Overzicht van de voormalige kloosters van Groningen en de Ommelanden:

Kloosterkaart van Groningen

 

 

Deze kloosterkaart van Groningen geeft op schematische wijze de spreiding van de belangrijkste kloosters en hun voorwerken in de periode 1200-1600. Er zijn in die periode meer kloosters geweest, maar dit overzicht is beperkt tot de kloosters die een grote activiteit aan de dag hebben gelegd bij het in cultuur brengen van de grond in dit deel van Nederland. Met name de orde van de Cisterciënzers en de orde van de Norbertijnen waren in die periode actief. Ze bezaten meer grond dan welk ander klooster en waren bovendien betrokken bij allerlei inspanningen op het gebied van de waterbeheersing. De abten van de kloosters van Aduard en Wittewierum waren eerstverantwoordelijk voor respectievelijk het Aduarderzijlvest en het Generale Zijlvest der Drie Delfzijlen.

 

De gegevens voor deze kaart zijn voornamelijk ontleend aan het werk van Schoengen (1941-42), terwijl gegevens over het grondbezit ontleend zijn aan Feith (1902). Deze gegevens zijn verder aangevuld met data uit de Nieuwe Groninger Encyclopedie (1999). Het meest complete overzicht van het kloosterbezit is gepubliceerd door Siemens (1962). Vergelijking met de Atlassen van Stadslanden en Provincielanden uit de 18e eeuw laten echter zien dat Siemens niet altijd zorgvuldig te werk ging en dat diens gegevens soms niet volledig zijn. Het overzicht van Bruins (2006) moet met voorzichtigheid gehanteerd worden. Dit betekent in feite dat het bovenstaande overzicht bij lange niet niet compleet en of betrouwbaar is en dat men name de 'lijen' naar de verschillende kloosters nader onderzoek vereisen.

 

 

Hauptaltar des Domes von Ascoli, Polyptychon, Predella, linke äußere Tafel: Hl. Bartolomäus.
Foto boven: Hauptaltar des Domes von Ascoli, Polyptychon, Predella, linke äußere Tafel: Hl. Bartolomäus. Schilderij van Carlo Crivelli uit 1473 in opdraht van bisschop Prospero Caffarelli. Bron: The Yorck Project: 10.000 Meisterwerke der Malerei. DVD-ROM, 2002. ISBN 3936122202. Distributed by DIRECTMEDIA Publishing GmbH.

De volgende voorwerken staan op de kaart vermeld:

 

Aduarder- of Oude Voorwerk. Dit voorwerk lag met het Fransumer voorwerk ten noordoosten van Aduard.
Fransumer of Nieuwe Voorwerk. Met een kapel.

 

Roodeschool. Gelegen ten noordoosten van Bedum. Het was oorspronkelijk een kloosterschool, maar werd later omgezet tot boerderij.

 

Washuis (niet zeker). Dit was gelegen even ten zuiden van Nieuwklap en het diende vermoedelijk ter controle van de daar gelegen sluis in het Aduarderdiep.

 

Langeweer. Dit voorwerk lag te Den Horn. Hier lagen enkele tichelwerken. Tussen 1329 en 1350 werd hier een kapel gesticht
Lagemeeden: met een tichelwerk. Hier werd tussen 1329 en 1350 een kapel gesticht, waar de arm van Sint Margaretha werd vereerd.

 

Wolfsbarge, met een kapel, die doop- en begrafenisrechten kreeg.

 

Everswolde. Vanuit deze Everswolde en Wolfsbarge organiseerde het klooster Aduard de veenontginning in de omgeving van het Zuidlaardermeer.

 

Terheil of Ter Helle bij Roden alias Grangia Paradisius, met tichelwerk en kapel, tussen 1549 en 1561 voorzien van het lusthuis. Terheil ligt ten zuiden van Leek. Bij Terheil en Roden liggen de bossen van de abdij.

 

Schilligeham. Dit voorwerk lag ten westen van Winsum bij de dam door de Hunze.

 

 

 

 

 

Marum (twijfelachtig). Voorwerk in het zuidwesten van de provincie Groningen.
Daarnaast bezat het klooster korenmolens te Warfhuizen en Obergum.

 

Het patronaatsrecht te Stedum en vermoedelijk ook Steerwolde werd in 1355 overgedragen aan het dochterklooster te Sint-Annen. Het klooster bezat verder patronaatsrechten te Hooge- en Lagemeeden, Den Ham en Fransum, tot 1520 tevens te Zuidhorn en Wierum.

Het klooster bezat een stadshuis of refugium in de Munnekeholm te Groningen. Volgens de kloosterkroniek werd tussen 1329 en 1350 een kapel in Holmis gesticht. De laatste abt Willem Emmen kocht in 1599 het zogenoemde 'Blauwe Huis' richtte dit in tot een gasthuis: het Aduarder Gasthuis.

 

Dochterkloosters van Aduard waren o.a. Menterwolde, Essen, Sint-Annen en Trimunt.

Onder gezag van Aduard vielen ook nog kloosters die niet in Groningen waren gelegen. Bij Aurich in Oost-Friesland lag het mannenklooster Ihlow of Ter Yle. Het tweede dochterklooster 'Conventus sanctae Mariae in Campis' (Mariakamp) bevond zich in Assen. De oude 'kloostergang' bestaat nog en maakt thans onderdeel uit van het Drents Archief. Dit klooster lag aanvankelijk in de buurt van Coevorden. Het werd in 1259 verplaatst naar Assen en onder de rechtsmacht van Aduard geplaatst.

 

In het onderstaande overzicht is zoveel mogelijk geprobeerd alle (voornamelijk) topografische informatie over stichtingsdatum, patroonheilige, voorwerken, grondbezit en patronaatsrechten systematisch te verwerken.


 

* Benedictijnen

 

 

Feldwerd
Dit klooster (ook wel Oldeklooster bij Den Dam genoemd) werd vermoedelijk rond 1183 gesticht vanuit Utrecht door Sint Hatebrand (ov. 1198). Het klooster was gewijd aan Maria, Petrus en Paulus. De kloostergebouwen lagen op de wierde van Feldwerd, ten noordwesten van Holwierde. De uithoven van het convent bevonden zich te Garsthuizen, Groot Lasquert (bij het Schildmeer, Oosternieland (Den Hoorn], Kolhol bij Zijldijk, Hoogwatum, Godlinze (Lippenhuizen) en Siddeburen. Ook was er een voorwerk vlakbij het klooster. Het totale bezit aan cultuurgrond bedroeg ongeveer 1260 ha. Als patroonheiligen dienden de Heilige Maagd en Petrus en Paulus. Bij het klooster bevond zich in 1598 onder andere een korenmolen, wellicht te Katmis, waar in 1473 een molen wordt vermeldt. Verder een grote Friese schuur van elf vakken lang, een koestal van 48 vakken (goed voor bijna tweehonderd stuks vee), een molenhuis, een dobbe met een gemetseld waterreservoir en een brouwhuis met stallen voor mestvee en varkens. Het klooster had - volgens parochielijsten van omstreeks 1475 en 1559 - de status van een zelfstandige parochie, wellicht samenhangend met een verdwenen kapel te Katmis. In 1334 was sprake van vier priesters, die kennelijk nabijgelegen kerken en kapellen bedienden. Het klooster bezat de Nicolaaskapel te Watum en in 1505 verkreeg het de parochiekerk van Bierum. Vermoedelijk had het klooster tevens collatierechten te 't Zandt en Holwierde, waar in de zestiende eeuw (oud-)kloosterlingen als pastoor fungeerden. Het klooster had een refugium aan de Carolieweg te Groningen, genoemd in 1476. Daarnaast bezat het klooster een tweede refugium op de hoek van de Jacobijnerstraat en de Walburgstraat, dat in 1609 werd verkocht. De kloostergebouwen werden tussen 1588 en 1594 tijdelijk verlaten en werden daarna weer in gebruik genomen. Gereformeerde predikanten uit Holwierde, later Bierum verzorgden de kerkdiensten. De kloostergemeenschap werd pas omstreeks 1617 ontbonden.

