar beneden gebracht. Het was voor de zusters een heel werk maar om 22.00 uur was alles zover klaar dat de helft van de zusters tot 2 uur naar bed mochten om daarna de andere zusters af te lossen. De patiënten hielden zich goed op een enkele onrustige na; die moest verwijderd worden. Om de slaap te weren zongen we versjes en lazen voor uit een boek. De patiënten kregen een boterham tegen de honger en werden op een pepermunt getrakteerd. Buiten hoorden we soms dat er werd geschoten, verder was het rustig. Tegen de morgen werden de patiënten erg lastig en besloten wij hen naar bed te brengen. Ze werden eerst gewassen (velen hadden een bad nodig), kregen hun ontbijt en sliepen weldra als rozen.
Om 12 uur werden ze gewekt voor het middagmaal en gingen daarna weer slapen. Wij hadden niet het idee dat het zondag was. Door het hele huis was het een chaos, er lag een laag zand die vanuit de kelder was meegenomen. Er werd de hele dag hard gewerkt. De uren die de zusters anders kregen om naar de kerk te gaan, werden nu gegeven om wat te rusten. Er was een zeer goede verhouding en eensgezindheid. ’s Avonds tussen 7 en 8 hebben zij bij het orgel in de vestibule voor de patiënten gezongen, om hen toch nog wat Zondag te geven. Om half negen kwam er weer een bericht dat we onder de vloer moesten. Sommige zieken werden in de gang gezet, daar het ondoenlijk was om hen allen een plaatsje te geven in de ruimtes onder de vloer. Buiten werd heftig geschoten. Eén granaat kwam terecht op het tuinpad, enige meters naast de jongenszaal. De zusters brachten hun bedden ook naar beneden, maar van slapen kwam die nacht niet veel. Later in de nacht sloeg er een granaat in vlak voor het raam van de zusterziekenkamer. De zieke zusters hadden net op tijd hun kamer verlaten. De bedden lagen vol glasscherven, houtsplinters en steengruis.
Het was een angstige nacht. Vanuit het dorp drongen allerlei geluiden tot ons door. We begrepen dat daar hevig werd gevochten. Op verscheidene plaatsen zagen we grote branden. Tegen de morgen kwam het oorlogsgeweld steeds nader, maar toen wij meenden dat het aan de Stichting toe was, begon het af te nemen. Bij het schemerlicht van de vroege morgen, zagen wij de Duitsers op de vlucht slaan. Welk een verhoring van ons gebed! Grote vreugde vervulde ons hart. Tegen 9 uur kwam hier nog een Duitse militair de weg naar Delfzijl vragen. Wij hebben hem aangeraden zich als krijgsgevangene over te geven. We lieten hem zijn wapens afleggen en brachten hem in een isoleerkamer om hem aan de Tommy’s over te leveren. Ook gingen we de loods achter Bethesda, waar de Duitsers alles hadden achtergelaten, afsluiten. Maar hadden we ons te vroeg verheugd?
Wij hier in Bethesda hadden nog geen Canadees gezien en plotseling tegen 11 uur zagen we weer de hele Stichting bezet door de Duitsers. Reeds drongen er een 30 soldaten bij ons in de vestibule binnen en liepen aan weerskanten de gangen in, waar onze zieken lagen. Dit is voor ons wel het spannendste moment geweest. Immers in de isoleerkamer zat onze krijgsgevangene! Als zij die daar zouden vinden, wat voor gevolgen zou dit hebben? Ook verwachtten we elk ogenblik dat de Canadezen op Bethesda zouden gaan vuren. Er werd reeds hevig geschoten en een granaat sloeg in, vlakbij de uitgang van de vrouwenzaal. Wij konden met veel moeite de soldaten zover terug dringen, zodat één van de zusters ongemerkt onze krijgsgevangene aan de achterzijde van het huis eruit kon laten. Hij had niet veel zin om weer te gaan vechten, maar moest van nood zijn wapens wel weer opnemen.
De zusters zaten bij de patiënten onder de vloer, in angstige spanning over wat er verder zou gaan gebeuren. Wat we van het dorp gezien en gehoord hadden benam ons alle moed. Wij zaten maar in afwachting van wat er boven ons hoofd zou gebeuren. We haalden al onze EHBO-artikelen naar beneden omdat we meenden die wel nodig te zullen hebben. Enkele Duitse gewonden werden naar binnen gedragen en op matrassen in de gang gelegd. Het was erg deze jonge mannen zo te zien lijden. We zagen niet meer de vijand in hen, maar hebben ze zo goed mogelijk geholpen. Een Rode Kruis-vlag werd nog uitgehangen. We hoopten dat de Canadezen ons huis daardoor zouden ontzien.
