xx

 

Afb boven: Wonderlicke Avontuer, Van twee Goelieven, de eene ghenaemt Water-brant, ende de andere Winter-groen. 1624.

Voor de bespreking van het huwelijk in de 17e eeuw, nemen we het boek 'Wonderlicke Avontuur Van twee Goelieven, de eene ghenaemt Water-brant, ende de andere Winter-groen', dat in Leiden is uitgegeven en in 1624 is geschreven ddoor Nicolaes Geelkerck.

Bij de onderstaande tekst heb ik mij grotendeels laten leiden door het verslag van E.K. Grootes e.a. voor de Digitale Biblotheek voor de Nederlandse Letteren.

Het boekje wordt in 1624 te Leiden uitgegeven en omvat slechts een klein boekje van zesendertig bladzijden. Het verhaalt de romantische avonturen van een jongeman en een meisje, voor de gelegenheid Waterbrandt en Wintergroen genoemd, afkomstig uit Oost-Friesland, van wie de liefde wordt gedwarsboomd, doordat de ouders van het meisje haar willen uithuwelijken aan een rijke grijsaard. Als de jongeman uit wanhoop als huurling naar Duitsland is getrokken (waar sedert 1618 oorlog gevoerd wordt), besluit Wintergroen hem te gaan zoeken. Ze simuleert zelfmoord door verdrinking, kleedt zich in mannen-kleren en volgt een Friese huursoldaat naar Bohemen.

De gelieven ontmoeten elkaar toevallig weer, maar raken vervolgens, na in het huwelijk te zijn verbonden, weer gescheiden en beleven zo een opeenvolging van avonturen: Wintergroen valt achtereenvolgens in handen van diverse hoge officieren, die ze zich met moeite van het lijf weet te houden, trekt mee met een marketentster, schenkt het leven aan een kind (van Waterbrandt), dat ze iets later maar net van de verdrinkingsdood weet te redden; Waterbrandt zwerft op zoek naar zijn geliefde van veldslag naar veldslag, raakt gewond, wordt gevangen genomen en ontsnapt weer, neemt deel aan de belegering van Bergen-op-Zoom en lijdt tenslotte schipbreuk op de Noordzee.Uiteindelijk treffen Waterbrandt en Wintergroen elkaar op Walcheren; ze maken een reisje door Holland, maar merken in Friesland aangekomen dat Wintergroens familie intussen door soldaten is uitgeplunderd. Waterbrandt trekt op goed geluk naar West-Indië (dat als een aards paradijs wordt afgeschilderd) en komt met een fortuin terug. Aan het slot besluiten de opnieuw herenigde gelieven samen naar West-Indië te gaan. Het boekje is sinds 1624 nooit herdrukt.

