De bedstee aan de Hamweg te Lageland.
De bedstede in het voorhuis van de bed- en breakfast aan de Hamweg te Lageland (bij Harkstede). (Foto: ©Harm Hillinga, 24 juni 2012).

 

 

Slapen


Onze voorouders zijn veel kleiner van gestalte dan tegenwoordig. In 1863 geldt voor soldaten in het leger een minimum lengte van slechts 1.55 meter. Daarom zijn de bedden ook korter. Bovendien slapen de mensen vroeger, geholpen door veel kussens en peluwen, in een meer opgerichte houding dan nu. Volgens sommige historici doet platliggen in vroegere tijden teveel denken aan de dood. Arme dagloners, arbeiders en vissers wonen vaak in kleine huisjes die uit maar één kamer bestaat. Ander dagloners met een eigen tuintje hebben soms twee kamers. Veel plaats om te slapen is er dan ook niet. Bij grote gezinnen is het een kwestie van inschikken. De kleinste kinderen slapen met zijn vieren of vijven dwars in een bed of in een soort kist. Grotere jongens en meisjes slapen vaak in de stal, op zolder of in de kelder. Tot in de 18e eeuw slapen mensen vaak samen in een gemeenschappelijke ruimte. Van enige privacy is er in het geheel geen sprake. Zelfs in herbergen bestaat de gewoonte dat vreemden bij elkaar in bed kruipen. In veel huizen staat het bed gewoon midden in de huiskamer, zonder alkoof of beschermende gordijnen. In de smalle alkoven die vanaf de 16e eeuw hun intrede doen, kunnen ternauwernood twee mensen heel dicht tegen elkaar liggen. Pas rond de 19de eeuw verhuizen de bedden naar een aparte slaapkamer met deur en slot.

 

 

Het eten van de rijken in de Middeleeuwen.
Het eten van de rijken in de Middeleeuwen. Men eet voornamelijk nog met de handen. (Bron: Detail oude schoolplaat.)

Eten


Warm eten bestaat eeuwenlang vooral uit ' ketelkost': eenvoudig voedsel dat in één pot wordt bereid, zoals brij, pap of hutspot met brood. De hoge graanprijzen in de 18de eeuw dwingen de armen om aardappels te gaan eten en langzaam maar zeker verdringt de aardappel brood en pap van de eerste plaats.


Koffie en thee worden populair. In de 17e eeuw zijn ze al bekend, maar dan worden ze vooral gedronken door de rijken.


Mensen beginnen ook met ook 'fatsoenlijk' eten. Lange tijd heeft men genoeg aan één mes en één lepel om te eten. Het voedsel bevindt zich in één pan of pot, waar met z’n allen uit gegeten wordt. Na deze periode komt daar verandering in. De mensen krijgen betere tafelmanieren, ze gaan drinken uit een eigen beker en een eigen glas en eten met bestek. Ook besteden ze aandacht aan het dekken van de tafel. De vork raakt in de 18e eeuw algemeen in gebruik.


De smaak van mensen verandert ook. De voorkeur voor zurig en kruidig buigt om in de richting van zoet. In andere landen is dit vaak anders. Dit verklaart ook de opmars van de suikerfabrieken in latere jaren in heel Nederland.


In deze periode eet de Nederlander twee keer per dag brood en één keer warm, meestal 's avonds. Naast brood is pap populair en de pannenkoek natuurlijk. Tot ver in de 20e eeuw staat bij veel gezinnen de pannenkoeken elke morgen op het menu. Ik herinner me nog goed dat ik zeker tot mijn zestiende jaar elke morgen twee stevige, dikke pannenkoeken voorgezet kreeg.


De warme maaltijd varieert van een stevige stamppot tot een in aparte pannen gekookte maaltijd van aardappelen, verse groente en vers gebraden vlees met jus, al dan niet voorafgegaan door soep en afgesloten met een toetje.


Aan de andere kant is er ook sprake van smaakvervlakking: onder invloed van de vele huishoudscholen, waar ook meisjes uit de hogere burgerij op zitten, verdwijnen de kruiden, uien en knoflook uit voorraadkasten om pas aan het einde van de 20e eeuw weer terug te komen.