Heel de middag werd er hevig geschoten en liepen de Duitse soldaten om ons huis. Ze probeerden nog de gaten binnen te dringen die we in de muur hadden aangebracht en die voor de patiënten als nooduitgang dienst moesten doen. Ook hier hebben we hen na veel smeken weer uitgekregen. Van eten kwam die dag weinig. Toch moesten onze patiënten (die zich van geen gevaar bewust waren) wel iets hebben. Zij zaten daar nu al zo lang en werden ongeduldig. Gelukkig waren er enkele zusters die wat erwten op de kamer hadden. Hiervan werd soep gekookt voor zusters en patiënten. ’s Middags kwamen hier mensen uit het dorp heen vluchten. Zij wilden graag een plaatsje in onze kelder hebben. Hierbij was ook de Moeder van zuster Mien Kok. We schrokken erg toen we hoorden dat de heer Kok was gedood. De zusters waren tot nu steeds erg flink en kalm geweest, maar nu gingen ze ook aan hun familie denken. Sommigen raakten geheel van streek en kregen erge huilbuien. Ze kregen een kalmerend middel en werden op een rustig plekje gelegd om wat te slapen. Ze waren oververmoeid. Ook de zieke zusters wisten niet waar ze het moesten zoeken. Onder de vloer de onfrisse lucht van ongeveer 70 idioten en de rare geluiden die deze uitstootten. Kwamen zij echter naar boven, dan het gedreun der kanonnen. Ze waren koortsig, misselijk en nerveus. Deze toestand werkte niet gunstig op hun ziekte.
Tegen de avond werd het weer wat rustiger buiten en hebben we een groot aantal van de zusters naar bed laten gaan om eens flink te slapen. De volgende morgen konden zij gewekt worden met het verheugende bericht dat ze bevrijd waren. Welk een reactie hierop volgde laat zich niet beschrijven. Maar we hebben allereerst God gedankt voor deze wonderbare uitredding. Wij allen, patiënten en personeel waren nog gespaard. Er was ons nog geen létsel overkomen, terwijl het gevaar toch heel dichtbij was geweest. Ook als wij keken naar het terrein van T.C.L. zagen we de gebouwen nog staan en het park met zijn weelde aan bloemen lag te baden in het zonlicht. De zusters popelden om het dorp in te gaan om onze bevrijders te begroeten, maar het werk riep.
Er heerste een opgewekte stemming. Al gauw was ieder met oranje getooid en klonk het Wilhelmus en andere Nederlandse liederen door het gebouw. Graag hadden we direct de patiënten onder de vloer vandaan gehaald, doch dit was niet vertrouwd daar de Duitsers nu vanuit Delfzijl wel op Wagenborgen konden gaan vuren. Onze voorzichtigheid bleek niet overbodig te zijn. Er kwamen in die week nog verschillende granaten in de onmiddellijke nabijheid van Bethesda terecht en één sloeg in het huis waardoor een behoorlijke ravage ontstond. Verder waren er hier heel veel ruiten stuk en werden in de tuin vruchtbomen vernield. Er zijn nog 20 van onze beste patiënten met een paar zusters naar een wat veiliger streek gebracht, maar om al onze patiënten te evacueren was bijna niet te doen. Ook vertrokken de vrouwelijke patiënten van “Dennenoord” weer naar Zuidlaren, behalve Grietje Buma die hier opgenomen is.
Dinsdag 1 mei hebben we onze patiënten, die in 10 dagen geen daglicht hadden gezien, weer boven de grond gehaald. Het was een kolossaal werk om alles weer in orde te krijgen. We hadden ons langzamerhand beneden steeds beter ingericht. Het was er koud en vochtig, zodat we al de matrassen van de patiënten naar beneden hadden gehaald. We hebben ze deze dagen in bed verpleegd. De patiënten hebben er over het algemeen erg van geleden. Ze zien bleek, hoesten of hebben diarree. Velen hebben temperatuurverhoging. Nu met deze koude en natte dagen houden we hen nog maar in bed omdat de dagzalen nog zoveel ruiten missen.
