De Nicolaaskerk gezien vanuit de zuidzijde. Foto: Gouwenaar, 27 augustus 2019. Licentie: Creative Commons Naamsvermelding-GelijkDelen 4.0 Internationaal , 3.0 Unported , 2.5 Generiek , 2.0 Generiek en 1.0 Generieke licentie.
De gotische Nicolaaskerk
De gotische Nicolaaskerk van Onstwedde is gebouwd rond 1500 en is sinds 9 november 1971 een Rijksmonument (nr. 34169) en staat aan de Kerklaan nr. 9. De 41,2 meter hoge Juffertoren is zeker anderhalve eeuw ouder dan de kerk.[1] Onstwedde behoort kerkelijk, net als de rest van Westerwolde, tot 1568 tot het bisdom Osnabrück. Het wereldlijke gezag is dan in handen van de vorstbisschop van Münster. De pastoor wordt benoemd door de abt van de Abdij van Corvey bij Höxter, die de keus in de praktijk echter overlaat aan de parochianen.
De kerk is volgens recent onderzoek gewijd aan Jacobus de Meerdere (en dus niet aan Nicolaas), die voorkomt op meerdere pastoorszegels. In 1475 of 1476 is eenmalig sprake van Sunte Nicolaus der hilgen patronen tho Unswede, een heilige die ook op het zegel van Westerwolde uit 1402 voorkomt.[2] Mogelijk is er echter sprake van een verwisseling met Vlagtwedde. Dat de kerk oorspronkelijk aan Nicolaas is gewijd, is onwaarschijnlijk, aangezien de Nicolaasverering pas opkomt in de 12e eeuw terwijl de kerk van Onstwedde vermoedelijk al langer bestaat.
De kerk van Onstwedde vormt in die tijd het centrum van een seenddistrict binnen het aartsdiaconaat Friesland, waartoe ook grote delen van het Emsland behoren. Op grond daarvan mag worden aangenomen dat het huidige kerkgebouw een of meer voorlopers heeft gehad, waarvan de oudste uit de 10e of 11e eeuw moet hebben gedateerd. Omstreeks 1150 wordt de kerk van Unsvede voor het eerst genoemd; het is dan nog de enige kerk in Westerwolde.[3] Pastoor Gerardus Bol noemt zich in 1466 "kerckheer to Unswedde, deken in Vreslant". Hij gebruikt als zegel een afbeelding van Sint Pieter.[4] De vicarius Herman neemt in 1468 deze functie waar en gebruikt daarbij dat segel myns ampts der Dekenije.[5]
De geschiedenis van de kerk
In de 15e eeuw hebben de pastoors van Onstwedde het dikwijls aan de stok met de familie Addinga, die Westerwolde bestuurt namens de vorstbisschop van Münster en de abt van Corvey. In 1474 worden de nieuw gekozen pastoor en diens plaatsvervanger vermoord in opdracht van Haye Addinga. De pastoor wordt achter een paard gebonden en over de grond gesleept totdat hij sterft. Zijn collega wordt vlak voor zijn vertrek naar Rome, waar hij hulp wil zoeken, gedood, waarna zijn huis wordt vernield. Het wangedrag van de familie Addinga leidt er uiteindelijk toe dat de zeggenschap over Westerwolde in handen komt van de stad Groningen.
De overgang van het katholicisme naar het protestantisme in 1594 verloopt in Onstwedde vrij geruisloos. Waarschijnlijk zijn de pastoors al sinds het midden van de zestiende eeuw aanhangers van Luther. Pastoor Albert Colters, ca. 1541 - ca. 1578, heeft als commissaris namens de hertog van Aremberg tevens de leiding van de geestelijke rechtspraak in Westerwolde. Na hem komt Berent tho Unsde, die op zijn beurt in 1589 wordt opgevolgd door lic. Johannes Mensynck (ov. 1606). Mensynk is tevens jurist. Omstreeks 1597 gaat hij over tot de gereformeerde kerk, waarna hij zijn gemeente nog negen jaren dient. Vermoedelijk gaat het om de oud-pastoor van Meppen, Johannes Mensing, die in 1577 zijn ambt neerlegt na een conflict met het stadsbestuur. Hij is tevens kanunnik in Münster en geldt als "het prototype van een lutherse kerkheer", die van alle walletjes eet.[6] De pastoor wordt bijgestaan door een vicarius. Dit zijn onder andere heer Herman (1566) en Henricus Stroet (1589) geweest. Meer hierover onderstaand bij de gegevens van Roemeling.
