Geschiedenis van Noordlaren

We bevinden ons in het landschap Go en Wold of zo als het tegenwoordig wordt genoemd het Gorecht. Dit gebied behoorde oorspronkelijk met de stad Groningen tot Drenthe. Noordlaren ligt met zijn beschermd dorpsgezicht op de oostelijke helling van de Hondsrug op de grens van het Hunzedal. Vijfduizend jaar geleden woonden hier al mensen. Als een stille getuige hiervan ligt het hunebed uit de Trechterbeker cultuur op de Noordlarer Es (ongeveer één kilometer zuidwestelijk van de kerk). Het is niet waarschijnlijk dat er dan al sprake is van continue bewoning. Zo rond het begin van de jaartelling zullen de mensen zich hier definitief hebben gevestigd. Noordlaren wordt voor het eerst genoemd in een inkomstenregister uit 1160 van het klooster Werden aan de Ruhr in Duitsland. Het is als een typisch Drents Hondsrugdorp ontstaan waarbij de woningen en de boerderijen werden gegroepeerd met de achterzijde naar het centrum van het dorp, de brink. Bij de wierdedorpen in Groningen stonden de woningen en boerderijen precies andersom. Hier stonden de ze met het woongedeelte naar het centrum en met de achterzijde naar de ossegang. Tot de zeventiende eeuw bestond Noordlaren uit een groepje langhuisboerderijen rondom de beide essen, een aantal kleine woonhuizen en de kerk aan de rand van het dorp. Er staan nog steeds een aantal boerderijtypes uit verschillende perioden in het dorp zoals de Drentse dwarsdeelboerderij, het type met een Friese schuur en de forse Oldambsterboerderij. Van het oude langhuistype is er geen enkele overgebleven. Twee boerderijen behoorden in de middeleeuwen niet toe aan de inwoners van het dorp. één was eigendom van de Bischop van Utrecht die zowel kerkelijk als wereldlijk de macht had in het Gorecht. Naast de bischop van Utrecht bezat het klooster van Werden aan de Ruhr hier een boerderij. Bij die kloosterboerderij werd een klein houten kerkje gebouw die wellicht in de loop van de eeuwen is uitgegroeid tot de huidige kerk. Het gebouw was voor de hervorming gewijd aan St. Bartholomeüs. Het Gorecht vormde samen met de stad Groningen en het graafschap Drenthe het aartsdiakonaat Sint Marie. De St. Maartens- of Martinikerk in Groningen was de moederkerk van het Gorecht.   

 

De Bartholomeüskerk van Noordlaren. Foto: Wikipedia.

De zaalkerk van Noordlaren

Zoals u ziet hebben we hier te maken met een zaalkerk voorzien van een smaller rechtgesloten koor en een westtoren. Uit een onderzoek bij de laatste restauratie in de jaren zeventig zijn sporen van een houten kerkje ontdekt. Zowel bij de noordwand als bij de zuidwand zijn een aantal paalkuilen teruggevonden. Dit kerkje had een lengte van ongeveer 9 meter en een breedte van 6½ meter en is drieschepig geweest. Bij het onderzoek tijdens de restauratie kon niet worden nagegaan of het bakstenen koor ook een houten voorganger heeft gehad.

 

De huidige kerk is in verschillende fasen ontstaan. Als eerste werd het koor aan het eind van de 12e eeuw gebouwd. Het behoort met de kerken van Eenum, Oosterwijtwerd en Marsum tot de vroegste Romaanse baksteenbouw van Groningen. Het klein rondboogvenster en het rondbogig poortje in de noordmuur stammen uit deze periode. De ruimte was overwelfd met een koepelgewelf. De bouw van de toren volgt zo rond het jaar 1200. De beide onderste geledingen, die versierd zijn met spaarvelden, stammen uit deze periode. We hadden toen dus een situatie die bestond uit een bakstenen koor en een bakstenen toren met daar tussen een houten schip. In het begin van de 13e eeuw werd dit houten schip vervangen door een eenbeukig schip van baksteen met twee traveeën. Oorspronkelijk heeft men de bedoeling gehad het schip te overwelven. Sporen van muraalbogen en penanten (muurdammen) zijn bij de restauratie terug gevonden, maar de bouwplannen werden gewijzigd want de gewelven zijn niet aangebracht. De beide portalen aan de noord- en zuidzijde in de westelijke travee stammen uit deze periode. Tijdens de restauratie wezen sporen in de grond uit dat het hoofdaltaar tegen de oostwand van het koor heeft gestaan. Aan weerszijden van de triomfboog zijn de fundamenten van de beide nevenaltaren gevonden.