 

Ostia toiletten uit de Middeleeuwen.
Oud Romeins openbaar toilet (Bron: Wikipedia).

 

 

Een toilethuisje boven een sloot.
Een toilethuisje boven een sloot. (Bron: Wikipedia).

Sanitair


Privacy bij het toiletgebruik is iets dat we pas kennen sinds de uitvinding van de moderne, op riolen aangesloten wc. Daarvoor wordt er op het platteland gebruik gemaakt van meerpersoons latrines. De mest die via de latrine in een beerput terecht komt, wordt door de boeren over het land gestrooid. Deze mest wordt gezien als een vruchtbare zege voor het land. Ook de arbeiders beschikken over een eigen voorziening om hun behoefte te toen. Dit gebeurt soms in een apart hokje achter het huis. ’t Huuske, schietgemak, plee, shiethoes, deuse, tusie, zijn benamingen zoals die in Groningerland voorkomen. In de plank waar je op zit, heeft men een rond gat gemaakt, waaronder een emmer staat. Oude kranten worden gebruikt als toiletpapier en de emmer wordt geleegd in de tuin bij de rabarber op de prei.

In de steden en dorpen wordt gebruik gemaakt van de sloten, vlieten etc. en het heeft lang geduurd voor de mensen zich bewust worden van de risico's die hieraan verbonden zijn.

Het met micro-organismen besmette beervocht sijpelt vaak in nabijgelegen waterputten en kan zo tyfus of cholera veroorzaken. De mensen denken in die tijd dat de besmetting veroorzaakt wordt door de stank. Pas veel later, in de 19e eeuw, worden de echte verantwoordelijken (namelijk bacteriën) ontmaskerd.

 

 

Partnerkeuze


In alle milieus wordt het huwelijk vooral beschouwd als een belangenkwestie en pas in de tweede plaats als een gevoelskwestie. Naast de liefde laten de trouwlustigen zich in belangrijke mate leiden door de materiële welvaart van de toekomstige schoonfamilie.
Huwelijkspartners zijn bijna altijd afkomstig uit dezelfde sociale klasse. Mensen zoeken hun partner bij voorkeur in de eigen woonplaats. Je ontmoet elkaar op het werk, op feesten en bij kermissen of bedevaarten.


De rijken zijn noodgedwongen wat mobieler omdat het vaak moeilijk is om een geschikte, vooral vermogende, partner te vinden in de eigen woonplaats. Wie toch een partner zoekt buiten de eigen dorpskern gaat niet verder dan in een straal van zo'n 10 km. Als een meisje een vriend heeft uit een ander dorp, wordt deze nieuwkomer vaak als een vreemde vogel gezien. Hij moet zich tegenover de plaatselijke huwelijkskandidaten verdedigen en vechtpartijen zijn aan de orde van de dag. In dorpen komt het ook vaak voor dat er wordt getrouwd met een neef of met een nicht. In het ene dorp komt dat vaker voor dan in het andere dorp.

 

 

Onwettige kinderen


De meeste onwettige kinderen komen voor in de volksklasse (dienstmeiden, dagloonsters, spinsters en fabrieksarbeidsters). Deze vrouwen laten bij een huwelijksbelofte sneller hun principes varen in de hoop door het huwelijk hogerop te komen. Dienstmeiden zijn bovendien vaker aan seksueel misbruik blootgesteld. Ze zijn direct afhankelijk van hun baas waardoor ze handtastelijkheden moeilijk kunnen afwijzen. In de zelfstandige beroepsklassen komen nauwelijks onwettige kinderen voor. De dochters van ambachtslieden werken in de winkel van hun ouders en de dochters van boeren worden ingezet op de ouderlijke boerderij. Ze blijven, in tegenstelling tot de dienstmeiden en dagloonsters, thuis wonen en ontsnappen dus niet aan de ouderlijke controle. Ook krijgen meisjes uit rijkere families een ‘chaperonne’ mee om te waken over hun maagdelijkheid.