Er zijn verschillende redenen aan te geven voor het feit dat een heruitgave is ondernomen. In de eerste plaats heeft dat te maken met nieuwe interesses van de literatuurhistorici. 'Wonderlicke Avontuer' lijkt te behoren tot een categorie teksten die we als ‘populair proza’ kunnen aanduiden: simpele verhalende teksten in eenvoudige uitvoering, bedoeld voor een ruim publiek. De belangstelling voor dat soort teksten is in de laatste tijd sterk toegenomen. Als men niet alleen maar wil genieten van literaire teksten met ‘eeuwigheidswaarde’, maar wil weten hoe [p. 10] teksten functioneren in de maatschappij, kan de ‘massaliteratuur’ niet buiten beschouwing blijven. Juist die zou moeten kunnen tonen hoe opvattingen van ruimere groepen in een samenleving tot uitdrukking komen in teksten èn omgekeerd beïnvloed worden door teksten. Men zou dan natuurlijk bij voorkeur moeten kijken naar boeken met een grote oplaag, waarin typerende opvattingen zijn neergelegd. Het tegenstrijdige in onze tekstkeus is nu dat 'Wonderlicke Avontuer' tijdens onze werkzaamheden steeds meer ‘bijzonder’ is gebleken: geen conventionele vertegenwoordiger van een populair genre, maar een in Nederland hoogst eigenaardige eenling. Paradoxaal genoeg lijkt dat óók een goede reden om van de tekst een nieuwe uitgave te verschaffen. De eigenaardigheden van de tekst en de wijze waarop hij toch aansluit bij de toenmalige literatuur (in de ruimste zin van het woord) zullen hierachter aan de orde komen. Hier wijzen we er slechts op dat het gaat om een in de eigen tijd spelende liefdesgeschiedenis, die precies gedateerd en gelocaliseerd wordt. Het verhaal speelt zich af tussen ‘gewone’ mensen (geen ridders, prinsessen, arcadische herders of zeerovers) tegen de realistisch getekende achtergrond van het oorlogsgebeuren in de jaren 1622-1623. Elke moralisering ontbreekt: het toegeven van het paar aan hun ‘romantische’ liefde wordt niet afgekeurd, maar naar het schijnt juist door het lot beloond. Het verhaal geeft een helder beeld van het leven in het leger, van de verwarde situatie in het Duitse oorlogsgebied en van de gruwelijkheden van de oorlog, waarbij de plundering van Oost-Friesland opvallend veel aandacht krijgt. Het laatste onderdeel van het verhaal, de schildering van een Westindisch Eldorado, is interessant tegen de achtergrond van de oprichting der Westindische Compagnie kort tevoren. De verhaaltrant is levendig en op veel plaatsen (vooral waar de liefde in het spel is) niet zonder humor. Door die eigenschappen vinden we 'Wonderlicke Avontuer' ook een aantrekkelijke leestekst.


Het boek 'Wonderlicke Avontuer van twee goeleve' bestaat voor een groot deel uit liefdes- en huwelijksaangelegenheden. Onze twee gelieven hebben bijvoorbeeld te kampen met de uithuwelijking van Wintergroen aan een oude man; verder komen ze voor het probleem te staan van het al dan niet bedrijven van de liefde voor de huwelijkssluiting; verloving, huwelijk en bruilofsfeest bevestigen tenslotte hun allesover-heersende liefde voor elkaar.

Bij al deze aspecten kun je je afvragen hoe het in werkelijkheid in de 17e eeuw toegaat. Hoe ziet men dan het verschil tussen verloving en huwelijk en welke moraal geldt er voor verliefde mensen? We zullen dergelijke vragen bespreken en aangeven naar aanleiding van welke passages van 'Wonderlicke Avontuer' ze zich voordoen. Soms levert dit weinig problemen op, terwijl het elders moeilijk is precies aan te geven of een passage in het werk van toepassing is. We komen bijvoorbeeld voor het probleem te staan dat sommige tekstgedeelten uitdrukkingen bevatten, waarvan we de betekenis niet hebben kunnen achterhalen, maar die wel van belang zijn voor de interpretatie van die passage. Ook moeten we ons realiseren dat in 'Wonderlicke Avontuer' literaire conventies voorkomen, waardoor de personen anders denken en handelen dan in de werkelijkheid van de 17e eeuw het geval was. Eveneens blijven bepaalde passages die in het leger spelen onduidelijk, doordat er geen informatie beschikbaar is over huwelijksgebruiken te velde tijdens de 17e eeuw.


xx

 

 
















Afb. boven: Frans Hals, 1622. Olieverf op doek. Huwelijksportret. Een ongedwongen portret van een schatrijke koopman en een knappe burgemeestersdochter, Isaac Massa en Beatrix van der Laen. Ze hebben zich door hun stadgenoot Frans Hals ter gelegenheid van hun huwelijk laten afbeelden. Trots toont Beatrix de ringen aan haar rechter wijsvinger: de onderste is een verlovingsring, de bovenste een trouwring. Isaac heeft zijn rechterhand op het hart gelegd: een gebaar van liefde en trouw.