Ook komen Mensynks opvolgers uit het Duitse grensgebied. Justinus Havenberg (1612-1615) is geboren in Wezel, Matthias Fabricius (1615-ca. 1619) is eerder luthers predikant te Holte-Lastrup (Emsland), maar wordt in opdracht van de katholieke bisschop afgezet. Johannes Friderici (1619), die maar korte tijd bijft, is eveneens een vluchteling uit het prinsbisdom Münster. Johannes Fabricius (1619-ca. 1631/32) volgt zijn vader op; Johannes Henrici Francq (1633-1669) stamt mogelijk uit Oost-Friesland. Michael Borgesius (1670-1672) is de zoon van een immigrant uit Hamburg. Everwinus Molanus (1673-1711) groeit op in Sellingen, maar zijn vader stamt vermoedelijk uit Tecklenburg. Hij wordt opgevolgd door zijn zoon Ernestus Molanus (1712-1734) en diens oomzegger Harbertus Molanus (1736-1768). Hermannus Beekhuis (1769-1774) komt uit Groningen en wordt later predikant in Emden en Bunde. Nicolaus Petri Ross (1775-1777) is geboren in Leer. Johannes Albertus Zeno Meiling (1778-1800) komt uit Lingen. Pas met Adamus Oomkes (1800-1842), zoon van de predikant van Blijham, krijgt Onstwedde weer een voorganger die uit het Groningerland stamt. ---> Meer over de pastoors en predikanten verderop in dit artikel.
In Duitsland hebben de lutheranen over het algemeen weinig problemen met katholieke overblijfselen in de kerk. Dat geldt ook voor de inwoners van Onstwedde. Dit tot ergernis van de strenge calvinisten. Rond het midden van de 17e eeuw wordt nog herhaaldelijk geklaagd over de aanwezigheid van "een scandaleus sacramen(t)shuijs", "een paeps altaer", een miskelk en uitsteeksels waarop eerder heiligenbeelden hebben gestaan. Herhaaldelijk beloven de predikanten te "ijveren tegen de paepsche overblijfselen". Vooraanstaande inwoners pleiten bovendien voor het weer invoeren van de plechtige lijkpredicaties uit het verleden. Pas in 1682 blijkt het altaar verwijderd te zijn. Vermoedelijk heeft men omstreeks deze tijd ook het doopvont afgevoerd.

De doopvont uit 1324. Foto: Gouwenaar, 1 september 2008. Licentie: Publieke Domein.
Onstwedde komt vrij laat in de greep van het piëtisme; vrome boeken als Het innige Christendom van Wilhelmus Schortinghuis zijn rond 1800 nogal populair bij de boerenstand. Ds. Molanus (ov. 1768) is nog een verklaard tegenstander van deze stroming. Maar met de beroeping van ds. Beekhuis worden de bakens verzet. Omstreeks 1832 is er opnieuw sprake van onvrede over de predikant, die men onrechtzinnigheid verwijt. Dit leidt tot de oprichting van een christelijk-gereformeerde gemeente. Sinds beroeping van de populaire predikant Henricus Eskelhoff Gravemeijer uit Midwolda in 1865 behoort Onstwedde tot de bolwerken van de hervormde orthodoxie. De gemeente sluit zich later aan bij de Gereformeerde Bond binnen de Hervormde Kerk.[7][8][9]
Corpus Roemeling
Roemeling gaat terug naar 1428/29. Als hij schrijft:
Hermannus Judicis
De Westerwolde, rector altaris sancti Pontiani alhier, richt in 1428/9 een suppliek tot paus Martinus V die 26 februari 1429 het verzoek om absolutie wegens een door Hermannus op 26 mei 1428 ten huize van de pastoor te Wedde aan een inwoner van Onstwedde toegebrachte verwonding[10].
De zegelring van Hermannus Judicis is in 1987 door de heer J. Kuiper te Termunten gevonden op het terrein van het voormalige klooster Oosterwierum onder Heveskes. Het wapen toont drie lelies, 2 en 1; het randschrift luidt: S.D. HMANNI . IUDICIS.
Jacobus de Meerdere
Verder schrijft hij over Onstwedde het volgende:
Onstwedde wordt voor het eerst vermeld omstreeks 900: In Westerwalde in Uneswido is Meginward dan opbrengsten schuldig aan de abdij te Werden[11].
De aanduiding ‘Westerwald’ duidt reeds op oriëntatie van dit gebied in oostelijke richting. Algemeen wordt aangenomen dat Westerwolde vanuit de oorspronkelijke missiecel Meppen is gekerstend. De band tussen de abdij Corvey en Meppen verklaart ook dat Corvey het patronaat van de kerken in Westerwolde bezat. Voor het eerst zou daarvan blijken omstreeks 1150 wanneer onder de kerken onder het patronaat van Corvey worden genoemd in het bisdom Osnabrück ‘(in?) Westwold, Unsved, Wedde, Sallinge, Vlachtwedde, Vresschenlo’[12].
Leesch echter betoogt dat dit overzicht niet ouder kan zijn dan 1290 en niet jonger dan 1424, derhalve wel veertiende-eeuws is te achten[13].
