Door Yeb Boersma, januari 2016 op het forum van Nifterlaca.

Het getal 18 (in deze tekst. Red.) verwijst naar hoofdstuk 18 uit een door mij (Yeb Boersma. Red.) op schrift gesteld verslag van mijn zoektocht naar de geschiedenis van het Friese volk. Onderstaande tekst is een ingekorte weergave van dit hoofdstuk 18. De in de tekst tussen haakjes geplaatste verwijzingen (zie …..) verwijzen naar andere hoofdstukken in het verslag.

 

Inleiding

Er bestaan bij de Friezen twee mythes die in verband worden gebracht met een verplaatsing van het Friese volk of een deel ervan. De eerste betreft de onwaarschijnlijke, en daarom niet geloofde, afkomst van de Friezen uit India. De tweede betreft het minder onwaarschijnlijke, maar ook niet geloofde, verhaal van een verhuizing van een deel van de Friezen naar Zwitserland. Er bestaat echter nog een derde mythe waarin sprake is van een verplaatsing van het Friese volk en dat is 'De sage van Karel en Redbad'.

 

In het boek 'Asega (0), is het dingtijd?' wordt in de toelichting op 'De Overkeuren', de aankomst van de Friezen in de Zeven Zeelanden, in plaats van aan 'De sage van Karel en Redbad' aan de mythe over 'De afkomst van de Friezen uit India' gekoppeld. 1 Omdat volgens de laatste de Friezen in 313 v.Chr. vanuit India in hun nieuwe woongebied zijn aangekomen en Karel en Redbad meer dan 1000 jaar later leefden, lijkt dit geen juiste koppeling.

 

In dit hoofdstuk worden 'De sage van Karel en Redbad' en andere teksten uit 'Asega, is het dingtijd?', waarin eveneens sprake is van een verhuizing, onderzocht en in verband met elkaar gelezen. Van deze teksten is 'De sage van Karel en Redbad' de centrale tekst waar de anderen omheen cirkelen.

 

18.1 De sage van Karel en Redbad

'De sage van Karel en Redbad' is net als het verhaal over 'De afkomst van de Friezen uit India' en het verhaal over een 'Nederzetting of volksplanting van de Friezen in Zwitserland' een zogenaamde historische sage. Dit wil zeggen dat deze teksten betiteld kunnen worden als verzonnen verhalen, waarin een kern van waarheid schuilt. Van 'De sage van Karel en Redbad' moet dan ook worden uitgezocht wat de 'verborgen' of anders gezegd, 'geheim gehouden', waarheid is.

 

'De sage van Karel en Redbad' bestaat uit minder dan vijftig, soms zeer korte, magisch aandoende zinnen waarin wordt uitgelegd hoe door een mysterieus ingrijpen van God Zelf het Friese volk op wonderbaarlijke wijze behouden bleef. Het is zo buitengewoon en kunstig in elkaar gezet dat men niet kan begrijpen wat er in verteld wordt wanneer men de achtergrond van het verhaal niet kent. Wanneer die wel gekend is wordt duidelijk dat het een van de apartste verhalen betreft die in middeleeuwen zijn voortgebracht. Hier volgt de uitleg van 'De sage van Karel en Redbad'.

 

18.2 Een verzonnen verhaal met een kern van waarheid

Het gaat in 'De sage van Karel en Redbad' duidelijk om een historisch verslag, maar het begint met een op het eerste gezicht onschuldig verhaaltje over Redbad en Karel dat zich in werkelijkheid nooit afgespeeld kan hebben want Redbad was allang dood toen Karel nog geboren moest worden. Redbad stierf in 719 en Karel werd geboren in 747 of 748. Het lijkt er dan ook op dat het onhistorische hier nodig is om een waarheid uit te spreken die niet onder woorden te brengen was, want wat in de sage verteld wordt is in werkelijkheid niet gebeurd zoals het er staat. De sage is met opzet zo in elkaar gezet dat men niet kan weten wat er werkelijk gebeurd is. Dit verhaal kan dan ook alleen maar goed begrepen en uitgelegd worden wanneer er rekening gehouden wordt met de historische context waarin het vertelde zich afspeelde.

 

18.3 De opbouw van de sage

De vertelling bestaat (volgens de toelichting in 'Asega, is het dingtijd?') uit twee maar eigenlijk zelfs drie delen. 2

In het eerste deel wordt verteld hoe koning Redbad van Danemercum in Franekra ghae met een onnozel spelletje zijn rijk aan Karel de Grote verspeelde. In dat spelletje ging het er om wie van beiden het langst op een been kon staan wat Redbad verloor toen hij voorover boog om de handschoen op te pakken, die Karel met opzet had laten vallen.

In het tweede deel wordt verteld dat Karel een plaats met de naam Deldamanes koopt gelegen in de Zeven Zeelanden, zodat hij in de Zeven Zeelanden een plaats heeft om recht over de Friezen te spreken.

In het derde deel wordt verteld dat het God Zelf is die de Friezen volgens de vertaling in 'Asega, is het dingtijd?' (weer) aan land brengt en hen nadat zij aan land waren gegaan ook Zelf het recht leerde.

 

18.4 De sage geschiedkundig gezien

Redbad en Karel worden op een wijze in de sage gehaald die men, gezien vanuit de traditionele opvatting van de geschiedenis, niet zou verwachten want Redbad had immers de Franken verslagen en pas na zijn dood in 719 hadden de Friezen in 734, aan precies diezelfde Franken hun vrijheid verloren. Uit traditioneel oogpunt zou verwacht mogen worden dat de schrijver van de sage de Franken de schuld geeft van het feit dat de Friezen hun vrijheid hadden verloren. Uit de sage blijkt echter dat de schrijver van de sage dit helemaal niet zo ziet, hij laat juist blijken dat de Friezen aan de Franken hun vrijheid hebben te danken. Hieruit kan de conclusie getrokken worden dat traditionele uitleggers van tegenwoordig er wel eens naast kunnen zitten, aangezien de schrijver van de sage bijna 1000 jaar dichter bij de door hem beschreven gebeurtenissen stond dan zij nu.

 

18.5 Teksten uit de sage en andere teksten uit dezelfde tijd

Aangezien onmogelijk uit de sage valt op te maken wat er werkelijk gebeurd is, moet naar teksten gezocht worden die ook passen binnen de context van een verhuizing van het Friese volk. Om klaarheid te scheppen zijn de belangrijkste teksten die met de verhuizing van de Friezen, welke als 'de geheime waarheid' in de sage gekenschetst moet worden, verzameld en onder elkaar gezet. Ze bestaan uit 'De Sage van Karel en Redbad' zelf, en teksten uit 'De Overkeuren' en uit 'De Zeventien Keuren'. Voor het nalopen van de teksten is gebruik gemaakt van het hierboven reeds genoemde boek 'Asega, is het Dingtijd?' van Oebele Vries. Hierin staan een groot aantal van de oudste Oudfriese teksten opgenomen met daarnaast een Nederlandse- en Nieuwfriese vertaling.

De eerste vier hieronder aangehaalde teksten vormen tezamen 'De Sage van Karel en Redbad'. Dat de sage hier niet zoals in 'Asega, is het dingtijd?' in twee of drie, maar in vier aparte stukken wordt opgedeeld heeft als reden dat er volgens de tijdbalk vier verschillende episoden te onderscheiden zijn.

Het schuine schrift is de letterlijk overgenomen tekst uit 'Asega, is het Dingtijd?' Het rechte tussenhaakjes geplaatste schrift, dat hier en daar tussen het schuine schrift is geplaatst, is van de schrijver van dit artikel.

 

18.5.1 De eerste bedoelde tekst uit de sage

Toen koning Karel en koning Redbad van Denemarken (in de Oudfriese tekst staat Danemercum) in het land kwamen, toen bezette elk van beiden zijn weg in de Franeker gouw met een legermacht en elk van beiden zei dat het land van hem was.

Toen wilden wijze lieden het verzoenen en de heren [de koningen] wilden het uitvechten. Men [de wijze lieden] drong evenwel zo lang aan op een zoen dat men het de twee koningen oplegde dat hij die de ander in het stilstaan kon overtreffen, had gewonnen. Toen bracht men de heren tezamen. Toen stonden zij een etmaal lang stil. Toen liet koning Karel zijn handschoen vallen. Toen reikte koning Redbad hem die aan. Toen sprak koning Karel: "Aha, aha, het land is van mij", en lachte. Daarom heet zijn plaats Hachense. "Waarom?", sprak Redbad. Toen sprak Karel: "U bent mijn man [leenman] geworden". Toen sprak Redbad: "O wach [O wee]". Daarom heet zijn plaats Wachense. 3

 

18.5.2 De tweede bedoelde tekst uit de sage

Toen trok koning Redbad uit het land en koning Karel wilde rechtspreken. Toen kon hij dat niet, want er was niet zo veel vrij land dat hij erop kon rechtspreken. 4

 

18.5.3 De derde bedoelde tekst uit de sage

Toen zond hij boden naar de zeven zeelanden en beval dat zij voor hem een vrijstede verwierven, waarop hij kon rechtspreken. Toen kochten zij met schat en met schellingen Deldamanes. Daarop sprak hij recht en (hij) ontbood de Friezen voor zich en gebood dat zij recht zouden kiezen, zoals zij het wilden onderhouden. Toen vroegen zij om een termijn voor (het kiezen van) hun voorspreker. Toen gaf hij hun (daartoe) toestemming.