De toekomstperspectieven voor ongetrouwde moeders zijn niet rooskleurig. Zwangere vrouwen doen er daarom alles aan om hun verleider alsnog te strikken voor een huwelijk. Slagen zij daar niet in, dan worden ze het mikpunt van spot en meestal komen ze in een vicieuze cirkel van werkloosheid en armensteun terecht. Slechts zo'n 40% van de ongehuwde moeders slaagt erin om na de bevalling alsnog te trouwen. Veel vrouwen verhuizen naar de stad om hun familie de schande te besparen en de zwangerschap voor hun directe omgeving te verbergen. Sommige ongehuwde moeders raken aan lager wal en komen in de prostitutie terecht.
Vanaf 1890 doen anticonceptiemiddelen hun intrede en daalt het aantal onwettige kinderen.

 

 

Huwelijk


Vanaf de Middeleeuwen heeft de Kerk het monopolie over het huwelijk. In de latere Middeleeuwen en de nieuwe tijd ontwikkelen zich allerlei bewegingen die de invloed van de Kerk op het huwelijk probeert te verminderen. Het is wachten tot in de 18de eeuw voordat er meer concrete plannen gemaakt worden.


Velen kiezen echter nog voor een kerkelijk huwelijk, maar dat moet dan wel plaatsvinden nadat het verplichte burgerlijke huwelijk is ingezegend. Veel voorrechten hebben vrouwen in die tijd niet, maar huwelijken worden bijna altijd gesloten in de woonplaats van het meisje.

 

 

Vernoemen kinderen


Vroeger is het gebruikelijk geweest om kinderen te vernoemen naar familieleden. Daar zijn strikte gewoonteregels voor, welke door de bevolking gebruikt worden. Hieronder volgt een opsomming van de regels:

 

Bij een zoon:
1e zoon vernoemd naar grootvader - vaders vader

2e zoon vernoemd naar grootvader - moeders vader

3e zoon vernoemd naar oom - vaders oudste broer

4e zoon vernoemd naar oom - moeders oudste broer

5e zoon vernoemd naar oom - vaders 2e broer

6e zoon vernoemd naar oom - moeders 2e broer, enz. enz.

 

Bij een dochter:
1e dochter vernoemd naar grootmoeder - moeders moeder

2e dochter vernoemd naar grootmoeder - vaders moeder

3e dochter vernoemd naar tante - moeders oudste zus

4e dochter vernoemd naar tante - vaders oudste zus

5e dochter vernoemd naar tante - moeders 2e zus

6e dochter vernoemd naar tante - vaders 2e zus, enz. enz.

Vernoemingen in Nederland.
Afb. Het kaartje is ontleend aan ‘Voor- en familienamen in Nederland’ van R.A. Ebeling die het weer ontleende aan een studie naar het vernoemen van D.P. Blok uit 1954.

 

Er zijn uitzonderingen op die regels. Bijvoorbeeld dat overleden familieleden, uit een andere generatie als het kind, de prioriteit bij het vernoemen hebben.


Daarbij moeten we niet vergeten dat patroniemen veelal worden doorgezet tot rond 1811. Een patroniem of vadersnaam is een naam al dan niet officieel, die aangeeft hoe de vader van de naamdrager heet. Nederlandse familienamen als Jans(s)en, Willemsen (Willemszoon) en Hendriks zijn oorspronkelijk patroniemen. Men noemt dat versteende patroniemen.


In Noord-Nederland geven de uitgangen als -ma of -sma dit aan (voorbeeld Jansma, Broersma en Gjaltema). Dit zou oorspronkelijk een verkorting van het woord man kunnen zijn. In bepaalde gedeeltes van Zuid-Nederland is het gebruikelijk geweest om zowel een patroniem als een familienaam te gebruiken, bijvoorbeeld ‘Jan Jans van Galder’. Soms worden daarbij meer generaties vermeld: Gerrit Peter Wouters Jans van der Schuur (Gerrit, zoon van Peter, zoon van Wouter, zoon van Jan).


