Dit artikel is ontleend aan een hoofdstuk uit `Ons voorgeslacht´ van W.J. Hofdijk uit 1874. De inhoud is een ´vrije vertaling´ van de oud-Hollandse schrijfwijze van het boek, dat uit 6 delen bestaat. Het onderstaande geeft een goed beeld over hoe men in die tijd zich een klooster voorstelde uit vervlogen tijden.

 

 

 

Kapel en Doopvont in de 12e eeuw.
Afbeelding boven: Afb. uit deel 3 van ´Ons Voorgeslacht in zijn dagelyksch leven geschilderd´ door W.J. Hofdijk. Leiden, P. van Santen, 1874. Tweede druk.

 

W.J. Hofdijk schrijft hierover in “Ons Voorgeslacht” in 1874 (3 pp. 331 ev, Dl 3): De landerijen die je aan de overkant van de gracht ziet liggen zijn allen in het bezit van het klooster. De man die over het bruggetje ons tegemoet komt, om naar de stad te gaan en degene die een hoeve in pacht heeft, of beter gezegd in leen heeft. Hij kan ons het best vertellen hoe het gesteld is met het land buiten de stad, hoewel er ook kloosters zijn die bezittingen hebben in de stad. Gelukkig is deze boer niet terughoudend en geeft hij ons antwoord op al onze vragen en hij vertelt: “Ieder van ons die een hoeve van de Heer Abt heeft, moet als Zijne Eerwaardigheid door sterven of op een andere wijze vervangen moet worden, aan de opvolger opnieuw een verzoek indienen om de hoeve te pachten. Als een van ons sterft, moet de opvolger, bijvoorbeeld de zoon, de helft van de normale schatting betalen, dan mag hij deel blijven uitmaken van de erfenis. Wij boeren op de kloosterhoeven zijn verplicht om de paarden van de gasten van de abten te stallen en als er slaapplaatsen nodig zijn, moeten wij daarvoor zorgen. Tweeëndertig hoeven vallen er onder dit klooster en de schatting bedraagt zes oncen, een schelling en een penning. Ook moeten we met Pasen een schatting leveren van hoenders en eieren die voor de abt zelf zijn. Wij, tweeëndertig hovenaars, hoeven geen hoofdgeld te betalen, maar de anderen betalen de man vier, terwijl de vrouw twee denariën betalen. Er wordt echter een verschil gemaakt per hoeve.

Zo zijn er over het algemeen drie verschillen te noemen, de vrijen, de dienenden en de eigenen. De dienenden zijn degenen die cijns (beslasting', schatting, eieren en hoenders betalen en verplicht te zijn drie dagen voor de abt te werken en ook nog andere verplichtingen hebben. Zij oogsten de vruchten van de kloosters uit de boomgaarden en van het land en brengen deze naar de schuur en laden ze af, maar zij klimmen niet op de hooiberg, ze binden het koren niet tot garven, zij dorsen niet op de deel en evenmin meten ze wat ze gedorst hebben. Zij maaien het hooi en brengen deze naar de hooimijt en laden het hooi af, maar aan hooitrappen doen ze niet. Het hout rijden ze tot voor de keuken en het bakhuis, maar ze brengen het niet naar binnen. Ook zorgen ze er niet voor de haard of de oven op te stoken, daarom krijgen ze ook niet te eten of te drinken en moeten ze voor zichzelf zorgen”. Hofdijk vervolgt: “En wat nu den tijd des dienens betreft –eer ter prime wordt geluid-, moeten zy dáár zijn, en wordt de avondklok gebeierd, dan trekken zy weder af”.

In plaats van deze en andere dergelijke diensten en in plaats van het betalen van tienden over boomgaarden, weiden en hoenderen en wat dies meer zij, zijn er een aantal hoeven uitgezonderd. Dat zijn de hoeven van wie de hovenaars net als de eigen knechten aan arbeid onderworpen zijn. Zij zorgen er voor dat het ingebrachte hooi wordt opgeworpen in mijten, zij zorgen ervoor dat het graan wordt gemeten en dorsen de garven op de deel. Zij brengen ook het hooi naar binnen en kloven het en stoken de oven op, maar onderhouden ook het vuur in de haard en koken de spijzen. Ze zorgen ervoor dat de kelder goed gevuld blijft en zijn behulpzaam bij het bakken en het brouwen. Ook houden zij de wacht aan de poort en begeleiden ze de abt als hij op reis gaat. Ze onderhouden de gevangenis en reinigen de gemakken, kortom zij gehoorzamen in alle dingen, evenals de eigen knechten en ontvangen daarvoor geen ander loon dan dat zij ruimschoots te eten en te drinken krijgen.