 

De volgende dag gebood hij dat zij voor het gerecht zouden komen. Toen kwamen zij en kozen voorsprekers, twaalf uit de zeven zeelanden. Toen gebood hij dat zij recht zouden kiezen. Toen begeerden zij een termijn. Op de derde dag gebood hij hun te komen. Toen beriepen zij zich op een wettelijk beletsel. Op de vierde dag evenzo. Op de vijfde (dag) evenzo. Dit zijn de twee termijnen en de drie wettelijke beletselen die de vrij Fries naar recht mag hebben [doen gelden]. Op de zesde dag gebood hij dat zij recht zouden kiezen. Toen spraken zij dat zij (dat) niet konden. Toen sprak de koning: "Nu stel ik u drie keuzen voor, welke u maar het liefst is, (namelijk) dat men u allen onthoofdt of (dat) u allen eigen [onvrij] wordt of (dat) men u een schip geeft, zo vast en zo sterk dat het één eb en één vloed kan weerstaan en wel zonder enig roer en riem en touw". 5

 

18.5.4 De vierde bedoelde tekst uit de sage

Toen kozen zij het schip en dreven met de eb zover weg dat zij geen land (meer) konden zien. Toen was het hun droevig te moede. Toen sprak de ene, die uit het geslacht was van Widukin, de eerste asega: "Ik heb gehoord dat onze Here God, toen Hij op het aardrijk was, twaalf discipelen had en (dat) Hij zelf de dertiende was en (dat) Hij tot hen kwam door gesloten deuren en hen troostte en onderwees.

Waarom bidden wij niet dat Hij ons een dertiende zendt, die ons het recht onderwijst en (weer) aan land brengt? Toen vielen zij allen op hun knieën en baden vurig. Toen zij het gebed hadden gedaan, toen zagen zij een dertiende aan de achtersteven zitten en (hij had) een gouden bijl op zijn schouder, waarmee hij weer aan land stuurde, tegen de stroom en tegen de wind in. Toen zij aan land kwamen, toen wierp hij de bijl op het land en maakte daarmee een graszode los. Toen ontsprong daar een bron. Daarom heet het (daar) te Axenhove, en te Eswei kwamen zij aan land en zaten zij rondom de bron, en wat de dertiende hen onderwees, dat namen zij aan als recht. Toch wist niemand onder het volk wie de dertiende was, die tot hen was gekomen, (want) zo (sterk) leek hij op elk van hen. Toen (hij) hun het recht had onderwezen, toen waren er nog twaalf. Daarom zullen er in het land dertien asega's zijn en hun doemen dienen zij te wijzen te Axenhove en te Eswei. En wanneer zij verschillend [van elkaar afwijkende doemen] wijzen, dan dienen de zeven de zes te overstemmen". Aldus is het landrecht van de Friezen. 6

 

18.5.5 De bedoelde tekst uit De Overkeuren

Toen alle Friezen zich hadden ingescheept, toen beloofden zij dat wie van hen het eerst aan land zouden gaan, een pekton zouden aansteken en de anderen daarmee zouden aangeven dat zij aan land waren gegaan.

De eerste (keur): Dat zij eenmaal per jaar zouden bijeenkomen te Opstalboom op de dinsdag in de pinksterweek en dat men daar alle rechten zou bespreken die de Friezen zouden moeten onderhouden. Wanneer iemand een beter (recht) zou weten, dat men (dan) het minder goede zou opgeven en het betere onderhouden.

De tweede keur van alle Friezen: wanneer enig (zee-)land zou worden verwoest, òf door de zuidelijke gewapende [ridder] òf door de noordelijke viking, dat (dan) de zes het zevende zouden helpen, opdat het even sterk zou mogen blijven als elk van de (overige) zes.7

 

18.5.6 De bedoelde tekst uit De Zeventien Keuren

Dit is de tweede volkskeur, waarop de koningsban volgde [die naderhand door de koning werd bevestigd], dat men onder de lieden een hoge vrede beloofde voor alle godshuizen en alle geestelijken; het vredegeld stelde men toen vast op tweeënzeventig ponden; het pond zal zeven Agrppijnse [Keulse] penningen (waard) zijn. Keulen (in de Oudfriese tekst staat Colnaburch) heette in oude tijden Agrippina (in de Oudfriese tekst staat Agrip) overeenkomstig de oude naam. Toen werd ons Friezen die verre munt(plaats) te ver en toen werd ons die zware penning te zwaar; wij stelden toen zelf een afzonderlijke munt(plaats) in en in plaats van tweeënzeventig ponden werd (een bedrag van) tweeënzeventig schellingen van Rednath slag of van Kawings slag (als vredegeld) bepaald en vatgesteld. Rednath en Kawing, zo heetten de eerste twee die in Friesland de penning sloegen; (daarnaast is men) drie ponden aan de frana (verschuldigd), dat is eenentwintig schellingen, krachtens de koningsban. 8

 

18.6 Twaalf op te maken punten

Uit bovenstaande teksten vallen verschillende bijzondere punten op te maken.

Van die punten die hier onder volgen, komen de punten 1 t/m 8 uit de sage, 9 en 10 uit 'De Overkeuren' en 11 en 12 uit 'De Zeventien Keuren'.

 

In de eerste aangehaalde tekst uit de sage wordt verteld dat Karel, koning van Francia, en Redbad, koning van Danemercum, met hun legers naar Franekra ghae komen. Met Franekra ghae wordt een gebied bedoeld dat in het machtsgebied van de Franken lag, en wel dat gebied waar de Friezen woonden en waarvan Karel en Redbad elk meent dat hij er recht op heeft en dat het land van hem is.

Uit de zin waarin gezegd wordt dat Karel lachte en zei: Aha, aha, het land is van mij, blijkt dat de Franken de strijd hebben gewonnen. Met opzet doet de schrijver het voorkomen, want het kan immers niet werkelijk gebeurd zijn omdat zij niet in dezelfde tijd leefden, dat Redbad middels een onnozel spelletje Franekra ghae aan Karel verspeeld zou hebben.

Uit de tweede aangehaalde tekst van de sage blijkt nog eens dat Redbad de strijd verloren heeft: Toen trok koning Redbad uit het land en koning Karel wilde rechtspreken.

 

Meteen hierna volgt in dezelfde tekst een opmerkelijke zin:

Toen kon hij dat niet, want er was niet zo veel vrij land dat hij erop kon rechtspreken.

Opmerkelijk, want gezien de hieraan voorafgaande teksten waaruit naar voren kwam dat Redbad Franekra ghae aan de Franken verspeeld had, blijkt er voor de Franken toch geen gebied in dat zelfde Franekra ghae te zijn, waarop zij recht konden spreken over de Friezen.

 

Hieruit kan worden opgemaakt dat de mededeling Toen trok koning Redbad uit het land en koning Karel wilde rechtspreken en de mededeling Toen kon hij dat niet, want er was niet zo veel vrij land dat hij erop kon rechtspreken. niet bij elkaar horen maar op verschillende tijdperken betrokken moeten worden.

 

Wat er de oorzaak van was dat de Franken in het tijdperk, waarover verteld wordt dat zij niet zo veel vrij land hadden om recht over de Friezen te spreken - wat niet anders betekent dan dat zij over het eens op Redbad veroverde gebied, Franekra ghae, de macht weer hadden verloren - wordt er in de sage niet bij verteld.

 

Uit de derde aangehaalde tekst van de sage kan worden opgemaakt dat de Franken geen gezag hadden over de Zeven Zeelanden.

Dit betekent dat de Franken geen gezag hadden over de Friese gebieden. Dit blijkt nogmaals wanneer er melding van wordt gemaakt dat zij in de Zeven Zeelanden een gebied of plaats met de naam Deldamanes moesten kopen zodat Karel daarop recht over de Friezen kon spreken. Wanneer zij de macht over de Friese gebieden gehad zouden hebben hadden zij er geen plaats hoeven kopen.