In ruimere zin kunnen ook de in Groningen, Drenthe, Overijssel en Gelderland voorkomende familienamen op -ing of -ink tot de patroniemen worden gerekend: Wiebing = afstammeling van Wiebe; Wesselink = afstammeling van Wessel. Maar omdat het achtervoegsel -ing, -inga in de Nedersaksische streektalen een ruimere betekenis ‘behorende bij’ heeft, wordt het in achternamen ook wel aan andere woorden gehecht: Banning, Veltink, Waterink. Het algemeen Germaanse suffix -ing is overigens zeer oud. Zo worden de afstammelingen van Karel Martel Karolingen genoemd.


In Friesland zijn patroniemen hier en daar nog in officieus gebruik. De naam van de vader met de genitiefuitgang -s wordt daarbij soms gevolgd door de achternaam, zoals in Pieter Jelles (Troelstra). In het Noord-Brabantse Liessel spreekt men tot voor kort nog van Tijsse Toontjes Grardje als men Grard Janssen (1878-1951), daarmee wordt de zoon van Toon Janssen en de kleinzoon van Tijs Janssen, bedoeld. In het Nederlands komt -dochter ook soms voor (1).

 

 

Vernoemingen en het recht


Uit verschillende verhalen uit het verleden blijkt dat je een kind niet zomaar de naam kunt geven die jezelf kiest. D. Mulder, wethouder en ambtenaar van de burgerlijke stand te Winschoten, moet in 1855 voor de rechter verschijnen. Hij wordt ervan beschuldigd dat hij “eene strafbare daad [had] begaan, door in drie geboorte-akten, aan de daarbij aangegeven kinderen, bekende geslachtsnamen als voornamen te geven“.

 

 

De voornamenm Jan Takens, Hindrik Hillinga en Henrie Peerlkamp.
Bronnen: RHC Groninger Archieven (www.allegroningers.nl).

 

 

Mulder heeft in 1854 drie kinderen ingeschreven met de meisjesnaam van hun moeder als tweede voornaam: Jan Takens Mellema (zoon van Geert Mellema en Jantje Takens), Hindrik Hillinga Smit (zoon van Egbert Smit en Trijntje Hillinga) en Henri Peerlkamp Richters (zoon van Albertus Richters en Suzanna Johanna Elizabeth Peerlkamp). Niets bijzonders eigenlijk, want dit soort namen zijn in de 19e eeuw schering en inslag, maar om een of andere reden besluit de officier van justitie in dit geval tot vervolging over te gaan.

Dat Mulder de hem ten laste gelegde feiten heeft begaan, is duidelijk (zie afbeelding), maar is dit eigenlijk wel strafbaar? De officier meent dat deze namen inbreuk maken op de Franse naamwet van '11 germinal an XI', die in de Franse tijd ook in Nederland is ingevoerd. Deze wet beperkt de keuze van voornamen tot namen die op de diverse heiligenkalenders voorkomen of bekend zijn uit de oude geschiedenis. De meeste achternamen zijn daarmee als voornaam uitgesloten.

 

Dat kan wel zijn, meent de rechter, maar de naamwet is sinds de invoering van het Burgerlijk Wetboek in 1838 vervallen. Deze namen zijn dus gewoon toegestaan en Mulder wordt ontslagen van alle rechtsvervolging.

 

De officier laatt het er niet bij zitten en gaat in cassatie bij de Hoge Raad. Die nu oordeelt dat de wet van '11 germinal an XI' ten onrechte als vervallen is verklaard en acht Mulder schuldig.

 

aan het hem bij dagvaarding te laste gelegde feit, hierin bestaande, dat in de drie geboorteakten, door den gerequireerde als ambtenaar van den burgerlijken stand opgemaakt, voorkomt in de eerste als voornaam de de geslachtsnaam Takens, in de tweede als voornaam de geslachtsnaam Hillinga, en in de derde als voornaam de geslachtsnaam Peerlkamp, aan de daarbij respectivelijk aangegeven kinderen gegeven. (HR 4 januari 1856)

 

 

Mulder wordt veroordeeld tot het betalen van drie geldboetes van elk ƒ 3,- en de kosten van de gerechtelijke procedures. De gewraakte voornamen zijn overigens nooit aangepast. Jan, Hindrik en Henri hebben hun hele leven Takens, Hillinga en Peerlkamp als tweede voornaam gedragen.

