De kroniek van Wittewierum

 

Het voorblad van de originele kroniek.
Afb. boven: Het voorblad van de originele kroniek.

Een van de oudste en beroemdste handschriften in de Universiteits Bibliotheek is nummer HS 116, de zogenaamde kroniek van Wittewierum. Deze is bewaard gebleven in een 13e-eeuws handschrift in kwarto-formaat, met 50 perkamenten bladen. Het boek heeft een onversierde perkamenten band, waarvan de sluitveters verloren zijn gegaan. De tekst is in een klein handschrift in twee kolommen geschreven.

 

Het klooster Bloemhof (Floridus Hortus) te Wierum wordt gesticht in 1213 vanuit het Nijenklooster bij Jukwerd, dat bij Appingedam ligt. Het behoort tot de orde der Premonstratenzers of Norbertijnen, genoemd naar de stichter, Norbert van Xanten, die in 1120 in Prémontré (Frankrijk) zijn eerste klooster heeft gebouwd. Naar de (witte) kleur van de kleding van de monniken wordt Wierum later Wittewierum genoemd. Aanvankelijk wonen de monniken in houten gebouwen, maar al spoedig begint men met de bouw van een stenen kloostercomplex, waarschijnlijk naar het voorbeeld van het moederklooster in Prémontré. Het geheel moet een behoorlijke omvang hebben gehad, want op het hoogtepunt van zijn bloei leven er meer dan duizend monniken. In 1561 worden het klooster en zijn bezittingen toegewezen aan de bisschop van het pas gestichte bisdom Groningen.

 

Bij de stichting van Bloemhof heeft Emo, die afkomstig is uit Huiizinge, duidelijk de leiding, een zeer ontwikkeld man, die rond 1170 in de Ommelanden is geboren en al vroeg belangstelling toont voor onderwijs en studie. Na op een kloosterschool zijn eerste lessen te hebben ontvangen, vertrekt hij samen met zijn broer naar het buitenland om verder te studeren. Ze verblijven in Parijs om theologie te studeren, in Orléans om rechten te studeren en in Oxford om kunst te studeren, en zullen daar met vele geleerden in contact zijn gekomen. Om in hun onderhoud te voorzien kopieëren ze teksten van studieboeken. In de praktijk wil dat in die tijd zeggen, dat ze tientallen, mogelijk honderden bladzijden hebben overgeschreven. Emo zal dan ook de behoefte hebben gevoeld de ontwikkelingen in de wetenschap bij te houden door later in zijn klooster een eigen bibliotheek aan te leggen. Door zijn vele reizen als abt (hij is in 1225 gewijd) is hij daar ook toe in staat.

 

Na zijn terugkeer in de Ommelanden is Emo nog een tijdlang pastoor in Huizinge. Via een familielid komt hij in 1209 in het klooster bij Jukwerd terecht en tot zijn dood in 1237 is hij abt van Wittewierum. In 1230 doet Menko, als zestienjarige, zijn intrede in Wittewierum. Zijn hele opleiding in het klooster krijgt hij van Emo, die hij zeer bewondert. Enkele jaren na Emo’s overlijden wordt hij tot abt gekozen. Hij overlijdt in 1276.

 

De kroniek van Wittewierum verhaalt de lotgevallen van het klooster gedurende een periode van ongeveer zeventig jaar (1203-1273). Aan de orde komen eerst de stichting van het klooster en de geschiedenis van de eerste abt Emo en zijn familie. Daaruit leren we het kloosterleven uit die tijd kennen: de werkzaamheden van de monniken in en om het klooster, vooral ook de voortdurende strijd die ze moeten leveren tegen de natuur, de wereld en zichzelf. Talrijk zijn de aantekeningen over epidemieën, overstromingen en bijzondere weersgesteldheden, over oorlogen, kruistochten, twisten met bisschoppen en omwonenden. Daarnaast zijn er beschouwingen van morele en ascetische aard met vele citaten uit de bijbel, kerkvaders en geleerden, en verslagen van reizen die worden gemaakt. We mogen hieruit concluderen dat het klooster een aanzienlijke bibliotheek heeft bezeten, met werken over velerlei onderwerpen.

 

Het schutblad van de kroniek.
Afb. boven: Het schutblad van de kroniek.