Uit hetzelfde tekstdeel blijkt dat de Franken er in geslaagd zijn Deldamanes te kopen en dat hierna Karel recht spreekt over de Friezen in de Zeven Zeelanden.

 

In hetzelfde tekstdeel wordt verteld dat de Friezen gelegenheid wordt geschonken hun eigen recht te kiezen. Uit het vervolg - de vierde bedoelde tekst uit de sage - zou opgemaakt kunnen worden dat de schrijver de keuze tussen het oude Germaanse geloof of dat van de Franken, het Christelijke geloof bedoelt.

 

In het laatste deel van het derde tekstdeel uit de sage doet de schrijver het voorkomen alsof de Friezen wat betreft de keuze van het recht niet tot een besluit kunnen komen.

 

Nu volgt een zeer vreemd vervolg, want in de laatste zin van dit tekstdeel gaat het ineens niet meer om de vraag welk recht de Friezen willen kiezen, maar luidt de vraag of zij onthoofd willen worden, of slaaf willen worden, of dat hen een schip gegeven wordt.

Uit het vierde tekstdeel uit de sage blijkt dat de Friezen liever niet onthoofd en ook geen slaven willen worden, en daarom kiezen voor het schip.

 

In dit zelfde laatste tekstdeel is er sprake van een tocht van twaalf personen die, met hulp van een op wonderbaarlijke wijze bijkomende dertiende, aankomen in een land waarvan de naam niet genoemd wordt, maar wel de plaatsen waar zij aankwamen, te Axenhove, en te Eswei.

 

Uit begin van de aangehaalde tekst uit 'De Overkeuren' blijkt, in tegenstelling tot punt 8 waarin melding wordt gemaakt van een tocht over zee van maar twaalf personen, dat er sprake is van een tocht over zee van alle Friezen.

 

In de eerste keur van 'De Overkeuren' wordt er melding van gemaakt dat de Friezen nieuwe wetten opstellen. In de tweede dat zij in de Zeven Zeelanden welke hier gesitueerd worden, in Noord-Nederland en Noord-Duitsland, gezien Opstalboom genoemd wordt, zijn aangekomen.

 

Dit is vervreemdend want volgens de sage woonden de Friezen voordat er in de sage melding wordt gemaakt van een tocht van de Friezen over zee, ook al zijn het er maar twaalf, ook in de Zeven Zeelanden. Zie hiervoor punt 3.

 

Uit de aangehaalde tekst uit 'De Zeventien Keuren' blijkt eveneens dat er iets veranderd is, er wordt namelijk gesproken over een oude muntplaats, wat er op duidt dat er ook een nieuwe muntplaats was. De oude muntplaats heette volgens de oorspronkelijke tekst Colnaburch. Volgens de Friezen van toen was de oude naam van Colnaburch Agrip. Van Colnaburch wordt in 'Asega, is het Dingtijd?' volgens de traditionele opvatting Keulen gemaakt en van de Agripiniska penningen Keulse penningen. De stad Agrippina staat echter ook tussen de opgaven van steden in de tabellen van Ptolomaeus. Toen aan de hand van de opgaven van Ptolomaeus, een van de traditie afwijkende 'Nieuwe Kaart van Germania' 9 getekend werd, bleek met Agrippina, ook aangeduid als Agrippinensis of Agrippina, niet Keulen te zijn bedoeld, maar Doornik. Agrippina staat ook op de in 16.5.15 genoemde Ebstorf Kaart vermeld. Daar wordt er van Agrippina gezegd: Agripina que nunc Colonia. Vertaald: Agripina nu Colonia.

 

Dit is precies hetzelfde als wat de oude Friezen over deze stad zeggen in de hierboven onder 18.5.6 aangehaalde tekst uit 'De Zeventien Keuren': Colnaburch hit bi alda tidon Agrip anda alda noma. Vertaald: 'Colnaburch heette in oude tijden Agrip overeenkomstig de oude naam'.

 

Uit dezelfde aangehaalde tekst uit 'De Zeventien Keuren' valt op te maken dat de Friezen met hun verhuizing naar hun nieuwe woongebieden ook het Frankische muntstelsel meenamen. Er wordt ook verteld dat de afstand naar de Frankische muntplaats hen te ver werd. Zij vragen daarom, en krijgen ook, toestemming om in hun nieuw woongebied, dat door de verhuizing verder weg is komen te liggen van het gebied waar de Franken wonen, zelf een nieuwe muntplaats in te richten. Er wordt niet verteld welke plaats het was waar zij die nieuwe muntplaats inrichtten, maar wel wie de nieuwe penningen mochten slaan; dat waren Rednath en Kawing.

 

18.7 De belangrijkste punten volgens de tijdbalk

Om te achterhalen wat er werkelijk gebeurde volgen hieronder de belangrijkste punten uit het voorgaande volgens de tijdbalk:

 

1. De Franken winnen de macht over het gebied waar de Friezen wonen en Redbad verlaat dat gebied.

3. De Franken verliezen de macht weer over het woongebied van de Friezen dat in de sage de Zeven Zeelanden wordt genoemd.

7. De Friezen krijgen schepen van de Franken om te verhuizen.

9. Alle Friezen gaan aan boord, waaruit opgemaakt kan worden dat zij verhuisden.

10. De Friezen zijn aangekomen in hun nieuwe land dat zij de Zeven Zeelanden noemen en zij stellen nieuwe wetten op.

11. De oude muntplaats ligt nu verder weg, volgens de Friezen te ver.

12. De Friezen richten met toestemming van de Franken een nieuwe muntplaats in en slaan munten met afbeeldingen van Frankische koningen.

 

18.8 De verhuizing

Er is duidelijk sprake van een verhuizing over zee van de Friezen en uit de teksten zou opgemaakt kunnen worden dat die verhuizing ging van het ene Zeven Zeelanden naar het andere Zeven Zeelanden. De Zeven Zeelanden waar men naartoe ging waren de Zeven Zeelanden in Noord Nederland en Noord Duitsland. Over het algemeen wordt er van uit gegaan dat hiermee Westerlauwers-Friesland, Klein-Friesland, West-Friesland, Oost-Friesland, Land-Wursten, Noord-Friesland en Helgoland werden bedoeld.

 

De Zeven Zeelanden waaruit men vertrok lagen in Vlaanderen. Nergens evenwel staat in de oude geschriften beschreven uit welke landen de Zeven Zeelanden in Vlaanderen bestonden. Om te verbloemen wat er werkelijk gebeurd is gaf de schrijver van de sage aan het land waar de Friezen vandaan kwamen de naam Zeven Zeelanden en aan de plaatsen waar zij aankwamen de namen Axenhove en Eswei waarvan niet te achterhalen valt waar zij lagen.

 

De schrijver van de sage bewerkstelligt hiermee dat bij de lezer amper een vermoeden kan ontstaan dat er sprake van een verhuizing van het Friese volk was. Er is echter in de sage duidelijk sprake van een tocht over zee en een duidelijke mededeling in 'De Zeventien Keuren' over de muntplaats die te ver weg was komen te liggen. Dit kwam echter niet door een verplaatsing van het oude muntplaats, daar is namelijk nergens sprake van, maar door de verhuizing van de Friezen, waar wel degelijk sprake van is in de tekst: Toen werd ons Friezen die verre munt(plaats) te ver en toen werd ons die zware penning te zwaar; wij stelden toen zelf een afzonderlijke munt(plaats) in …

 

Door die verhuizing kwam de oude muntplaats te ver van het nieuwe woongebied te liggen en daarom werd door de Friezen, met toestemming van de Franken, een nieuwe muntplaats ingericht in hun nieuwe woongebied.

 

18.9 Mysterieuze zinnen

De schrijver van de sage, een uit zijn land verdreven mens, heeft op bijna magische wijze verslag gedaan van de geschiedenis van zijn volk, het Friese volk. Door de zinnen die hij opschrijft zo wonderlijk aaneen te rijgen dat nauwelijks te begrijpen valt wat er bedoeld wordt, hoeft hij niet te vertellen wat hij niet kwijt wil. Wat hij niet kwijt wil is dat zijn volk gedwongen werd haar oorspronkelijk woongebied te verlaten. De reden hiervan is dat hij niet wilde dat zijn volk later last van deze wetenschap zou krijgen en om dit voor elkaar te krijgen moest hij de lezer van zijn verhaal om de tuin leiden en dat deed hij op zeer gewiekst wijze. Uit zijn verhaal kan namelijk alleen door tussen de regels te lezen op de gedachte worden gekomen dat er sprake is van een verhuizing. Definitieve zekerheid over wat er gebeurd is, valt dan ook alleen te verkrijgen wanneer er ook andere teksten bij betrokken worden.