Uithuwelijking
In de 16e eeuw geldt het als een recht en een plicht voor de ouders om een geschikte huwelijkspartner voor hun dochter(s) te vinden. In de 17e eeuw hanteert men subtielere maatstaven. De ouders mogen hun kinderen niet dwingen tot een hen onwelgevallig huwelijk, maar de kinderen mogen evenmin een verbintenis aangaan waartégen de ouders zich uitgesproken hebben. Toestemming van de ouders is verplicht voor jongens beneden 25 jaar en voor meisjes jonger dan 20 jaar. Als de huwelijkspartners ouder zijn en geen bewijs van toestemming kunnen tonen, worden de ouders ontboden. De magistraat besluit in geval van bezwaren of [p. 24]deze al dan niet gegrond zijn. Verschijnen de ouders echter niet binnen twee weken, dan geldt dit als toestemming. Al met al kunnen we concluderen dat er in de 17e eeuw een verhulde vorm van uithuwelijking mogelijk is geweest. De ouderlijke invloed is nog vrij sterk, hoewel er langzamerhand meer ruimte komt voor een persoonlijke keuze van de huwelijkspartners. In 'Wonderlicke Avontuer' wordt Wintergroen uitgehuwelijkt aan een oude man (r. 36). Blijkbaar valt er aan deze beslissing van haar ouders niet te tornen, aangezien zij een wanhoopspoging (het simuleren van zelfmoord) onderneemt om haar vreselijk lot te ontlopen. Hieruit zullen we kunnen opmaken dat Wintergroen jonger is dan 20 jaar en toestemming van haar ouders moet hebben om met Waterbrandt in het huwelijk te kunnen treden. Haar ouders azen echter op het geld van de rijke, oude man.

In de 16e eeuw is het huwelijk tussen een jong meisje en een oude man een veelvoorkomend onderwerp in de literatuur. Zo'n telkens terugkerend gegeven wordt een topos genoemd. Deze topos van de ongelijke liefde is al populair in de middeleeuwen. Door de eeuwen heen wordt die bezongen in liederen, uitgebeeld in het wereldlijke toneel en verhaald in korte wereldse vertellingen. De inhoud is globaal genomen overal hetzelfde. Vaak handelt het over een oude man, impotent geworden, maar toch nog snakkend naar een jonge, levenslustige vrouw. Met zijn geld probeert hij haar te verleiden. De vrouw, mooi en sluw, trouwt de oude man dan ook alleen maar om zijn geld; ze raakt al snel op hem uitgekeken en neemt een jonge minnaar om haar seksuele behoeften te bevredigen. Of het huwelijk tussen ongelijke partners ook regelmatig in de werkelijkheid voorkomt, is onzeker, al wordt dit voor de 16e eeuw wel verondersteld. Bij 17e eeuwse auteurs komt de opvatting voor dat het jonge meisje nog zo onervaren in het leven staat, dat zij een goede begeleiding nodig heeft. De beste opvoed(st)er is de moeder van het meisje, een vrouw met ervaring, of een oudere man, die het meisje trouwt en haar onder zijn hoede neemt. Zo kan hij haar verder opvoeden en vertrouwd maken met de wereld.

De topos van de ongelijke liefde neemt tegen het einde van de 16e eeuw af in populariteit. Dit kan impliceren dat het verschijnsel in de werkelijkheid ook minder voorkomt, zodat het niet langer actueel is om er over te schrijven. Ook in de 17e eeuw treffen we het onderwerp echter nog aan. In onze tekst komt het immers voor, evenals in het 17e eeuwse blijspel. Het stramien van de oude, rijke man en de jonge, sluwe op geld beluste vrouw is echter niet op 'Wonderlicke Avontuer' van toepassing. Zedelijk gedrag voor het huwelijk bij het bepalen van de sexuele gedragscodes tussen verliefde, ongehuwde mensen in de 17e eeuw, moeten we een onderscheid maken tussen de wenselijkheid en de werkelijkheid. In moralistische werken treffen we unaniem de opvatting aan, dat aanstaande echtgenoten zich moeten beheersen tot na de huwelijkssluiting. Men moest zorgen voor een ongeschonden kuisheid en maagdelijkheid naar lichaam en geest. In werkelijkheid houldt men zich niet zo strikt aan deze voorschriften. In het algemeen gaat men er wel van uit dat sexuele gemeenschap vóór de verloving ontoelaatbaar is, maar na de verloving wil men nog wel een oogje dicht knijpen. De aanstaanden hebben immers de trouwbelofte afgelegd en er is voldoende sociale contrôle om erop toe te zien dat zij hun belofte zullen nakomen. Overigens wordt een losbandige man minder streng veroordeeld dan een losbandige vrouw. De man kan het niet helpen dat de vrouw hem dol maakt, maar zij moet zich leren beheersen. Wettelijk gezien geldt het ontmaagden van een toekomende bruid als een misdrijf, waarbij aan de verloofden een boete kan worden opgelegd.