 

Een collega van Mulder in het nabijgelegen Hoogezand is niet op de hoogte - of niet onder de indruk- van het vonnis van de Hoge Raad. Hij schrijft de op 26 januari 1856 geboren zoon van Jannes Marcus Cremer en Alberdina Takens doodleuk in onder de voornamen Jan Takens. Jan heet dus voortaan gewoon Jan Takens Cremer.

 

 

Echtscheiding


Tot de 20e eeuw is het overlijden van één van de huwelijkspartners de meest voorkomende vorm van huwelijksontbinding. Echtscheidingen komen vrijwel nooit voor. De Kerk beschouwt het huwelijk als een heilig sacrament. Er zijn echter wel twee alternatieven, namelijk de nietigverklaring en de scheiding van tafel en bed. Het grote nadeel van scheiding van tafel en bed is dat de partners gehuwd blijven en dus niet kunnen hertrouwen en kan bovendien alleen worden toegestaan door een kerkelijke rechter. Op grond van overspel en later op grond van ernstige slagen en verwondingen, ketterij en onverenigbaarheid van karakters wordt in een enkel geval een scheiding toegestaan.


Met de invoering van het burgerlijk huwelijk (tussen 1796 en 1825) wordt ook de echtscheiding via de wet geregeld. Vaak wordt het jaartal 1821 aangehouden, maar dit is niet helemaal correct. Het jaar waarin het burgerlijk huwelijk daadwerkelijk wordt ingevoerd is sterk afhankelijk van de plaats. Het aantal feiten waarop na de instelling van het burgerlijk huwelijk een echtscheiding wordt toegestaan wordt beperkt tot overspel, gewelddaden en mishandelingen en veroordeling tot een vernederende straf. Men mag nog wel ‘voor de kerk trouwen’, maar dan nog is een burgerlijk huwelijk verplicht.


Vanaf de jaren dertig van de 20e eeuw worden de toelatingsvoorwaarden voor een scheiding versoepeld dankzij gewijzigde maatschappelijke normen, de emancipatie van de vrouw en het besef dat ingewikkelde procedures scheidingen niet afremmen.

 

 

Hertrouwen


Tot ver in de 19e eeuw worden huwelijken eigenlijk alleen maar ontbonden door de dood. Na het overlijden van de partner hertrouwt men meestal. Mannen hertrouwen sneller dan vrouwen. Zo'n derde deel van de mannen hertrouwt binnen een jaar na het overlijden van hun echtgenote. Het rouwproces van de weduwen duurt langer, ongeveer negen maanden en moet publiek gemaakt worden. Bij weduwen gelden er afspraken en codes betreffende de kledij en sociale contacten.
Hoe landelijker de gemeente, des te langer wachten de weduwen om te hertrouwen, waarschijnlijk omdat de sociale controle in kleine, landelijke gebieden veel groter is. Een tweede rem op het hertrouwen van weduwen is de kinderlast. Hoe meer kinderen een vrouw heeft, hoe langer het duurt voor ze opnieuw trouwt. Ook de leeftijd van de kinderen speelt een rol. Vrouwen, die het alleen financieel kunnen beredderen, hertrouwen niet zo snel en geven de voorkeur om te gaan inwonen bij de volwassen zoon of schoonzoon. De weduwestaat brengt vaak een verslechterde materiële positie met zich mee, maar is ook een bevrijding voor de vrouw. De gehuwde vrouw is rechteloos, terwijl de weduwe het beheer over het vermogen en de voogdij over de kinderen krijgt.
Een derde belemmering voor een tweede huwelijk is de negatieve houding van de samenleving ten opzichte van het hertrouwen van weduwen. De kerk is dan ook geen voorstander van een tweede huwelijk, vooral niet van weduwes. Hertrouwen bij weduwnaars wordt meer geaccepteerd. Zij kunnen de zorg voor de kinderen gebruiken als reden voor een tweede huwelijk. Er rust een taboe op arbeid van een man in het huishouden.