Monnik,

“Gy verwondert er u byna over, dat onze hoevenaar dit alles zoo goed weet”,  vervolgt de schrijver, “maar hy verklaart dat het geen wonder kan worden geacht, want dat hy byna daaglyks met allerlei slach dezer menschen in aanraking komt”. De hovenaar vertelt verder dat hij vandaag ‘Reyndert den Krommen’ zijn onschuld heeft bewezen. Ysebrant van ’t swet had hem aangeklaagd dat hij zijn paard kreupel zou hebben gemaakt op de bekende ‘duivelsche wijze’. Ei, ei! En wat is die bekende duivelse wijze dan wel… “Gy gaat naar een boom, waar de hagel is ingeslagen; gy snijdt daar een stuk hout uit, en maakt er een nagel van; dien nagel slaat ge in ’t versche spoor van een paard – en het dier is verkeupeld”. Er is echter nog een andere manier op een paard kreupel te maken. Dit boze werk kun je ook uitvoeren door een pen (spijker) uit een nieuwe galg te halen of met een nagel, gemaakt met het mes van de vrouw van de pastoor, of met een mes, waarmee iemand vermoord is. Maar dit is geen “handel die iemant ter waereld zegen brengt; en ieder goed Christen behoorde zich zevenwerf te schamen, eer hy tot zulk een duivels arbeid overginge!”. Ysebrant heeft ‘den kromme’ beschuldigd en heeft ook een getuige meegebracht die heeft gezien dat Rneydert de nagel in het spoor heeft geslagen omstreeks Sint Jan (de geboortedag van Johannes de Doper op 24 juni). Reyndert loopt daardoor gevaar om als tovermeester te worden verbrand. Gelukkig heeft de hovenaar het bijtijds vernomen en heeft hij de abt, die er overigens heel bij mee was, kunnen bewijzen dan het paar van Ysebrant al op Meiendag kreupel heeft gelopen. “Van deze en dergelijke zaken is er wel eens meer wat geschiedt, maar steeds had ik het voorrecht om het vertrouwen van Zijne Eerwaardigheid te bezitten”. Het vorige toont aan dat naast het geloof in Jezus Christen en de Heer, ook nog veel heidense gebruiken en gedachten onder de bevolking levend zijn.

 

De gehuwde pastoor

Over de pastoor schrijft Hofdijk in 1874 een treffend verhaal (3 pp. 333 ev, deel 3). “Groet eens, groet eens: daar komt de pastoor voorby, met zijn echtgenote en jongsten zoon, en het voorkomen des mans is eerwaardig genoeg, om ook zelfs een vreemdeling naar de muts te doen tasten …”. Hofdijk betwist niet dat de man niet eerwaardig is, maar op één punt blijft de pastoor verzet bieden tegen de ‘geboden der Kerk: ´hy blijft volstandig weigeren om te gehoorzamen aan des Zevenden Gregorius bepaling omtrent het coelibaat. Hy is een aanhanger der begrippen van den kloeken Bisschop Otto van Constans, die ondanks een bepaling´, niets wil weten van het ´echtlooze leven der priesters, en er opendlyk tegen predikte´. Deze pastoor denkt en oordeelt volkomen als de Passauer priester die in 1077 de pen tegen het celibaat opneemt en het elijk besluit met ernst en gestrengheid bestrijdt en veroordeelt. Hij heeft Gregorius er aan herinnerd dat Paulus in de bekende epistel aan Timotheus, de bisschoppen en de diakens het huwelijk niet heeft verboden, maar meer heeft bevolen dat de oude conciliën van de priesters om te huwen of niet, zelf moeten kunnen bepalen. “Hy veroordeelde het huwelijksverbod als waanzin, en voorspelde de ergerlyke gevolgen die er uit moesten voortspruiten”. Intussen hebben  en monniken de wet wel doorgevoerd en de laatsten hebben soms zelf het volk ‘opgerokkend’ om ‘hunne gehuwde pastoors tot echtscheiding te dwingen’. Desnietemin, zo vertel Hofdijk verder, zijn er in de 12e eeuw nog veel priesters ‘inzonderheid in de kerspelen der Noord-Duitsche gewesten’, die het heilige sakrament van het huwelijk aan zich hebben laten voltrekken en van celibaat niets willen weten´. “Zy zijn er hunnen gemeentenaren niet minder lief om”.

