Dat is een ‘rijke stinkerd’ is een door een ieder wel eens gehoorde uitdrukking. Heb je je wel eens afgevraagd, wat er precies met deze uitdrukking wordt bedoeld en waar komt het oorspronkelijk eigenlijk vandaan? Wel, misschien is het een term die ooit zomaar in het (verre) verleden door iemand is gebruikt om vervolgens van mond tot mond verspreid te worden. Niets is daarvan is echter waar. De term is afkomstig uit een ver verleden en is gekoppeld aan een historisch feit. In het noorden van ons land, met name in Groningen hebben veel inwoners te maken gehad met ‘rijke stinkerds’ en dat vooral en met name op zondag in de kerk? Dit artikel geeft meer duidelijkheid.

 

Foto: Gedeelte van de grafzerk van Lucia Barthelts in de voormalige kerk van Garsthuizen. Bron: Roelf B. de Vries, Garsthuizen.


Verklaringen en begraven in de kerk

 

Er zijn voor deze misschien wat vreemde uitdrukking zelfs meerdere verklaringen in omloop die vrijwel allemaal te maken hebben met de letterlijke betekenis ervan.  In de Middeleeuwen zijn mensen, van voorname en rijke afkomst, vaak begraven in de kerk. De arme mensen zijn terechtgekomen op het kerkhof, buiten de kerk. De graflucht in de kerk zou er voor gezorgd hebben dat mensen in die tijd spraken over ‘rijke stinkerds’. Ook zouden rijke mensen soms zelfs wel meerder weken eerst in een nis zijn opgebaard, bij afwezigheid van de pastoor.

Napoleon

 

Napoleon verbiedt op een gegeven moment de kerkbegrafenissen in Frankrijk in 1804. Na de inval van de Fransen wordt ook in Nederland het begraven in de kerk officieel verboden. Maar het oude gebruik blijkt zo sterk geworteld in de Nederlandse uitvaartcultuur, dat het besluit na het vertrek van de Fransen in 1813 direct weer ongedaan gemaakt wordt. Pas in 1829 vaardigt koning Willem I opnieuw een verbod uit. Nieuwe begraafplaatsen moeten voortaan buiten de bebouwde kom worden aangelegd, maar er worden nog lange tijd ontheffingen verleend. Tot na het midden van de 19e eeuw wordt er in Amsterdam nog in kerken begraven. Door de groei van de steden worden veel begraafplaatsen overigens al snel weer door de bebouwing ingehaald en omsloten.

 

Verbod om te worden begraven in de kerk

 

Het verbod om 'gewone' stervelingen in de kerk te begraven wordt in de loop der eeuwen regelmatig herhaald, maar daar wordt steeds meer de hand mee gelicht. Eind 16e, begin 17e eeuw hebben gegoede families er graag een flinke duit voor over om in de kerk begraven te worden en dan het liefst zo dicht mogelijk bij het altaar, zodat de heiligheid op hen af zou stralen. Er komt een lucratieve handel op gang; niet in plaatsen in afsluitbare grafkelders – want die heeft het merendeel van de kerken niet gehad -, maar in de verkoop of verhuur van de grond onder de kerkvloer om de lijken in te begraven. Het bezit van een gekocht graf in de kerk is zelfs dermate belangrijk in vroegere tijden, dat de grafstede zelfs als inbreng bij een huwelijk onder huwelijkse voorwaarden of in een testament expliciet naar voren wordt gebracht.


Ook de tegenstanders van het begraven in de kerk roeren zich en krijgen gehoor. Koning Willem I laat een commissie samenstellen om te onderzoeken wat de impact is van het begraven onder de kerkvloer voor de volksgezondheid. De uitkomst van dat onderzoek leidt, met ingang van 1 januari 1829, tot een verbod op het begraven van lijken binnen de kerkmuren. Alleen voor het begraven in bestaande eigen (gekochte) graven wordt nog een uitzondering gemaakt, maar ook hieraan komt een eind als het begraven in de kerken per 1 januari 1866 definitief verboden wordt. Enkel voor het bijzetten van leden van het Koninklijk Huis in de Nieuwe Kerk in Delft wordt nu nog steeds ontheffing verleend.