 

 

Levensverwachting


Aan het einde van de 20e eeuw is de gemiddelde leeftijd bij het overlijden van een man ca. 75 jaar en van een vrouw ca. 80 jaar. Rond het midden van de 17e eeuw is dit slechts 25 jaar. Met 45 jaar ben je dan oud. Dit heeft te maken met de hoge kindersterfte, ondervoeding, gebrekkige geneeskunst, epidemieën enz. Tegen het einde van de 18e eeuw bedraagt het gemiddelde 30 jaar en rond 1850 zo'n 35 jaar. Rond 1900 is de gemiddelde levensverwachting opgelopen tot zo'n 45 jaar. In het eerste levensjaar lopen pasgeborenen het grootste risico om te overlijden. Dit is tot ver in de 19e eeuw zo gebleven. Rond 1850 sterft tussen de 15% en 25% van de pasgeboren kinderen in hun eerste levensjaar. Het overlijdensrisico is ook voor peuters zeer hoog. Van elke 100 kinderen overlijdt nog eens 5% tot 10% voordat ze vijf jaar oud zijn. Kinderen van ongeschoolde arbeiders lopen een hoger risico om te sterven dan kinderen uit de hogere sociale lagen, de gegoede burgerij en de beambten.

 

 

Een begrafenis op een kerkhof.

Begraven


In het voorjaar van 785 verbiedt Karel de Grote het verbranden van doden. Alleen bij epidemieën of na grote veldslagen is het nog toegestaan. Vanaf dat moment worden lijken begraven. Aanvankelijk buiten de nederzettingen, maar later wordt vanwege het geloof de voorkeur gegeven aan begraven in of bij de kerk.

In het begin worden alleen belangrijke inwoners en geestelijken begraven in de grafkelders van kerken. Pas enkele honderden jaren later wordt het ook voor anderen mogelijk om zich in de kerk te laten begraven. De voorkeur gaat uit naar een rustplaats zo dicht mogelijk bij het altaar, waarvan de heiligheid af zou stralen op de overledenen. Vanwege de kosten ligt dat echter niet voor iedereen binnen handbereik. Mensen met minder geld komen in een gemeenschappelijke grafkelder. De allerarmsten worden buiten de kerk begraven, op de mindere plaatsen van het kerkhof. Zelfmoordenaars en ongedoopte kinderen worden helemaal op afstand gehouden, zij mogen niet in gewijde grond liggen. Dit is de reden dat pasgeboren kinderen zo snel mogelijk na hun geboorte gedoopt moeten worden, het liefst nog op dezelfde dag.

Het begraven in de kerk gebeurt niet altijd even zorgvuldig. Geruimd wordt er niet, dus de kerken raken overvol. Vanwege het plaatsgebrek kan niet elke overledene een eigen graf krijgen en worden leden van één familie onder dezelfde steen begraven. Overlijdt er iemand uit een familie, dan wordt het graf geopend zodat het lichaam kan worden bijgezet. Dit zorgt voor een doordringende stank in de kerk. Door het herhaald oplichten van de stenen, verzakken bovendien de vloeren waardoor niet alle grafstenen goed meer aansluiten. Het gevolg is dat er in de kerken, bij warm weer, permanent een lijkenlucht hangt.

Door de bevolkingsgroei, een groeiend besef van hygiëne en het gevaar van besmetting gaan er rond 1800 steeds meer stemmen op om het begraven in de kerk te verbieden. In Nederland wordt het begraven in de kerk tijdens het Franse bewind (1795-1813) officieel verboden door Napoleon. Maar het oude gebruik blijkt zo sterk geworteld, dat het besluit direct na het vertrek van de Fransen in 1813 weer ongedaan wordt gemaakt.


Pas in 1829 vaardigt koning Willem I opnieuw een verbod uit. Gemeenten met meer dan 1.000 inwoners moeten vanaf dat moment een begraafplaats aanleggen buiten de bebouwde kom. Particulieren mogen ook een privébegraafplaats aanleggen. Verschillende adellijke families maken van deze mogelijkheid gebruik. Tegelijk met het verzet tegen het begraven in en rond de kerken, ontstaan er een hernieuwde interesse voor crematie.