 

 

De kroniek geeft een beeld van de maatschappelijke toestand in de 13e eeuw over een zeer groot gebied, want het klooster heeft vele relaties gehad. Hij is van des te groter belang omdat van deze periode maar zeer weinig geschreven materiaal is overgeleverd met de provincie Groningen als middelpunt. Mede door de oorspronkelijkheid van de berichtgeving, de eigen ervaring van de schrijvers, die bovendien gebruik hebben kunnen maken van ontvangen berichten en mededelingen, krijgen we een verslag uit de eerste hand van het wel en wee uit die tijd. De kroniek is mogelijk geschreven door twee personen van wie het handschrift onderling veel overeenkomsten vertoont. Het eerste gedeelte is het langst en is waarschijnlijk geschreven door Emo, die ermee begint rond 1219 en er geregeld aanvullingen bij heeft geschreven tot vlak voor zijn dood in 1237. Menko, die de derde abt van het klooster wordt, neemt het daarna van hem over. Een andere theorie schrijft de hele kroniek toe aan Menko, die een selectie zou hebben gemaakt uit Emo’s werken (of uitvoerige aantekeningen) en na verloop van jaren de kroniek zelf vervolgt. Het handschrift zou dan dat van de jonge en de oude Menko zijn.

 

In tegenstelling tot Emo heeft Menko een 'echte' kroniek willen schrijven waarbij de persoonlijke elementen geheel naar de achtergrond zijn gedrongen en waarin zelfs de kloostergeschiedenis slechts een bescheiden plaats inneemt. Hij ordent zijn werk naar de 'jaren des Heren'. Evenals bij Emo in diens tweede gedeelte over de jaren 1219-1234 gaat Menko's belangstelling uit naar gebeurtenissen in Fivelgo en de overige Ommelanden, Groningen, Drente en Oost-Friesland. In tegenstelling tot zijn voorganger vermeldt Menko echter ook het wereldnieuws van zijn dagen. Menko begint met een levensbeschrijving van Emo, waarin hij deze schetst als voorbeeldig abt met vele kenmerken van heiligheid. Na de dood van Menko in 1276 is de kroniek door een onbekende schrijver nog voortgezet tot 1296. Dit boek bevat een uitgave van de in het Latijn geschreven kroniek van Emo en Menko met daarnaast een vertaling in modern Nederlands. De inleiding geeft een beeld van de historische context waarin de kroniek tot stand is gekomen en een beschrijving van de twee handschriften waarin de tekst is overgeleverd.

 

 

De kloosterkerk rond 1600.
Afb. boven: de kloosterkerk te Wittewierum rond 1600.

 

De Universiteits Bibliotheek van Groningen bezit ook een handschrift op papier (HS 117) van de kroniek van Wittewierum, dat rond 1600 is geschreven en een slordig uittreksel uit de originele kroniek bevat. Dit handschrift is van belang omdat er een vervolg in staat over de jaren 1276 tot ongeveer 1299. Beide boeken samen geven ons dus een beeld van bijna een volle eeuw Groningse geschiedenis.

 

Het handschrift van de kroniek van Wittewierum wordt door de laatste abt, Cornelis Hermanni, meegenomen naar de stad Groningen, waar het heeft toebehoord aan het stadsbestuur. Ubbo Emmius heeft het mogen gebruiken voor zijn geschiedenis van Friesland: daarvan getuigen nog de aantekeningen van zijn hand in het handschrift. In 1837 wordt het handschrift aangeboden op de veiling van de bibliotheek van J.R. van Eerde, waar het verworven wordt door ds. F. Koppius, predikant te Den Ham en Franssum. Na diens overlijden komt het in bezit van zijn vader, die het aan de Groninger universiteitsbibliotheek schenkt.

 

Onderstaand is het begin van de kroniek volledig overgenomen, zoals die in het boek de 'Kroniek van het klooster Bloemhof te Wittewierum' met een Inleiding van en een vertaling door prof. dr. H.P.H. Jansen en dr. A. Janse, Uitg. Verloren, Hilversum in 1991 is uitgebracht. De oospronkelijke tekst is in het Latijn. De tussen (..) geplaatste cijfers verwijzen naar de noten onderaan de tekst.

 

 

De blz. 33 en 34 van de originele kroniek.
Afb. boven: De blz. 33 en 34 v.d. originele kroniek.

 

"HIER BEGINT DE KRONIEK.

Eerst over de stichter en de stichting van het nieuwe klooster dat Bloemhof heet.

