WOORDVERKLARINGEN

 

Abdijkerk
Volgens de Regel van Benedictus was het klooster de ‘leerschool voor het dienen van de Heer’. De kerk is daarom de belangrijkste plaats in het klooster. De kerk heeft meestal een kruisvormige plattegrond en ligt in aan de noordkant van het klooster, om de andere vleugels te beschutten tegen de noordenwind. De kerk heeft weinig versiering, maar straalt wel rust, troost en vrede uit. Er is een hoofdingang met daarbij nog vijf ingangen die allemaal een speciale functie hebben. Deze deuren bevinden zich in het breedste gedeelte van de kerk, de dwarsbeuk. Aan de linkerkant is een deur die toegang geeft tot het kerkhof, aan de rechterkant zijn deuren die toegang geven tot de sacristie en de slaapzaal.


Balije
Een balije is de naam voor een Ordensprovincie bij de grote geestelijke ridderorden: de Tempeliers, de Maltezer Orde en de Duitse Orde. Een balije verenigt een aantal commanderijen. Aan het hoofd van een balije staat een landcommandeur.

 

Cellarium

Een cellarium is de kelder van een klooster of abdij. De cellarius is de keldermeester. Voorbeelden van cellaria treft men aan in de Benedictijnerabdij van Monte Cassino en in Bolton Abbey. Het Nederlandse woord kelder stamt overigens af van het woord cellarium.

 

Commanderij
Een commanderij, ook wel commende of commenderij, is een landgoed dat door een commandeur van een ridderorde wordt bestuurd. De commenden brachten de inkomsten bijeen die de middeleeuwse ridderorden gebruikten voor hun liefdadige werk of hun kruistochten. Later werden de commanderijen een inkomstenbron voor de adel.
Al spreekt het Groot Nederlands Woordenboek van commanderij, de Nederlandse Johanniters houden vast aan de spelling "commenderij". De Duitse Orde spreekt over haar commanderijen.
De naam commenderij kan zowel een bestuurlijke eenheid van een ridderlijke orde aanduiden als een landgoed of een door een commandeur beheerde portefeuille onroerend goed. Een bestuurlijke eenheid, bijvoorbeeld de werkzaamheden van een ridderlijke orde in een bepaald land, wordt door een landcommandeur geleid.

 

Convent

De term convent heeft meerdere betekenissen onder andere klooster, vergadering en een gemeenschappelijke woning in tegenstelling met huis in een begijnhof. De term stamt uit het Latijn van conventus, samenkomst.

 

Eerste Kloosterregel

De vierde-eeuwse gewezen Romeinse soldaat Pachomius wordt beschouwd als de opsteller van de eerste regels voor het kloosterleven. Basilius introduceerde deze regels in aangepaste vorm in Klein-Azië en staat daarom bekend als de vader van het Oosterse kloosterleven. Augustinus bracht het kloosterleven naar Afrika. In Ierland ontwikkelde het Keltische kloosterleven zich tot de basis voor missiewerk in het nog heidense Noord-Europa en de (her-)bekering van Brittannië en de grensgebieden van het vroegere Romeinse Rijk. Deze waren veelal teruggekeerd tot heidendom tijdens de Grote Volksverhuizing. Doordat er in het Westen verschillende regels en tradities voor het kloosterleven ontstonden, was er al snel sprake van diverse onafhankelijke kloosterordes. In het Oosten is er nooit een dergelijke ontwikkeling geweest. Dit heeft geleid tot verschillende situaties in de tegenwoordige rooms-katholieke Kerk en de Oosters-orthodoxe Kerken.

 

Kapittelzaal.
Afb. boven: Kapittelzaal

Kapittelzaal
Deze rechthoekige of vierkante zaal ligt in de aan de oostkant van het klooster. Er wordt gepreekt, voorgelezen en onderwijs gegeven. De zaal heet kapittelzaal, omdat er elke morgen een van de 73 ‘kapittels’ (hoofdstukken) uit de Regel van Benedictus wordt voorgelezen.

 

Kloostergang
De kloostergang ligt rond een binnenplaats in het midden van het klooster. Hij bestaat meestal uit een overdekte omloop rond een hof. De gang geeft toegang tot verschillende vertrekken en vleugels van het klooster.

 

Kloosterorde
Een kloosterorde is een orde van religieuzen, mannen of vrouwen, die zich verenigd hebben omtrent een gemeenschappelijke geloofsopvatting en kloosterregel waaraan zij gebonden zijn, en op een permanente wijze samenleven binnen één en dezelfde plaatselijke gemeenschap, een klooster of een tempel. Meerdere kloosters van gelijkgezinde religieuzen vormen samen een kloosterorde.


a. Christelijke kloosterorden.

In het christendom zijn de kloosterorden een zaak van de rooms-katholieke Kerk, enkele daarmee verbonden oosters-katholieke kerken en de Anglicaanse Kerk. De oosters-orthodoxe kerken en de oriëntaals-orthodoxe kerken hebben zeer veel kloosters, maar kennen geen afzonderlijke kloosterorden. De lutherse kloosters vormen evenmin afzonderlijke verbanden en zijn volledig geïntegreerd in de regionale kerkelijke organisatie. In kringen van hervormden en methodisten kwamen in de 19e eeuw diakonessenhuizen op.

 

Francisco de Zurbarán, monnik in koorkledij met tonsuur
Foto boven: Porträtzyklus von Mönchen, Szene: Porträt des Fra Francisco Zumel (1540-1607). Schilderij rond 1633. De schilderij bevindt zich in de Academia de Bellas Artes de San Fernando in Madrid. Bron afb.: Wikipedia.

b. Katholieke kloosterorden

Een orde is volgens het kerkelijk recht een vorm van een Instituut van Godgewijd Leven. Dit is een vereniging van mannelijke of vrouwelijke religieuzen, die zich door geloften verbonden hebben aan een religieuze vereniging binnen de Katholieke Kerk. De leden van de orde worden geacht zich aan de kloosterregels te houden en worden daarom tot de reguliere geestelijken gerekend.

