Rabenhaupt is op zijn taak berekend, maar hij maakt zich zorgen over de voedselvoorziening. Het eten wordt aangevoerd over het Reitdiep, en hij is bang dat deze toegangsweg over water geblokkeerd zal worden. Hij benoemt daarom een man op een post bij het Reitdiep, die erop moet toezien of de doorvaart ongehinderd verloopt.
Niemand kent nu nog de naam van deze wachter, maar zijn gezicht kun je nog steeds bekijken: het staat afgebeeld op een steen midden in de stad Groningen. De man heeft een volle, krullende baard, en een vel dat bruin van kleur is. Hij heeft opvallend grote ogen die loensen. Misschien komt dit wel van het voortdurend turen over het Reitdiep, dat ook wel het Jat wordt genoemd.
De man zit iedere dag trouw op zijn eenzame wachtpost. Elke morgen rijdt Karel Rabenhaupt, Baron de Sucha, hem voorbij om te controleren of alles in orde is. De man kan vanuit zijn hoogte het Reitdiep overzien. Hij neemt waar dat de schepen, die de leeftocht voor de benarde vesting vervoeren, ongehinderd kunnen doorvaren. Daarom roept hij elke morgen weer blij: "Ik kiek nog in 't Jat." "Mooi!," roept Rabenhaupt, "van die kant dus geen gevaar!" Maar na verloop van tijd vindt de man met de krullende baard, die een man van weinig woorden is, dat de zin ook korter kan. Daarom roept hij voortaan, als hij de luitenant-generaal ziet naderen: "Ik kiek nog in 't."
En Rabenhaupt rijdt dan verder, om de andere posten te inspecteren, tot er de achtentwintigste augustus niks meer te inspecteren valt, omdat de vijand er vandoor is gegaan.
De Groningse raad vergadert en men besluit dat voortaan de straat die uitkijkt op het Reitdiep de Kijk in 't Jatstraat zal heten. Aan het einde van die straat laat men een steen plaatsen met een afbeelding van de kop van de man. Hij staat er niet al te scheel en met een keurig verzorgde baard op. Onder zijn kop beitelt men in de steen: "Ik kiek nog in 't."
De Groningers weten niet precies hoe ze de naam moeten uitspreken. Ze hebben het over de Kiekintjatstraat, en niet over de Kijk in 't Jatstraat. En aangezien er ook een Nieuwe Kijk in 't Jatstraat is bijgekomen, zijn er nu een Nieuwe Kijk in 't Jatstraat en een Oude Kijk in 't Jatstraat, en weten ze het helemaal niet meer. Ze kunnen het bijna niet in een adem uitbrengen, zo'n mondvol is het. En dat danken ze aan de wachter die een man van weinig woorden is geweest!
De Oude Kijk in 't Jatstraat
De naam
Bijzondere gebouwen
Het Armenconvent bevindt zich ten noorden van het Harmoniegebouw (1342 - 1647). Op nr. 53 is het Ubbenagasthuis (1521 - 1923) te vinden, op nr. 61 de Maria Elisabeth Linhoffstichting (1958).
Oude Kijk in 't Jatstraat nr. 6, het Hinckaartshuis (1300), is het oudst nog particulier bewoonde woonhuis in Groningen.
Op het voorplein is een buste van Aletta Henriëtte Jacobs (1854 - 1929) te zien, eerste vrouwelijke student in Nederland (een `kunstwerk van Theresia van der Pant, 1987). Op het plein achter het voorgebouw bevindt zich sinds 1999 een kunstwerk van Marte Röling (een Roling stone) in de vorm van een wimpel. De moeilijk leesbare tekst 'Non scolae sed vitae' bedoelt studenten duidelijk te maken dat zij niet leren voor de universiteit maar voor het leven. Het kunstwerk is geplaatst ter gelegenheid van het 385-jarig bestaan van de RUG in 1999.
Noten, bronnen en referenties: Ned. gemeenten en hun sagen: "De mooiste Nederlandse sagen en legenden", uitgegeven door Verba, Hoevelaken, 1999. ISBN: 90 5513 369 8
| |||||||||