Na de inval van de Fransen is het begraven in de kerk door Napoleon verboden (uitzonderingen daar gelaten), maar na het vertrek van de Fransen in 1813 begint men opnieuw met het begraven van lijken onder de kerkvloer.

 

Niet alleen het begraven in de kerk wordt verboden, ook het begraven van lijken op het hof van de kerk in steden en dorpen met meer dan duizend inwoners wordt niet meer toegestaan. Deze steden en dorpen moeten, onder eigen beheer, een nieuwe begraafplaats ruim buiten de bebouwde kom realiseren. Voor de kerken is dit het definitieve einde van een eeuwenlange inkomstenbron voor de kerken.

 

Echter, in de Middeleeuwen is geen enkele verklaring gevonden, dat de mensen die in de kerk zijn begraven ‘rijke stinkerds’ zijn genoemd en in de tweede plaatst: er zijn helemaal niet alléén maar rijke mensen in de kerk begraven, alle mensen hebben aanvankelijk een plaatsje gekregen in de kerk, of hun nu om rijke, arme mensen of doodgeboren kinderen ging. De feiten spreken namelijk voor zich. Als we alleen maar kijken naar de grafzerken die er nog liggen, dan vinden we weliswaar alleen maar de rijkere, ‘belangrijke’ personen over het algemeen nog in de kerk, echter ook nog die van ‘gewone’ mensen. Van de laatste groep zijn dat over het algemeen wel veel minder, omdat deze in de loop der tijd zijn geruimd. Bovendien is het zo dat je er flink voor moest betaling. Zo is het gekomen dat een plaatsje dicht bij het altaar het meest in trek is geweest en dus ook het duurst. Men ging er in die tijd van uit dat het altaar de heiligheid uitstraalde van de overledene.

Verder is het vreemd dat de geur in de kerk te ruiken zou zijn geweest, dat is toch ook niet zo op een kerkhof… Daar liggen de overleden diep onder een laag zand verborgen en dat is ook altijd het geval geweest in de kerk. Bovendien lag in de kerk vaak een stenen vloer en was er vaak sprake van een grafkelder. Nee, de rijke mensen kon je in de kerk echt niet ruiken, gelukkig niet.

 

Slechte persoonlijke hygiëne

 

Er is echter nog een tweede verklaring mogelijk. In de tegenwoordige tijde kunnen we genieten van allerlei mogelijk hygiënische maatregelen. We hebben water, zeep en een douche. Dat is vroeger beslist niet het geval geweest. Zelfs in de 17e en 18e eeuw kenden de mensen nog geen shampoo of douche. Bovendien droegen de rijke mensen (vooral in de 18e eeuw een pruik) en wasten ze hun haren niet. De stank is in de tijd daarom vaak niet om te harden en daarom gebruikten de rijkeren veel parfums om die onverdraaglijke stank te verbergen. We moeten ons wel afvragen of mensen in die tijd zich aan mensengeur hebben geërgerd. Nergens treffen we in de periode aan dat er gesproken wordt over het stinken van lichaamsgeur. Het rieken hoort gewoon bij die tijd en de uitdrukking ‘rijke stinkerds’ wordt in die tijd, voor zover we weten helemaal niet gebruikt.

 

 

 

Een ‘stinkerd’ in de 19e eeuw

 

Sterker nog, in de tweede helft van de 19e eeuw komt het woord stinkerd wel voor, maar dan in een totaal andere context, namelijk in de rechtspraak. Dan zien we in kranten dat er regelmatig wordt gesproken over iemand die aangifte doet omdat hij een ‘stinkerd’ is genoemd en dat een belediging vindt, een scheldwoord. En zie daar In het jaar 1860 krijgt iemand in Noordwijk een boete omdat het scheldwoord ‘stinkert’ is gebruikt. De boete bedraagt dan f 0.50 er wordt geschreven “1 persoon wegens het uiten van het scheldwoord stinkert, zonder daartoe uitgetergd te zijn, tot f 0.50 boete, verhaalbaar bij lijfsdwang.”