De vijf parochies ‘Unswede, Vlachtwede, Wedde, Zellynge ac Lee’ worden weer genoemd 18 januari 1316 wanneer het landschap zich wereldlijk onder de bescherming van de bisschop van Munster stelt[14].
Uit de volgorde waarin de parochies worden genoemd mag worden geconcludeerd dat Onstwedde de oudste is geweest.
Het huidige kerkgebouw dateert van ongeveer 1500, de toren uit het midden van de veertiende eeuw[15] is 41 meter hoog en is gerestaureerd in 2024 (Red.).
Door de abdij Corvey waren de Addinga’s beleend met de vijf kerken in Westerwolde en de voogdij over de kerk te Winschoten. De oudst bekende belening dateert van 31 juli 1474[16], maar deze situatie bestond reeds vóór 1400.
De kerk was gewijd aan Jacobus de Meerdere. Deze is afgebeeld op zegels van de pastoors Johannes Lucht (voor 1391)[17] en Albertus Colters (1567)[18].
Het gewelf in de kerk van Onstwedde. Foto: ingezonden.
In een klaagschrift van omstreeks 1475/6 wordt Haye Addinga door het ‘gemeyne lant und bysunder dat kerspel to Unswede’ ervan beschuldigd dat hij niet alleen de overleden pastoor ‘van sinen clederen und clenoden berovet hebt sunder ock des hilghen cruces gueder Sunte Nicolaus des hilgen patronen des hilgen kercke vorgl. …. Untemeliken genomen hefft’ terwijl verder sprake is van ‘der hilgen kercken des hilgen par(ro)chie Nicolai’[19].
Hier blijkt dus duidelijk een Nicolaaspatrocinium dat echter niet in overeenstemming is met de uit twee geheel verschillende perioden stammende zegelindicaties.
In een repertorium van in 1567 nog aanwezige stukken met betrekking tot Westerwolde wordt een akte genoemd van 5 juni 1447 waarbij de pastoors te Onstwedde, Vlagtwedde, Wedde, Vriescheloo en Sellingen verklaren dat zij hun kerken in leen houden van de Addinga’s;[20] het stuk is zelf niet bewaard gebleven. Uit aantekeningen van de drost Mathias Ort blijkt dat ten tijde van de Arenberg’s als heren van Westerwolde de collatie der vijf kerken berustte bij de ingezetenen maar dat de drost namens de landsheer de presentatiebrieven afgaf[21].
Een vicarie wordt hier voor het eerst aangetroffen in 1466[22]. Een vicarie is volgens het Nederlands recht een stichting. Het is oorspronkelijk een middeleeuwse rechtspersoon naar kerkelijk én wereldlijk recht geweest. Vanaf de Reformatie zijn het in Nederland geen geestelijke instellingen meer. Zij krijgen veelal een andere functie en vallen alleen nog maar onder het wereldlijke recht.
Zie verderop meer over de vicarie en de pastorie, zoals in Corpus Roemeling staat te lezen.
De overleveringen
Volgens de overlevering zouden er in de provincie Groningen drie kerktorens zijn gebouwd door drie vrome zusters. In Onstwedde, Schildwolde en Holwierde. De laatste toren wordt in 1806 verlaagd en stort in 1836 geheel in en wordt vervolgens in 1854 afgebroken. Nu resten er nog twee van de drie Juffertorens. De legende gaat als volgt, volgens K. ter Laan in Groninger Volksleven:[23]
Er waren eens drie schatrijke zusters die niets anders deden dan feesten en dansen. Op een gegeven moment gingen ze inzien dat zo'n leven toch wel erg leeg was. Ze zagen in dat ze met hun rijkdom niets goeds deden. Tot dan toe waren ze altijd bij elkaar geweest, maar nu besloten ze uit elkaar te gaan. En waar ieder uitkwam, daar bouwden ze een toren ter ere van God. En die torens moesten precies gelijk zijn. De eerste zuster kwam uit in Holwierde en bouwde daar een toren, de tweede zuster kwam uit in Schildwolde en bouwde daar haar toren, en de derde zuster kwam uit in Onstwedde. Daar staan drie torens die van ver te zien zijn en een lust voor de ogen te zijn.
Waarschijnlijk is de verklaring voor de naam Juffertoren heel wat prozaïscher. Een juffer is een lange dennenstam, die spits toeloopt. Naar analogie hiervan hebben dit soort smalle, hoogoplopende, spitstoelopende torens de naam Juffertoren gekregen.[24]
Er bestaat ook een sage over de wijze waarop de stenen voor de bouw naar de bouwplaats worden getransporteerd:[25]
“De steenoven stond zo'n twee-en-een-halve kilometer verder op de Tichelberg bij Veenhuizen en het verhaal wil dat de stenen door mensen in een lange rij werden doorgegeven”.