 

Ten Boer
Het klooster van Ten Boer wordt voor het eerst genoemd in 1301. Wegens armoede werd het tussen 1465 en 1485 geïncorporeerd bij Thesinge. De kloosterkerk werd ingericht als parochiekerk.

 

Thesinge
Het klooster Germania, gewijd aan de Zeven Broeders, lag bij Thesinge en is gesticht voor 1198. De oudste vermelding in de Kroniek van Emo en Menko dateert van 1283. Het klooster bezat ongeveer 1400 ha. cultuurgrond, de voorwerken Barghuus te Kantens en Roggenvoorwerk te Garmerwolde; verder veenderijen in de omgeving van Kolham. In 1284 droegen de inwoners van Bedum de parochierechten aan het klooster over. Het collatierecht van Bedum was in de 16e eeuw omstreden. De Hoofdmannenkamer besliste in 1568 dat het klooster hierop geen aanspraak kon maken. Wel werd de parochiekerk van Ten Boer tussen 1465 en 1485 geïncorporeerd, samen met de rest van het klooster aldaar. Thesinge komt omstreeks 1475 niet voor op een lijst van parochiekerken, zodat we mogen aannemen dat de omwonenden elders ter kerke gingen. De parochierechten van Lutjewolde of Emmerwolde bij Sint-Annen werden vermoedelijk in de 16e eeuw met die van Thesinge samengevoegd; de kapel van Lutjewolde werd in 1601 afgebroken. Het klooster had een refugium in de Herestraat, dat in 1600 werd verkocht. De kloostergebouwen werden tussen 1584 en 1594 tijdelijk verlaten, maar daarna weer in gebruik genomen. De laatste nonnetjes stierven kort na 1627. Gereformeerde predikanten verzorgden de kerkdiensten, maar in het geheim werd ook de mis opgediend.

 

Rottum
Het klooster, gewijd aan Juliana van Nicomedië, wordt voor het eerst genoemd in 1226. Het klooster Rottum bezat ongeveer 1180 ha. aan cultuurgrond en daarnaast 60% van het eiland Rottumeroog (het andere deel was in handen van het Oldeklooster bij Kloosterburen). De veenderijen van het klooster lagen onder Scharmer, Kolham en Kropswolde. Het klooster had voorwerken te Uithuizen (Papekop) en Rottum (Langenhuis en Bethlehem). Het voormalige voorwerk Bethlehem herbergde in de vijftiende en zestiende eeuw een begijnenconvent. De kloosterkerk diende tevens als parochiekerk; daarnaast had het klooster het collatierecht te Eelswerd. Parochierechten te Kropswolde gingen omstreeks 1340 verloren. In 1458 (feitelijk 1474) verkreeg het klooster de proosdij Usquert met de boerderij Kruisstee. De kloostergebouwen werden na een brand in 1586 en plundering in het jaar daarop verlaten. De monniken namen hun intrek in het refugium aan de Oude Ebbingestraat in Groningen, dat in 1607 werd verkocht.

 

Selwerd
De benedictijnerabdij Siloe was een dubbelklooster, gewijd aan Catharina van Alexandrië, en het lag iets ten noorden van de stad Groningen op de wierde Selwerd. Het klooster is vermoedelijk tussen 1207 en 1217 gesticht op een uithof met een kapel van het Mariaklooster te Ruinen. De eerste vermelding dateert van 1254. In 1469 trad het toe tot de Congregatie van Bursfeld. Het klooster bezat ongeveer 1500 ha aan cultuurgrond plus delen van het Zuidlaarderveen. Als voorwerk diende het bisschoppelijke hof te Rasquert bij Baflo, dat het klooster in 1458 in leen kreeg. Daarnaast verkeeg het klooster omstreeks 1215 de parochierechten te Dorkwerd en in de vijftiende eeuw het collatierecht van de Gaykingakapel te Wierum. Selwerd had ook een rol in de waterstaatsorganisatie in het gebied rondom het Reitdiep. Het maakte deel uit van het Aduarder Zijlvest en het bepaalde in 1464 met de kloosters van Rottum en Thesinge de rechtsbepalingen voor het Winsumer Zijlvest. Het bezat vermoedelijk een korenmolen te Ranum. Het klooster bezat sinds het midden van de 15e eeuw een stadswoning in de Oude Ebbingestraat. In 1582 werden de kloostergebouwen verlaten, de nonnen vonden in 1585 onderdak in het Vrouw Sijwenconvent, de abt ging in de Sint Jansstraat wonen. Daarnaast werd een huis in de Boteringestraat aangekocht.

 

 

* Cisterciënzers of Bernardijnen
Ook Grijze monniken of Schieremonniken genoemd. In tegenstelling tot de andere kloosterorden hielden de cisterciënzers zich niet bezig met de zielzorg. In de parochies waar zij het collatierecht hadden, werden seculiere priesters benoemd.

 

Aduard
De cisterciënzers waren wars van weelde en legden de nadruk op soberheid en handenarbeid. De monniken moesten zelf aan de slag op het land en men zocht daarom als vestigingsplaats voor een klooster nog niet ontgonnen gebieden. Vanuit het klooster Klaarkamp bij Rinsumageest werd de wierde van Aduard uitgekozen als vestigingsplaats voor een dochterklooster dat in de loop van de tijd zou uitgroeien tot het rijkste in de Nederlanden. Het bezit werd onder andere verkregen door schenkingen. Wanneer men intrad moest men goederen of geld inbrengen en zeker in de beginjaren van het klooster werd zodoende land ingebracht.

Het klooster van Aduard (vermoedelijke stichtingsdatum 1192) bezat aan het einde van de 16e eeuw ongeveer 5500 ha aan grond in de provincie Groningen (Feith, 1902, 5). Op een enkele uitzondering na bestond het bezit uit productieve in cultuur gebrachte landerijen. Bij dit bezit moeten nog de uitgestrekte venen en bossen in het noorden van de provincie Drenthe worden gerekend. Na 1570 moet hierbij nog het grondbezit van Termunten en dat van Trimunt worden geteld. Het klooster bezat ook geruime tijd de nu verdwenen eilanden Corresant, Heffesant en Bosch die in de buurt van Rottum waren gelegen. Deze waren van belang voor de opbrengst van de strandvonderij en voor de visserij.