Ook de zusters zijn allen hard aan vakantie toe. Het viel niet mee hele dagen in gebogen houding bij zwakke oliepitjes of kaarslicht onzindelijke patiënten te moeten helpen. Daarbij kwam dat niemand behoorlijke nachtrust kreeg en dan de spanning en emoties. Vrije dagen konden in deze tijd niet worden gegeven. Ook de dames van de naaikamer moesten in de verzorging bijspringen. De was werd dikwijls door de zusters zelf gedaan daar de wasserij stil stond en wij toch linnengoed nodig hadden. Na de bevrijding van Delfzijl, zijn onze Hollandse evacuees weer vertrokken. Dit geeft weer meer ruimte in huis. Onze isoleerkamers doen nu nog dienst als verblijfplaats voor de NSB-ers. De vrouwen helpen hier mee in het huishoudelijk werk. Soms moeten ze eerst geheel gereinigd worden, want onder de luizen. Eerst zou nog een deel van ons huis als hospitaal voor de Canadezen ingericht worden, maar zij verkozen liever een leeg paviljoen. Zodoende is hier alles weer aardig tot het normale teruggekeerd.”[15]

Impressie van de oude begraafplaats. Bron: onbekend.
Over de Begraafplaats 1 van Groot Bronswijk
Er is over de instelling in 2023 een boek geschreven met de titel ‘Na vijftig jaren.
Fragment uit het boek:
“Er is nog iets, dat ik U niet heb aangewezen. En dat is ons Kerkhof. ’t Is een eenvoudige, rustige plek, die stille akker onzer dooden. In October 1892 werd het eerste graf aldaar gedolven en werd het zielloos overschot van Jacob Witlam aan den schoot der aarde toevertrouwd. Die Jacob was een goeie jongen, in zich zelf gekeerd, met weinig lust tot den arbeid en niet vlug van verstand. Hij was uit N. Holland afkomstig. Toen de tegenwoordige Voorzitter van het Bestuur, Eben-Haëzer met enige vrienden bezocht, trok Jacob ook de aandacht. En Jacob was zoo vrij, om hem wat te vragen. ’t Was niet veel bijzonders, slechts een Enkhuizer almanak. En ja, die mijnheer zou er voor zorgen. Niet lang daarna werd Jacob ’s morgens dood op zijn bed gevonden. Twee dagen later kwam de almanak. En sinds dat eerste graf, wat al tientallen graven zijn daar gedolven voor allen wier levenszon hier ondergegaan is. Daar rusten er, wier gedachtenis een droevig beeld voor den geest terug roept!
Daar rusten er ook aan wien we nog steeds met aangenaamheid terugdenken! Daar rusten er, Gode zij lof! ook, over wier laatste rustplaats een liefdelijke toon, ruischend als psalmgezang mocht worden vernomen: ‘Ik ben de opstanding en het leven: die in Mij gelooft, zal leven al ware hij ook gestorven’. Twee grafsteenen duiden de plaatsen aan, waar de eerste pioniers van den arbeid alhier, begraven zijn. Op 30 April 1905 stierf de Heer Wolter H. Brons op 75-jarigen leeftijd, en 19 Mei 1913 volgde hem zijn zuster Mej. Trijntje Brons 78 jaar oud. Ze zijn in Jezus ontslapen en haar gedachtenis zal steeds onder ons in zegening zijn. Ook enkele mijner (Magendans) mede-arbeiders en – arbeidsters in dit gedeelte van des Heeren wijngaard, hebben daar een laatste rustplaats gevonden. En ook heb ik daar mijn volijverige gade in het werk der barmhartigheid, ter laatste sluimering nedergelegd. Hun einde was vrede. Rust zacht, dierbare dooden! totdat de opstandingsmorgen u wekt”.
En:
“Op deze rondwandeling hebben de hooge ijzeren masten op het terrein zeker uwe aandacht getrokken. Deze vervullen een dubbele dienst. Zij dragen de draden voor het electrisch licht en voor den telefoon. In de laatste drie jaren heeft de electrificatie van het terrein en van al de huizen op het terrein plaats gehad, terwijl de telefonische verbinding van het kantoor met de paviljoens in het vorige jaar haar beslag kreeg. Een jaar vroeger was het kantoor aan het intercommunale net aangesloten, onder nummer 3. (Het nummer der postrekening is 14732, postkantoor Delfzijl).”