 

Binnen de Katholieke Kerk wordt verder onderscheid gemaakt tussen kloosterorden (in engere zin) en congregaties (kloosterorden in ruimere zin): een orde is een gemeenschap van reguliere geestelijken (kloosterlingen) die plechtige geloften hebben afgelegd, meestal gesticht vóór ongeveer 1550 een congregatie is een dergelijke gemeenschap van kloosterlingen die een eenvoudige gelofte hebben afgelegd, meestal gesticht na ongeveer 1550 Leden van een kloosterorde hebben, in tegenstelling tot leden van een congregatie, een strengere clausuur en behouden geen persoonlijke bezittingen wanneer ze intreden.

 

Bij een congregatie worden er enkel eenvoudige (tijdelijke of eeuwige) geloften afgelegd. Kloosterorden staan niet onder het gezag van de bisschoppelijke hiërarchie maar staan onder het directe gezag van de paus. Oblaten waren kloosterlingen die op jeugdige leeftijd door hun ouders aan een klooster werden overgedragen. Tegenwoordig slaat de benaming oblaten op leken die zich met een kloosterorde associëren, met name de Benedictijnen.

In de Middeleeuwen worden losse verenigingen van zelfstandige kloosters veelal als congregatie aangeduid. De grens tussen kloosterorde, congregatie en affiliatie (de band tussen moeder- en dochterkloosters) was in de praktijk vaak vloeiend. Sommige congregaties ontwikkelden zich in de elfde en twaalfde tot echte kloosterorden, die als zodanig door de paus erkend werden; andere kloosterorden uit de begintijd verloren hun zelfstandigheid.

 

Met name bij de augustijner koorheren bleef de organisatiestructuur tamelijk vrijblijvend. Middeleeuwse kloosterorden bestonden gewoonlijk uit gemeenschappen, waarvan behalve monniken en/of nonnen ook lekenbroeders en -zusters deel uitmaakten. Daarnaast ontstonden vanaf de 13e eeuw ook gemeenschappen van Apostolisch leven, waarvan de leden geen kloostergelofte aflegden, waaronder de begijnen en begarden en een deel van de geestelijke ridderorden oftewel hospitaalbroeders en -zusters. Een deel daarvan werd door oudere kloosterorden onder hun hoede genomen; de meeste worden na ongeveer 1550 tot de congregaties gerekend. In de onderstaande lijst is ervoor gekozen behalve de kloosterorden (in engere zin) ook de apostolische leefgemeenschappen en congregaties vóór ongeveer 1550 op te nemen. Naar levensstijl worden de orden van kanunniken (Augustijner koorheren, premonstratenzers, kruisbroeders) en clerici (jezuïeten en missiecongregaties) onderscheiden van de soberder levende monniken (benedictijnen, cisterciënzers) en leden van de bedelorden. Verder zijn er de kluizenaars (kartuizers). Verschillende orden zijn mengvormen (dominicanen, augustijnen). Naar het doel kan men de kloosterorden indelen in overwegend beschouwende orden (benedictijnen, cisterciënzers, kartuizers), overwegend actieve orden (geestelijke ridderorden en broeders van het gemene leven) en gemengde orden (norbertijnen, bedelorden, begijnen en tertiarissen). Bij norbertijnen, bedelorden en augustijnen is het vooral de vrouwelijke tak (de zogenoemde tweede orde), die zich beschouwend opstelt. Kloosterorden en congregaties moeten onderscheiden worden van kapittels van seculiere kanunniken. Dit zijn gemeenschappen van seculiere geestelijken, verbonden aan een kathedraal, een basiliek of een belangrijke parochiekerk.

 

Kloostercel

Een monnikscel of kloostercel (cella in het Latijn) is de kleine individuele behuizing van een monnik of moniaal. Het woord komt van het Latijn (cella = bergplaats, [voorraad]kamer) en het wordt gebruikt in aansluiting aan het antieke gebruik van het woord cella, namelijk het door muren omsloten centrale deel van een tempel, waar zich gewoonlijk het beeld van de godheid bevond.

 

Kloostertuin

Kloostertuinen, ook kruistuinen of viridaria genaamd, zijn tuinen om of in het klooster. In de middeleeuwen waren ze meestal centraal gelegen met rondom de kloostergebouwen. De tuinen hebben historisch gezien verschillende bestaansredenen. De kruidentuin (herbularius) had vooral een geneeskundige functie. Doordat teksten uit de Romeinse en Griekse tijd vooral in kloosters werden bewaard, was er in de middeleeuwen binnen een aantal kloosters een voor die tijd redelijke geneeskundige kennis aanwezig. Planten met een geneeskrachtige werking werden in de kruidentuinen van de kloosters gekweekt. De medicijnen uit deze planten waren voor de lokale bevolking belangrijk. Daarnaast bestond de vroegmiddeleeuwse kloostertuin ook vaak uit een moestuin (hortus) en een boomgaard. Deze tuinen hadden vooral een nuttigheidsfunctie en behoefden niet veel versiering. Prof. Duft onderzocht de kruidentuin van de Abdij van Sankt Gallen zoals afgebeeld op het beroemde kloosterplan uit circa 820.