 

Gelijktijdig met de bouw van het bakstenen schip werd het koor voor de eerste keer verhoogd om een meloenvormig gewelf te kunnen aanbrengen. Deze verhoging is aan de buitenzijde duidelijk zichtbaar aan het type baksteen wat gebruikt werd. Ook zullen toen de beide rondboogvensters aan weerszijden van het oorspronkelijke venster zijn ingebroken. In de tweede kwart van de 13e eeuw werd het schip gewijzigd. De oorzaak van deze wijzigingen is mogelijk een twist tussen de stad Groningen en Drenten. Bekend is dat in de 13e eeuw een behoorlijke schade aan de kerk werd hersteld en de gewelfbouw werd gestaakt. Een tijdgenoot schrijft in de Narracio dat de Groningers bijgestaan door de Hunsegoërs in het voorjaar van 1231 de Drenten en Fivelgoërs achtervolgden nadat deze vergeefs de stad hadden belegd. Ze trokken het grondgebied van Lare binnen, plunderden het dorp en stichten er brand. Ook de kerk kwam niet ongeschonden uit de strijd. Er werd altijd aangenomen dat het de kerk van Zuidlaren betrof maar daar stond nog geen kerk. Deze kerk is ongeveer dertig jaar (1264) later gebouwd en er is niets bekend van een voorganger. Het is dus heel goed mogelijk dat het de kerk van Noordlaren was die geplunderd werd. Bij het herstellen van de kerk werden zowel aan de noord- als aan de zuidzijde drie steunberen aangebracht. De drie langwerpige rondboogvensters in de beide lange gevels waren gelijkmatig over het schip verdeeld. Hierdoor zitten de middelste steunberen niet in het midden van de muur maar zijn opgeschoven naar het westen. Onder de vensters was een waterlijst aangebracht die later is afgehakt. Na het veranderen van het schip voltooide men in de tweede helft van de 13e eeuw de toren.

 

Latere wijzigingen en toevoegingen

In de gotische tijd, omstreeks de 15e eeuw, werd het koor voor de tweede keer verhoogd om het huidige kruisgewelf te kunnen

aanbrengen. In die zelfde tijd werden in de oost- en zuidgevel van het koor en wellicht ook in de zuidgevel van het schip gotische vensters uitgehakt. Deze werden voorzien van stenen montants. De grote vensters in de noordgevel zijn waarschijnlijk later aangebracht. Verder zijn er nog een aantal wijzigingen uitgevoerd zoals het verlagen van de dakhelling van zowel koor als schip. De kerk werd in de eerste kwart van de 17e eeuw (1613-1614) in- en uitwendig bepleisterd en gewit. Dit werd later in de tweede helft van de vorige eeuw (1874) nog eens overgedaan maar nu met een veel dikkere laag pleisterlaag.

 

De Bartholomeüskerk van Noordlaren. Foto: Wikipedia.

Omdat de pleisterlaag van het gebouw tijdens de restauratie is verwijderd kunnen we een deel van de bouwgeschiedenis van de muren aflezen. De noordwand van het schip heeft drie originele steunberen. Elk muurvlak heeft een spitsbogig venster met houten roeden. Duidelijk zichtbaar zijn de resten van de oorspronkelijke vensters. In de westelijke travee zit een dichtgemetselde rondbogige toegang in een rechthoekige omlijsting met aan de bovenkant een vierkante verhoging. Een dichtgemetseld rondbogig poortje en een klein rondboog venster in de noordwand van het koor stammen nog uit de eerste periode. De ophoging is duidelijk zichtbaar door de harder gebakken stenen van een kleiner formaat. De rechtgesloten oostwand van het koor heeft een gotisch spitsboog venster. Aan weerszijden van het venster zijn resten van de beide buitenste romaanse vensters zichtbaar gebleven. Ook hier is weer duidelijk de latere ophoging te zien. Opvallend is de versiering van de gevel met schuin gemetselde stenen. Het spitsbogig venster in de zuidwand van het koor stamt uit de gotiek. Het oorspronkelijk Romaans portaal werd vervangen door een grotere ingebroken doorgang. De drie steunberen aan de zuidzijde zijn in de loop van de eeuwen vernieuwd, daarbij gebruikte men een kleiner formaat steen. Evenals in de noordgevel zijn in de zuidgevel nog sporen van de oude romaanse vensters te zien naast de gotische spitbogige vensters. Het rondbogig portaal is hier eveneens dichtgemetseld. In de oostelijke travee is nog een dichtgemetseld laag venster zichtbaar die zicht gaf op het zijaltaar.