 

1. Er was eens een man, die het verdient in verband met zijn goede levenswandel in herinnering te blijven van mensen die vroom willen leven.(1) Deze man nu was van adellijke (2) geboorte, en hij was bovendien gezegend met lichamelijke gaven; hij was kort van gestalte, had een welgevormd gelaat en een krachtig lichaam; hij was alert en genoot een goede gezondheid. Hij zorgde goed voor zijn eigen bedrijf en gedroeg zich in zedelijk opzicht omzichtig en weloverwogen. Van zijn jeugd af aan en ook later nog koesterde hij zijn onschuldige reinheid en was hij onderdanig aan zijn ouders, die zeer veel van hem hielden, als hun enige zoon. Nadat zijn twee zusters beiden waren getrouwd, zorgden zijn ouders ervoor dat hij zich verloofde met een adellijk meisje, met wie hij daarna ook is getrouwd. En toen zijn vader overleden was en zijn moeder, die alleen achterbleef, bij hem introk, hing hij zijn vrouw aan (3) en hij beminde haar als een toegewijd echtgenoot, zoals dat in een goed huwelijk behoort. (4)

 

Toch bleef zij onvruchtbaar, misschien door een verborgen raadsbesluit van God. Enkele jaren lang droeg hij dapper de last van dit huwelijk, terwijl binnen in hem het verdriet knaagde over het feit dat hij geen kinderen kreeg, een beloning die men toch gewoonlijk van een huwelijk mag verwachten. Maar toen werd hij aangestoken door een, naar men aanneemt, goddelijke bezieling, en hij begon erover te denken een Gode meer toegewijd leven aan leiden en een meer gegarandeerde vruchtbaarheid van zonen en dochters na te streven. Hij wendde zich derhalve met innemende woorden over deze innemende woorden tot zijn echtgenote om van haar toestemming te krijgen. (5) Maar zij was het er wel mee eens en ze hield hem tegen, zoals vleselijke mensen (6) doen; ze was namelijk wel één vlees met hem geworden, (7) maar niet eens geestes. Wat moest hij doen nu hij zo enthousiast was geworden? Hij schiep geen behagen meer in vlees en bloed; (8) hij begon 's nachts wakker te blijven, neer te knielen, veelvuldig te bidden, maar wel in het verborgene in zijn binnenkamer. (9) Ook meed hij de echtelijke sponde, om zijn vrouw op deze manier tot andere gedachten te brengen. Wanneer hij moe geworden was, genoot hij een korte maar verkwikkende slaap op de harde stenen vloer van zijn huis, en 's morgens vroeg stootte de knecht of de meid hem wakker met de bezem.

 

De vastentijd brak aan, waarin de gemeenschap van gelovigen zich opmaakt voor de krijgsdienst, (10) en hij zon op iets hogers dan de anderen. Hij wilde namelijk, op aandrang van de geest die hem bezield had, meer doen dan het toegestane. Hij vroeg om een stuk grof linnen, liet het op maat maken en stevig vastnaaien; (11) en als het ware gehuld in een harnas, trok hij zijn gewone kleren er overheen aan, en hij streed dapper tegen vlees en bloed, door waken en bidden, (12) door zich te onthouden van water en brood en slechts twee keer in de week een gewone maaltijd te gebruiken. En deze gewoonte bleef hij ook gedurende enkele volgende vastentijden in acht nemen, nog afgezien van het onderhouden van andere vastendagen die hij zichzelf voortdurend oplegde in navolging van het voorschrift van de apostel, die zei: 'Ik straf mijn lichaam en houd het in bedwang. (13)

 

2. Hij begon aan zijn zusters en zijn vrouw mee te delen, dat hij van plan was op zijn vaderlijk erfgoed een klooster te stichten en dat hij zo erfgenaam zou worden van vele zonen en dochters. Zijn zusters en zijn vrouw dreven hier steeds de spot E . de eersten, omdat ze hoopten zijn goederen te zullen erven, de laatste, omdat ze niet geestelijk maar vleselijk dacht. (14) In die tijd kwam er een oproep van de paus voor een kruistocht, om de gelovigen reeds voor de tweede maal aan te sporen het Heilige Land te hulp te komen. (15) En als een hert, dat smacht naar de waterstromen, (16) dankte hij in zijn hart de Allerhoogste, die hem zo de gelegenheid gaf een gelofte te doen. (17) Hij deelde zijn vrouw mee dat hij al lang Christus had willen navolgen en dat nu de tijd was gekomen om zichzelf te verloochenen en zijn kruis op zich te nemen. (18)

 

Toen zij dan inzag dat zijn voornemen vast stond, bracht ze na overleg haar bezittingen en de schenking terzake van het huwelijk bijeen, waarna ze onder tranen van hem scheidde. En teruggekeerd naar naar ouderlijk huis, leidde ze vervolgens onder de hoede van haar moeder en haar broers een kuis leven als een tortelduif. (19) Ze is een zalige dood gestorven."

 

 

De kerk van Wittewierum

De kerk van Wittewierum is in 1863 gebouwd op een deel van de grondslagen van de vervallen kerk van het beroemde 13e-eeuwse klooster Bloemhof. In het interieur zijn veel elementen uit de voormalige Bloemhofkerk terug te vinden. Zoals de twee rouwborden voor Lammert Schotto Rengers en zijn echtgenote, en de zerkenvloer met dertien grafzerken in het koorgedeelte, waarvan de oudste stamt uit 1558.