Monument ter herinnering aan Groot Bronswijk in Wagenborgen (Marte Röling, 2004).
Foto: Harde sjaaal, juni 2011. Licentie: Creative Commons.
Het monument
In 2004 wordt een monument geplaatst aan de ‘Familie Bronsweg’. Het is gemaakt van baksteen en kunststof door Marte Röling. Dit monument herinnert aan het psychiatrisch ziekenhuis Groot Bronswijk dat tussen 1873 en 2006 in deze omgeving heeft gestaan. Het ontwerp symboliseert de standvastigheid waarmee Trijntje Wolter en Jan Brons, de oprichters van het ziekenhuis, hulp en steun hebben gegeven aan hun kwetsbare medemens. Het kunstwerk is een geschenk van de Geestelijke Gezondheidszorg (GGZ) aan de gemeente Delfzijl en het dorp Wagenborgen, als dank voor het samenleven met het psychiatrisch ziekenhuis.

Wagenborgen : begraafplaats Groot-Bronswijk. Vervaardiger: M.A. Douma, 1973.
818_16530.jpg Collectie: Groninger Archieven. RHCGA, Groninger Archieven, Beeldbank Groningen.
Korte samenvatting van de historie van Groot Bronswijk
- De Vereniging Tot Christelijke Liefdadigheid (T.C.L.) is in 1873 gesticht
- In de jaren 20 wordt een Engels landschapspark rondom T.C.L. aangelegd door de tuinarchitect Jan Vroom jr.
-Vanaf 1960 is de naam van de stichting gewijzigd in Groot Bronswijk, dit ter ere van de oprichters
- Het terrein wordt in de volksmond meestal ”Wagenborgen” genoemd en in het dorp zelf ”de Stichting”
- Oppervlakte van het terrein is maar liefst 38 hectare
- De instelling is actief geweest van 1873 tot 2006
- In 1992 is besloten een samenwerkingsverband aan te gaan met het psychiatrisch ziekenhuis GGZ Groningen te Zuidlaren
- In 2002 koopt Woonzorg Nederland het terrein van GGZ Groningen
- De nog resterende cliënten worden ondergebracht in Delfzijl, Winschoten en Stadskanaal
- In 2007 zijn bijna alle gebouwen afgebroken; alleen de twee Hoofdgebouwen en de Boerderij hebben aan de sloop weten te ontsnappen
- Er wordt nauwelijks nog onderhoud verricht aan het terrein dat zienderogen verloedert
- In 2009 nemen een aantal vrijwilligers het initiatief om de begraafplaats te restaureren
Belangrijke personen van Groot Bronswijk
1873 – 1885 – E.F. Malga
Eliza Frans Malga is geboren op 21 november 1838 te Nijkerk en getrouwd op 16 mei 1866 te Ermelo met Hendrikje van Loo geboren 5 augustus 1839 te Ermelo, overleden 22 december 1910. Malga zelf is overleden 6 januari 1913 te Groningen. Malga is een neef van Ds. Witteveen uit Ermelo.
In 1864 komt zendeling Eliza Frans Malga vanuit Ermelo naar Wagenborgen. Malga vindt een gewillig oor bij de gemeente van Wagenborgen die is uitgekeken op de ‘geesteloze preken’ van hun eigen dominee. Onder de kerkgangers bevinden zich zowel timmerman Jan Brons, die later de Brons motorenfabriek in Appingedam opricht, als zijn naamgenoten Wolter, Jan en Trijntje Brons, die alle drie ongetrouwd op de boerderij van hun ouders wonen. Deze laatste drie besluiten dat het hun christelijke plicht is om hun medemens te helpen en bieden hun boerderij aan als Huis van Barmhartigheid voor de ‘armen van geest’. Op 1 mei 1873 komen de eerste ‘verpleegden’ op de boerderij, al snel gevolgd door anderen. Voor een goede organisatie wordt op 31 oktober 1873 de Vereniging tot Christelijke Liefdadigheid (TCL) opgericht. Malga wordt directeur, de gezinsleden Brons dragen alles wat zij bezitten, boerderij, land en bezittingen over aan TCL en stellen ook zichzelf volledig ter beschikking voor de opvang van de behoeftigen.