 

De wet is toch weer niet zó streng, aangezien het geen probleem is als na [p.26] de ontmaagding een huwelijk plaatsvindt. Dergelijke verbintenissen, waarbij de bruid voortijdig zwanger kan raken, vormen geen uitzondering in de 17e eeuw. Het is moeilijk om te bepalen hoe Wintergroen en Waterbrandt met voornoemde conventies omspringen. We kunnen zeker zijn dat de gelieven vóór [r.279-282], waar hun verloving plaatsvindt, niet met elkaar naar bed zijn geweest. Wintergroen zorgt er immers voor dat Waterbrandts gepassionneerde voornemen niet in daden wordt omgezet, aangezien reine liefde niet besmet mag worden. Of hierna de weg tot gemeenschap vrij is, wordt niet geheel duidelijk. In de passages tot aan het huwelijk komen twee stukken in aanmerking waarin de betreffende daad zou hebben kunnen plaatsvinden: r. 285-297 en r. 343-350. De interpretatie van deze scènes wordt echter door een tweetal factoren bemoeilijkt. Ten eerste wordt nergens onomwonden gezegd dat de gelieven met elkaar naar bed gaan; de schrijver laat de interpretatie aan de ‘amoreuse hartjens’ over. Ten tweede gebruikt de schrijver bepaalde uitdrukkingen, zoals ‘Bonjour Jan spelen’ (r. 344) en ‘eenen blinden alarm’ (r. 370) waarvan wij de exacte betekenis niet hebben kunnen achterhalen.

xx

Afb boven: Ongelijke liefde. Gravure door M. Le Blon [p. 25]

Verloving

In de 17e eeuw bestaat de verloving uit een overeenkomst tussen twee personen van verschillend geslacht, waarin zij elkaar als man en vrouw beloven aan te zullen nemen. Men geeft elkaar ter bevestiging een trouwpenning (ring, geldstuk, etc.). Deze overeenkomst heeft een bindend karakter. Zij is niet eenzijdig opzegbaar en beide partijen kunnen elkaar dwingen de belofte na te komen. In 'Wonderlicke Avontuer' vindt de verloving in r. 279-282 plaats.

 

Waterbrand geeft Wintergroen een ringetje (de trouwpenning) en belooft haar nimmer te verlaten, waarop zij hem hetzelfde belooft. Een verloving kan ontbonden worden wegens onkuisheid. Misschien geeft Wintergroen daarom, direct na de belofte, te kennen haar maagdelijkheid nog te bezitten.

Ondertrouw

Vlak voor de ondertrouw worden de huwelijks- voorwaarden opgesteld. Deze vermeldt veelal de giften en goederen die bruid en bruidegom inbrengen. Meestal wordt dit notarieel vastgelegd. De ondertrouw vindt na de huwelijksaangifte en de aantekening daarvan plaats. Omdat men het huwelijk niet meer als een zaak van de kerk alleen beschouwt, kan dit ook gebeuren bij de plaatselijke overheid. De magistraat of predikant onderzoekt vervolgens of de toestemming van de ouders gegeven is. Is dit in orde dan worden [p.27] de huwelijksaf-kondigingen toegestaan en kan men binnen afzienbare tijd trouwen. De ondertrouwbelofte, die men in tegen- woordigheid van getuigen (sponsalia de praesenti) aflegt, is bindend.