 

Oude schoolplaat: ´Bij het klooster´.
Afb. boven: Oude schoolplaat. ´Bij het klooster´.
Het klooster, de abdij

We wandelen langs de akkers en het pad voert ons langs een door bomen beschaduwd deel, vanwaar zich een ruime boomgaard uitstrekt, behorend tot het klooster aan onze rechterhand. ’Swerte Nonnen, die lesen ende zinghen connen‘. Aan de overkant van de brug over de kloostergracht staat de abdijkerk, terwijl aan deze kant van de gracht een veel kleinere en eenvoudiger gebouwtje ook als kerk fungeert, maar deze is bedoeld voor de dorpelingen. De abdijkerk is opgebouwd uit zware en grote stenen. Als die konden spreken, zou ons de geschiedenis van de opbouw van kerk en klooster verteld kunnen worden. Bij de kleine gebouwen tussen het convent en de hofgracht hoort ook het broederhuis, waar de mannelijke bedienden van de abdij wonen en daar vinden we ook de schuren en de stallen, alsmede een kluis waar een kluizenaar woont die op een andere wijze dan de eigenlijke kloosterlingen, zich wijden tot God. De boomgaard ligt er enigszins verlaten bij en de portier die in het portiershuisje zit, kijkt starend uit over de landweg. Tussen de gebouwtjes gaat we de keukenpoort door naar de keukens, de vlees- en de spijskamers, de bakkerij. Daar zijn ook de washuizen en de lager gelegen wijn-, bier- en voorraadkelders. We lopen door een brede gang met aan weerszijden grote en kleine kamers, de grote kamer, de groene kamer, de rode kamer, de baljuwkamer en de hoekkamertjes. Over de eerste verdieping bevindt zich de kapittelkamer, een groot en statig vertrek, maar wel sober van opzet. Nu is het er leeg en stil en daardoor lijkt het nog groter dan dat het in werkelijkheid is. Als de kloosterlingen daar echter samen komen om zaken te bespreken of een monnik te huldigen verandert de ruimte in een zee van wit en zwart, maar toch zonder geroezemoes zoals we verwachten.

De bibliotheek.
Afb. boven: De boekenkamer.

Niet minder groot is de eetzaal, een bijna vorstelijk vertrek, met kaarsen die dienen voor de verlichting en stapels hout en turf dat klaar ligt ter verwarming. Hoge gasten worden hier door de abt ontvangen aan het maal, maar de gewone middagmaaltijden vinden in de refter plaats, waar ook de lekebroeders en zusters en de kloosterbedienden hun maal nuttigen. De kleinere vertrekken die we hier zien worden door de biechtvaders en kapellanen gebruikt die aan de abdij zijn verbonden. We vinden daar ook de cellen van de monniken die voorzien zijn van een stenen dorpel en aan weerszijden liggen van de lange gangen en galerijen die met plavuizen en tegels zijn bevloerd. Aan een andere gang liggen de dormter der novicen (de woonvertrekken van de kloosterlingen) en de ruimtes voor de scholieren die er studeren en we werpen slechts heel even een vluchtige blik in de librye (boekenkamer) waar een zuster aanwezig is die het vergund is om boeken en andere geschriften aan de kloosterlingen in leen uit te reiken of om een plaats aan te wijzen, waar gelezen of geschreven kan worden. Intussen is het ons ook opgevallen dat in de cellen van de monniken ook boekenplanken zijn, waar ze hun eigen boekenverzameling onderbrengen. Hier vinden we ook een vertrek waar van de ‘binnenschoolmeester’ onderwijs geeft aan de ´schooljuffers´, de ´jongvrouwen´ die van ‘edelen huize’ afkomstig zijn en die hier ‘hare opvoeding ontfangen’ of voor het kloosterleven worden opgeleid.