 

Zowel aan de noord- als aan de zuidzijde van het schip loop een plint die wordt afgedekt door een rollaag voorzien van een kwartrond profiel. Het muurwerk wordt afgesloten door een uitgekraagde profiellijst in de vorm van een ojief die bestaat uit twee rollagen, de onderste met een kwartbol en de bovenste met een kwarthol profiel. De beide kleine rechhoekige vensters in de westelijke travee zijn ongetwijfeld aangebracht om meer licht onder de orgelgalerij te krijgen. De onderste beide geledingen van de toren zijn versierd met spaarvelden. In de eerste geleding bevinden zich aan de noordzijde twee spaarvelden afgedekt door rondbogen. Aan de zuidzijde zitten eveneens twee spaarvelden maar hier zijn ze afgedekt door twee gekoppelde bogen die in het midden rusten op tufstenen kraagsteenjes. In de westzijde bevindt zich een rondbogig portaal die geflankeerd wordt door twee smalle spaarvelden die worden afgedekt door rondbogen. De tweede geleding is aan de noord-, west- en zuidzijde versierd met één breed spaarveld die is afgedekt door twee gekoppelde bogen. In deze spaarvelden zitten smalle, hoge lichtspleten. Het vlak opgaande bovendeel van de toren is onversierd en afgedekt met een zadeldak. Duidelijk zichtbaar is dat de beide topgevels later vernieuwd zijn met een kleiner formaat steen. Op de toren prijkt een windwijzer van siersmeedwerk met een paard. De klok werd in 1712 gegoten door Tittie Goossens.

 

Door een met een rondboog afgedekte doorgang van de toren naar het schip betreden we de kerk. Dit portaal stamt nog uit de periode rond 1200. Het schip is afgedekt met een blauwgrijs geschilderde houten balkenzoldering. In de westelijke travee bevinden zich de beide dichtgemetselde portalen. Het portaal aan de zuidzijde is gevat in een segmentboognis en aan de noordzijde heeft de nis een omlijsting met een lichte kepervorm. Duidelijk zichtbaar zijn de balkgaten voor het vergrendelen van de deur. Verder ziet u naast de preekstoel een kleine kepernis. Op de scheiding van schip en koor bevindt zich een vrij spitse triomfboog met een rechthoekige verspringing. Tijdens de restauratie werden resten van een schildering boven de triomfboog ontdekt. Het gaat hier om een Apostelfries uit de tweede helft van de 13e eeuw die zich over de hele muurbreedte uitstrekte. Een deel is verdwenen door het verhogen van de triomfboog in de 15e eeuw en een ander deel verdween door de tand des tijds. In het koor is een gotisch kruisgewelf aan gebracht. De dichtgemetselde toegang in de noordwand is afgedekt door een segmentboognis. Boven deze toegang is als een overblijfsel uit het middeleeuws verleden, een wijdingskruis bewaard gebleven. Bij de restauratie werden de grondslagen van het oude zuiderportaal gevonden in de bestaande grotere toegang. Verder bevinden zich een kleine kepernis en een rechthoekige nis in de koorwanden.

 

Tijdens oorlogshandelingen rond het rampjaar 1672 ging de oude preekstoel verloren. In 1675 werd de huidige preekstoel aangeschaft.  De maker van dit meubelstuk is niet bekend. Op de hoeken van de zeszijdige kuip staan getorste zuilen met composietkapitelen. Daartussen rechthoekige onversierde panelen. Ingezwenkte korbelen omsluiten de lampet en eindigen in een bloemknop. De preekstoel wordt afgedekt door een een klein zeshoekig klankbord.