 

23 planten uit de tuin worden genoemd in een gedicht uit 842, De cultu hortorum van Walafrid Strabo:

Echte salie
Afb. boven: De echte salie (Salvia officinalis) is een plant die behoort tot de lipbloemenfamilie (Labiatae of Lamiaceae). De plant wordt vooral gebruikt als kruid en is met name bekend uit de Italiaanse keuken. De plant wordt 40-80 cm hoog. De bladeren zijn dik, grijs en sterk aromatisch; de nerven zijn diep ingezonken. De bladrand is fijn gekarteld-getand of bijna gaafrandig. De stengel kan onderaan houtig zijn. De soort bloeit in juni en juli met 2-3 cm lange, blauwpaarse, soms witte of roze bloemen. De kroonbuis heeft van binnen een krans van haren. De bloeiwijze bestaat uit twee schijnkransen en vier tot acht bloemen. De vrucht is een vierdelige splitvrucht.

 

Salie

Wijnruit

Abrotanum

Cucurbita

meloen

Absint

andoorn

venkel

Gladiola / zwaardlelie

maggiplant

kervel

lelie

Papaver

Scarega en cortus-muskaatkruid en vrouwenmint

Mentha

Pulicaria / vlooienkruid

selderij: verzacht blaasaandoeningen, bevordert de spijsvertering, bevrijdt de misselijkheid.

betonie Agrimonia / agrimonie: verzacht bij maagpijnen, geneest wonden.

Ambrosia / wormkruid: onttrekt bloed, bevordert vochtvorming.

Nepeta / kattenkruid: geneest huidverwondingen, bevordert haargroei.

ramenas: geneest hoesten.

Rosa / roos: de olie hiervan is in veel gevallen heilzaam.

 

Een aantal akkers en weilanden waren in de middeleeuwen in gebruik voor de voedselvoorziening. In de vroege middeleeuwen hadden deze tuinen, behalve als voedselbron voor de bewoners, vaak ook een educatieve functie: ze dienden als middel om elementaire landbouwkennis, zoals bemesting en roulatie van gewassen, aan de bevolking over te brengen

 

Een plattegrond voorbeeld van een klooster.

Modelplattegrond

De indeling van een klooster moest gebeuren

op basis van een modelplattegrond. Daarop stond dat drie gedeelten van het klooster bestemd waren voor ‘de ziel, de geest en het lichaam’ van de monniken. Het vierde deel was bestemd voor de lekenbroeders. Voor de ziel van de monniken werd een kerk gebouwd, op de plek rond de kloostergang (15).

 

De gedeelten bedoeld voor het geestelijk leven waren de sacristie (3), kapittelzaal (16), het parlatorium, werkkamers en het scriptorium (22). De keuken (28), voorraadkamers (33), wasruimte, de refter (31) en de latrines (19 + 36) waren bedoeld voor de lichamelijke verzorging. Later kwamen er vleugels bij met een ziekenzaal, vertrekken voor novicen, een kerkhof, een aparte leefruimte voor de abt (de leider van de kloostergemeenschap) en de bibliotheek.

 

 

De modelplattegrond kon soms aan de plaatselijke omstandigheden worden aangepast. Zo kon er een maalderij, een smidse, een graanschuur, een bakkerij, een brouwerij en stallen bij het klooster worden gebouwd. Ook hadden veel kloosters een kruidentuin, voor geneeskrachtige kruiden, en een boomgaard. Rond het complex stond een muur, waarachter de landerijen van het klooster lagen. Daar lagen vaak boerderijen, bossen en weilanden.

 

Trappister monnik.
Afb. boven: Een biddende Trappister monnik. Bron afb.: Wikipedia

Monnik

Het woord monnik komt van het Griekse μοναχος (monachos), dat 'eenzaam' betekent en het woord μονος ("monos" : alleen). Met de aanduiding monnik wordt in het christendom iemand bedoeld die omwille van het Koninkrijk Gods armoede, gehoorzaamheid en zuiverheid belooft, de zogenaamde professie van de Evangelische raden. Monniken wonen meestal bij elkaar in een klooster of abdij, waar ze een speciale dagindeling hebben die helemaal gewijd is aan het gebed en de beschouwing. Er bestaan echter sinds de 13e eeuw ook de zogenaamde bedelorden waarvan de monniken een actief bestaan hebben in de samenleving.

 

Parlatorium
In het parlatorium kunnen de kloosterlingen lezen, mediteren, naar preken luisteren. In dit vertrek worden ook belangrijke mededelingen gedaan, die het hele klooster aangaan.

 

 

Porterie en het gastenverblijf
In de porterie zetelde de poortwachter of portier. Hij is verantwoordelijk voor de veiligheid van het klooster, en bepaalt wie er wel en niet naar binnen mag. Het gastenverblijf staat onder leiding van een gastenpater. Benedictus wilde dat de kern van het klooster afgezonderd lag van de rest van de wereld, maar de deuren moesten wijd open blijven staan voor mensen van buiten. De porterie vormt het ontmoetingspunt met de buitenwereld. Het gastenverblijf voorziet in de behoeften van degenen die bij de kloosterpoort aankloppen.

 

Priorij

Een priorij is een tweede huis van een bestaand klooster. Afhankelijk van de kloosterorde of congregatie wordt de term ook gebruikt voor een klooster waar een prior of priorin/priores aan het hoofd staat."

Een uitheemse priorij is een priorij die afhankelijk is van een moederhuis en een priorij hermitage was een woonplaats van twee of drie monniken die afhankelijk waren van een buitenlands moederhuis. Deze monniken waren naar het buitenland gezonden om een afgelegen landgoed te exploiteren. Deze hermitages werden in 1414 afgeschaft

 

Refter
Afb. boven: De refter.

Refter
De refter is de eetzaal en ligt naast de keuken, tegenover de kerk, in het deel dat bestemd is voor de lichamelijke behoeften van de kloosterlingen. Het is een grote zaal, omdat ze allen tegelijkertijd met elkaar eten.