 

18.10 Uit zijn verband

Dat de sage een simpel maar tegelijk mysterieus verhaal lijkt, komt doordat de schrijver dat wat werkelijk gebeurd is uit zijn verband rukt en zo opschrijft als hij het wil. Dit uit zijn verband rukken doet hij op vijf manieren:

 

Ten eerste door Redbad en Karel op te voeren. Twee personen die werkelijk geleefd hebben, maar niet in de tijd waarop de sage betrekking heeft, maar waar zij wel op een of andere wijze mee van doen hebben.

Ten tweede door Redbad en Karel een spelletje te laten spelen wat niet waar gebeurd kan zijn omdat zij niet tegelijkertijd leefden.

Ten derde door zinnen die op verschillende tijdperken betrekking hebben direct achter elkaar te plaatsen waardoor de indruk wordt gewekt dat het in beide vertelde zich afspeelde in dezelfde tijd.

Ten vierde door de strijd tussen Redbad en Karel zich af te laten spelen in Franekra ghae waarvan de lezer denkt dat het hier een gebied rond Franeker in de provincie Fryslân in Nederland betreft, temeer omdat Franekra ghae door de vertaler in 'Asega, is het Dingtijd?' vertaald wordt in Franeker gouw. Hiermee wekken beide, zowel de schrijver van de sage als de vertaler, de indruk dat de Friezen in de tijden van Redbad en Karel in Fryslân rond Franeker woonden, wat volgens de resultaten van mijn onderzoek en mijn 'Nieuwe Kaart van Germania' niet zo was. 10

Ten vijfde door het volk vóór de verhuizing te laten wonen in gebieden die hij de Zeven Zeelanden noemt en ná de tocht over zee aan te laten komen in Axenhove en Eswei waarvan hij de lezer in het ongewisse laat over in welk land of gebied zij lagen.

 

18.11 Keurig in volgorde

Ondanks dat hij tegelijk iets wil vertellen maar ook iets wil verzwijgen slaagt de schrijver er in de gebeurtenissen keurig in volgorde op te schrijven:

 

Toen trok koning Redbad uit het land en koning Karel wilde rechtspreken.

Toen kon hij dat niet, want er was niet zoveel vrij land dat hij erop kon rechtspreken.

Toen zond hij boden naar de Zeven Zeelanden en beval dat zij voor hem een vrijstede verwierven, waarop hij kon rechtspreken.

Toen kochten zij met schat en met schelling Deldamanes. Daarop sprak hij recht en hij ontbood de Friezen voor zich en gebood dat zij recht zouden kiezen, zoals zij het wilden onderhouden.

Toen vroegen zij om een termijn voor het kiezen van hun voospreker.

Toen gaf hij hun daartoe toestemming.

Toen spraken zij …

Toen sprak de koning:

Toen kozen zij het schip …

Toen was het hen droevig te moede.

Toen zij het gebed hadden gedaan, toen zagen zij …

Toen vielen zij allen op hun knieën en baden vurig.

Toen zij aan land kwamen, toen wierp hij de bijl op het landen en maakte daarmede een graszode los.

Toen ontsprong daar een bron. Daarom heet het daar te Axenhove, en te Eswei kwamen zij aan land.

 

18.12 Niet het hele verhaal

Dat hij iets wil verzwijgen blijkt ten eerste uit het feit dat de schrijver van de sage begint met een gebeurtenis die chronologisch gezien niet gebeurt kan zijn, namelijk het spelletje dat Karel met Redbad gespeeld zouden hebben. Wanneer men vervolgens 'De Overkeuren' en 'De Zeventien Keuren' leest blijkt eveneens dat er in de sage zaken verzwegen worden. Daarin worden immers gebeurtenissen beschreven die door de schrijver van de sage worden achtergehouden.

 

Hij vertelt niets over het feit, dat alle Friezen toen zij zich ingescheept hadden beloofden dat wie van hen het eerst aan land zouden gaan, een pekton zouden aansteken en de anderen daarmee zouden aangeven dat zij aan land waren gegaan.

Hij vertelt evenmin dat zij met elkaar afspraken eenmaal per jaar bijeen te komen bij de Opstalboom op de dinsdag in de pinksterweek en dat men daar alle rechten zou bespreken die de Friezen zouden moeten onderhouden.

Hij vertelt ook niet dat zij met elkaar afspraken dat bij een aanval van buiten, de zes het zevende zeeland dat aangevallen werd zouden helpen.

Hij vertelt net zo min iets over het bestaan van een oude muntplaats met de naam Colnaburch, Agrip volgens de oude naam, die te ver weg was komen te liggen.

Hij vertelt ook niets over het inrichten van een nieuwe muntplaats waar de Friezen toestemming voor kregen.

 

18.13 Het verzwijgen van de oorzaak van de verhuizing

Er zijn meer zaken aan de teksten uit 'De Sage van Redbad', 'De Overkeuren' en 'De Zeventien Keuren' die opvallen.

In de sage wordt duidelijk als een kat om de hete brij heen gedraaid. Men kan wel het vermoeden opvatten dat hier van een verhuizing van een volk sprake is, maar dan nog heeft men aan de tekst niet genoeg om te begrijpen wat er is gebeurd. Er wordt echter wel gewag gemaakt van een tocht van twaalf personen die aankomen in een land waarvan de naam niet genoemd wordt maar wel waar zij vandaan kwamen; de Zeven Zeelanden.

 

Dit ligt anders in 'De Overkeuren' waar opgeschreven staat dat alle Friezen te scheep gingen. Dit wijst op een verhuizing van een volk want het is niet voorstelbaar dat een heel volk zich inscheept met de bedoeling enkele dagen later weer op dezelfde plaats aan te meren. Het wonderlijke is dat volgens de tweede keur na de verhuizing de Friezen een nieuw Zeven Zeelanden hebben opgericht. Het is dezelfde naam als waar men volgens de sage vandaan kwam. Het ligt ook anders in 'De Zeventien Keuren', want daarin staat opgeschreven dat de Friezen de muntplaats te ver werd. Dat zij zelf een nieuwe muntplaats inrichten, wijst er op dat zij zich van de oude muntplaatst verwijderd hebben, want hadden zij zich niet van de oude muntplaats verwijderd, dan hadden zij ook de oude muntplaats kunnen aanhouden en geen nieuwe hoeven inrichten.

 

Wat in het bijzonder opvalt is dat in géén van de teksten de oorzaak van de verhuizing van de Friezen wordt medegedeeld. Dit verzwijgen van de oorzaak is van psychologische aard. Door de waarheid te vertellen zonder te vertellen wat er werkelijk gebeurd is, wat op het zelfde neerkomt als het verzwijgen van een traumatische ervaring, probeerde de schrijver van de sage te voorkomen dat zijn volk er later door geplaagd zou worden en er van te lijden zou hebben.

 

18.14 De oorzaak van de verhuizing

Dat de Franken, zoals vermeld, geen vrij land meer in het land van de Friezen hadden om recht over hen te spreken, duidt er op dat de Franken op een zeker moment niets meer in het land van de Friezen hadden te vertellen. Dat de Franken de Friezen de keus laten om óf onthoofd te worden, óf als slaaf verder te moeten leven, óf dat hen een schip gegeven wordt, en dat de Friezen het betalingssysteem van de Franken meenemen en trachten te behouden, wijst er op dat de Friezen met hulp van de Franken, in de vorm van het ter beschikking stellen van schepen, aan hun dreigende ondergang konden ontkomen. Mede aan de Franken hadden de Friezen hun vrijheid te danken, zij het wel in een ander land. Die dreiging kwam dan ook niet van de Franken, zoals Nanne Ottema het doet voorkomen (zie 2.2.4), maar uit een andere hoek. Op de vraag: uit welke hoek?, geven niet alleen de annalen en kronieken, waarin voortdurend van invallen van de Noormannen in Saksische-, Friese- en Frankische gebieden melding wordt gemaakt, het antwoord, maar ook de sage van Karel en Redbad.

 

18.15 De rol van Redbad

Dat antwoord zit in de sage vervlochten in de reden waarom, en de wijze waarop, de schrijver van de sage Redbad in zijn verhaal betrekt. De reden waarom Redbad in het verhaal betrokken wordt is dat hij eertijds, als koning van Danemercum, een wrede vertegenwoordiger was geweest van datzelfde volk - waarvan de naam in de sage niet genoemd wordt - dat er de oorzaak van was dat de Friezen hun oorspronkelijke woongebied moesten verlaten. De wijze waarop de schrijver Redbad in zijn verhaal typeert wijst er op dat de schrijver niets van hem moet hebben en hem ziet als een indringer in Fries gebied, wat evenwel ook van Karel gezegd kan worden. Dat hij niets van Redbad moet hebben laat hij blijken door Redbad aan te wrijven dat hij met een onnozel spelletje zijn Friese Rijk aan Karel verspeeld zou hebben waarmee hij Redbad typeert als de grootste sukkel die ooit op Gods aarde heeft rondgelopen. Dat hij veel meer met Karel opheeft blijkt doordat hij opschrijft dat door diens tussenkomst de Friezen aan hun recht en hun vrijheid geholpen werden.