 

De preekstoel en het orgel

De bewoners van Noordlaren hebben vrij laat een orgel aangeschaft. In 1820 werd door N.A. Lohman een nieuw orgel geleverd, een geschenk van dhr. C.H. Tjaden Jullens de bewoner van het Huis te Glimmen. De orgelgalerij werd uit de kas van de diaconie betaald. In 1875 werd het orgel onderzocht door de fa. van Oeckelen en deze stelde vast dat het niet meer te repareren was. De fa. van Oeckelen leverde een jaar later een nieuwe orgel voor fl. 2000,--. Het oude Lohman-orgel was blijkbaar niet zo slecht als men beweerde want het werd doorverkocht aan de Chr. Geref. Ebbingekerk in Groningen en in 1920 werd het oude instrument door de fa. Adema geplaatst in de Geref. Kerk te Stadskanaal waar het tegenwoordig nog staat. Hier zal het eigenbelang van de fa. van Oeckelen ook een rol hebben gespeeld. Het huidige instrument is een balustrade-orgel met gesneden vleugelstukken. Twee buizuinengelen en twee vazen staan op de orgelkast. De galerij rust op gemarmerde Ionische zuilen en is aan de voorzijde versierd met kussenpanelen.

In het schip staan twee bankenblokken met een imitatie eikenschildering.

 

Tegen het eind van de vorige eeuw (1876) werd een nieuwe vloer gelegd van rode zandstenen tegels. Het koor heeft eerst een lemen vloer gehad, waarover later plavuizen zijn gelegd. Ook in het schip werden resten van deze plavuizen vloer gevonden. De kerk bezit nog een fors offerblok uit 1629 die is voorzien van drie sloten. Verder zien we op het koor een drietal ingelijste proclamaties hangen die destijds op de kansel moesten worden voorgelezen.

 

Avondmaalsgerij
Tot slot wil ik u wijzen op het avondmaalsgerij. U ziet een tweetal zilveren avondmaalsbekers. De oudste stamt uit 1652 en werd geschonken door mevrouw Titia Beyma, weduwe van de rentmeester Gerlacius Verrucius. De beker is typisch Gronings. De gehamerde kelk staat op een gegoten voet met engelenkopjes. Op de soldeernaad zit een stekelrand. In de kelk zijn vier ovale cartouche gegraveerd met de geloofssymbolen in  Vredeman-de-Vries-stijl. Aan het begin van de 19e eeuw (1820) werd door de kerkeraad een tweede beker met dezelfde vorm aangeschaft. De zware tinnen klepkan met duimgreep stamt vermoedelijk uit de 18e eeuw. Het gerij wordt gecompleteerd met drie tinnen broodschotels.

 

Bronnen en literatuur:
Publikatie S.O.G.K band III, blz. 1: Het Groninger orgelbezit van de reformatie tot de romantiek; Frans Talstra

Publikatie S.O.G.K. band III, blz. 41: Heiligen op de klei;

Kleur op historische gebouwen; W.F. Denslagen en A. de Vries

Offerblokken in Nederland; K.T. Meindersma

Geloven in Groningen; Red. Dr. G. van Halsema Thzn, dr. Jos M.M. Hermans en
prof. dr. F.R.J. Knetsch

Groninger gedenkwaardigheden; A. Pathuis

Historie van Groningen; Red. W.J. Formsma

Romaanse Kerken van het Noordererf; S.J. van der Molen en Paul  Vogt.

Romaans Vademecum; Ada van Dijk

Geschiedenis van de Bartholomeüskerk te Noordlaren; H.M. Luning

Zij hielden de lampe staande. Geschiedenis van de kerk te Noordlaren; H.M. Luning

Haren, overal anders; Drs. A. van Oorschot en Drs. L. Winter.

Bulletin van de K.N.O.B. 1977, Archeologisch nieuws; H. Halbertsma

Bulletin van de K.N.O.B. 1977, De oude kerk van Noordlaren; G.W.C. van Wezel

 

Deze pagina maakt deel uit van www.nazatendevries.nl.
Aan bovenstaande tekst is de uiterste zorgvuldigheid besteed. Desondanks kunnen er best fouten voorkomen.
Constateer je fouten en/of heb je vragen, correcties, aanvullingen...geef die dan even aan mij door via mijn E-mail adres.
Laat ook eens een bericht achter in het Gastenboek.

 

Hoogeveen, 25 juni 2017.

Tekst: Harm Hofman, naar een lezing gehouden in 1996 voor de Stichting Oude Groninger Kerken.
Samenstelling: © Harm Hillinga
.

Menu Artikelen.
Terug naar de HomePage.
Top