 

Het huwelijk is immers reeds begonnen met de ondertrouw. In 'Wonderlicke Avontuer' is de passage waarin de huwelijksvoor-waarden aan de orde komen (r. 387-390) nogal vaag. Een mogelijke interpretatie zou kunnen zijn: door de oorlogssituatie kunnen Wintergroen en Waterbrandt alleen zichzelf aanbieden. Goederen of geld bezitten zij niet. Hun liefde voor elkaar is echter ruim voldoende en huwelijksvoorwaarden behoeven dus niet te worden opgesteld. Het moment waarop de ondertrouw plaatsvindt, wordt nergens met name genoemd. Of deze fase nu overgeslagen wordt, of gelijktijdig met het huwelijk plaatsvindt, is niet duidelijk.

Huwelijk

Cupido

Afb. boven: Cupido

Het huwelijk is pas wettig gesloten als het bevestiging heeft gekregen van predikant of magistraat. De volkszeden zijn hierin soepeler: men beschouwt een paar reeds als getrouwd zodra ze een bindende belofte hebben afgelegd (verloving of ondertrouw) of als ze gemeenschap hebben gehad. Per gebied kunnen de meningen hierover echter verschillen.

 

Het wettige huwelijk van Wintergroen en Waterbrandt met het daarop volgende feest, vindt in r. 385-398 plaats. Hierbij is in het midden gelaten of dit door magistraat of kerk bevestigd wordt. Evenmin wordt vermeld dat de toestemming van de ouders voor het huwelijk noodzakelijk is.

 

Voor Wintergroen is dit begrijpelijk. Zij wordt immers door haar zogenaamde vader, de luitenant, uitgehuwelijkt. Dat Waterbrandts ouders niet genoemd worden zou men in verband kunnen brengen met zijn leeftijd: hij moet dan ouder dan 25 jaar zijn. Ook is het mogelijk dat de bijzondere omstandigheden in het leger bij dit alles een rol spelen.

Bruiloftsfeest

Na de kerkelijke of burgerlijke bevestiging van het huwelijk vindt natuurlijk een groot feest plaats, dat vaak uitmondt in een ware bras-partij. Tijdens het feest treden verwanten of vrienden van het bruidspaar op als ceremoniemeester. Op het feest van Wintergroen en Waterbrandt worden enkele officieren uitgenodigd om het gezelschap te vermaken (r.386-387). Als het feest ten einde loopt, vaak diep in de nacht, voltrekt zich het gebruikelijk ritueel van het bruidspaar ‘te bedde’ te dansen (r. 391). Wilde dansen worden dan om het bruidspaar uitgevoerd, de bruid wordt midden in een ronddansende schare vastgehouden en alle slaap- [p. 28] kamergeheimen worden betast en begluurd. Het gezelschap keert na afloop naar huis terug, maar komt de volgende morgen weer terug om een felicitatiebezoek af te leggen. In 'Wonderlicke Avontuer' neemt het gezelschap zich dit wel voor, maar wordt ervan weerhouden door het plotseling verder trekken van het leger (r.398-401).

Literaire verwerking

Liefde en huwelijk zijn niet slechts belangrijk in de werkelijkheid, ze leveren ook de thematiek voor een aanzienlijk deel van de literaire produktie. Daarbij hebben zich conventies ontwikkeld door middel waarvan de gegevens uit werkelijkheid of verbeelding telkens in een bepaalde belichting worden gepresenteerd. Petrarkistische sonnetten, pastorale romans, didactische emblemata en scabreuze kluchten thematiseren elk op hun eigen trant aspecten van de liefde. Idealisering, moralisering en ridiculisering zijn daarbij bekende procédés. Zoals hiervoor al enkele keren is opgemerkt, onttrekt Wonderlicke Avontuer zich enigszins aan gebruikelijke letterkundige categoriseringen en de hier genoemde procédés vinden we er dan ook niet in terug. Lezers van nu zal het misschien zelfs opvallen dat de liefde in dit verhaal, bij alle onwaarschijnlijkheid van het gebeuren, zo ‘realistisch’ wordt geschilderd. Het is niet de kuise zielsliefde die in andere verhalen over hevig beproefde liefdesparen wel voorkomt. De verteller benadrukt met opvallende frequentie het lichamelijk genot dat de twee (herenigde) gelieven aan elkaar beleven. Hij gebruikt daarvoor echter stilistische middelen die de beschrijving ervan toch een bepaalde kleur geven. Op seksuele activiteiten wordt bijvoorbeeld steeds door middel van beeldspraak gezinspeeld. Als Waterbrandt na de herkenning verder wil gaan dan een omhelzing, staat ‘Cupidoos boogh en pijl ghereet’ en is ‘Venus’ schildt niet verre te soecken’.