Voormalige eetzaal.
Afb. boven: Voormalige eetzaal van het Cistercienzer abdij in de Champagne Ardennen. De foto dateert uit april 2009.

Vervolgens zien we aan de overkant de schepkamer, de zaal waarin de kleding van zijde en wol en linnen wordt vervaardigd of versteld en waarover twee schepkamervrouwen gaan die ook het toezicht hebben over de jonge kloostermaagden die in dit vertrek dagelijks bezig zijn met hun arbeid. De kleren die hier vervaardigd worden zijn voor eigen gebruik, maar dienen ook als geschenk voor kloosterbedienden en armen en worden in de ‘kleederkamer’ bewaard.

In een afzonderlijk bouwwerk vinden we de firmerye (een van de oudste en bekwaamste nonnen die de naam firmeryevrouwe heeft meegekregen; zij heeft de armen en ziekenzaal onder haar hoede). Aan het hoofd ervan staat een van de oudste en bekwaamste nonnen die de naam firmeryevrouwe heeft meegekregen. Hier worden de zieken verpleegd en ook de mensen opgevangen die zich als reiziger ziek aan de poort melden. Het is meestal ook de plaats waar de oudste monnik op het laatst zijn leven laat.

Vervolgens vinden we ook de sakristie en de gerwkamer, waar de heilige gewaden worden bewaard en de ´outerkleederen´, de gewijde vaten en de sieraden van de kerk, dit onder toezicht van een strenge, maar rechtvaardige en betrouwbare non.

Vooral de abdij is zwaar en rijk gebouwd. Het binnenwerk is beschilderd met heiligen en vooral het hoogaltaar trekt de aandacht. De rijkdom die hieruit spreekt komt hier uitdrukkelijk naar voren en is het gevolg van de rijke geschenken van vooraanstaande, edele mannen en vrouwen uit de omgeving, die hier hun dochter de sluier doen aannemen of er een plaats bespreken tot laatste rust. Het kleine altaar hier aan de koorzijde is geplaatst bij de gelegenheid waarbij de heer van de naburige borg zijn hele heerlijkheid bij zijn overlijden aan het klooster heeft geschonken en die nu rust in het graf aan de voet van het altaar om daar de eeuwige rust te vinden, voor zichzelf en zijn gemalin. Het altaar is bedoeld om er ‘ten eeuwigen dage’ gebeden te doen, voor de rust van zijn eigen ziel, maar ook voor die van zijn gemalin en zijn voorouders. Zijn tweede gemalin ´begiftigt´ dat outer (het is moeilijk na te gaan wat de betekenis van dit woord is) met vijftig pond, binnen twee jaren te betalen en zolang de betaling niet heeft plaats gevonden, betaalt ze jaarlijks twee pond, waarvoor dan dagelijks missen gelezen moeten worden. De nonnekes wordt dit wel wat teveel van het goede en zo wordt er een overeenkomst gesloten tussen de nonnen en de vooraanstaanden uit het sterfhuis dat er twee keer per week een mis zal worden opgedragen.

 

´Geestelyken der twaalfde eeuw´.
Afb. boven: afb. uit ´Ons Voorgeslacht´, door W.J. Hofdijk. ´Geestelyken der twaalfde eeuw´.

 

 

Wijnkelder in een klooster,
Afb. boven: Een wijnkelder in een klooster.