Emo en Menko schrijven ook over kerk en klooster. Ze schrijven bijvoorbeeld over de bouw van het klooster, waar tientallen arbeiders aan mee werken. Bij het heien trilt de grond in het hele dorp zodanig , dat de melkemmers overlopen. De ganzeneieren worden door het schudden van de grond zo beschadigd dat er geen kuikens uit kunnen komen. In de kroniek gaat het ook over de omgeving. Er wordt bijvoorbeeld verteld over overstromingen en misoogsten.

 

 

De huidige kerk te Wittewierum.
Afb. boven: De huidige kerk te Wittewierum.

 

 

Meer lezen: Meer lezen... Wittewierum, zijn kerk en zijn klooster.

 

 

Noten:

 

"1. Vgl. I Tim 3,12: Et omnes qui voluutpie vivere in Christo. Hier volgt de geschiedenis van Emo van Romerswerf, een neef van de auteur van de kroniek. Pas op p. 6 wordt hij bij name genoemd.

 

2. Over de adel in het middeleeuwse Friesland is in de literatuur een uitgebreide discussie ontstaan, zie het overzicht bij J.R.G. Schuur, 'De Friese hoofdeling opnieuw bekeken', BMGN 102 (1987) 1-28.

 

3. Vgl. Gn 2,24: Et adhaerebit uxori suae....

 

4. Gemeenschap tussen de partners behoorde naar kerkelijke opvatting tot de verplichtingen van het huwelijk, zie o.a. I Cor 7,3-5; vgl. E.M. Makowski, 'The conjugal debt and medieval canon law', JMH 3 (1977) 99-114.

 

5. Vgl. Vita Fretherici, xxviii (ed. Wijbrands, Gesta abbatum, 31), waar abt Frederik toestemming vraagt aan de vrouw van een kandidaat voor intrede in het klooster ne quis occasione mutandi habiturfieri posse divortium estimaret. De toestemming was volgens het Decretum voor een kloostergelofte vereist, zie Decr. C.27 q.2 c. 20-25; vgl. ook x 3.33.1-4.

 

6. Vgl. i Cor 3,2: ...adhuc enim estis carnales.

 

7. Vgl. Gn 2,24.

 

8. Gal 1,16.

 

9. Vgl. Mt 6,6: Tu autem cum orabis intra in cubiculum tuum et cluso ostio tuo, ora Patrem tuum in abscondito. 10. Nl. de geestelijke strijd tegen de zonde.

 

11. Het kuisheidsharnas, meestal cilicium genoemd. 1

 

2. Vgl. Mt 26,41: Vigilate et orate ut non intretis in temptationem.

 

13. i Cor 9,27.

 

14. Vgl. Rm 8,5.

 

15. Op 15 augustus 1198 proclameerde Innnocentius iii een kruistocht, die begin 1199 van start zou moeten gaan. De vertrekdatum werd echter enkele malen uitgesteld. De graaf van Vlaanderen nam pas in februari 1200 het kruis aan; omstreeks die tijd zal ook in Friesland het kruis zijn gepredikt.

 

16. Vgl. Ps 41,2: Quemadmodum desiderat cervus ad fontei aquarum, ita desiderat anima mea ad te Deus.

 

17. Mannen mochten zonder toestemming van hun vrouwen op kruistocht gaan volgens de bul Ex multa (x 3.34.9 = m.Comp. 3.26.5). Nergens blijkt dat Emo ook inderdaad op kruistocht is gegaan.

 

18. Vgl. Mt 16,24: Si quis vult post me venire, abnegat semet ipsum et tollat crucem suam et sequatur me.

 

19. D.w.z. als een heilige, vgl. de Glossa ordinaria bij Ps 83,4 en Ct 2,12."

 

Bronnen:

1. Kroniek van het klooster Bloemhof te Wittewierum. Inleiding, editie en vertaling prof. dr. H.P.H. Jansen en dr. A. Janse. Uitg. Verloren, Hilversum, 1991; 568 bladzijden.
2. Het Verhaal van Groningen. 3.. Wikipedia.

 

 


Aan bovenstaande tekst is de uiterste zorgvuldigheid besteed. Desondanks kunnen er best fouten

voorkomen. Constateer je fouten en/of heb je vragen, correcties, aanvullingen...

geef die dan even aan mij door via mijn E-mail adres.

Deze pagina maakt deeel uit van www.nazatendevries.nl

 

Hoogeveen, 12 juli 2011
© Harm Hillinga

 

Menu Artikelen. HomePage
Top