 

Refuguhuis of refugium

Een refugehuis, ook refugiehuis of in het Latijn refugium genoemd, was voor de bewoners van onder meer abdijen een vluchthuis wanneer zij zich niet meer veilig voelden in hun abdij of klooster. Refugehuizen zoals dat van de Abdij van Herkenrode werden binnen de stadsmuren (hier de stad Hasselt) gebouwd. In Hulst hadden bijvoorbeeld zowel de Abdij van Boudelo als die van Onze-Lieve-Vrouw Ten Duinen (deze laatste voor haar hof te Kloosterzande) een dergelijk refugium.

 

Sacristie
In de kamertjes van de sacristie liggen spullen die nodig zijn voor de altaardienst. Vaak zijn het liturgische voorwerpen zoals de stola die door priesters worden gedragen tijdens de mis en de kelk waaruit wordt gedronken tijdens de eucharistieviering. De misboeken zijn daar ook te vinden.

 
Scriptorium
In dit vertrek konden monniken teksten overschrijven en versieren, ze werkten zogezegd als kopiisten. Het scriptorium was voor weinig mensen toegankelijk, zodat de kopiisten ongestoord konden werken. Het vertrek wordt vandaag de dag als studeerkamer of als leeszaal gebruikt.

 

Uit het rekeningenboek van 1610

 

Restant van het klooster te Aduard: de ziekenzaal.
Afb. boven: Restant van het klooster te Aduard: de ziekenzaal. In de glorietijd telt het klooster meer dan 50 gebouwen. Bron afb.: Wikipedia

 

(1) Ter vergelijking is een lijst opgesteld van hogere geestelijken uit andere kloosters, met het bedrag dat zij volgens het rekeningenboek van 1610 (SA inv. 2314) in dat jaar als alimentatie kregen:

 

(f. 387r) Wilhelmus Emmen, abt van Aduard 600 Kar.gl.; (f. 387v) Hendricus Beijer, hofmeester van Aduard 150 Kar.gl.

(f. 388r) Catharina Pelgrums, priorin van Selwerd 122 Kar.gl. + 10 Brabantse stuiver

(f. 391r) Bernardus Mensens, abt van Rotturn 450 Kar .gl.

(f. 391r) Johannes Potterwolde, prior van Rottum 150 Kar.gl.

(f. 393r) Sophia Blaeuwhuijs, priorin van Oldenklooster bij den Dam (Feldwerd bij Holwierde) 130 Kar.gl.

(f. 393r) Elijsabeth van Langhen, suppriorin (aldus Damen, Benediktijnennkloosters, 173) van Oldenklooster bij den Dam 136 Kar.gl.

(f. 397r) Gerhardus Ahuijs, abt van Thesinge 500 Kar.gl.

(f. 404r) Reneke Nenicks, abdis van Essen 280 Kar.gl.

(f. 407r) Hendricus ter Moelen, proost van Heiligerlee 150 Kar.gl.

(f. 411r) Cornelia Cornelis, priorin van Nijenklooster bij den Dam (Rozenhof of Rozenkamp bij Jukwerd) 100 Kar.gl.

(f. 412r) Marrijchien Arents, priorin van Schildwolde 105 Kar.gl.

(f. 413v) Albertus Emmen, prior van Scharmer 150 Kar.gl.

(f. 414r) Margareta Janssen, suppriorin van Trimunt (bij Marum) 80 Kar.gl.

(f. 414v) Johannes Walteri, supprior van het Jacobijner convent in Groningen 100 Kar.gl.

 

(1) Rekeningenboek 1623, SA inv. 2327, f. 475v. In de rekeningenboeken over de jaren 1624 tot en met 1629 heb ik geen alimentaties kunnen vinden. Het is mij niet duidelijk waar de na 1623 betaalde alimentaties verantwoord zijn. Wat Hendricus Harderwijck betreft, mogelijk is hij dezelfde als de persoon die op de gereformeerde classisvergadering van Middelsturn op 2 juli 1599 ter sprake kwam. Bij die gelegenheid beklaagde Ludolphus Korenportius, predikant te Oosternieland, zich over het brutale gedrag van "die olde pape Hendrik tho Harderwick". Laatstgenoemde had hem namelijk in Uithuizermeeden zwaar beledigd en "up sin backen geslagen". Bovendien was hij smalend tekeergegaan teegen de Provinciale Staten en de classis. Daarom besloot de classis aan de Provinciale Staten te verzoeken "dese moetwillige Bove" te straffen. Zie G.A. Wummkes. De Gereformeerde kerk in de Ommelanden tussen Eems en Lauwers (159551796). Groningen 1975 (herdruk van de uitgave Groningen 1904). 17.

 


BRONNEN EN LITERATUUR

 

A. Ongedrukte bronnen (voorzover niet opgenomen in de tekst)

 

    Rijksarchief Groningen:

     

    Archief van de Johannieter commanderij Oosterwierum;
    Archief van de Johannieter commanderij te Warffum;

    Archief van de Johannieter commanderij Wijtwerd bij Usquert;
    Archief van het klooster te Selwerd;

    Archief van het Generale zijlvest der Drie Delfzijlen;
    Archief van de familie Van Ewsum;

    Huisarchief Farmsum;

    Archieven van de familie Lewe;

    Ommelander archieven;

    Archieven der Staten van Stad en Lande.

    Gemeentearchief Groningen:

    Archief van het Heilige Geest Gasthuis;
    Archief van het Klerken- of fraterhuis;

    Archief van het Vrouw Menolda- en Vrouw Sywenconvent;
    Archief van de Groninger parochiekerken;

    Archief van het Predikantenkantoor.

    Staatsarchiv Münster:

    Johanniterkommenden in Stift Münster, Nr. 3.

    Archives de l'Ordre de Malte, aanwezig in Valletta op Malta:

    AOM 45, visitatie van 1495; AOM 6340, visitatie van 1540.