Het klooster Aduard heeft een grote rol gespeeld in de waterstaatsorganisatie rondom het Reitdiep. De abt van Aduard was uit hoofde van zijn functie Overste Schepper van het Aduarder Zijlvest, niet zo verwonderlijk omdat het gebied in de omgeving van het klooster te kampen had met wateroverlast door toevoer van water van de Drentse zandgronden. Om de afwatering te verbeteren, groeven de monniken het Aduarderdiep. Dat het een kunstmatige afvoer is, is nog steeds op de topografische kaart te zien. De eeuwenoude onregelmatige verkaveling van het gebied wordt rechtlijnig doorsneden.

Voor het beheer van de landerijen bezat het klooster zogenaamde voorwerken (uithoven of grangia), een vrij groot landbouwcomplex bewerkt en geëxploiteerd door conversen. Hoewel de voorwerken primair tot doel hadden voor de abdijgemeenschap te produceren, ontstonden er ook overschotten die in de stad Groningen werden verhandeld.

 

Menterwolde
In Nieuwolda stond de cisterciënzerabdij Menterwolde of Campus Silvae (Boskamp), genoemd in 1220. Het was aanvankelijk een benedictijner dubbelklooster. In 1247 diende de abt een verzoek in tot opname in de cisterciënzerorde. Dit werd toegestaan op voorwaarde van splitsing. De nonnen gingen in 1259 naar Midwolda. In 1299 werden de monniken verplaatst naar Termunten in verband met overstromingen in het gebied. Zie verder Menterwolde.

 

Grijzemonniken
Het klooster Grijzemonniken te Baamsum onder Termunten was gewijd aan Benedictus. Het werd in 1299 gesticht als een voortzetting van het klooster Menterwolde. Het bezat onder andere voorwerken te Muntendam en Rysum (Krummhörn, Rode Voorwerk), verder veenderijen in de Dollard (Munnekeveen) en in de omgeving van Muntendam. Het klooster bezat parochierechten in Wagenborgen en in Zwaag, waarvan de dorpskerk in 1419 werd geïncorporeerd. Op het kloosterterrein bevonden zich onder andere een korenmolen, een smederij en een achtkantig waterreservoir, terwijl zich buiten de wallen vermoedelijk een tichelwerk bevond. De gebouwen werden in 1569 verwoest, waarna de abt en de monniken uitweken naar Aduard. In 1577 is het klooster samengegaan met dat van Aduard; de goederen bleven behoren tot een afzonderlijk fonds. In Groningen bezat het klooster een refugium aan het Martinikerkhof, daarnaast een huis of refugium te Appingedam.

 

Grijzevrouwen
Het nonnenklooster Grijzevrouwen te Midwolda ontstond in 1259, toen de nonnen het klooster Menterwolde verlieten. Het had voorwerken te Lalleweer, Midwolda (Nijenhuis) en mogelijk ook Oostwold. In 1530 werd de dorpskerk van Oostwold geïncorporeerd en afgebroken. De parochianen moesten tijdelijk uitwijken naar de dorpskerk van Midwolda. De nonnen weken omstreeks 1574 uit naar het refugium van het Grijzemonnikenklooster. Het kloosterterrein werd in 1944 opgegraven.

 

Sint-Annen
Het nonnenklooster Klein Aduard te Sint-Annen werd gesticht in 1340 en werd in 1342 in de cisterciënzerorde opgenomen onder gezag van het klooster Aduard. Het bezat veenderijen in de omgeving van Slochteren en Meeden. Het klooster verkreeg in 1356 parochierechten te Stedum, waarvan men later afstand deed. Tevens had het klooster vermoedelijk parochierechten in het dochterdorp Steerwolde, die in de 15e eeuw werden overgedragen aan het Olde Convent te Groningen. Het werd geleid door een abdis.

 

Trimunt
Het klooster In tribus montibus te Trimunt ten westen van Marum was oorspronkelijk een benedictinessenklooster. Omdat het in problemen raakte, werd het in het begin van de veertiende eeuw opgenomen in de cisterciënzerorde onder gezag van het klooster Aduard. Het bezat landerijen in Kollumerland, Lettelbert en Kuzemer (Cusemaer), totaal ongeveer 200 ha. Een poging tot incorporatie bij Assen stuitte in 1559 op verzet van de nonnen. Het klooster had een refugium aan het Munnekeholm in Groningen en werd in 1604 ontbonden.

 

Essen
In Essen iets ten zuiden van de stad Groningen lag een nonnenklooster Klooster Yesse (vermoedelijk gesticht in 1216) dat zich al snel na de stichting onder de hoede van het cisterciënzerklooster van Aduard stelde. Het bezat landerijen in de omgeving van Bedum, in Gorecht, in Kostverloren (bij Groningen), Wolfsbarge en Kropswolde. Het speelde een belangrijke rol in de waterstaatsorganisatie van het benedenstroomgebied van de Hunze en de Drentse Aa. Het klooster bezat een voorwerk te Stitswerd (Roowolt) met veel landbezit en een Mariakapel te Kropswolde, vermeld in 1409. Verder land te Borger, waarbij in 1485 een korenmolen werd gebouwd. Het landbezit bedroeg in 1595 ruim 3000 hectare. Ook herbergde het klooster in de vijfttiende eeuw een meisjesschool. In 1501 werd de parochie van Menkeweer geïncorporeerd. Het klooster werd in 1580 geplunderd door Staatse troepen; de nonnen weken in 1589 uit naar Groningen, waar een huis in de Herestraat werd aangekocht.

 

Premonstratenzers of norbertijnen
Ook Witheren genoemd. De kloosterlingen noemden zich gewoonlijk kanunniken en kanunikessen; de benaming monniken en nonnen was de conversen of lekenbroeders en -zusters gereserveerd. De mannenkloosters of proosdijen werden niet geleid door een abt, maar door een proost; de vrouwenkloosters of priorijen door een prior. In 1290 werden de inwoners van premonstratenzer kloosters in Friesland, Groningen en Ostfriesland geteld. Het genoemde aantal kloosterlingen is aan de hoge kant; mogelijk werden van het klooster afhankelijke boerenfamilies meegerekend.