Het interieur van de kerk
In de kerk staat een gotisch doopvont van Bentheimer zandsteen, vermoedelijk uit 1524. De RCE dateert deze doopvont echter op 1324. De gotische stijl en het gebruik van de volkstaal zijn daarmee echter in tegenspraak. Dit doopvont wordt, nadat Onstwedde zich aansluit bij de Reformatie, uit de kerk verwijderd. Het komt terecht in de buurtschap Veenhuizen, even ten zuidwesten van Onstwedde. Daar heeft het eeuwenlang dienstgedaan als drinkbak voor vee en waarschijnlijk ook als slijpsteen voor messen. In 1950 biedt de toenmalige eigenaar het doopvont aan de kerk aan. Omdat het kerkbestuur het doopvont 'slechts' in de toren wil plaatsen, trekt de eigenaar zijn aanbod in. In 1989 wordt alsnog een afspraak gemaakt voor terugplaatsing in de kerk en in 1991 worden de eerste drie kinderen uit het oude doopvont gedoopt.[26] In datzelfde jaar heeft de doopvont een opknapbeurt gekregen in Bentheim (Dld).

De doopvont uit 1324. Foto: Gouwenaar, 1 september 2008. Licentie: Publieke Domein.
De eveneens uit de kerk verwijderde altaarsteen ligt helaas buiten de kerk.

Het orgel gebouwd door S.F. Blank in 1981. Foto: Ingezonden.
Het orgel
Het orgel dateert uit 1984 en wordt gebouwd door S.F. Blank.[27]
Het in 1912 gebouwde orgel (A.S.J. Dekker uit Goes) dat in verband met de aanpassing van de galerij is verplaatst in 1929 en vervolgens gerestaureerd in 1970 blijkt in 1979 in zeer slechte conditie te zijn. Er moet een keuze worden gemaakt tussen een ingrijpende restauratie of vervanging. Op advies van een externe deskundigen wordt de keuze gemaakt voor de laatste optie. Vervolgens spitst de discussie zich toe op de aanschaf van een gerestaureerd historisch instrument of een volledig nieuw instrument. Uiteindelijk wordt besloten een nieuw instrument te laten bouwen met een hoofdwerk en rugwerk. Deze keuze biedt twee praktische oplossingen. In de eerste plaats geeft het rugwerk een duidelijk klankuitstraling naar de ruimte onder de galerij, in de tweede plaats worden hierdoor de meeste zitplaatsen gerealiseerd.
In 1981 wordt aan orgelmaker S.F. Blank uit Herwijnen de opdracht gegund. Er wordt een instrument gebouwd met negen registers op het hoofdwerk en acht stemmen op het rugwerk. Bewust is gekozen voor zo compleet mogelijk gedisponeerde manualen. Voor een vrij pedaal is om budgettaire redenen ruimte gereserveerd boven op de balgenkast. Ten aanzien van de vormgeving is voorzien in het in ruime mate toepassen van snijwerk, niet alleen in de pijpvelden maar ook rondom de kassen, zodat een waardig geheel zal ontstaan met het fraai herstelde kerkinterieur. Het orgel is op 7 april 1984 in gebruik genomen.
Kenners zullen het front van het orgel in verband brengen met de 18e-eeuwse Groninger orgels. Bij het detailleren heeft voorop gestaan dat het instrument uniek moet zijn voor wat betreft het uiterlijk, de inwendige structuur en de klankgeving. Tijdens een grote onderhoudsbeurt in 2011 (door Mense Ruiter Orgelbouwers BV uit Zuidwolde Gn) is aan het hoofdwerk nog een stem (Gemshoorn 8') toegevoegd, er zijn nog geen stemmen ingebouwd voor het vrije pedaal (Info: HervormdOnstwedde.nl).

Het sobere interieur van de Nicolaaskerk. Foto: Gouwenaar, 1 september 2008. Licentie: Publieke Domein.
Het portaal
Het portaal aan de noordzijde stamt uit 1713 en is gemaakt tijdens een restauratie van de kerk. Boven de deur zijn twee zandstenen gedenktekens geplaatst, de bovenste steen heeft een Hebreeuwse inscriptie: המקדש יהוה, dit betekent "Het heiligdom des HEEREN". De onderste steen heeft een inscriptie ter herinnering aan de restauratie:
Ernestus Molanus pastor anno 1713 den 14 Julius
is kerk en toren hersteld. Timen Bertels werkbaas Jan Jacob Feci.
De Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed omschrijft de kerk als volgt:
HERV. KERK EN TOREN. Vier traveeën lange en vijfzijdig gesloten gotisch kerkgebouw door netgewelven overkluisd, bij een minstens een eeuw oudere zware bakstenen toren met gemetselde spits; de ingang slechts aan de oostzijde. Aan de noordzijde van de kerk ingangsportaal uit 1713. Op het kerkhof is een steen gevonden waarop de naam van de eerste predikant en jaartal 1606. Doopvont, gedateerd 1324. Klokkenstoel met klok van M. Fremy en A. van Bergen en Zonen, H. van Bergen en C. Fremy, 1812, diam. 118,5 cm.