     

B. Gedrukte bronnen (voorzover niet opgenomen in de tekst)


DELAVILLE le ROULX, J., Cartulaire général de l'ordre des Hospitaliers de S. Jean de Jérusalem (1100-1310), 4 dIn. Paris 1894-1906.

DRIESSEN, R.K., Monumenta Groningana veteris aevi inedita, 4 dIn. Groningen 1822-'30.

FEITH, H.O., Warfsconstitutiën en oordeelen. Groningen 1863.

FEITH, H.O., Merkwaardig vonnis over eenen beweerden onwettigen 10gang 10 het klooster te Wijtwerd, den 7 Julij 1534, in: BGOGr III (1866), 136-141.

Goorspraken van Drenthe 1563-1565, uitgegeven door H.van Riel, in: Werken der vereeeniging tot uitgave der bronnen van het Oude Vaderlandsche Recht, tweede reeks nr. 22. 's-Gravenhage 1928.

Goorspraken van Drenthe 1572-1577, in: Werken der vereeniging tot uitgave der bronnen van het Oude Vaderlandsche Recht, derde reeks nr. 1. 's-Gravenhage 1931. JOOSTING, J.G.c., Onuitgegeven pauselijke bullen verleend aan de Hospitaalbroeders van den H. Johannes te Jeruzalem, in: Nederlandsch Archief voor Kerkgeschiedenis, NS I (1902), 275-313.

Oorkondenboek van Groningen en Drente, samengesteld door P.J. Blok e.a., 2 dIn. Grooningen 1896-'99.

Ordelen van de etstoei van Drenthe 1518-1604, uitgegeven door J.G.C. Joosting, in: Werken der vereeniging tot uitgave der bronnen van het Oude Vaderlandsche Recht, eerste reeks nr. 16. 's-Gravenhage 1893.

Ostfriesisches Urkundenbuch, samengesteld door E. Friedländer, I en 11. Emden 1878-'81.

Ostfriesisches Urkundenbuch lIl, samengesteld door G. Möhlmann. Aurich 1975. SCHWARTZENBERG en HOHENLANSBERG, G.F. thoe, Groot placaat- en charterrboek van Vriesland, 5 dIn. Leeuwarden 1768-'93.

WIERSUM, E., De bezittingen van de drie Groningsche commanderijen in het laatst van de zestiende eeuw, in: Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap, XL V (1924), 1-31.

WIERSUM, E., en A. Le COSQUINO de BUSSY, Visitatie-verslagen van de Johanniterrkloosters in Nederland (1495, 1540, 1594), in: BMHG XLVIII (1927), 146-340.

 

C. Literatuur

AA, A.J. van der, Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden, 13 dIn. Gorinchem 1839-'51.

AL TING, Egbert, Diarium, ed. W.J. Formsma en R. van Roijen, Rijks geschiedkundige publicatiën, grote serie, nr. 111. Den Haag 1964.

Archief voor de geschiedenis van het aartsbisdom Utrecht, 1874 vlgg.

BENNINGE, Sicke, Chronickel der Vriescher landen, en der stadt Groningen, lIl, ed. M. Brouërius van Nidek, in: Analecta Medii Aevi, I. Amsterdam 1725.

BERESTEYN, E.A. van, Geschiedenis der Johanniter-Orde in Nederland tot 1795. 's-Gravenhage 1934.

BLOK, P.J., Het Oldambt in oude tijden, in: GVA 1890, 9-49.

BOELES, W.B.S., De geestelijke goederen in de provincie Groningen van de vroegste tijjden tot op heden. Groningen 1860.

BOELES, W.B.S., De bijzondere finantieële regtsbetrekking tusschen een aantal kerkelijjke gemeenten in de provincie Groningen en den staat. Groningen 1866.

BOELES, W.B.S., Bouwstoffen voor eene geschiedenis van het kerkelijk regtswezen der Friezen, onder het bisdom van Munster, in: BGOGr X, 110-133.

BOERSMA, J. W., Een voorlopig overzicht van het archeologisch onderzoek van de wierrde Heveskesklooster (GL), in: Terpen en wierden in het Fries-Groningse kustgebied, onder redactie van M.Boerma e.a. Groningen 1988. 61-87.

BOLT, M., Het Ommelander huis te Groningen, in: GVA 1924, 10-29.

BRUGMANS, H., Klooster- en kerkelijke bibliotheken in Stad en Lande, in: Historische avonden I. Groningen 1896. 204-242.

Bijdragen tot de geschiedenis en oudheidkunde, inzonderheid van de provincie Groninngen, onder redactie van G. Acker Stratingh, H.O. Feith en W.B.S. Boeles, 10 dIn. Groninngen 1864-'73.

Catalogus bij tentoonstelling "Van Metten tot Vespers" ter gelegenheid van 500 jaar klooster Ter Apel. Groningen 1966.

Het Catharijneconvent, Monument met toekomst, onder redactie van D. Bouvy e.a., s.a.e.!.

DAMEN, C, Geschiedenis van de Benediktijnenkloosters in de provincie Groningen. Asssen 1972.

EPPENS tho EQUART, Abel, Der Vresen chronicon, ed. J.A. Feith en H. Brugmans, 2 din. Amsterdam 1911.

FEITH, H.O., Het Groninger beklemregt, 2 dIn. Gromngen 1828-'37.

FEITH, H.O., Register van het archief van Groningen, 9 dIn. Groningen 1853-'77; en het handgeschreven vervolg daarop.

FEITH, J.A., Wandelingen door het oude Groningen, I De refugia of kloosterhuizen in de stad Groningen, in: GV A 1890, 98-122.

FEITH, J .A., Catalogus der inventarissen van de archieven der voormalige zijlvestenijen en dijkrechten in de provincie Groningen. Groningen 1901.