Deze melden zich en een eerste uitbreiding van de boerderij wordt voorzien, maar als een gunstige lening wordt aangeboden, komt er een apart gebouw: ‘Bethel’ (Huis van God). Helaas overlijdt broer Jan voordat het gebouw in 1874 klaar is. Zijn taak als bedrijfsleider van de boerderij wordt vakkundig overgenomen door boer Uuldershof. Uit de eerste periode van TCL is heel weinig bekend, doordat de administratie per ongeluk met andere papieren is verbrand. Als Malga in 1885 vertrekt, wordt secretaris Magendans, hoofd der Christelijke school, na wat wisseling van de wacht in 1887 directeur.

De directeur van het hoofdpersoneel in 1923. Bron: Lentis.
1885 – 1925 – K.W.H. Magendans
Willem Karel Hendrik Magendans, geboren: 7 december 1844, getrouwd 16 juli 1873 met Antoinette Johanna Harmsen, geboren: 14 januari 1854, overleden: 6 mei 1918. Zijn functie is secretaris en directeur T.C.L. (Groot Bronswijk). Hij is overleden op 27 januari 1931.

De directeur van het hulppersoneel in 1923. Bron: Lentis.
1925 – 1940 – W.A. Vroegop
Hij is directeur van de Huizen van Barmhartigheid te Wagenborgen geweest.
Magendans wordt, met een patiëntenbestand van 322, opgevolgd door de gereformeerde W.A. Vroegop. Deze weet ‘De Stichting’ door de magere jaren te loodsen, opent het zesde gebouw en voert vernieuwingen door. Het complex is vrijwel zelfvoorzienend met een boerderij, slagerij, bakkerij, smederij, wasserij, timmerwerkplaats, enzovoort. Ook worden er werkplaatsen ingericht voor arbeidstherapie. Hij neemt echter na onenigheden ontslag in februari 1939. In 1940 breekt er een geheel nieuwe periode aan met geneesheer-directeur Schaafsma en de Tweede Wereldoorlog. De tijd is voorbij dat van uit barmhartigheid vrijwel iedereen wordt toegelaten, ongeacht zijn of haar probleem. De professionele zorg doet zijn intrede.
1940 – 1960 – dr. K.J. Schaafsma
Op 20 juni 1940 wordt hij geïnstalleerd als geneesheer-directeur van de huizen van barmhartigheid van de Vereniging ‘Tot Christelijke Liefdadigheid’ te Wagenborgen. Daarbij zijn familie, bestuur, personeel en genodigden aanwezig.
1960 – 1974 – dr. A.W. Verhoog
In juni 1960 neemt Schaafsma afscheid en wordt hij opgevolgd door dr. A.W. Verhoog. In de 20 jaar dat Schaafsma aan het roer staat, zijn er veel verbeteringen aangebracht.

Afscheid van geneesheer-directeur A.W. Verhoog van psychiatrisch centrum Groot Bronswijk te
Wagenborgen. Vervaardiger: Persfotobureau D. van der Veen, 1976.
Collectie: Groninger Archieven. RHCGA,
Groninger Archieven, Beeldbank Groningen.
1974 – 1977 – P.N. Houx
1977 – 1982 – F. von Meijenfeldt
Vanaf 1982 een 2-koppige directie:
1982 – 19?? – J. Rijpkema, psychiater en adjunct directeur
1982 – 2006 – P. Smulders, algemeen directeur. Smulders blijft, na de fusie met GGZ Groningen, aan als lid van Raad van Bestuur tot aan zijn pensioen in 2005.
De oprichters
1873 – 1874 – Jan Hindriks Brons
Jan Hindriks Brons is de zoon van Hindrik Wessels Brons en Albertje Wolters Toornman. Hij is geboren op 9 juli 1831 en is mede oprichter en timmerman T.C.L. (Groot Bronswijk). Hij is overleden op 12 september 1874.
1873 – 1913 – Trijntje Brons
Trijntje Brons is een dochter van Hindrik Wessels Brons en Albertje Wolters Toornman. Ze wordt geboren op 11 mei 1836 en is mede oprichter T.C.L. (Groot Bronswijk). Zij overlijdt op 19 mei 1913.
1873 – 1905 – Wolter Hindriks Brons
Wolter Hindriks Brons is een zoon van Hindrik Wessels Brons en Albertje Wolters Toornman. Hij is geboren op 13 mei 1830 en is mede oprichter T.C.L. (Groot Bronswijk). Hij is Ridder in de Orde van Oranje-Nassau en is 75 jaar oud geworden als hij op 30 april 1905 komt te overlijden.
|