De Juffertoren van Onstwedde, waarvan de spits geheel is opgemetseld. Foto: Gouwenaar, 29 augustus 2008. Licentie: Publieke Domein.
De Juffertoren
Aan de juffertorens in Groningen is zoals boven al geschreven, een sage verbonden, die onder meer door verhalenverzamelaar K. ter Laan is opgetekend in zijn boek Groninger Volksleven.[28] De sage meldt dat de torens gelijk zijn, maar de torens van Onstwedde en Schildwolde verschillen behoorlijk.
Waarschijnlijk is de verklaring voor de naam Juffertoren heel wat prozaïscher. Een juffer is een lange dennenstam, die spits toeloopt. Naar analogie hiervan hebben dit soort smalle, hoogoplopende, spits toelopende torens de naam Juffertoren gekregen.[29]
De 41,2 meter hoge toren met gemetselde spits dateert uit het midden van de 14e eeuw en staat eerst los van de kerk. De huidige kerk wordt hier pas anderhalve eeuw later tegenaan gebouwd. De toren heeft muren die plaatselijk een dikte hebben van twee meter. Vermoed wordt dat de toren ook is gebruikt als een verdedigingsmiddel. Waarschijnlijk hebben Onstwedders zich bij dreiging in deze toren teruggetrokken. De voormalige gracht met ophaalbrug wijst ook op deze functie.
De toren van de kerk lijkt scheef te staan, maar dat is gezichtsbedrog. Het wordt veroorzaakt door de gedraaide kop van de toren. De lijnen van de achthoekige torenspits verlopen door de draaiing niet helemaal recht en wekken daardoor het beeld op van een scheve toren. Ook hierover bestaat een legende:[30]
De opzichter heeft tijdens de bouw een meningsverschil met de juffer, die de opdracht tot de bouw van de toren heeft verstrekt. Hij moet bakzeil halen, maar neemt wraak door middel van een bouwkundige truc, zodat alle geslachten na hem van zijn wraakneming kunnen genieten.

De torenklok uit 1947. Bron: Ingezonden.
De torenklokken
Tot 1697 heeft de toren van Onstwedde 3 klokken gehad. In 1697 is er één grote klok verkocht aan de hervormde kerk van Bellingwolde waar hij vervolgens is omgegoten voor een nieuwe klok.
Vanaf 1812 heeft de toren maar 1 luidklok. Deze klok is tijdens de Tweede Wereldoorlog door de Duitsers meegenomen en omgesmolten. In 1947 heeft de toren een nieuwe klok gekregen met het volgende opschrift:[31]
De vijand heeft de oude klok genomen
in plaats daarvan ben ik gekomen.
Dat ik mag luiden als weleer,
de mens tot heil en God tot eer.
De pastorie van Onstwedde
Roemeling schrijft uitvoerig over de pastorie van het dorp. Zijn bevindingen en de noten zijn onderstaan volledig overgenomen, maar zijn wel deels taalkundig bewerkt voor de website.
- ca 1391. Johannes Lucht, pastoor alhier, is hier tot omstreeks 1391 in functie geweest (zie hierna).
1391, Memmo, pastoor alhier, zegelt 1 (niet 4) juni 1391[32]. Hij moet daarbij het zegel van zijn voorganger hebben gebruikt gezien het randschrift S IOHES LUCHT[33]. CVRATVS I VNSTW; ten onrechte geeft het Oorkondenboek als omschrijving S MEMMONIS LVNCH CVRATVS I VNSWI terwijl ook de beschrijving van de afbeelding (een ridder met mantel en zwaard) onjuist is. Afgebeeld is een man met baard en grote hoed met een benedenwaarts gericht zwaard in de rechter, en een schelp in de linkerhand, onmiskenbaar Jacobus de Meerdere. De mutatie in het pastoraat zal kort voordien hebben plaatsgevonden, wel zo kort dat een zegel voor Memmo nog niet gesneden was.
1466, Bol, pastoor alhier en deken in Friesland, zegelt als zodanig op 13 november 1466[34].
ca 1470, Else. Omstreeks 1475/6 wordt door de inwoners van Westerwolde bij hun wereldlijke opperheer, de bisschop van Munster, een klacht ingediend tegen Haye Addinga te Wedde. Omdat deze klacht diens vader Egge als overleden noemt moet deze opgesteld zijn na 21 april 1475, de dag waarop Egge door zijn onderzaten wordt vermoord door Alting en voor 7 juli 1476 wanneer de bisschop vonnis wijst in deze zaak[35].
In de klacht wordt door de inwoners van Onstwedde gesteld ‘sodane wyse in vortyden ock enen prester (sc. alhier) vor enen kercheren na des landesutwisinge unde der rechts breve gekoren hadden unde bevestiget na sede des landes unde …. Kercheren Her Else genompt (door) de sollste Haye vaker benompt …’ is vermoord; deze heeft de priester door een paard laten voortslepen tot hij dood is[36].