FEITH, J .A., De rijkdom der kloosters van Stad en Lande, in: GV A 1902, 1-36. FEITH, J .A., Inventaris en regestenlijst van het archief der commanderij van Wijtwerd. Groningen 1909 (met de hand geschreven, aanwezig op RAG).

FLUGI van ASPERMONT, CH.C, De Johanniter-Orde in het Heilige Land (1100-1292). Assen 1957.

FORMSMA, W.J., Inventaris van de archieven der Staten van Stad en Lande (1594-1798). 's-Gravenhage 1958.

FORMSMA, W.J., Inventaris der Ommelander archieven. 's-Gravenhage 1962. FORMSMA, W.J., R.A. LUITJENS-DIJKVELD STOL en A. PATHUIS, De Ommelannder borgen en steenhuizen. Assen 1973.

Groningse Volksalmanak, vanaf 1837, onder wisselende naam.

HEL YOT, Pierre, Histoire des ordres monastiques, religieux et militaires et des congrégaations séculières de I'un et de I'autre sexe qui ont été établies jusqu' à présent, lIl. Paris 1792.

Historie van Groningen, Stad en Land, onder redactie van W.J.Formsma e.a. Groningen 1976.

HOPMA ZIJLEMA, R.G., Klooster Wijtwerd-Usquert. Nieuwolda 1966.

Inventaris en regestenlijst van het archief der commanderij van Oosterwierum, s.a.e.!. (met de hand geschreven, aanw. op RAG).

JONGEDIJK, J.W., Ridderlijke Orden in Nederland. Zaltbommel1965. KIKKERT, J.G., Het oude Malta, in: Intermediair d.d. 19-1-1979,45 vlgg. KIKKERT, J.G., Het nieuwe Malta, in: Intermediair d.d. 26-1-1979, 61 vlgg. LAAN, K. ter, Groninger Encyclopedie, 2 dIn. Groningen 1954-1955.

LEMMENS, G., Hospitaalridders van Sint Jan. Johannieter Commanderijen in Nederrland. Nijmegen 1977.

LEMMENS, G.Th., Geschiedenis van de Commanderie, in: Nijmeegs Museum "Commmanderie van St. Jan". Nijmegen 1975. 2-48.

MEEKHOFF DOORNBOSCH, P.H., De schoorsteenmantel van het Hospitaalhuis of de

Commanderij van de Orde van St. Johannes de Dooper van Jeruzalem te Wijtwerd. Baff100 1901.

MEEKHOFF DOORNBOSCH, P.H., De Veronika Statie van het Hospitaalhuis of de Commanderij van de Orde van St. Johannes de Dooper van Jeruzalem te Wijtwerd. Baff100 1902.

MULLER, S., De Johanniters in Nederland, in: Onze Eeuw, XVIII (1918),28-52 en 1299173.

MlJLEMAN, F., Ommelands eer, ed. A. Pathuis, Het handschrift "Ommelands eer" van pater Franciscus Mijleman SJ, missionaris der Ommelanden, in: Archief voor de geschieedenis van de katholieke kerk in Nederland, VII (1965), 1-110.

NOLET, W. en P.c. BOEREN, Kerkelijke instellingen in de middeleeuwen. Amsterdam 1951.

NOORDHOFF, L.J., Archieven van leden van de familie Lewe en vele aanverwante geslachten 1300-1949. Groningen 1979.

PATHUIS, A., Het nabije oosten en de Ommelanden, Johanniter kloosters in Groningen, in: Nieuwsblad van het Noorden d.d. 28-11-1956.

PATHUIS, A., Groninger gedenkwaardigheden. Teksten, wapens en huismerken van 1298-1814. Assen/Amsterdam 1977.

PETERS, C.H., Oud-Groningen, Stad en Lande. Schiedam 1973 (herdruk van de uitgave Groningen 1921).

POST, R.R., Kerkelijke verhoudingen in Nederland vóór de Reformatie. Utrecht 1954. POST, R.R., Kerkgeschiedenis van Nederland in de Middeleeuwen, 2 dIn. Utrecht 1957. REGELMEIER, B., Die Johanniterkommende zu Steinfurt. Munster 1912.

RENGERS van TEN POST, Johan, Werken van den Ommelandsche edelman Johan Renngers van Ten Post, ed. H.O. Feith, 3 dIn. Groningen 1852-'53.

RHIJN, H. van, Oudheden en gestichten van Groningen en Groningerland. Leiden 1724. ROEDEL, W.G., Das Grosspriorat Deutschland des Johanniter-Ordens im Uebergang vom Mittelalter zur Reformation anhand der Generalvisitationsberichte von 1494/'95 und 1540/'41. Köln 1972.

ROELFSEMA, E.H., De klooster- en proosdij goederen in de provincie Groningen. Grooningen 1928.

RUTGERS, C.P.L., De gevangenschap der Ommelander Heeren in 1577, in: GVA 1896, 192-223.

RUTGERS, C.P.L., Inventaris van het familiearchief van het geslacht Van Ewsum, beerustende in het Rijksarchief te Groningen. 's-Gravenhage 1899.

RUTGERS, C.P.L., Inventaris van het huisarchief Farmsum, berustende in het Rijksarrchief te Groningen. 's-Gravenhage 1901.

RlJKENS, J .G., Beknopt geschiedkundig verslag van het voormalig klooster Wijtwert bij Uskwerd, in: Almanak ter bevordering van kennis en goeden smaak, 11 (1829), 18-29. RlJKENS, J.G., Verhandeling over het Warffummer klooster, als mede over Warffum zelf, in: Almanak ter bevordering van kennis en goeden smaak, VIII (1835), 21-40. SCHOENGEN, M., Monasticon Batavum, 11 De Augustijnsche Orden. Amsterdam 1941. SCHOENINGH, E., Der Johanniterorden in Ostfriesland. Aurich 1973.