 

Eggerik Beninga over Redbad in zijn 'Volledige Chronyk van Oostfrieslant'. Bij het jaar 690 staat geschreven:

 

Daarna als men schreef 690 zijn andermaal de Nortmannen, Dehnen en Swebden eenradig gesindt en bedacht, Friesland weer in hun macht te krijgen en zijn met een grote macht over land en 600 schepen over het water naar Friesland getogen en hebben de Französen daar weer uit geslagen en lieten de Principalen, nadat se de Friezen verweten hadden dat se in voorgaande tijden zo lichtvaardig van hen afgevallen waren, na hen gemarteld te hebben, ombrengen en stelden boven de Friezen een wreede tiran Rebbolt welke de Latini Regoboldum of Rabbodum noemen en die men niet voor een hertoch genoemd wilde hebben. Deze Rabbold heeft de Friezen tot zijn eigendom gemaakt door ze houten wahden om hun hals te laten dragen als eigendomsteken en mochten se sich tegen de Dehnen verzetten se aan hun wahden zullen worden opgehangen. Se moesten ook aan de noordkant van hun huisen een nauwe en kleine deur laten maken om de koning van Norwehgem bij het ingaan en uitgaan eer te bewijzen. 11

 

Met Norwehgem wordt niet Noorwegen in Scandinavië bedoeld want een koninkrijk met die naam bestond in dat gebied in het jaar 690 nog lang niet. Dat men 'De sage van Karel en Redbad' niet kan duiden en haar enkel ziet als een proloog op de Friese wetgeving, komt doordat men het woongebied van de Friezen voor het jaar 1000 in de verkeerde hoek zoekt, waardoor de tekst inderdaad onnavolgbaar en onbegrijpelijk wordt. Het gevolg is dat teksten als van Beninga als ongeloofwaardig worden bestempeld en niet meer door de historici geraadpleegd worden.

 

18.16 Aldgisl de laatste koning van de Friezen

Uit wat er in 'De sage van Karel en Redbad' te lezen is over Redbad en wat uit de annalen en kronieken over hem valt op te maken kan moeilijk worden geconcludeerd dat hij een koning van de Friezen was. Beninga noemt hem koning van Danemercum en iemand die de Friezen in eigendom had en op straffe van de dood over hen heerste. Noemt men Redbad, of Radboud, of Rebbolt, of Regoboldum, of Rabbodum, of Rabbold, een koning van de Friezen, dan moet worden bedacht dat men rechtstreeks ingaat tegen hetgeen in de sage en sommige kronieken over hem wordt verteld.

 

Uit de tekst van Beninga bij het jaartal 690 die onder 18.15 werd aangehaald en waarin medegedeeld wordt dat de Dani Principalen fan de Friezen, na hen gemarteld te hebben, lieten ombrengen, zou zelfs opgemaakt kunnen worden dat Aldgisl, de laatste koning van de Friezen, mede onder verantwoordelijkheid van de wreede tiran Redbad gemarteld werd en gedood.

 

18.17 Franekra ghae

Hier, omdat er in de traditie vanuit wordt gegaan dat met het in de sage genoemde Franekra ghae een gebied rond Franeker in Fryslân bedoeld wordt, de teksten die met deze naam in verband staan nogmaals onder elkaar gezet om te tonen dat dit geen logische conclusie is.

 

18.17.1 Teksten uit de sage

Toen koning Karel en koning Redbad van Denemarken in het land kwamen, toen bezette elk van beiden zijn weg in de Franeker gouw (in de oorspronkelijke tekst staat "Franekra ghae") met een legermacht en elk van beiden zei dat het land van hem was. Toen wilden wijze lieden het verzoenen en de heren [de koningen] wilden het uitvechten.

Toen trok koning Redbad uit het land en koning Karel wilde rechtspreken. Toen kon hij dat niet, want er was niet zo veel vrij land dat hij erop kon rechtspreken. Toen zond hij boden naar de zeven zeelanden en beval dat zij voor hem een vrijstede verwierven, waarop hij kon rechtspreken. Toen kochten zij met schat en met schellingen Deldamanes. Daarop sprak hij recht en (hij) ontbood de Friezen voor zich en gebood dat zij recht zouden kiezen, zoals zij het wilden onderhouden.

 

Met het noemen van 'Franekra ghae' wekt de schrijver van de sage de indruk, wat nog versterkt wordt doordat het in 'Asega, is het Dingtijd?' vertaald wordt in 'Franeker gouw', dat de Friezen in de tijd van Redbad en Karel in de provincie Fryslân woonden omdat daar Franeker ligt. Met Franekra ghae kan evenwel geen gebied rond Franeker bedoeld zijn, want uit mijn onderzoek komt naar voren dat de Friezen in de tijd van Redbad en na hem Karel de Grote in Noord-West Frankrijk woonden. Met Franekra ghae kan dan ook niet anders dan het oude Frisia bedoeld zijn dat in Noord-West Frankrijk lag en een Gouw van de Franken, een 'Franekra ghae', was. Door de naam 'Franekra ghae', net als de naam 'Zeven Zeelanden' toe te schrijven naar het gebied waar de Friezen vandaan kwamen voorkomt de schrijver van de sage nogmaals dat bij lezer de indruk gewekt zou kunnen worden dat er sprake van een verhuizing is.

Om hun rechten ten opzichte van de Friezen veilig te stellen kochten de Franken volgens de schrijver van de sage in de Zeven Zeelanden, een eigen vrijplaats met de naam Deldamanes. Dit kan geen vrijplaats in de tegenwoordige provincie Fryslân zijn geweest want in de sage komt de tocht over zee van de twaalf asega's pas in het laatste deel van de sage aan de orde terwijl Franekra ghae en Deldamanes aan het begin en voor de verhuizing worden genoemd.

 

Pas nadat het de Friezen door de Noormannen onmogelijk werd gemaakt nog langer in het oude woongebied te blijven, verhuisden zij naar hun nieuwe Zeven Zeelanden in Noord-Nederland en Noord-Duitsland. Zij bleven evenwel onderhorig aan de Franken zoals zij dat ook waren in hun oude woongebied en richtten met toestemming van de Franken een nieuwe muntplaats in.

 

18.17.2 Tekst uit het landrecht van Westergo

Dit is het landrecht van de Friezen. De graaf die in Friesland (in de oorspronkelijke tekst staat Fresena) graaf zal zijn, moet van vlekkeloze geboorte [geen bastaard] zijn en zijn recht niet hebben verbeurd. Hij moet te Sudermude in het land komen en naar Franeker (in de oorspronkelijke tekst staat Fraenkere) komen in het "dal" met geldige accreditering, (namelijk) met 's konings belening, met brief en met zegel [met bezegelde oorkonde]. Daar dienen de Friezen hem te ontvangen en in zijn recht te bevestigen. 12

Gesteld dat met het in deze tekst genoemde Fraenkere het in de sage genoemde Franekra ghae gelijkgesteld moet worden en ook met Frisia dat op de tegenwoordige grens van Frankrijk en België lag, moet Sudermude ook in Vlaanderen gezocht worden. Uit een ongedateerd notitie welke opgenomen is in de 'Registers van Hollandse grafelijkheid 1299-1345' is op te maken wat er met Sudermude bedoeld werd: Quando Dominus Comes vult pergere in Frisiam Orientalem tune prius faciet intimari per sex ebdoraadas, et intrabit per aquam, quae vulgariter dicitur Suytuinde in Stauream et ibidem Dominus Comes debet ostendere litteras suas patentes, sigillatas sigillo Domini Regis Alemannie. 13

 

In deze tekst staat dat de in de volksmond gebruikte naam Suytuinde of Sudermude een water bedoeld werd waarlangs de Frankische graven aankwamen in Staurea waarvan gevonden werd dat hiermee Veurne werd bedoeld. Met het in de eerste aangehaalde genoemde 'dal' wordt de komvormige laagte van het gebied De Moeren bedoeld waarin de Friezen de vesting Medemelacha hadden gebouwd. Deze vesting stond tussen twee meren welke de restanten waren van de eerdere zeebaai Fleum, dat nadat zij was afgesloten van de zee en bijna geheel drooggevallen was, er uitzag als een 'Hol-land' met een ander woord als een 'dal'. Het is het zelfde gebied dat ook Deldamanes werd genoemd maar ook Kaldadel de 'Kille-Laagte'. De Moeren waar de Friese vesting Medemelacha stond was het gebied dat de Franken kochten om recht over de Friezen te spreken.