Haye Addinga wordt na 1444 geboren; Bol is hier in 1466 pastoor. Else kan zijn voorganger zijn geweest maar gezien de leeftijd die Haye zal hebben gehad eerder de opvolger. De woorden ‘in vortiden’ wijzen er wel op dat de gebeurtenis niet eerst onlangs heeft plaatsgevonden. Een en ander kan zich omstreeks 1470 hebben afgespeeld.
ca 1470, N.N. Een volgend punt van de aanklacht tegen Haye is de onlangs gepleegde moord op een andere pastoor alhier. De ingezetenen hebben besloten een priester naar Rome te zenden. Haye Addinga en de zijnen, dit vernomen hebbende, breken ’s nachts in, in het huis van de reeds reisvaardige priester die zij buiten de woningen slepen, mishandelen en folteren en hem ‘in den stroem’ verdrinken. Addinga verbiedt daarop een kerkelijke begrafenis, zeggende dat de priester zelfmoord heeft gepleegd en eist dat het lijk verborgen en verbrand zal worden. Na het zo drie dagen in de woning van de priester te hebben achtergehouden wordt het met toestemming van de deken in ongewijde aarde bijgezet doch later op last van de hoge geestelijkheid van Osnabrück op een gewijde plaats plechtig begraven[37].
Omstreeks dezelfde tijd worden de pastoors te Sellingen en Vriescheloo door Haye Addinga zwaar mishandeld. De pastoor te Wedde wordt niet genoemd die te Vlagtwedde houdt de zijde van Addinga, volgens zijn eigen verklaring.
Emmius noemt reeds de moord op twee priesters te Onstwedde[38].
Ongetwijfeld heeft hierop de pauselijke absolutie, 19 januari 1478 verleend aan de leek Hayo ‘Leduxes’ de Westerwalde, uit het bisdom Osnabrück, die wijlen de priester Johannes Petri heeft verwond (interficeretur)[39].
14(70??)77 -, 1510. Henricus Vrome kerkheer van Westerwolde (!), wordt genoemd in het stuk waarin het Landrecht van Westerwolde wordt afgekondigd; het wordt gedateerd 18 januari (Prisca) 1470[40].
Indien echter de niet met name genoemde pastoor omstreeks 1475/6 is vermoord, hij blijkt dus Joannes Petri te hebben geheten, kan deze datering niet juist zijn. Waarschijnlijk geschiedt de afkondiging in 1477[41].
Hinrick Vrome komt als pastoor alhier verder voor op 24 oktober 1477, als Henricus op 22 februari 1480[42].
Een ongedateerd doch na 29 augustus 1491 te stellen stuk noemt Henricus Vromen de Warendorp als pastoor alhier en notarius[43].
Voor het laatst komt Henricus Vrome de Warendorp als pastoor alhier voor 4 november 1510[44].
1541 – 1572, Albertus Kolters wordt als pastoor alhier voor het eerst vermeld 24 juni 1541[45].
Hij kan afkomstig geweest zijn van Vlagtwedde waar 17 oktober 1538 een Alart Kulters genoemd wordt[46].
Een ongedateerd, echter tussen 1562 en 1568 te stellen stuk, bevat de herbenoeming van Albertus Colters, pastoor alhier, die 19 jaren voordien door Schenck van Toutenberg[47] is benoemd als commissaris van Westerwolde, als zodanig[48].
Op 27 juni 1567 komt hij als pastoor en namens Johan de Ligne (graaf van Aremberg) commissaris van Wedde en Westerwolde voor[49].
Voor het laatst komt hij voor 8 april 1572; hij tekent dan als pastoor alhier, het stuk noemt hem ook commissaris[50], doch deze functie bekleedt hij dan waarschijnlijk niet meer omdat reeds op 10 november 1571 de pastoor te Vriescheloo als zodanig wordt vermeld.
1577, Boelert Boelens (co. Gerardus Budde). Op 7 maart 1578 geeft Joost Lewe namens zijn vrouw Elisabeth (Addinga) van Westerwolde volmacht het door hem op de priester Gerardus Budde uitgebrachte beroep als pastoor te Onstwedde te verdedigen bij de officiaal van het aartsbisdom Utrecht, tegen de parochie die heer Boelert Boelens heeft gepresenteerd en 30 maart 1577 door Gelys Jensema, officiaal van het bisdom Groningen in het gelijk is gesteld[51].
De uitspraak is niet bekend maar het lijkt er niet op dat Budde het pleit heeft gewonnen.
Van 1576 tot 1582 is Gerardus Budde bekend als pastoor te Leermens.
Voor 1595 – 1606, Johannes Mensinck gaat volgens een oude lijst van predikanten alhier met de gemeente tot de Hervorming over[52].