SCHUITEMA MElJER, A.T., en E. van DlJK, Inventaris van de archieven van het klerken- of fraterhuis te Groningen en de daarmee samenhangende stichtingen. sj. 1973. SCHUTTER, G.N., Kloosters in Stad en Lande. Groningen 1965.

SIEKMAN, S.J., De oude kloosters in de provincie Groningen. Amsterdam 1969. SIEMENS, B.W., Historische atlas van de provincie Groningen. sj. 1962.

SIEMENS, RW., Toelichting behorende bij de Historische atlas. Groningen 1962. STEENSMA, Regn., Eenige naegelaeten gedenckwaerdige overblijfselen, in: Publicatiemap Stichting Oude Groninger Kerken, 11 nr. 18 (1977), 151-167.

STRATINGH, G.A., en G.A. VENEMA, De Dollard of geschied-, aardrijks- en naatuurkundige beschrijving van dezen boezem der Eems. Groningen 1855.

SUUR, H., Geschichte der ehemaligen Klöster in der Provinz Ostfriesland. Emden 1838. Tegenwoordige Staat der Verenigde Nederlanden, XX Stad en Lande. Amsterdam etc. 1793.

TILBUSSCHER, J., Het Warffumer klooster, in: Nieuwsblad van het Noorden d.d. 191930.

Voorlopige lijst der Nederlandsche monumenten van geschiedenis en kunst, Xl De proovincie Groningen. 's-Gravenhage 1933.

VOS, K., De Johanniters in Groningen, in: Groningen, maandblad voor geschiedenis, V (19221'23), 82-85.

VOS, K., Kerkelijk en geestelijk grondbezit in Hunsingo in 1553, in: GVA 1923, 72-84. VR1ES, W. de, Groninger plaatsnamen. Groningen/Batavia 1946.

WIENAND, A., Der Johanniter-Orden, der Malteser-Orden, der ritterliche Orden des hl. Johannes vom Spital zu Jerusalem. Köln 1970.

WIERSUM, E., Een boedelbeschrijving in het Warfummer klooster, in: GVA 1925,1699182.

WINTER, J .M. van, Twee Goudse glazen geschonken door Johanniter commandeurs, in: Spiegel Historiael, VI (1971), 274-279.

WINTER, J .M. van, Johanniters, Tempeliers, Duitse Orde. Kampen s.a. WYBRANDS, A.W., De abdij Bloemhof te Wittewierum in de dertiende eeuw. Groninngen 1969 (herdruk van de uitgave Amsterdam 1883).

WYBRANDS, A.W. De abdij Bloemhof te Wittewierum in de dertiende eeuw. Groningen 1969 (herdruk van de uitgave Amsterdam 1883)

H.Th.M. Lambooij, Sibrandus Leo en zijn abtenkronieken van de Friese premonstratenzerkloosters Lidlum en Mariëngaarde (Hilversum 2008).

J.A. Mol, ‘Bemiddelaars van het hiernamaals.

Kloosters in middeleeuws Frisia’, in: E. Knol e.a. (red.), Hel en hemel.

De Middeleeuwen in het Noorden (Groningen 2001) 152-164 (met veel literatuurverwijzingen).

 H.Th.M. Lambooij, en J.A. Mol, Vitae abbatum Orti Sancta Marie.

Vijf abtenlevens van het klooster Mariëngaarde in Friesland (Hilversum 2001).

A.B. Mulder-Bakker, ‘De vrede van de abten’, in: D.E.H. de Boer e.a. (red.), Het Noorden in het midden (Assen 1998) 3-17. 

 

 

GEBRUIKTE AFKORTINGEN

AOM = Archives de l'Ordre de Malte.
BGOGR = Bijdragen tot de geschiedenis en oudheidkunde, inzonderheid van de provincie Groningen.
BMHG = Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Gemeentearchief Groningen.
GAG = Groningse Volksalmanak.
HGG = Heilige Geest Gasthuis.
KFH = Klerken- of fraterhuis.
OA = Ommelander archieven.
OGD = Oorkondenboek van Groningen en Drente.
OUB = Ostfriesisches Urkundenbuch.
OW = Oosterwierum.
PK = Groninger parochiekerken.
RAG = Rijksarchief Groningen.
RF = Register Feith.
ROB = Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek.
SA = Statenarchieven. SEL = Selwerd.
StAMü = Staats archiv Münster.
VMSC = Vrouw Menolda- en Vrouw Sywenconvent.
WIJ = Wijtwerd.

 

 

Bronnen kloosters in de Provincie Groningen en de Groninger Archieven

 

Groninger Archieven
Foto boven: Het gebouw van de Groninger Archieven in de stad Groningen. Het gebouw bevindt zich aan het Cascadeplein 4 in de stad.

Een inleiding waar in het kort de geschiedenis van de archiefvormende instelling wordt weergegeven, maakt deel uit van iedere inventaris. Ook voor de inventaris van de kloosterarchieven is zo'n historische toelichting geschreven. De geschiedschrijving van Groninger kloosters, waarvan de archivalia in het Rijksarchief in Groningen berusten, bedoeld als inleiding voor de gebruiker van deze archieven, is enigszins bewerkt en uitgebreid met de beschrijving van de overige Groninger kloosters om een bredere verspreiding mogelijk te maken. Groninger kloosters (red. C. Tromp) is als deel 5 van de Groninger historische reeks en als deel 6 van de serie Publikaties van het Rijksarchief in Groningen uitgegeven. Een groot aantal van de tot de kloosterarchieven behorende stukken is door mr. H.O. Feith beschreven in het Register van het archief van Groningen, gepubliceerd in 1858 en volgende jaren.