 

'Het landrecht van Westergo' is ook opgenomen in 'Asega, is het Dingtijd?'. De titel van deze tekst is echter misleidend. De tekst heette oorspronkelijk 'Het Oudere Schoutenrecht'. Pas in 1996 werd er de naam 'Het Landrecht van Westergo' opgeplakt. 14 Er bestaat ook een geschrift 'Het jongere Schoutenrecht'. Ook deze tekst is opgenomen in 'Asega, is het Dingtijd?' Hiervan wordt in dit boek gezegd dat het een voortzetting is van 'Het Oudere Schoutenrecht', maar dat het niet gebruikelijk is ook 'Het Jongere Schoutenrecht' als Landrecht van Westergo te betitelen. 15

 

Dit is een vreemde gang van zaken aangezien het onderscheid tussen de geschriften duidelijk genoeg is; het ene is ouder en het andere jonger. Het is duidelijk dat de wijziging van de naam van 'Het Oudere Schoutenrecht' in 'Het Landrecht van Westergo' in 1996 ontstond uit Fries nationalisme. Maar het is geen terechte wijziging. Westergo ligt in Fryslân in Nederland en 'Het Oudere Schoutenrecht' zowel trouwens als 'Het Jongere Schoutenrecht' hebben betrekking op het oude Frisia dat in Vlaanderen lag.

 

18.17.3 Tekst uit de Zeventien Keuren

Toen werd ons Friezen die verre munt(plaats) te ver en toen werd ons die zware penning te zwaar; wij stelden toen zelf een afzonderlijke munt(plaats) in en in plaats van tweeënzeventig ponden werd (een bedrag van) tweeënzeventig schellingen van Rednath slag of van Kawings slag (als vredegeld) bepaald en vastgesteld. Rednath en Kawing, zo heetten de eerste twee die in Friesland de penning sloegen. 16

Duidelijk is dat de 'Zeventien Keuren' geschreven zijn na de verhuizing van de Friezen vanuit Vlaanderen naar gebieden in Noord-Nederland en Noord-Duitsland.

 

18.18 Franeker

Het ligt voor de hand dat na de verhuizing de muntplaats te ver weg kwam te liggen. Dit was de eerste reden dat de Friezen de Franken verzochten een nieuwe muntplaats te mogen inrichten. Dat de Friezen hiervoor toestemming van de Franken wilde hebben hangt samen met de tweede reden, namelijk met hun wens het muntstelsel van de Franken aan te willen houden. Dit was alleen maar mogelijk wanneer de Franken ook toezicht op die muntslag konden houden. Daarom werd er in de Zeven Zeelanden, in Franeker in Fryslân in Nederland, een nieuwe muntslag ingericht die onder Frankische supervisie stond. Rednath en Kawing werden aangesteld om de penningen te slaan. Dat de munten op een stukje Frankisch gebied, in dit geval Franeker in Fryslân, geslagen werden maakte het mogelijk dat controle door het Frankische gezag op de gang van zaken in het atelier waar de munten geslagen werden, mogelijk was. Dat de nieuwe muntplaats Franeker was, blijkt uit de naam van deze plaats, welke gemakkelijk op die van Franken teruggevoerd kan worden. De straat met de naam Zilverstraat in Franeker duidt de plaats aan waar de nieuwe muntplaats gevestigd was, want zilver was het metaal dat vanwege zijn schaarste een grote aantrekkingskracht had en zich door zijn eigenschappen gemakkelijk liet bewerken en daarom ook gebruikt werd om munten van te slaan.

 

Dat in de sage verteld wordt dat de penning de Friezen te zwaar werd hangt samen met de waarde van de munt. Bedoeld wordt dat hij qua waarde te zwaar werd. Dit was de tweede reden dat de Friezen een nieuwe muntplaats wilden inrichten. Ze wilden zich door middel van een eigen, lichtere munt, een betere concurrentiepositie verschaffen ten opzichte van de Franken hetgeen door de Franken werd toegestaan. Dit bracht echter wel met zich mee dat de muntslag door de Franken gecontroleerd moest kunnen worden.

Het letterlijke gewicht van de munt had niets van doen met de letterlijke afstand naar de het oude muntplaats. Die afstand was na de verhuizing echter wel veel groter geworden. Dit maakte dat het de Friezen veel wenselijker leek dat hun qua waarde lichtere en dus ook letterlijk lichtere munten in hun nieuwe woongebied in een nieuwe muntplaats werden geslagen.

 

18.19 Toen alle Friezen zich hadden ingescheept

Hier boven zijn de eerste twee delen van de sage behandeld en, om meer duidelijkheid te krijgen over wat er werkelijk gebeurd is, werden die in verband met andere teksten gebracht. Hieruit kwam naar voren dat het Friese volk aan het einde van het tijdperk van de Noormannen verhuisd is van Vlaanderen naar Noord-Nederland en Noord-Duitsland. Deze verhuizing lijkt zich, gezien de reeds aangehaalde aanhef van 'De Overkeuren' in een keer te hebben voltrokken.

 

Toen alle Friezen zich hadden ingescheept, toen beloofden zij dat wie van hen het eerst aan land zouden gaan, een pekton zouden aansteken en de anderen daarmee zouden aangeven dat zij aan land waren gegaan.

 

Dat in 'De Overkeuren' wordt vermeld dat alle Friezen zich inscheepten, wil niet zeggen dat er al niet eerder Friezen vanwege het oorlogsgeweld in Vlaanderen naar Noord-Nederland en Noord-Duitsland vertrokken waren, maar hierover werd geen informatie gevonden. Het wil niet ook zeggen dat alle Friezen vertrokken want de zin kan ook betekenen dat alle Friezen 'die vertrokken' zich inscheepten. Bovendien werd in dit soort omstandigheden - oorlog en hongersnood - een bepaald deel van een bevolkingsgroep gedwongen te vertrekken uit het oude woongebied. Het betekent echter wel dat het er veel waren.

 

18.20 Het derde deel van de Sage

In 'Asega, is het Dingtijd?' wordt in de toelichting op de sage gesteld dat het derde deel bekend staat als 'het verhaal van de dertien asega's. 17 In dit deel wordt inderdaad verhaald hoe twaalf asega's door Karel de zee worden opgestuurd in een schip zonder riem of roer, nadat zij niet in staat waren gebleken een (nieuw?) recht voor de Friezen te kiezen. Dankzij een door God gezonden dertiende asega worden de twaalf niet alleen van een wisse dood gered, maar ook in het recht onderwezen en daarmee aan een recht geholpen.

 

18.21 De hoofdelementen in het derde deel van de sage

Uit de inleiding van 'Asega, is het Dingtijd?' valt op te maken dat de opsteller van de inleiding, wat het laatste deel van de sage betreft, denkt dat er maar één hoofdelement is aan te wijzen, namelijk dat het recht van de Friezen hen door God Zelf gegeven werd. Over het hoofd wordt gezien dat hier ook een tweede hoofdelement is aan te wijzen, namelijk dat het lot aangaande de woonplaats van de Friezen door God Zelf bezegeld werd. Dit komt doordat het belang van het laatste deel van de laatste zin uit dat deel van de sage waarin de eerste Asega de anderen vraagt: Waarom bidden wij niet dat Hij ons een dertiende zendt, die ons het recht onderwijst en (weer) aan land brengt? niet wordt opgemerkt. Dat de asegas in hun gebed niet alleen vragen dat hen het recht wordt geleerd maar ook dat zij aan land worden gebracht betekent namelijk dat zij behalve vragen dat hen het recht wordt geleerd, ook het lot van de plaats van hun nieuwe woongebied in de handen van God leggen. Uit het laatste deel van de sage blijkt dat de dertiende asega hen aan land brengt en dit land als woongebied van de Friezen bezegelt met een worp van zijn gouden bijl waarmee hij een graszode uit dat land gooit. Terstond welde op die plek een bron op waardoor de Friezen zeker weten dat hun gebed verhoord is.

 

In de discussie over de vraag wie er met de dertiende asega, die de Friezen aan een recht hielp, bedoeld werd, waarbij over het hoofd wordt gezien dat hij hen ook een nieuw land bezorgde, opteert Oebele Vries voor Christus wat een logische keuze lijkt.

De eerste asega vraagt de anderen:

 

Waarom bidden wij niet dat Hij ons een dertiende zendt, die ons het recht onderwijst en (weer) aan land brengt?

Het is duidelijk dat de schrijver van de sage hier de twaalf asega 's, gebruikt als een metafoor om het hele Friese volk mee aan te duiden.