Rijk gevulde schuren en kloosterkelders

De kloosterschuur is rijk gevuld evenals de kelders dat zijn. De hoeve in de verte behoort ook het klooster toe. Daar krijgt het slachtvee goed te eten en worden zuivel en granen voor de ´spyker´ (opslagplaats), de kelder en de keuken bereid. Daarbij behoren ook zaai-, maai- en weilanden die worden bewerkt en onderhouden door vaste knechten en maagden en nog een aantal huurlingen die onder een bouwmeester of een bouwmoeder staan. Behalve deze ene hoeve zijn er echter nog vele anderen die bijdragen in de rijkdom van klooster en abdij. De tienden stromen van alle kanten toe. Zo ook de turf, die er wordt verbruikt voor het bakhuis van de geestelijken, het brouwhuis en het washuis. Deze turf wordt niet aangekocht, maar komt van de verre velden waar dit klooster ook eigendommen bezit. Daar in die verre veenlanden wordt de turf gedolven door lieden die er hun daggeld mee verdienen. Mocht men denken dat dit alles is waaraan het klooster haar rijkdom ontleent, heeft het mis. Het klooster geniet het recht van vrije doortocht en vervoer en behoeft daarvoor geen tienden of cijns te betalen aan de bezitter van de grond, waarover de goederen worden vervoerd. Bovendien zijn grote delen van het aangrenzende dorp eigendom van het klooster en wonen veel dorpelingen in huizen van het klooster en werken ze ook voor het klooster. Daarmee worden alle inkomsten zeker gesteld door pachten, erfpachten, hoenders, hooien, mondgeld, hofstede geld, tienden en meer… Al deze bezittingen, al deze rijkdommen zijn gekocht, verwisseld, verworven, geërfd, enkelen slechts gehuurd, veel is ook door schenkingen verkregen, deels uit zuivere of bijzondere liefde voor het geloof, deels als aalmoezen of voor het opdragen van missen het zingen voor de jaargetijden, mEmories en jaarzangen. Er zijn ook schenkingen bij van schenkers die bij het aanbieden en overgeven van hun goederen aan het klooster meer het oog hebben laten vallen op een rustige toekomst van hun ziel, maar ook hun lichaam hebben overgedragen aan het klooster om het te verzorgen tot het tot stof is verworden.

De refter.
Afb. boven: De refter De refter is de eetzaal en ligt naast de keuken, tegenover de kerk, in het deel dat bestemd is voor de lichamelijke behoeften van de kloosterlingen. Het is een grote zaal, omdat ze allen tegelijkertijd met elkaar eten.

Er schijnt ook een oeroud gebruik geweest te zijn dat er uit bestaat dat zowel bij het leven als na de dood er voor zorgt dat de spijs- en wijnkelder van het klooster altijd rijkelijk gevuld blijven en dat er grote sommen geld worden geschonken voor meer of min overvloedige maaltijden, die op de sterfdag, na het vieren van de lijkdienst, in de refter moet worden gehouden. Dergelijke giften dragen de naam van karikaten en pinanciën en er zijn veel wilsbeschikkingen gevonden waarin deze voorkomen en er zijn veel godshuizen geweest, waar ze zijn gehouden voor de geestelijke broeders of zusters. Er ligt een zekere zinnelijke goedhartigheid in het denkbeeld dat de levenden zich vrolijk zullen maken en smullen, op de gedenkdag dat de gever is gestorven en wiens stof intussen onder de aarde ligt te vermolmen!

Onder pitancie verstaat men het recht om op gezette tijden een deel spijs en drank te mogen genieten, een recht dat de meeste kloosterlingen hebben gekregen. Vaak staat er geschreven zóveel pond pitanciën, maar soms wordt ook de spijs of de drank nauwkeurig omschreven. Deze pitanciën worden in het klooster uitgedeeld door de spijs- en de wijnvrouwen, maar in de mannenkloosters is dit de taak van de cellarius of pitancier, een soort wijn- of keldermeester.

Een van de belangrijksten onder de kloosterlingen is wel de rentmeester die alle financiën beheert en er voor zorgt dat er rekening en verantwoording wordt afgelegd. Wellicht zijn er ook die rijkhalzend uitkijken naar de dag waarop de rentmeester de laatste stand van zaken bericht, wat altijd met feestelijkheid en eten en drinken gepaard gaat. Zelfs muziek wordt er dan ten gehore gebracht en ook zijn er andere ontspanningen. Het zal echter niemand verbazen dat het hierbij louter gaat om uitspattingen van kloosters en dat deze deze feestelijkheden en uitbundigheden beslist niet worden gehouden op last van de  of van de Heer. De meeste dagelijkse bezigheden zien er in de ogen van onze tijd heel wat somberder uit.