Volgens Bruinsma wordt hij in 1596 alhier beroepen[53].
Als predikant alhier komt hij voor het eerst voor 31 mei 1602[54], als predikant in de classis Oldambt echter reeds 4 april 1530[55]. --> Zie ook de grafsteen van Mensinck die bewaard is gebleven verderop in de tekst (Red.)
‘Johannes Mensynck licentiatus und pastor’ alhier sterft volgens zijn grafzerk op 17 mei 1606[56]. De aanduiding ‘licentiatus’ wijst op zijn rooms-katholieke verleden en bevestigt het door de genoemde lijst gesteld Johannes Mensinck, Monasteriensis, wordt in februari 1564 te Rostock als student ingeschreven[57].
(Een) Johannes Mensingh is van 1567 tot 1576 pastoor te Meppen. Hij is daar beroepen door de vorst-bisschop. Hij verblijft aanvankelijk daar maar vlucht bij het uitbreken van de pest naar Münster en keert niet terug. De dienst laat hij voortaan waarnemen door kapelaans[58]. Hij resigneert in 1580[59].
De synode bepaalt op 8 mei 1607 dat de ‘huisluden’ alhier op straffe van verlies van hun ‘kör’ binnen zes weken een predikant moeten beroepen; voorts moeten zij de weduwe van de vorige predikant de gehele opkomsten van het genadejaar doen toekomen.
De stadhouder bericht 21 juli 1607 aan de drost te Wedde dat te Onstwedde zich een onbekwaam persoon in de kerkendienst zou hebben ingedrongen tegen de wil van de classis Oldambt; deze persoon dient verwijderd te worden[60].
? ca 1610 ?, Johannes Hoisingius komt in 1612 naar Eelde; de classis Rolde legt hem 14 april 1612 op attestatio vitae in te brengen van de classis ‘under welcker er sick bis nun dye Zeit verhalten und gedragen’ heeft. Op 18 mei 1612 geeft hij een genoegzame attestatie van de classis Oldambt en Westerwolde over. Volgens Romein is hij in Westerwolde afgezet[61], maar uit de classicale acta van Rolde blijkt dit niet. Zo hij in Westerwolde heeft gestaan, komen Onstwedde, Sellingen, Vlagtwedde en Vriescheloo alle in aanmerking (slechts Wedde niet).
In 1601 komt Johannes Hoisingius voor als predikant te Skt. Georgiwold (Ofr.)[62]. Reershemius noemt hem aldaar 1601 en nog 1603 (met eerst 1644 volgende gegevens)[63]. Hoisingius staat later te Vierhuizen; voor zijn zoon Lubbertus (zie hierna).
1611 – 1614, Justinus Havenberg uit Wesel, wordt in de periode 1605/8 student te Steinfurt[64].
Blijkens bericht van 10 december 1611 is hij beroepen te Onstwedde. Hij heeft te Heidelberg en Marburg gestudeerd en te Steinfurt met professor Vorstius ‘geconverseerd’[65]. Hij wordt echter reeds op 24 november 1611 predikant alhier genoemd[66]. Hij staat hier nog op 17-18 augustus 1614[67], vertrekt waarschijnlijk eind 1614/begin 1615 naar Sauwerd waar hij 13 mei 1616 voor het eerst voorkomt.
161(5?)6 – 1618? Matthias Fabricius is mogelijk reeds op 25 april 1615 predikant alhier wanneer hij zonder aanduiding van zijn functie als de ‘welgel.’ Matthias Fabricius als getuige (te Noordbroek) voorkomt[68].
De synodale acta van 14 mei 1616 noemen hem als (sedert de vorige synode) nieuw ingekomen predikant wiens testimonia nog aan de synode getoond moeten worden. Hij is hier slechts korte tijd in dienst geweest en reeds voor medio 1618 overleden of vertrokken.
1618 – 1630, Johannes Fabricius wordt 10 september 1618 voor het eerst als predikant (abusievelijk als Friderici) genoemd; de synode besluit dan dat bij de Staten-Generaal hulp verzocht zal worden ter bescherming van zijn belangen in het bisdom Munster. Op 13 september 1618 tekent Johannes Fabricius, predikant alhier[69].
Blijkens de synodale acta van 24 juni 1619 moet hij zijn examenbescheiden nog aan de synodale deputaten tonen; 21 juni 1620 approbeert de synode hem als predikant alhier ‘in sijnes vaders plaitze’. Hij komt voor het laatst hier voor op 19 juli 1630[70].
Op 25 april 1631 wordt door Henricus Bernardi, later predikant te Blijham, aan de classis een proefpreek alhier verzocht. Op 23 mei 1631 wordt voor Lubbertus Hoisingius (zoon van Johannes voornoemd) een proefpreek verzocht; de classis wenst eerst inzage van het tesimonium demissionis van de classis Rolde (hij is in 1629 te Eelde afgezet[71]); men zie voor hem onder Vierhuizen.