 

Oldeklooster in de Marne
Dit klooster lag bij Kloosterburen en werd waarschijnlijk in 1175 gesticht als dochterklooster van Mariëngaarde in het Friese Hallum. In 1204 volgde de aansluiting bij de orde van de premonstratensers; de mannen verhuisden naar Nijenklooster. Beide kloosters zouden in 1290 samen 240 inwoners hebben gehad. De abdij bezat ongeveer 600 hectare cultuurgrond en delen van nabijgelegen kweldergronden. Bovendien behoorde ongeveer een derde van het eiland Rottumeroog tot het kloosterbezit. Het had voorwerken te Schilligeham, Maarslacht (Lutkehuizen of Uuterhues), Warfhuizen en vermoedelijk ook te Kloosterburen (Feddemahuis en De Baat). De korenmolen van Molenrij wordt in 1543 vermeld. De veenderijen lagen in de omgeving van Kropswolde. Het klooster speelde een rol van betekenis in de waterstaatsorganisatie van dit gedeelte van Groningen en was medestichter van het Schouwerzijlvest in 1371. Daaraan herinneren onder andere de toponiemen Abtssloot en Abelstokstertil, een brug die vermoedelijk genoemd is naar een oversteekplaats of bruggetje met de naam Abtsstok. De dorpskerk was geïncorporeerd bij het klooster, dat tevens enkele prebendes te Leens en Warfhuizen bezat. De gebouwen werden omstreeks 1579 grotendeels verwoest. Het klooster bezat een refugium te Groningen in de Turftorenstraat (hoek Uurwerkersgang), dat tot 1607 in gebruik bleef. De kloostergemeenschap werd omstreeks 1609 opgelost

 

Nijenklooster in de Marne
Een mannenklooster onder het bestuur van de abt van Oldenklooster, gesticht in 1204. Tot het grondbezit behoorde het Munnekeaagt te Eenrum. Volgens sommige berichten werd het klooster rond 1590 beschouwd als afzonderlijke parochie.

 

Nijenklooster bij Den Dam
Vrouwenklooster Rozenkamp bij Jukwerd, aanvankelijk een dubbelklooster, gesticht in 1204. In de dertiende eeuw worden als voorwerken grangia secus Emesam en Hora genoemd. Op grond van een aantekening denkt men bij het laatste aan Gaarbindeweer bij Holwierde, waar het klooster later landbezit had. Ook wordt wel gedacht aan Oosterdijkshorn. Het klooster werd bestuurd door de abt van Wittewierum. Met dit klooster deelde men ook het refugium in Groningen.

 

Wittewierum
Het klooster Floridus hortus (Bloemhof) werd gesticht in 1208 en sloot zich in 1217 aan bij de orde van de premonstratensers. Het maakte oorspronkelijk deel uit van het dubbelklooster Nijenklooster te Jukwerd. In 1213 of 1214 werd dit klooster gesplitst en gingen de monniken naar Wittewierum. Beide kloosters zouden in 1290 samen 1000 inwoners hebben gehad, een aantal dat vermoedelijk met een korreltje zout moet worden genomen. Het klooster lag op de rechteroever van de voormalige Fivel, die op het moment van de stichting al aan het verzanden was. Het bezat ongeveer 1760 hectare grond verspreid in Fivelingo en de voorwerken van dit klooster lagen onder andere in Westeremden (Dydingemonken of Dudinge monnijcken), Garrelsweer (Nijenhuis), Hoeksmeer (in den Ham) en Sint Annen (Roggenvoorwerk). Vanuit het Zandtstervoorwerk te Zijldijk waren de kloosterlingen actief bij de indijking van de Fivelboezem. Uit de Kroniek van Emo en Menko blijkt dat het klooster een groot aandeel heeft gehad in de bedijking van dit gebied. In de 13e eeuw verkreeg het klooster parochierechten te Westeremden (1225), Scharmer (1231), Uithuizen (1275) en Krewerd (eind 13e eeuw). Deze geïncorporeerde kerken gingen later weer verloren. In de 16e eeuw had het klooster parochierechten te Kolham.

 

Palmar
Het premonstratenser dubbelklooster Porta sanctae Mariae lag ten zuiden van de Reide in een voormalig hoogveengebied. Palmar wordt voor het eerst genoemd in 1204. Het klooster bezat voorwerken te Klein Wierum bij Holwierde, Finsterwolde en Bohnenburg bij Hamswehrum (Krummhörn). Het klooster verkreeg in 1256 het patronaat over de kerk van Reide (vermoedelijk Oosterreide) van de abt van Werden, maar het klooster heeft zijn rechten vermoedelijk niet kunnen doorzetten, zoals blijkt uit klachten van dorpsbewoners omstreeks 1275. In 1377 fungeerde de commandeur van Oosterwierum als dorpspastoor. Door voortdurende overstromingen in het Dollardgebied werd het in 1447 opgeheven, de bezittingen doorverkocht aan de premonstratenzers van Wittewierum.

 

Schildwolde
Het klooster Gratia Sanctae Mariae werd gesticht in 1204 als dubbelklooster, later werd het een nonnenklooster. In 1290 zou het klooster 180 inones hebben gehad. Het bezat ongeveer 530 ha. cultuurgrond en verder veenderijen in zuidoost Groningen. De voorwerken lagen onder andere aan de Graauwedijk te Overschild (1470 Witte Munchuijs, nu Klein-Transvaal) en mogelijk te Hoeksmeer, Eenum en Ter Apel (tot 1458). Het recht op de halve pastoorsplaats van Schildwolde ging in 1224 verloren. In 1576 werden de Groningse bezittingen van het klooster Barthe bij Hesel toegevoegd aan het kloosterbezit, nadat enkele uit Groningen afkomstige nonnetjes uit Oost-Friesland in 1563 met hun hebben en houden waren overgekomen. De laatste nonnen namen kort na 1590 hun intrek in het zusterhuis van de Broeders van het Gemene Leven te Groningen.

 

Heiligerlee
Het klooster Mons Sinaï werd omstreeks 1204 gesticht te Oosterlee of Asterlo, later Heiligerlee geheten, tussen de buurtschappen Kloosterholt (Winsewida) en Westerlee. Het was een dochterklooster van de premonstratenserabdij te Schildwolde. In 1290 zou het klooster 180 inwoners hebben gehad. Het bezat ongeveer 1470 hectare cultuurgrond. Het bezat parochierechten te Westerlee en voorwerken te Westerlee (De Smacht), Zuidbroek (Grangsheerd) en Lesterhuis bij Borgsweer, verder veenderijen in de omgeving van Winschoten. Aangenomen wordt dat de naam Oosterlee verwijst naar een rivier(tje) of lee ten zuiden van het klooster, waarmee mogelijk de Rensel wordt bedoeld.

 

Kuzemer
Cusemaer, Cruysmer clooster of Cur[t]is Mariae (Mariënhof) te Grootegast werd gesticht als dochterklooster van Dokkum in 1214. Het is de oude naam voor Kuzemer dat ten zuidwesten van Oldekerk ligt. IN 1290 zou het klooster 60 inwoners hebben gehad. Het bezat ongeveer 435 hectare cultuurgrond, waaronder polderland in de Ruigewaard, en het bezat veenderijen in de omgeving van Tolbert en Bakkeveen. Ook had het klooster een aantal stemmen in de collaties van Sebaldeburen, Grijpskerk en Oldekerk.