Toen sprak de koning:

Nu stel ik u drie keuzen voor, welke u maar het liefst is, (namelijk) dat men u allen onthoofdt of (dat) u allen eigen [onvrij] wordt of (dat) men u een schip geeft, …

De Friezen hadden de keuze uit drie: Óf zij worden gedood, óf zij worden onvrij, óf zij kiezen het schip. 'Het schip kiezen' betekent hier: vluchten.

 

18.22 Op de vlucht

Dat het tweede hoofdelement, namelijk dat het lot aangaande de woonplaats van de Friezen door God Zelf bezegeld werd, over het hoofd wordt gezien, heeft als gevolg dat in 'Asega, is het Dingtijd?' de vertaling vanuit het Oudfries in het Nederlands en in het Nieuwfries, op een wat de geografie betreft doorslaggevende plaats in de tekst van de sage, van hetzelfde kwalijke kaliber is als van cruciale vertalingen aangaande de geografie van Germania in 'Altes Germanien'.

Hier de bedoelde zin uit het derde deel van de sage in het Oudfries:

Hu ne bidda wi naut, that hi ws anne trettundista sende, ther uns riocht lere and ti lande wise.

Hier deze zin zoals die is vertaald in het Nieuwfries:

Hoeno bidde wy net dat Er ús in trettjinde stjoere sil, dy't us it rjocht leart en (wer) oan lân bringt?

Hier deze zin zoals die in hetzelfde boek vertaald is in het Nederlands:

Waarom bidden wij niet dat Hij ons een dertiende zendt, die ons het recht onderwijst en (weer) aan land brengt?

Hier de zin zoals die in het Nederlands vertaald moet worden:

'Waarom bidden wij niet dat Hij ons een dertiende zendt, die ons het recht onderwijst en te lande wijst?'

Met de vertaling in 'Asega, is het Dingtijd?' van and ti lande wise in en (weer) aan land brengt krijgt, ten eerste door het in de vertaling tussenvoegen van het woord weer, ook al staat het tussen haakjes, en ten tweede door het vertalen van het woord wise in brengen, de lezer van de vertaling de indruk dat de asegas bidden om een dertiende asega die hen weer aan hetzelfde land brengt.

Uit de juiste vertaling van and ti lande wise in 'en te lande wijst' klinkt echter iets heel anders door, namelijk de volslagen reddeloosheid van een volk dat op de vlucht is en niet weet waar het heen moet en daarom haar lot in de handen van God legt en zijn hulp inroept om hen een land te wijzen waar zij kunnen wonen zonder gedood te worden, of als slaaf verder moeten leven.

 

18.23 Friezen en Saksen

Dat er ook Saksen bij de verhuizing van de Friezen betrokken waren blijkt uit het feit dat van één van de in de sage van Karel en Redbad genoemde asega verteld wordt dat hij uit het geslacht was van Widukin. Hij wordt zelfs de éérste asega genoemd, wat er op duidt dat de Friezen onder leiding van de Saksen hun oospronkelijk woongebied in Vlaanderen hebben verlaten.

 

18.23.1 Widukin

Widukin (743-807) was de leider van het Saksische volk in de tijd van Karel de Grote toen deze de Saksen bestreed in de zogenaamde Saksische Oorlogen. Karel de Grote heeft in zijn hele regeringsperiode de handen vol gehad aan de Saxones, aan de Vilti uit Viltaburg.- Traiectum - Roubaix en aan de Sclaven die, hoewel de traditie het voorstelt alsof zij hun woongebied in Oost-Europa hadden, ook in de omgeving van Roubaix woonden. Hij zou de Saxones er pas in 792 onder hebben gekregen na het zogenaamde bloedbad van Werethina, waarvan tijdens het onderzoek duidelijk werd dat er niet Werden maar een plaats vlakbij Roubaix mee werd bedoeld. Alhoewel er twijfels zijn of dit bloedbad zich wel werkelijk heeft voorgedaan, aangezien dit volgens de geleerden niet met zekerheid uit de teksten valt op te maken, zou Karel de Grote de Saksen, volgens de traditie, waar in dit geval Delahaye mee instemde, massaal naar Noord-Duitsland hebben laten deporteren.

 

18.23.2 Delahaye over de Saksen

Hier de opvatting van Delahaye aangaande de Saksen:

Volgens de traditionele opvattingen was St.Ansgarius, Anscharius, Ansgar of Anskar (geboren Amiens, ca. 801 - overleden Brema, 3 februari 865), de Apostel van het Noord-Duitsland en Scandinavië, van Franse adellijke afkomst en werd monnik in het klooster van Corbie (Picardië). Of hij ook werkzaam is geweest in het nieuwe klooster van Corvey (Westfalen), kan niet uitgesloten worden. In hoeverre hij met de door Karel de Grote gedeporteerde Saksen is meegereisd is mogelijk geweest, echter de oudste kronieken vermelden deze verplaatsing niet. 18

 

Delahaye twijfelt hier aan wat hij zelf eerder gevonden had (zie 9.3) namelijk dat St. Ansgarius nooit in Duitsland is geweest, maar hij had niet hoeven twijfelen. Dat St. Ansgarius ook werkzaam was in het nieuwe klooster in Westfalia klopt, alleen het was niet het Westfalen waarmee tegenwoordig een gebied in Duitsland wordt aangeduid, maar een éérder Westfalia in Frans-Vlaanderen waarmee het gebied rond de Katsberg, in het Frans Mont des Cats, werd bedoeld. Het nieuwe klooster stond immers niet aan de Weser in Duitsland, maar aan de Aa in Frankrijk. Een paar honderd jaar later pas werd de naam van het klooster Corvey door de Saksen, toen zij samen met de Friezen uit Vlaanderen vluchten, meegenomen naar Duitsland en daar gebruikt voor een tweede nieuw klooster. Het eerste nieuwe klooster werd gesticht vanuit Gentbrugge aan de Aa in Frankrijk toen St. Ansgarius nog leefde. Het tweede nieuwe klooster werd gesticht in Duitsland toen St. Ansgarius al minstens tweehonderd jaar dood was.

 

Dat Westfalia in Vlaanderen lag wordt bevestigd in de 'Annales regni Francorum' bij het jaar 784:

Westfalai vero voluerunt se congregare ad Lippiam. Quo audito a supradicto filio domni Caroli regis, obviam eis accessit una cum scara, quae cum eo dimissa fuit, in pago, qui dicitur Dragini, et inierunt bellum. Auxiliante Domino domnus Carolus, filius magni regis Caroli, victor extitit una cum Francis, multis Saxonibus interfectis. 19

 

Hier wordt verteld dat Karel de Grote in Westfalia tegen de Saksen vocht. Dat kan niet het Westfalen in Duitsland zijn geweest, aangezien de Saksen toen nog in Vlaanderen woonden.

 

Bovendien wordt de rivier Lippia genoemd waarvan reeds gevonden werd dat hiermee de Leie bedoeld werd en niet de Lippe een zijrivier van de Rijn in Duitsland. Het zogenaamde bloedbad van Werethina vond plaats vlak bij Roubaix want dit is de plaats die eerder Traiectum werd genoemd. Het is ook de plaats waar niet ver vandaan Liudger een kerk stichtte op zijn vaders erfdeel. Het is dus niet zo dat Adamus Bremensis de geschiedenis omzette, zoals Delahaye dacht omdat hij ervan uitging dat Germania-Magna tenminste nog deels in Duitsland lag wat niet zo was want het lag in haar geheel in Noord-West Frankrijk. Het waren latere vertalers die de teksten van Adamus Bremensis van toepassing maakten op gebieden in Duitsland en Scandinavië.

 

18.23.3 Karel de Grote en de Saksen

Omdat de traditie de Albis aanziet voor de Elbe denkt men dat Karel de Grote de Saksen, zoals gezegd, naar Noord-Duitsland liet deporteren, maar hij joeg hen over de Hem terug naar hun oorspronkelijke woongebied aan de Oceaankust, de Litus Saxonum, de kust van de Saxen, in de richting van Cap Gris-Nez. Enkele honderden jaren later pas vertrokken de Saksen, tezamen met de Friezen, naar Noord-Nederland en Noord-Duitsland. De reden hiervan was dat de Franken toen niet meer in staat waren hen in voldoende mate te beschermen tegen de Noormannen, die uit het zuiden kwamen. Zij namen verschillende namen van rivieren en plaatsen vanuit hun oude woongebieden in Vlaanderen mee naar hun nieuwe woongebieden in Noord-Nederland en Noord-Duitsland wat een van de oorzaken is van de verwarring in de huidige geschiedschrijving. Dat Karel de Grote de Saksen over de Hem terug naar hun oorspronkelijke woongebied aan de Oceaankust, bij Cap Gris-Nez verjoeg betekent dat de door de traditie veronderstelde bezetting van Duitsland door Karel de Grote nooit heeft plaatsgevonden.