 

Voor de in het "Register Feith" toegepaste chronologische ordening en beschrijving worden de verbanden van de archieven verbroken. Mr. J.A. Feith, sedert 1892 rijksarchivaris, besluit tot de restauratie van de verbroken archiefbestanden. Zijn plan is dat uit de chronologisch ingerichte verzameling charters de stukken tot elk kloosterarchief behorende "behoedzaam worden uitgezocht en afgescheiden".

 

Mr. A.S. de Blécourt en mr. P.G. Bos beginnen in 1898 als volontairs met de reconstructie van de archieven van het klooster te Ter Apel en dat te Essen. Nadat Bos, inmiddels chartermeester geworden, in 1900 de archieven van de kloosters van Wijtwerd en Oosterwierum heeft geïnventariseerd, meldt Feith:

 

"Mijn voornemen is, over eenige jaren, wanneer alle archieven van kloosters, welke hebben gelegen op het gebied der tegenwoordige provincie Groningen, zijn geïnventariseerd en van regestenlijsten voorzien,... deze inventarissen en regestenlijsten in een bundel of deel het licht te doen zien".

 

Studiezaal in de Groninger Archieven.
Foto boven: De studiezaal van de Groninger Archieven in de stad Groningen.

Het werk aan de kloosterarchieven blijft echter liggen: andere archieven, zoals de huisarchieven van Menkema en Dijksterhuis, krijgen voorrang. In 1938 gaan Rijks- en Gemeentearchief over tot de behandeling en toewijzing van de in het Register Feith beschreven kloosterstukken waarover nog twijfel bestaat. Dan wordt ook vastgesteld welke kloosterarchieven in het Rijksarchief en welke in het gemeentearchief van Groningen behoren: de archieven van de kloosters waarvan de goederen in het beheer van de Staten van Stad en Lande gekomen zijn, in het Rijksarchief en die van de kloosters waarvan de goederen in het bezit van de stad geraakt zijn (Fraterhuis, Vrouw Menoldaconvent, Vrouw Sywenconvent en de kloosters van Appingedam en Ter Apel) in het gemeentearchief.

 

De inventarisatie van de kloosterarchieven wordt eerst in 1968 onder rijksarchivaris mr. J.H. de Vey Mestdagh weer opgenomen door de adspirant-archiefambtenaren dr. J. Heringa (Jacobijnerconvent) en drs. Y. Botke (Olde Convent) en voortgezet door chartermeester drs. J.F.J. van den Broek (kloosters Aduard, Selwerd, Trimunt en de "verzameling van kloosterstukken"). Geen van deze inventarissen verschijnt dan echter in druk.

 

In 1980 begint chartermeester drs. S. Hiddema met de herinventarisatie van de archieven die Bos geïnventariseerd heeft. Vervolgens past zij de door Heringa, Botke en Van den Broek gemaakte beschrijvingen in in een inventarisschema, dat ontworpen wordt bij gebrek aan een bewaardgebleven oude orde van de kloosterarchieven.

 

Behalve dat mw. Hiddema de vroegere inventarissen herziet, breidt ze deze ook uit met enkele nummers. In de "Verzameling van afschriften" in het Rijksarchief bevinden zich afschriften van charters, waarvan aangenomen kan worden dat de originelen tot de kloosterarchieven behoord hebben. Deze afschriften zijn in de kloosterarchieven ingevoegd en in de inventaris beschreven. Omdat echter deze afschriften, voornamelijk in de 18e en 19e eeuw gemaakt, geen deel hebben uitgemaakt van de oorspronkelijke kloosterarchieven, zijn de inventarisnummers tussen ronde haakjes geplaatst. Bij enkele afschriften doet zich het probleem voor dat ze in twee of meer archieven thuis hebben kunnen horen. In dat geval is zo'n afschrift geplaatst bij het eerst in de inventaris voorkomende archief en vervolgens weer opgenomen onder het eerstgegeven inventarisnummer bij het andere archief of de andere archieven.

 

Deze tekst is ontleend aan de informatie over het archief aangaande de kloosters in de provincie Groningen zoals deze onder toegangsnummer 172 van het RHC Groninger Archieven is gepubliceerd en gaat vooraf aan de inventarislijst, de regestenlijst, de lijst van zegels en de bijlagen.

Met het oog op de uniformiteit herziet Hiddema ook de regesten die door Bos, Heringa, Botke en Van den Broek zijn gemaakt. In 1983 voltooit mw. Hiddema de inventarisatie. Dan resteert het maken van de index, met welke arbeid de archivist C. Tromp wordt belast. Bij zijn arbeid moet Tromp constateren dat een aantal inventarisbeschrijvingen en regesten een nadere controle behoeven. De lijst van zegels en concordanties worden opnieuw bewerkt. Deze werkzaamheden voert hij alle uit, hetgeen de totstandkoming van het geheel echter weer opschort.

 

Uit het voorafgaande is duidelijk geworden dat aan deze inventaris door velen is gewerkt. Zonder het aandeel van de anderen tekort te doen mag het leeuwendeel op naam van mw. S. Hiddema en C. Tromp worden gesteld. Door hun arbeid gaat thans het in 1898 door J.A. Feith geuite voornemen in vervulling, althans voor wat het Rijksarchief aangaat. (Bron: RHC Groninger Archieven).

 

Lees meer: Het klooster OOSTERWIERUM te Heveskesklooster, deel 1
Lees meer: Het klooster OOSTERWIERUM te Heveskesklooster, deel 2

 

 

Aan bovenstaande tekst is de uiterste zorgvuldigheid besteed. Desondanks kunnen er best fouten

voorkomen. Constateer je fouten en/of heb je vragen, correcties, aanvullingen...

geef die dan even aan mij door via mijn E-mail adres.

 

 

Hoogeveen, 21 juli 2018
Verhaal: © Harm Hillinga.

 

Terug naar menu 'Genealogie'. Naar de HomePage