 

Ter Apel
Het klooster Apelscha der Apel wordt genoemd in 1290 met 70 inwoners. De bezittingen zouden in of vóór 1400 zijn terug gevallen op het moederklooster te Schildwolde. In 1466 is bij de stichting van het kruisherenklooster te Ter Apel sprake van een watermolen, nog stammend uit de tijd 'dat het clooster voorschreven hoerde toe den orden Premonstreet unde den clooster Schildwolde'.


 

* Kruisheren of kruisbroeders

 

Ter Apel
In Ter Apel stond de kruisherenpriorij Domus novae lucis, gesticht in 1465 op een landgoed dat afkomstig was van het premonstratenzerklooster te Schildwolde. De naam betekent: Huis van het nieuwe licht. Als voorwerk van Schildwolde bestond het mogelijk al in de dertiende eeuw. In 1466 kreeg het klooster parochierechten over boeren uit de omgeving, waarvoor aan de pastoor van Sellingen een tegemoetkoming moest worden betaald. Het klooster had onder andere grondbezit in Onstwedde, Loppersum en Garrelsweer, twee watermolens (waaronder een oliemolen), verder een refugium in de Pelsterstraat te Groningen en huizen in de Oosterstraat en aan de Vismarkt. Zie verder Klooster Ter Apel.

 

Scharmer
In Scharmer stond het klooster van de Kruisheren, gewijd aan Sint Helena en gesticht door Johan Rengers van Scharmer in 1489. Het bezat 280 hectare cultuurgrond en speelde een rol in het Scharmerzijlvest (een onderdeel van het Generale Zijlvest der Drie Delfzijlen). De landerijen te Heidenschap werden in 1555 verkocht aan het Sint-Geertruids- of Pepergasthuis. Tevens had het een korenmolen te Scharmer. De dorpskerk van Scharmer werd met het klooster verbonden; de prior trad op als dorpspastoor. Het klooster bezat daarnaast de rechten op de kapel van Klein-Harkstede. Het klooster had een refugium in de Burchtstraat bij de Herepoort te Groningen. De kloostergemeenschap is vóór 1615 ontbonden.

 

Johannieters
Deze geestelijke ridderorde had in Groningen vijf kloosters of commanderijen. Een commanderij was de basiseenheid van deze orde. De Groninger commanderijen stonden onder gezag van de balijer van Westfalen, die commandeur van Steinfurt was. De commanderijen waren aan de balijer een jaarlijks bedrag verschuldigd. In de meeste gevallen ging het oorspronkelijk om dubbelkloosters. De dubbelkloosters werden in het kader van een hervormingsbeweging in de tweede helft van de 15e eeuw opgeheven, maar in de praktijk bleven de vrouwen als lekenzusters in een afzonderlijke afdeling van de mannenkloosters wonen, terwijl de vrouwenkloosters tevens enkele priesters herbergden. Kern van de kloosterlanderijen vormden de oude bezittingen van de Rijksabdij van Werden, die in 1283 aan het bisdom Münster werden verkocht. Bij die gelegenheden werden met name de landgoederen te Holtgaste (Rheiderland), Oosterreide, Winsum, Garnwerd en Feerwerd met het patronaatsrecht over de bijbehorende dorpskerken genoemd. Daarvan werden Holtgaste en Winsum in 1284 overgedragen aan de commanderijen te Jemgum en Warffum. Het valt aan te nemen, dat iets dergelijks ook met de overige landgoederen is gebeurd. Niet alle vijf commanderijen zijn op de kaart terug te vinden.

 

Warffum
Het nonnenklooster van Warffum wordt voor het eerst vermeld in 1284. Het bezat ongeveer 1400 hectare cultuurgrond. Het klooster had voorwerken te Warffum (Hoysmaheerd) en volgens sommige berichten ook te Baflo (Westermei), Stitswerd (Zuidwendinge) en Everswolde. De boerderij Oldebosch te Usquert vormde mogelijk eveneens het restant van zo'n voorwerk; in Oost-Friesland werden de voorwerken Grashaus of Buschhaus genoemd. Verder het parochierechten te Stitswerd en Winsum. De kerk van Winsum was formeel geïncorporeerd en afkomstig uit de bezittingen van Werden; deze rechten werden in 1529 aan Evert de Mepsche verkocht. Het klooster had verder een refugium in de Boteringestraat te Groningen, dat in 1612 werd verkocht. Mogelijk maakte ook het Werfmer Convente steenhues aan de Oude Kijk in 't Jatstraat deel uit van het refugium. De kloostergemeenschap werd pas na 1623 ontbonden. Gereformeerde predikanten verzorgden nog enige tijd de kerkdiensten.

 

Oosterwierum
De commanderij van Oosterwierum of Heveskesklooster te Heveskes had ongeveer 1500 ha. cultuurgrond gelegen in Fivelingo en het Oldambt. Het klooster had voorwerken te Oterdum (Nijenhuis), Eelshuis bij Wagenborgen, sinds 1476 tevens de voormalige commanderij te Oosterwijtwerd, sinds eind 15e eeuw de voormalige commanderij Goldhoorn te Finsterwolde en mogelijk ook voorwerken te Oterdumerwarven (Woltersweer) en Hoeksmeer, waar eind 14e eeuw een boerderij van het premonstratenzerklooster te Schildwolde werd aangekocht. De monniken bekleedden de pastoorsplaatsen te Oosterreide, Oosterwijtwerd en mogelijk ook Oostwold bij Siddeburen. Tevens had het klooster refugia in Groningen (het latere Ommelanderhuis) en vermoedelijk te Appingedam. Naast het kloosterterrein bevond zich een molenberg met een korenmolen. In 1480 werd de commanderij omgevormd van een lekenzusterconvent in een mannenklooster, met behulp van twee broeders uit Keulen. De zusters bleven echter wel deel uitmaken van de kloostergemeenschap.

 

Kloosterwijtwerd
De commanderij Wijtwerd ten zuiden van Usquert wordt genoemd in 1304. Het bezat bijna 600 hectare cultuurgrond en daarnaast kweldergronden. De commanderij had uithoven te Maarhuizen, Usquerd (Nijenhuis) en Eenrum (Ernstheem), parochierechten te Maarhuizen en Lutje Saaksum, verder een refugium op de hoek van de Butjesstraat en de Pausgang te Groningen, dat in 1625 werd verkocht. De wierde waarop het klooster lag, was vrij groot en bood plaats aan meerdere boerderijen. Volgens een parochielijst uit 1559 vormde het klooster een zelfstandige parochie.

 

Goldhoorn
De commanderij Goldhoorn te Finsterwolde wordt voor het eerst vermeld in 1319. Vermoedelijk was het een dubbelklooster. Omstreeks 1424 werd een voorwerk te Heiselhusen bij Campen (Krummhörn) gesticht, dat werd bewoond door monniken en nonnen en in 1446 zelfstandig werd. Omstreeks 1475 wordt de naam van het klooster in verband gebracht met een verdronken parochie. Dat Clooster tho Golthorn wordt nog in 1498 vermeld, maar volgens een akte uit 1494 was het inmiddels gedegradeerd tot een voorwerk van de commanderij van Oosterwierum. In 1540 wordt dit voorwerk voor het laatst genoemd. In 1574 waren de landerijen in het bezit geraakt van de de adellijke familie Sickinge te Warffum, die hier onder meer een tichelwerk bedreef.