 

18.24 De Magnuskeuren

De vijfde keur:

Daarna koos Magnus de vijfde keur en alle Friezen stemden zijn keuze in, (namelijk) dat zij geen heer verder op heervaart wilden volgen dan oostwaarts tot de Weser, en westwaarts tot het Vlie, thuis met de vloed en uit met de eb, omdat zij dag en nacht de oever beschermen tegen de koning uit het noorden en de vloed van de wilde viking met de vijf wapens: met het zwaard, met schild, met spade, met vork en met de punt van de speer. 20

De zevende keur:

Daarna koos Magnus de zevende keur en alle Friezen stemden met zijn keuze in, (namelijk) dat paus Leo en koning Karel hun brief en zegel [een bezegelde oorkonde] wilden geven, waarin zij (deze) zeven keuren en (de) zeventien keuren en (de) vierentwintig landrechten en (de) zesendertig zeendrechten moesten schrijven. 21

Uit het feit dat volgens de zevende keur de Friezen willen dat in de overeenkomst met paus Leo en koning Karel 'De Zeventien Keuren' worden opgenomen blijkt dat 'De Magnuskeuren' werden opgesteld na de verhuizing van de Friezen naar Noord-Nederland en Noord-Duitsland. 'De Zeventien Keuren', die zij er ook in verwerkt willen zien, werden namelijk ook opgesteld na de verhuizing want er staat in vermeld dat de verre muntplaats te ver werd en dat de Friezen zelf een nieuwe muntplaats instelden. Met de in de vijfde van 'De Magnuskeuren' genoemde Weser wordt dan ook de tegenwoordige Weser bedoeld en met het Vlie een zijarm van de IJssel die tussen de eilanden Vlieland en Terschelling in de Noordzee uitmondde. De Zuiderzee, later door het aanleggen van de afsluitdijk, veranderd in het IJsselmeer, ontstond pas met de Allerheiligenvloed van 1170. Er deed zich toen een enorme overstroming voor waarbij de Noordzee tussen Huisduinen en Texel door de duinenrij brak waardoor de Zuiderzee ontstond. Het beekje Marsdiep kreeg een verbinding met de Noordzee en werd een zeegat. Het Creiler-woud dat tussen Texel en Medemblik lag, werd verzwolgen door de zee. Volgens de Annales Egmundenses kon men in Utrecht de werking van eb en vloed voelen.

 

18.25 Conclusies

Een in verband met de Noormannen staand vertrek uit Vlaanderen met een daaraan gekoppelde aankomst van de Friezen in Noord-Nederland werd door de historici niet opgemerkt, alhoewel verschillende met elkaar in verband gebrachte Oudfriese teksten uit 'Asega, is het dingtijd?' daar wel duidelijk op wijzen.

 

Uit annalen, kronieken, mythen en sagen komt het beeld naar voren dat, in de tijd van de Noormannnen, het Friese volk als ten dode opgeschreven lijkt te zijn. Velen werden vermoord en het voortbestaan van het volk lijkt aan een zijden draadje te hangen.

Dat het Friese volk het heeft gered is te danken aan het feit dat het (ten minste deels) gedwongen werd uit het oude woongebied te vertrekken. Wilde het overleven, dan moest er voor deze mensen een ander woongebied worden gevonden.

 

Het is zeer opvallend dat er geen rechtstreekse tekst te vinden is van de verhuizing van de Friezen maar misschien staat die tussen de teksten die Beninga volgens Bolhuis van Zeeburgh tot zijn beschikking had, waarvan hij opmerkt: 'Doch eenige er van zijn tegenwoordig niet toegankelijk' (zie 13.1.4). Hier staat tegenover dat uit de afzonderlijke teksten uit 'De Sage van Karel en Redbad' en die uit 'De Overkeuren' en 'De Zeventien Keuren' valt op te maken dat er iets bijzonders aan de hand was. Al helemaal wanneer de teksten gecombineerd worden valt niet anders te concluderen dan dat er sprake van een verhuizing was.

 

Gezien de tekst van Beninga moet die verhuizing zich hebben voltrokken voor het jaar 1048, want ná dit jaartal lag Oostfriesland waar het nu ligt, maar vóór dit jaartal lag het volgens hem ergens anders. Uit zijn aanwijzingen kon opgemaakt worden dat de Oostfriezen langs de kusten van de Nederlandse provincies Zuidholland en Noord- Brabant en de kop van Belgisch-Vlaanderen woonden.

Gezien de sage moet de verhuizing van de Friezen zich hebben voltrokken na de dood van Karel de Grote in 814.

 

Uit de klassieken, de kronieken en vita kan geconcludeerd worden dat met de Frisii uit de tijd van de Romeinen en de Fresones die in de annalen en kronieken worden genoemd, hetzelfde volk werd bedoeld omdat het in al die geschriften in hetzelfde gebied wordt gesitueerd en wel in Vlaanderen. De hierboven beschreven verhuizing vanuit Vlaanderen bewijst dat er een verband bestaat tussen de Frisii / Fresones en de Friezen die tegenwoordig in Noord-Nederland wonen.

 

Dat de verhuizing over het hoofd wordt gezien heeft als oorzaak dat de geschiedenis van Europa niet begrepen wordt. Dat de geschiedenis van Europa niet begrepen wordt heeft mede als oorzaak dat deze verhuizing over het hoofd wordt gezien.

 

 

Bron:

De tekst is letterlijk overgenomen van het Nifterlaca forum: 'De verhuizing van de Friezen' door © Yeb Boersma, januari 2016.
Alleen de opmaak van de tekst is aangepast aan die van deze website.

 

 

Noot (0) en bronnen (1 t/m 21:

0. Een Asega ("recht-voorzegger") was tijdens de vroege en hoge middeleeuwen in Westerlauwers Friesland de officiële rechtsadviseur van het gerecht. In tegenstelling tot een moderne rechter, gaf de asega in de meeste gevallen alleen een oordeel over het recht en niet over de feiten. Het Oud-Friese proces met zijn formele bewijsmiddelen, zoals we dit voornamelijk kennen uit het Oudere Schoutenrecht, gaf voor een waardering van de feiten ook weinig aanleiding. Waar echter in de oude rechtsbronnen bij uitzondering aanleiding was voor een waardering van de feiten, werd dit aan de asega opgedragen. De ommestand (de aanwezige dinggenoten) kon anders beslissen dan de asega en dan ging het besluit van de ommestand boven de uitspraak van de asega. In de loop van de Middeleeuwen werd de taak van de asega overbodig en verdwijnt de functie. De Grietman nam in Friesland de plek in van zowel schout en asega. In Amstelland werden tot 1388 asega's gebruikt in de rechtspraak (Bron: Wikpedia).

1.Vries, O, O. & Hempenius-van Dijk, B. S. (2007). Asega, is het dingtijd?. De hoogtepunten van de Oudfriese tekstoverlevingLeeuwarden-Utrecht: Steven Sterk. p. 55
2. Ibid.: p. 50
3. Ibid.: p. 75
4. Ibid.: p. 75
5. Ibid.: p. 75
6. Ibid.: p. 77
7. Ibid.: p. 115
8. Ibid.: p. 83
9. Boersma, Y., De Nieuwe Kaart van Germania, ook te vinden op deze website, link:http://www.nifterlaca.nl/eigen_assets/Artikelen/018-Nieuwe_Kaart_Germania.html
10. Ibid.
11. Beninga, E. (ca.1550). Volledige Chronyk van Oostfrieslant. (Rev. ed. Harkenroth, E.F., Emden,1723), p. 42
12. Vries, O. (2007). p. 301
13. http://resources.huygens.knaw.nl/registershollandsegrafelijkheid/oorkonde/CA_017, geraadpleegd 4-1-2016
14. Vries, O. (2007). p. 62
15. Ibid.: p. 63
16. Ibid.: p. 83
17. Ibid.: p. 50
18. http://www.noviomagus.info/anscharius.htm, geraadpleegd 4-1-2016
19. Annales Regni Francorum, 741-829. MGH SS rer.Germ. 6. p.66+68
20. Vries, O. (2007). p. 469
21. Ibid.: p. 469

 

Deze pagina maakt deel uit van www.nazatendevries.nl.
Aan bovenstaande tekst is de uiterste zorgvuldigheid besteed. Desondanks kunnen er best fouten voorkomen.
Constateer je fouten en/of heb je vragen, correcties, aanvullingen...geef die dan even aan mij door via mijn E-mail adres.
Laat ook eens een bericht achter in het Gastenboek.
Hoogeveen, 16 februari 2019..
Samenstelling: Harm Hillinga
.
Menu Artikelen.
Terug naar de HomePage.
Top