 

 

De armen


Arme mensen zullen er altijd zijn en blijven. Sommigen worden arm geboren en blijven hun leven lang arm, anderen worden arm doordat ze geen werk (meer) hebben. Armoede komt ook vooral voor bij alleenstaande vrouwen. Ze krijgen geen werk omdat ze voor hun kind willen of moeten zorgen. Het komt ook voor dat de vrouw na de dood van haar echtgenoot niet kan hertrouwen omdat ze teveel kinderen heeft, waarvan een tweede man niet gediend is. Er komen instellingen als gasthuizen, armenhuizen, werkhuizen, weeshuizen, dolhuizen voor krankzinnigen, beterhuizen voor asocialen en tuchthuizen voor armen en criminelen. Als eerste stad in Nederland biedt Groningen, op initiatief van medicus Petrus Camper, in 1763 medische zorg aan armen. Zo krijgt de onderste laag van de bevolking elementaire medische verzorging en kunnen studenten praktijkervaring opdoen (4).

Armenwijk in de stad Groningen anno 1925 in'De Krimp', een gang aan de oostzijde van het Schuitendiep, nrs. 30-1 en 30-10. Nu is dat de Turfsingel tussen de Vlasstraat en Bloemstraat.
Armenwijk in de stad Groningen anno 1925 in'De Krimp', een gang aan de oostzijde van het Schuitendiep, nrs. 30-1 en 30-10. Nu is dat de Turfsingel tussen de Vlasstraat en Bloemstraat. (Bron: ©RHC Groninger Archieven, Id. nr.: NL-GnGRA_1785_2055. Met toestemming geplaatst).

De armenzorg is voor het grootste deel in handen van de ‘gereformeerde’ (protestantse) kerk, de staatskerk van de Republiek.


In de loop van de 17e eeuw gaan echter ook andere instellingen armenzorg aanbieden. Wie in die tijd in de Waalse God gelooft, krijgt een aanzienlijk hogere uitkering dan wie de lutherse, katholieke of gereformeerde God aanbidt. Maar de invloed van de kerk neemt af. In de stad Groningen heeft de magistraat voor 1594 al het toezicht op een groot deel van de zorginstellingen, in de eeuw daarna streeft hij naar het oppertoezicht over alle gasthuizen. Komt de kerk geld tekort, dan springt het stadsbestuur bij. Naar het eind van de 18e eeuw toe is de gereformeerde diaconie steeds vaker krap bij kas en neemt de rol van de gemeente verder toe.


De armenzorg wordt per wijk geregeld. In elke wijk (kluft) houden twee diakenen toezicht op de armen en kennen uitkeringen in geld en brood toe. In het begin van de 17e eeuw worden ook boter, kleding, schoeisel en turf uitgedeeld. Maar vanaf 1681 eten de armen weer droog brood, de diaconie kan zich geen beleg meer veroorloven. Ook voor straf wordt er wel ‘bezuinigd’. Buursma: “De diakenen kenden hun pappenheimers. Wie zich niet gedroeg zoals het hoorde, werd gekort op zijn uitkering.” (4). Verkwisting, foute huwelijksmoraal, ‘ergerlijk leven’ en ‘quaat gedrag’ worden bestraft. In de 18e eeuw, als het belang van onderwijs toeneemt, worden ook ouders van kinderen die spijbelen van school gekort op hun uitkering.

Foto uit 1914 aan de Moeskersgang in Groningen waaruit duidelijk de woningnood blijkt. Het dak van de woning is enigszins hersteld met asfaltpapier. Naast de woning een rommelhuisje, dat voorheen een openbare w.c. is geweest.
Foto uit 1914 aan de Moeskersgang in Groningen waaruit duidelijk de woningnood blijkt. Het dak van de woning is enigszins hersteld met asfaltpapier. Naast de woning een rommelhuisje, dat voorheen een openbare w.c. is geweest. (Bron: RHC Groninger Archieven, vervaardiger P.B. Kramer. Id.nr.: NL-GnGRA_1785_9539. Met toestemming geplaatst).