 

Oosterwijtwerd
De commanderij te Oosterwijtwerd was slechts korte tijd zelfstandig. Vóór 1472 was het een voorwerk van Dünebroek bij Wymeer. Het werd in 1476 een voorwerk van de commanderij Oosterwierum te Heveskes. De parochiekerk van Oosterwijtwerd en het bijbehorende pelgrimshuis waren verbonden aan de commanderij. In de parochiekerk bevond zich een beroemd Mariabeeld.

 

Franciscanen of minderbroeders
De beide vrouwenkloosters Olde Convent en Maria ten Hoorn, die vermoedelijk eerst tot de tweede (comtemplatieve) orde van Sint Franciscus behoorden, gingen later over tot de derde orde (tertiarissen of Grauwe Begijnen).

 

Minderbroedersklooster te Groningen
Het klooster van de franciscanen wordt het eerst vermeld in 1253.


 

* Dominicanen, Predikheren of Jacobijnen

 

Dominicanenklooster te Winsum
Winsum had een dominicanenklooster dat vermoedelijk rond 1275 werd gesticht. Het klooster bezat onder andere een korenmolen te Winsum.

 

Dominicanenklooster te Groningen
Dominicanen, waarschijnlijk gesticht vanuit Winsum in 1308.

 

Oosterreide
Het domincanessenklooster van Oosterreide op de Punt van Reide verhuisde in 1528 naar Lucaswolde bij Marum. Mogelijk werd de kerk van dit dorp aan de susteren van Reyde overgedragen, die in 1542 voor het laatst worden genoemd. De gebouwen zouden in de 80-jarige Oorlog zijn gesloopt.


 

* Augustijner Heremieten

 

Appingedam
Het broederklooster Appingen op De Wierde van Appingedam werd vermoedelijk gesticht in 1328. De stichtingsdag - tevens het begin van de jaarlijkse vrijmarkt of Broerkermis - werd gevierd op zondag na Kruisverheffing, zodat aan te nemen valt dat het klooster gewijd was aan het Heilige Kruis. Als zegel diende echter een afbeelding van Johannes de Doper. In het klooster hing een beroemd Mirakelkruis. Het klooster had vermoedelijk een refugium (genoemd in 1630 als het Augustijner kerckhuis aan 't marckt) en enkele voorname huizen in de stad, daarnaast omvangrijk grondbezit (ca. 1550 64 heemsteden en 9 tuinen, 1773 105 heemsteden en een hof), buitendijkse gronden met een korenmolen onder Tjamsweer en verder landerijen te Appingedam, Tjamsweer, Jukwerd, Tjuchem, Siddeburen en elders; in 1773 was daarvan nog ca. 120 ha over. In 1446 werd het landgoed Ballingeheem bij Holwierde verkregen, dat mogelijk werd ingericht als voorwerk. De eetzaal of refter van het klooster diende als vergaderplaats voor de Ommelander bestuurders. Ook de plaatselijke schutterij vierde hier het schuttersbier na afloop van het papegaaischieten. Tot de termijn (bedelgebied) van de monniken behoorde tevens de provincie Friesland; de monniken worden meermalen in Friese testamenten vermeld.

 

Broeders van het Gemene Leven
De Broeders des gemeenen levens of Arme Klerken vormden een gemeenschap van Apostolisch Leven, die gevormd werd door reguliere clerici die leefden volgens de regels van Augustinus, maar geen gelofte aflegden.

 

Fraterhuis te Groningen
Het Fraterhuis of Clerkenhuys te Groningen, ook Hieronymusklooster of Sunte Mattheushuus genoemd, is gesticht tussen 1432 en 1436. De laatste bewoner droeg in 1586 de adminstratie over aan het stadsbestuur. Aan het Fraterhuis waren een Zusterhuis en een internaatschool (Arme Klerkenhuis, genoemd 1464) verbonden. Het Zusterhuis aan de Sint Jansstraat wordt genoemd in 1510, het gebouw was in 1468 door Luddeke Jarges aan het convent geschonken. In 1582 werden de resterende bezittingen geïnventariseerd, het gebouw werd na 1590 overgedragen aan de nonnen van Schildwolde. Het Arme Klerkenhuis was aanvankelijk in 1586 bestemd voor de Sint Maartensschool, maar werd in 1590 overgedragen aan de Jezuïeten.

 

Broeders en Zusters van de Heilige Geest
De Orde van de Heilige Geest was een gemeenschap van Apostolisch Leven van hospitaalbroeders en -zusters, die vooral in Noord-Europa wijd verbreid was.

 

Pelstergasthuis of Heiligen Geest Gasthuis
Gesticht in 1267. Het is niet bekend of dit gasthuis oorspronkelijk een kloostergemeenschap herbergde. Het had in elk geval in de 15e eeuw geen kloosterlingen meer.

 

 

* Begijnhuizen en Begardenconventen

 

Olde Convent te Groningen
In de stad Groningen hadden de Franciscanessen een klooster (het Olde Convent), ook wel Geestelijke Maagden of Sint-Agnesklooster genoemd, dat voor het eerst in 1386 wordt vermeld. Het klooster behoorde aanvankelijk tot de tweede (comtemplatieve) orde, maar ging in 1401 over naar de derde orde van Sint Franciscus. Het klooster bezat 745 hectare aan landbouwgronden, met name in de omgeving van Marum en Kropswolde, waar een voorwerk lag. Bij het voorwerk te Steerwolde (bij Sint Annen) werd in 1470 een kapel gebouwd, die tevens als vervanging voor de verdwenen dorpskerk diende. Tijdens opgravingen in de binnenstad van Groningen (1990/1991) kon worden vastgesteld dat de gebouwen van het Olde Convent gelegen waren op het terrein van het latere Roode- of Burgerweeshuis. Het klooster lag aan de noordzijde van wat nu de Roode Weeshuisstraat is. Na de Reductie van Groningen (1594) werd voor de kloostergebouwen een andere bestemming gezocht. In 1599 werd een deel van het gebouwencomplex toegewezen aan het in dat jaar gestichte Burgerweeshuis.

 

Maria ten Hoorn
Het klooster Maria Ten Hoorn bij Groningen was een vrouwenklooster van de Franciscanessen, gesticht vóór 1456, dat in de zestiende eeuw behoorde tot de derde orde van Sint Franciscus (Grauwe Begijnen). De landerijen lagen aan het Hoornsediep. Het klooster werd tussen 1571 en 1575 geïncorporeerd in het Olde Convent.

 

Vrouw Menoldisconvent te Groningen
Begijnhuis gesticht vóór 1276 en in 1292 verhuisd naar een nieuwe plek. De gebouwen stonden bij de begraafplaats van het Broerklooster, tussen het Rechte Jat en het Vrouw Siwenconvent. Het convent ging vóór 1401 over naar de derde orde van Sint Franciscus. De begijnen stonden eerst onder leiding van een meisterse, na ca. 1450 van een ministerse. In 1502 woonden er 12 begijnen. Aan het convent was een meisjesschool verbonden. De zusters werden in 1586 vermaand hun kledingvoorschriften strikter te handhaven. Het convent is vermoedelijk in 1594 opgeheven.