 

Een kapittelzaal in een klooster.
Afb. boven: Een kapittelzaal. Deze recht-hoekige of vierkante zaal ligt meestal aan de aan de oostkant van het klooster. Er wordt gepreekt, voorgelezen en onderwijs gegeven. De zaal heet kapittelzaal, omdat er elke morgen een van de 73 ‘kapittels’ (hoofdstukken) uit de Regel van Bene-dictus wordt voorgelezen.

Opgenomen worden in het klooster

Doet zich een novice (iemand die voor de intrede in het klooster een proeftijd doormaakt tijdens het noviciaat) voor, dan verschijnen op een daartoe bepaalde dag haar ouders in de abdij, eerst komen ze bij de abdes, daarna verschijnen ze voor het hele convent in de kapittelzaal, waar vergaderd en gebeden wordt voor de jonkvrouw om haar een goede plaats in het klooster te geven, met water en brood, haar hele leven lang. Als het verzoek wordt toegestaan dan wordt de dag vastgesteld waarop zij de wijding zal ontvangen en gaan de ouders terug naar hun voorname huizen, terwijl de jonkvrouw als novice achter blijft om onderworpen te worden aan ‘zekere beproevingen’, waaruit moet blijken of zij alles kan volbrengen wat de kloosterregels van haar zullen eisen. Gedurende de proeftijd, soms voor onbepaalde tijd, soms voor een jaar, worden de kloostereisen eerder te hoog dan te laag gesteld. In die tijd mag de novice het klooster niet verlaten en krijgt zij bij sommige kloosters het daglicht niet eens te zien. In deze periode mag de novice ook haar familieleden niet ontmoeten.

 

Het proefjaar is geëindigd en de novice blijft bij haar standpunt om in het klooster opgenomen te worden. De ouders en verwanten mogen nu voor het eerst weer in het klooster komen, waar zij met vrolijkheid worden ontvangen en waar de jongvrouw nogmaals aan de abdes van het klooster wordt aangeboden. Daarbij offeren ze een goed gevulde beurs met zilver en enige ellen tafellaken, waarna er wijn en specerijen worden rondgedeeld. Dan staat iedereen op en beweegt de stoet in een plechtige optocht naar de abdij met de novice aan het hoofd. Daar wordt een offer gebracht en daarna wordt er geurige kruidenwijn gedronken. Vervolgens trekt de stoet naar het groothuis, waar een vorstelijk banket is aangericht en onder tromgeroffel en trompetgeschal wordt daar genoten van brood en wijn. Na de maaltijd keren de gasten naar het hoofdgebouw terug, waar ze zich in de avond terug trekken in de voor hun verblijf ingerichte vertrekken.

De volgende ochtend gaan de gasten weer naar de abdijkerk die voor deze gelegenheid prachtig is versierd en stellen nu bij de ingang voor de derde keer de jonkvrouw voor aan de abdes en de kloosterjuffers. Deze nemen haar in hun midden en begeleiden haar naar het koor, waar ze blijft zitten tot dat de praefatie (de inleiding tot de gebeden van een canon of regel der consecratie, omtrent het midden van een mis) is gezongen. Na de opdracht van het brood en de wijn moet zij enige ponden offeren voor het klooster en ook een kleinigheid voor de outercieraden (het is niet geheel duidelijk wat de schrijver hiermee bedoelt), waarna de eigenlijke plechtigheid van de wijding begint. Bij de jonkvrouw ontvallen nu haar blonde en rijke lokken als de onherroepelijke schaar strak maar voorzichtig over haar naar voren gebogen hoofd scheert en als haar de ring aan de vinger wordt gestoken om aan te geven dat ze voorgoed en oneinding als de ronding van de ring, verbonden zal zijn aan de Here. Als haar wereldlijke kleding voor het geestelijk gewaad verwisseld is, legt zij de gelofte immer in het klooster te zullen verblijven, zich van alle bezittingen daar buiten te ontdoen, steeds een onverbrekelijke kuisheid te bewaren en onvoorwaardelijk te zullen gehoorzamen aan de bevelen van de abdes. Dan verlaat de stoet plechtigen de kerk en begeeft ze zich naar het groothuis, waar wederom een prachtig maal wachtende is. De nieuwe non is verplicht om aan ieder van de kloosterjuffen, die nu haar gezellinnen geworden zijn, iets tot een ‘blijde inkomste’ te geven, terwijl het haar ouders vrij staat om de afgelegde kleren, die haar nu nooit meer van nut zullen zijn, op te nemen om ten gunste te laten komen van de armen.