In het jaar 1879 wordt een vrouw uit Nijkerk ook veroordeeld. Zij heeft iemand uitgescholden voor ‘oude smeerlap en oude stinkert’. Zo wordt in de Arnhemsche Courant van 16 november 1882 geschreven dat de burgemeester een proces-verbaal opmaakt tegen een ontevreden burger die hem ‘leelijke stinkerd’ heeft genoemd. Er komt zelfs een advocaat aan te pas die vindt dat er beslist geen sprake is van een belediging ‘leelijk’ is volgens hem slechts een ‘subjectieve opvatting’ en ‘stinkerd’ eveneens. Iemand zou het bijvoorbeeld kunnen zeggen tegen iemand die sterk naar bepaalde kruiden ruikt of naar paarden, terwijl anderen dat juist een heerlijke lucht vinden.

 

Een 'Geuzennaam'

 

Beledigingen als oude, gemene, verrekte, vuile, smerige stinkerd halen in het begin van de 20ste eeuw veelvuldig de krant. Eind 19de eeuw is voor het eerst sprake van rijke stinkerds, en ook dat is geen compliment. Maar langzamerhand krijgt rijke stinkerd de meer neutrale betekenis van ‘rijkaard’. Zo laat de boef Super zich tegen zijn kompaan Hieper in een Bommelstrip van Marten Toonder uit 1966 ontvallen: “Er wonen hier in de buurt genoeg rijke stinkerds om ons allemaal een onbezorgde oude dag te bezorgen.” De volgende stap is dat rijke stinkerd een 'geuzennaam' wordt. Dat blijkt wel als in 1978 een lief, hip, Zeeuws boerinnetje van 46 jaar een advertentie plaatst voor een “rijke stinkerd voor vakantie”. Ook onlangs las ik in de krant een advertentie waarin een vrouw zich aanbood om met een ‘rijke stinkerd’ op vakantie te gaan. Stinkerd wordt niet meer als scheldwoord gebezigd en rechtszaken over deze term zijn dan allang verleden tijd.

 

Versterkend bijwoord

 

Maar waarom zijn het nu rijke stínkerds? Dat er gekozen is voor stinkerd zal beïnvloed zijn doordat het bijvoeglijk naamwoord stinkend al sinds de 18de eeuw als versterkend bijwoord wordt gebruikt: zo schreef de bekende auteur Justus van Effen in 1734 over een man die stinkend veul van een vrouw hield. In 1782 is sprake van een stad “stinkent vol volk”, en in 1908 schrijft een krant over “de Joden in Rusland, die zo ‘stinkend’ rijk waren”. Uit het gebruik van de aanhalingstekens blijkt dat de uitdrukking toen jong was of gezien werd als spreektaal. Vanaf 1951 is ook stinkend jaloers in zwang.

Het versterkende stinkend is niet beperkt tot het Nederlands: Engelsen spreken van stinking drunk enstinking rich, en Duitsers van stinkreich of stinkend reich. Of de talen elkaar hebben beïnvloed, of dat er sprake is van een identieke, onafhankelijk ontwikkeling, is onduidelijk.

Stinkend
is dus van bijvoeglijk naamwoord met een letterlijke betekenis veranderd in een bijwoord met positief-versterkende betekenis. De laatste stap in de ontwikkeling is dat dit bijwoord opnieuw als bijvoeglijk naamwoord wordt gebruikt, met behoud van de positief-versterkende betekenis. Zijn stinkende best doen, zeggen moderne managers vanaf 1974. Inmiddels is de relatie tussen stinkend of stinkerd en ‘vies ruiken’ volledig uit zicht geraakt, terwijl een relatie met middeleeuwse begrafenisrituelen mogelijk nooit heeft bestaan.

Deze pagina maakt deel uit van www.nazatendevries.nl.
Aan bovenstaande tekst is de uiterste zorgvuldigheid besteed. Desondanks kunnen er best fouten voorkomen.
Constateer je fouten en/of heb je vragen, correcties, aanvullingen...geef die dan aan mij door via mijn E-mail adres.
Laat ook eens een bericht achter in het Gastenboek.
Hoogeveen, 7 juni 2018
Verhaal: © Harm Hillinga
Menu Artikelen.
Terug naar de HomePage.
Top