Vrouw Siwenconvent te Groningen
Begijnhuis gesticht in 1294. De gebouwen stonden in de directe nabijheid van het Vrouw Menoldisconvent. Het convent ging vóór 1401 naar de derde orde van Sint Franciscus. De bewoners werden in 1584 verenigd met die van het Vrouw Menoldisconvent, de gebouwen gingen dienen als Refugium voor de abt van Selwerd.

 

Vrouw Clarenconvent te Groningen
Vrouwenconvent aan de westzijde van het Rechte Jat. Vermoedelijk genoemd in 1329 als Nije convent op de Woert, in 1354 als arme begijnen, daarna nomaals in 1390 en 1394. Mogelijk een Clarissenklooster en dan ten onrechte tot de begijnen gerekend.

 

Bethlehem bij Rottum
Een benedictijns begijnenconvent dat onder het gezag van de abt van Rottum viel. Incorporatie bij het klooster Rottum werd in 1568 niet toegestaan. Het werd na 1594 opgeheven.

 

Cellebroeders te Groningen
De Cellebroeders of Alexianen, die zich vooral met de verpleging van pestlijders bezig hielden, hadden een huis aan de Nieuwstad te Groningen, dat aan het einde van de 15e eeuw wordt vermeld.

 

* Overig kloosterbezit

 

Rijksabdij Werden
Het benedictijnerklooster Werden te Werden an der Ruhr, gesticht door Liudger in het laatst van de achtste eeuw. Het klooster had in de elfde eeuw uithoven in Groningen, Weener en Loga (bij Leer), alsmede eigenkerken te Garnwerd, Winsum, Oosterreide en Holtgaste (bij Jemgum).

 

Rijksabdij Fulda
Het benedictijnenklooster Sint Bonifatius te Fulda in Hessen, werd in 744 gesticht door Bonifatius.

 

Rijksabdij Corvey
Het benedictijnenklooster Corvey (Corbeia nova) te Höxter (Nordrhein-Westfalen) is in het begin van de negende eeuw gesticht. Het klooster werd vooral belangrijk vanwege de verering van Sint Vitus, wiens relieken in 815 vanuit Corbie aan de Somme hierheen werden overgebracht. Het klooster had een groot aantal bezittingen alsmede het patronaatsrecht over de kerken in Westerwolde en Winschoten, mogelijk ook bezittingen te Wittewierum en Kantens. Volgens de lijst van bezittingen door abt Saracho (omstreeks 1050) had het klooster ook landerijen te Watum, Losdorp, Uitwierde en het onbekende Baccamun in Fivelgo. Deze lijst berust echter op een 17e-eeuwse vervalsing.

 

Echternach
Benedictijnenabdij te Echternach in Luxemburg, gesticht door Williebrord in 698, bezat onder landerijen in Friesland en Middag-Humsterland, namelijk te Kenwerd (Chinicwirde) en de niet-geïdentificeerde plaatsen Vrua (lees: Urva) en Thelingi.

 

Überwasser of St. Marienkloster te Münster
Benedictijnenklooster te Münster, bisschoppelijke eigenkerk, met het bezit van tienden te Baflo.

 

Elten
Benedictijnenabdij te Elten, gewijd aan St. Vitus, gesticht 968; in 970 door Wichman van Hameland voorzien van goederen te Hunsingo, Fivelgo, Marne, Middag-Humsterland en Eemsgo.

 

Pöhlde
Benedictijnenklooster te Pöhlde in de Harz (Südniedersachsen), gewijd aan St. Servatius, gesticht in 952 door keizer Otto de Grote en voorzien van koninklijk bezit in de Ommelanden en Friesland, onder andere te Westerwijtwerd, Baflo, Rasquert en de niet-geïdentificeerde plaatsen Hilderedes en Ziericon (Henrikaskiricon?).

 

Thedinga
Benedictijner nonnenklooster ten noorden van Leer, bezat landerijen te Garrelsweer.

 

Barthe
Premonstratenser nonnenklooster bij Hesel. Verkreeg eind 15e eeuw omvangrijk landbezit in het Groningerland, met name in de omgeving van Appingedam.

 

Langen
Premonstratenser klooster bij het huidige Logumervorwerk (Krummhörn), in 1520 verhuisd naar het klooster Blauhaus bij Woltzeten, verkreeg eind 15e eeuw landbezit in de omgeving van Eenum en Zeerijp.

 

Gerkesklooster
Het monnikenklooster Jerusalem of Gerkesklooster bij Augustinusga behoorde tot de cisterciënzer orde. Het bezat omvangrijke landerijen in de polders ten zuiden van de Lauwerszee, daaronder een voorwerk te Lutjegast (Hilmahuizen), mogelijk ook te Opende (Topweer), verder parochierechten te Visvliet en Lutjegast. In 1497 werd een steenhuis aan de Schoolholm te Groningen aangekocht. Na de verwoesting van het klooster rond 1580 vertrok een deel van de monniken naar dit refugium, dat tot 1610 in gebruik bleef.

 

Mariëngaarde te Hallum
Het premonstratenzers monnikenklooster Mariëngaarde te Hallum had in 1457 een huis of refugium in de stad Groningen in de Brugstraat.

 

Bunne
Het Huis van de Duitse Orde te Bunne had in 1451 een refugium aan de westzijde van de Folkingestraat te Groningen.

 

Assen

Het cisterciënzer nonnenklooster Mariënkamp te Assen had vóór 1582 een refugium aan de Oosterstraat in Groningen, verder landbezit te Selwerd en een voorwerk te Matsloot.

 

Kampen
Het kartuizerklooster Sonnenberg te Kampen verwierf in of vóór 1517 de Boekumaheerd onder Bierum.

 

Dünebroek
Johannieter Commanderij bij Wymeer, bezat een voorwerk te Oosterwijtwerd, dat na 1466 zelfstandig werd, maar al snel bij Oosterwierum werd gevoegd.

 

Esens
Marienkamp te Esens: was een klooster van de augustijner koorheren, tussen 1414 en 1420 toegetreden tot de Congregatie van Windesheim, die verbonden was met de Broeders van het Gemene Leven. Het klooster had nogal wat bezittingen in de Ommelanden; de laatste broeders stierven in Groningen. De bezittingen werden bestemd voor het stichten van een jezuïetenschool.

 

Frenswegen
Sankt Marienwold te Frenswegen bij Nordhorn was een klooster van de augustijner koorheren, gesticht in 1394 en in 1400 toegetreden tot de Congregatie van Windesheim, die verbonden was met de Broeders van het Gemene Leven. Het klooster had een boerderij te Betteweer of Buttingeweer bij Wittewierum.

 

 

 

Spookvermeldingen


In de literatuur duiken zo nu en dan vermeldingen op van kloosters, waarvan het bestaan niet door de bronnen wordt ondersteund.