Oorlog en vrede hebben grote invloed op de armenzorg. Als garnizoensstad herbergt Groningen in vredestijd grote aantallen werkloze soldaten; in oorlogstijd blijven hun vrouwen en kinderen berooid achter. Toch maken er relatief weinig mensen gebruik van de armenzorg: rond 1700 maar zo’n zeven tot tien procent van de bevolking; in andere steden kan dat oplopen tot wel twintig procent. Een harde verklaring heeft Buursma niet. “Er was niet veel nijverheid in Groningen, zoals in een vergelijkbare stad als Leiden. Groningen was meer op landbouw georiënteerd, en daardoor misschien minder conjunctuurgevoelig.” (4)
Door de sterke sociale controle is frauderen met uitkeringen bijna onmogelijk. Wie bijvoorbeeld inkomsten uit werk verzwijgt, loopt al snel tegen de lamp wanneer een diaken met de buurman of een familielid spreekt. Buursma: “Het is een gewaagde stelling, maar misschien fraudeerden degenen die de uitkeringen verstrekten nog het meest.” (4). In zijn onderzoek stuit hij onder meer op verhalen over bakkers die te weinig meel in het brood voor de armen stoppen, beheerders van weeshuizen die feestjes bouwen met de pannenkoeken en het spek waarmee ze weeskinderen behoren te voeden, en een kistenmaker die zulk slecht hout voor een lijkkist voor de diaconie gebruikt, dat het lijk er bij het dragen doorheen zakt (4).


Op het platteland wordt de armenzorg in het begin uitsluitend uitgevoerd door de diaconie van de plaatselijke kerk. Het is ook de diaconie die de strenge regels daarvoor opstelt. Zij bekostigen immers de armen met hun eigen collectes, giften en opbrengsten uit bezittingen, zoals eigendommen van grond en verhuur van zitplaatsen in de kerk en de inkomsten van begrafenissen en huwelijken. Over het algemeen worden de armen meestal niet bedeeld met geld, maar in de vorm van geld, voedsel, kleding en brandstof en soms ook geneeskundige hulp. Ook zijn er lijsten bekend van armen die de bedeling krijgen in de vorm van brood- en gortuitdelingen en er zijn lijsten van personen die een ‘boezeroen’ of een paar kousen krijgen, of hout en turf.
Een diaconie kan de armen ook zonder meer de diaconie uitzetten, omdat persoon in kwestie afkomstig is uit een ander kerspel en niet beschikt over geldige papieren.


In de Stad is men steeds meer beter af. Naast subsidies aan de armbesturen draagt de gemeente ook de kosten van de werkhuizen, het stadsziekenhuis en de wedde van vroedvrouwen en heelmeesters die voor de armlastigen werken. Daarnaast betaalt zij de Maatschappij van Weldadigheid voor de personen die ten laste van de stad in de koloniën zijn geweest. Over het algemeen zijn dat de bedelaars.

 

 

 

 

Literatuur en bronnen:

 

01. Wikipedia

02. Het geheugen van Nederland

03. Instituut voor Nederlandse Geschiedenis

04. Albert Buursma. Albert Buursma (1960) heeft geschiedenis gestudeerd aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hij promoveert op 2 juli 2009 tot doctor in de letteren bij prof.dr. M.G.J. Duijvendak. Het promotieonderzoek wordt gefinancierd door Stichting Erven A. de Jager uit Groningen. Buursma publiceert en ontwikkelt projecten met name op het gebied van de regionale geschiedenis van Noord-Nederland. ‘Dese bekommerlijke tijden’ (Van Gorcum, Assen) is de handelsuitgave van het gelijknamige proefschrift.
05. Vernoeming.nl.

.

 

 

Deze pagina maakt deel uit van www.nazatendevries.nl.

Aan bovenstaande tekst is de uiterste zorgvuldigheid besteed. Desondanks kunnen er best fouten voorkomen.
Constateer je fouten en/of heb je vragen, correcties, aanvullingen...geef die dan even aan mij door via mijn E-mail adres.

 

 

 

Hoogeveen, 24 oktober 2012
Update: 8 augustus 2020.
Verhaal: © Harm Hillinga
.
Menu Artikelen.
Terug naar de HomePage.
Top