Kloosterlingen aan het werk.
Afb. boven: Kloosterlingen bezig met studiewerkzaamheden.

Wat zijn nu haar verplichtingen geworden in het klooster? Dat hangt helemaal af van de orde waarin deze nieuwe non is toegetreden; maakt ze deel uit van een monniken- en nonnenklooster, waar mannen en vrouwen gescheiden van elkaar leven of is dit een klooster waar alleen vrouwelijke habijtdragers vertoeven… Laten we er van uit gaan dat we hier te maken hebben met een Benetictijns nonnenklooster, waar na de Hervorming van de Benedictijnen van Clugny de kloosterlingen niet allen een gestrenge waarneming van de voorschriften van de Benedictijnen moet opvolgen, maar waar nog een aantal andere verplichtingen, gebruiken en diensten worden toegevoegd. De strekking daarvan bestaat in het gedurig oefenen van de kloosterdeugden en stipte gehoorzaamheid. Zo moeten ze op gezette tijden een aanhoudend stilzwijgen in acht nemen terwijl het hun daarbij slechts wordt toegestaan bij het overbrengen van gedachten,  vingeraanwijzingen of een wenkteken te geven die een bedoeling kenbaar maakt. Ook is het ze in een dergelijke periode niet toegestaan om vlees te eten, omdat weelderigheid nu eenmaal geen voedsel kent en bovendien zijn de uren voor de godsdienstoefening vermeerderd. Deze voorschriften over het stilzwijgen en de zusterlijke liefde voor het geloof moeten telkens weer worden vernieuwd, telkens weer worden aangescherpt. Elke keer blijkt echter weer dat het vlees zwak is en de gedachten fout en elke keer blijkt dat er langzaam maar zeker weer vrijheden insluipen die in toom moeten worden gehouden door nieuwe regels, verscherpte toezicht en nog langere en uitgebreidere gebeden.

Niet zelden komt het voor dat men de gelofte van vrijwillige armoede verbreekt in plaats van alle goederen gemeen te hebben. Het is zwaar te weten dat de schuur tot aan de nok toe gevuld is met granen en de kelders uitpuilen van vlees en wijnen. Het gebruik van wijn is de Benedictijners toegestaan, maar soms is dat niet meer genoeg en komt er ook weer vlees bij. Men geeft vreemdelingen niet alleen toegang tot het gasthuis en de ziekenzaal alleen, maar ook tot het convent; men richt weelderige maaltijden en banketten aan en maakt zich tot andere misbruiken schuldig. In het algemeen klaagt men dat de kloostertucht bij de Benedictijnen in de 13e eeuw in ongelukkig verval is geraakt, zodat er zelfs zijn die zeggen dat er in het gedrag van de monniken nauwelijks meer enig teken van geestelijk leven te ontdekken valt. Alles is bedorven, alles raakt in verval. De monniken en de abten tuimelen neer in de diepte van de zonde en niemand die er iets aan doet. De uitspattingen worden zo groot dat ze als normaal en gebruikelijk worden gezien.

 

Tot zover Hofdijk in ´Ons Voorgeslacht´.

 

Hoofdbron:
1. Ons voorgeslacht door W.J. Hofdijk, derde deel. Leiden, P. van Santen, 1874.
Overige Bronnen:
2. Wikipedia.
3. Aantekeningen W.J. Eelssema.
4. De Johannieters in Stad en Lande. Geschiedenis van de Johannieters in de provincie Groningen (13de - 17de eeuw), Drs. G.F. Noordhuis, Uitgeverij Sikkema, Warffum, 1990.

 


Aan bovenstaande tekst is de uiterste zorgvuldigheid besteed.
Desondanks kunnen er best fouten
voorkomen.
Constateer je fouten en/of heb je vragen, correcties, aanvullingen...
geef die dan even aan mij
door via mijn E-mail adres

Hoogeveen, jan. 2010
Verhaal: © Harm Hillinga.

 

Menu Artikels.
HomePage