1632 – 1669, Johannes Henrici (Franck) zoon van de ‘welgel. Henricus Joannis, koster alhier’[72], wordt voor 4 juni 1632 hier beroepen en na herhaald examen door de classis op 15 oktober 1632 toegelaten. Het genadejaar wordt voor zijn kinderen verzocht op 23 juni 1669. Zijn door de meerderheid der collatoren beroepen zoon Henricus Franck wordt door de classis niet toegelaten. De door de minderheid beroepen Michael Borgesius wordt door Burgemeesteren en Raad van Groningen (als landsheer) geapprobeerd en door de classis op 25 maart 1670 toegelaten.

De noordgevel van de kerk en de toren. Foto: A.J. van der Wal, Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed, oktober 1984. Licentie Creative Commons.
Vicarie
1466, Hermannus vicarius alhier, wordt genoemd op 13 november 1466[73].
na 1491, Hermannus Henrici vicarius alhier, komt voor na 29 augustus 1491[74].
1510, Engbertus Kolters perpetuus vicarius alhier, komt met de pastoor en Eppo de Gronynge, cler. Trai. d., scolasticus, voor 4 november 1510[75].
1589, Henricus Stroet vicarius alhier, wordt genoemd op 11 september 1589[76]. Bernardus Stroet is omstreeks dezelfde tijd pastoor te Wedde.
Overige geestelijken
1523, Wubbo. Op 9 januari 1523 wordt, zonder nadere aanduiding, hier genoemd heer Wubbo[77].
? 1571, Hillebranth. Op 12 juni 1571 wordt veroordeeld Gerth Boeles upper Tigge wegens beledigingen ‘her Hillebranth’ en zijn ‘maget’ Kathrine aangedaan[79]. Boele uppe Tigge woont in 1568 te Onstwedde[78].
? 1589, Berent. Op 12 mei 1589 wordt een breuke gecomponeerd wegens ‘schelinghe mit her Berent to Unsde up de mole’[80]. Gebeurt een en ander op de molen alhier of staat Berent te Onstwedde?
Tot zover Corpus Roemeling
Gedenksteen in de toren
ERNESTUS MOLANUS, PASTOR. ANNO 1713, DEN 14 JULIUS, IS KERK EN TOREN VERNIEUWT. TIMEN BERTELS, WERKBAAS. JAN JACOBS FECIT.
GDW, blz. 555, nr. [3055].
Klok
VERNIEUWD TOEN TE ONSTWEDDE ABEL HINDRIKS ROELS MAIRE, ADAMUS OOMKENS PREDIKANT, HARM ABELS MIGCHELS, BOELE BERENTS LUIRING, EN HARM JARKES KARSKENS KERKVOOGDEN WAREN DOOR M. FREMY, A. VAN BERGEN EN ZONEN H. VAN BERGEN EN C. FREMY ANNO 1812. MDCCCXII.
N.B. Sedert 1943 niet meer aanwezig. GDW, blz. 555, nr. [3056].
Collectebus
HISKE MENNERSINCK, DEIAKEN DES KESPELS UNSWEDDE, ANNO 1680.
N.B. Koper. GMG, nr. 1121. 4. Gedenktekenen a. Grafzerken. GDW, blz. 556, nr. [3057].

Grafzerk van Johannes Mensynck, overleden 17 mei 1606. Zie tekst hieronder. Foto: Ingezonden.
Grafzerken
ANNO 1606, DEN 17 MAI, JOHANNES MENSYNCK, LICENTIATIUS UND PASTOR, IN HEREN GERUSTET. CLARA JASPERS DEN 1 MAI.
GDW, blz. 556, nr. [3058].
JUFFROUW CHRISTINA MOLANUS, GEBOREN ... NOVEMBER 1738 ... HOUTMAN ... 1776 ... 1781.
Wapen: Een anker. N.B. Onbereikbaar onder de banken. Vermeld: GSL, blz. 270. Gedoopt Onstwedde 7 december 1738 Christina, dochter van ds. Herbertus Molanus en Assa Doedens. Zie: DTB, nr. 352. Gehuwd, voorwaarden Oude Pekela 27 februari 1776, Dyonisius Hubertus Uchtman en Christina Molanus. Zie: RAG, Rechterlijke archieven, inv. nr. VI D 2, h17. 442. Naam Houtman stellig verkeerd gelezen. GDW, blz. 556, nr. [3059].

De Nicolaaskerk gezien vanaf de zuidzijde. Rijksmonument nr. 34169. Foto: Gouwenaar, 27 augustus 2019. Licentie: Creative Commons Naamsvermelding-GelijkDelen 4.0 Internationaal , 3.0 Unported , 2.5 Generiek , 2.0 Generiek en 1.0 Generieke licentie.