 

De tekst spreekt over ‘den Krijgh der liefden te aenvaerden, ende Venus wallen te beklimmen’, over ‘haer nieu begonnen spel’, over elkaar ‘een Boheemsche Batalie’ leveren. Als de gelieven in Dordrecht overnachten, leert ‘het kind Cupido Dordts (...) spreken, ende met een soete Pen Hollandts schrijven: wiens woorden over neghen Maenden eerst ghelesen konnen werden.’ Seks wordt niet verzwegen, maar heeft toch een licht taboe-karakter, waardoor er op een bijzondere manier over gesproken moet worden. Een humoristische formulering maakt een mogelijk geladen zaak onschadelijk. Een scherts over seks wordt ingekapseld door de spreker als grapjas te introduceren: (het schip met de gelieven zit vast op een zandbank en zij zijn te kooi gegaan) ‘Den Schipper een Boetsmaker [grappenmaker] zijnde, seyde laet dese twee daer een weynich gheworden [hun gang gaan], ick wedde eer langhe [p. 29]sullen sy ons van hier schuyven.’ Suggestief is ook de manier waarop de relatie tussen een oude man en een jong meisje wordt voorgesteld en de benadrukking van het feit dat voorbijgangers zich erover verbazen dat Waterbrandt en Wintergroen elkaar nog openlijk liefkozen, terwijl ze al een kind hebben rondlopen: zij konden niet geloven ‘dat het Oude mal noch soo soet was, en daer sy so een out kint hadden, dat het joc-speel niet en minderde’. De verteller vermoedt kennelijk dat ook anderen zich aan zulk gedrag zouden kunnen storen, want hij adviseert degene die ‘hier in mocht ontsticht zijn’, te overwegen hoe hij zelf zou reageren als hij na zoveel wederwaardigheden zijn lief zou terugvinden. Zulke bijzonderheden zijn van belang om iets te begrijpen van de houding tegenover seksualiteit in het verleden. Zo helpen niet alleen gegevens omtrent het dagelijks leven in de zeventiende eeuw ons om de tekst te verstaan, maar werpt de tekst omgekeerd een straaltje licht op die voorbije werkelijkheid


Bronnen/ Literatuur:
1. Een goed overzicht van huwelijksconventies in de late 17e en 18e eeuw geeft D. Haks in 'Huwelijk en gezin in Holland in de 17de en 18de eeuw'. Een globale indruk van dergelijke conventies wordt gegeven in 'Het kopergeld van de Gouden Eeuw', deel II van A.Th. van Deursen. De topos van de ongelijke liefde in de 16e eeuwse literatuur wordt uitgebreid behandeld in de doctoraalscriptie van E. Fleurbaay 'Ongelijke liefde in de zestiende eeuw'. Voor de juridische opvattingen rondom het huwelijk is Geschiedenis van het Nederlandse huwelijksrecht van L.J. van Apeldoorn een goede inleiding. Boeken als 'Van vrijen en trouwen' van N. de Roever en 'Verloving en huwelijk in vroeger dagen' van L. Knappert zijn aardig om te lezen, maar zijn niet systematisch opgezet en geven geen verwijzingen naar de gebruikte bronnen.
2. DBNL, Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse letteren, E.K. Grootes e.a.

 


 

Aan bovenstaande tekst is de uiterste zorgvuldigheid besteed. Desondanks kunnen er best fouten

voorkomen. Constateer je fouten en/of heb je vragen, correcties, aanvullingen...

geef die dan even aan mij door via mijn E-mail adres.

Hoogeveen, 27 jan. 2010
Verhaal: © Harm Hillinga

 

Terug naar menu 'Artikels en Colums'.
Terug naar de HomePage