 

Enkele daarvan:

 

Appingedam: Annaconvent of Vrouwenconvent, verbonden aan het Sint-Anthoniegasthuis. Het zou gaan om een Franciscaans vrouwenklooster, namelijk een begijnenconvent van de Tertiarissen. Kennelijk is er verwarring ontstaan met het Suncte Anne hues, de woning van de priester de Sint-Annaprebende in de Sint-Annastraat, genoemd circa 1480-1490. Ook heeft men wel gedacht dat het toponiem Vrouwenbrug (Onze Lieve Vrouw was de oorspronkelijke heilige van de Nicolaïkerk) naar het klooster of naar een afzonderlijke kapel zou hebben verwezen. In het begin van de 19e eeuw meende men dat een van de nonnetjes in de Sint-Annastraat rondspookte. Het Sint-Anthoniegasthuis wordt voor het eerst in 1503 vermeld.

 

Beerta: verwarring met Barthe in Oost-Friesland

 

Dallingeweer: gebaseerd op enkele archeologische vondsten en het toponiem Capellenheem

 

Termunten: nonnenklooster, gebaseerd op verwarring met Trimunt.

 

 

 

Kloostertoponiemen


Abbemaar, deel van het Kardingermaar Thesinge.
Abtszijl, voormalig sluisje bij Thesinge of Ten Boer, genoemd in 1567.
Kloosterlaan te Zuidbroek, wellicht samenhangend met een voorwerk van Heiligerlee
Kloosterbult te Spijk: voormalige boerderijplaats behorend bij boerderij Huize Ten Dijke (Lage Trijnweg 13). Relatie met voormalig kloosterbezit onduidelijk.
Kloostermaar, watergang bij Heveskes, genoemd naar het klooster van Oosterwierum.
Monnikensloot watergang te Overschild, genoemd naar het voorwerk van het klooster te Schildwolde aan de Graauwedijk, nu Molenwijk genoemd.
Munnikensloot, watergang te Siddeburen, vermoedelijk genoemd naar het voorwerk van Oosterwierum te Eelshuis, nu Molensloot genoemd.
Munnekesloot of Munnikevaart, verbinding van het Hoendiep naar het Leekstermeer bij Oostwold in het Westerkwartier, genoemd naar het klooster van Aduard.
Munnekeweg, straat te Lucaswolde bij Grootegast.
Munniketocht, watergang bij Oostum, genoemd naar het Klooster Aduard.
Munnikeweg, straat te Sauwerd, gedeeltelijk omgedoopt tot Pijplaan, genoemd naar het klooster van Aduard.
Munnikeweg, straat te Oldekerk
Munnikeveen, voormalig eiland in de Dollard, nu in de Reiderwolderpolder.

Andere kloosterorden


Middeleeuwse kloosterorden, die niet in Groningen maar wel in Oost-Friesland en Friesland vertegenwoordigd waren:

 

Augustijner Koorheren of Reguliere Kanunniken
Kartuizers
Karmelieten: De monniken van het karmelietenklooster te IJlst rekenden het Groningerland tot hun termijn (bedelgebied).

 

 

 

* Duitse Orde

 

 

 

Na de Middeleeuwen
Tijdens de onderdrukking van de katholieken door de protestanten waren Jezuïeten, Franciscanen, Dominicanen en Augustijnen in het gebied werkzaam als clandestiene zielzorgers en missionarissen. In de stad Groningen fungeerden als staties of schuilkerken:

 

* Statie van de Jezuïeten aan de Oosterstraat 30 en Papengang 6, eerste helft 17e eeuw tot 1773, daarna bekleed met wereldlijke geestelijken tot 1840.
* Statie van de Jezuïeten aan de Hoge der Aa, eerste helft 17e eeuw tot 1773, daarna bekleed met wereldlijke geestelijken tot 1836.
* Statie van wereldlijke geestelijken aan de Guldenstraat 20-22, circa 1640-1836.
* Statie van wereldlijke geestelijken op de hoek Pausgang/Hardewikerstraat, 1641-1794.
* Statie van de Augustijnen aan de Ebbingestraat 50, 1675-1910.
* Statie van de Augustijnen aan de Herestraat 43 (?), 1675-1790.
* Statie van de Dominicanen aan de Carolieweg Zuidzijde, 1689-1840.
* Na het herstel van de hiërarchie in 1853 vestigden zich vooral negentiende eeuwse congregaties in Groningen, dat in het begin nog behoorde tot het Aartsbisdom Utrecht. De kloosters van deze congregaties zijn ondertussen alle weer opgeheven. Dit betreft onder andere:

 

Congregatie van Zusters van Onze Lieve Vrouw van Amersfoort te Groningen, Akerkhof 22, gesticht 1906, in 1958 verhuisd naar Marienholm aan de Merwedestraat. Het zusterhuis was verbonden aan een huishoudschool.
Zusterhuis van de Franciscanessen, verbonden met de Heilig Hart Kerk, Moesstraat 18-20, Groningen, 1919-(?).
Het huidige bisdom Groningen-Leeuwarden heeft maar één contemplatieve instelling, de Kluis van Warfhuizen, bewoond door één heremiet. De historische kerk die daarbij hoort is tevens de enige functionerende Mariabedevaartplaats van de huidige provincie Groningen.

 

 

 

 

Bronnen en referenties:

J. Abrahamse & E. Jonkheid, Het Reitdiepgebied. Boedelbeschrijving van een rijke erfenis, Groningen, 1994
F.J. Bakker, Bedelorden en begijnen in de stad Groningen tot 1594, Assen/Maastricht, 1988
F.J. Bakker, 'Die Zisterzienser im friesischen Gebiet', in: U. Knefelkamp, Zisterzienser. Norm, Kultur, Reform – 900 Jahre Zisterzienser, Berlin 2001, pp. 37-64
P. van den Bosch, 'De priorij Sint Helena te Scharmer 1489-1596', in: Clairlieu 33 (1975), pp. 3-29
E. de Boer, De stichter, de stukken en de schenkers van het Oldenklooster bij Den Dam, Bierum 2004
R.H. Bremmer Jr., "Hir is eskriven". Lezen en schrijven in de Friese landen rond 1300. Hilversum 2004
J.F.J. van den Broek, 'Het klooster Trimunt', in: Groningse Volksalmanak 1974-1975, pp. 14-38
L.H. Bruins, 'Overzicht van kloostervoorwerken', in: Verhildersum, De boer en zijn land, Leens 2006, p. 14
J. Colpa, 'Het klooster Cusemer', in: Groningse Volksalmanak 1990, pp. 17-27
C. Damen, Geschiedenis van de Benedictijnenkloosters in de provincie Groningen, Assen 1972
C.E. Dijkstra, 'Het nonnenklooster Essen', in: Groningse Volksalmanak 1976-1977, pp. 7-27
J.A. Feith, 'Wandelingen door het oude Groningen, I. De refugia of kloosterhuizen in Groningen', in: Groningse Volksalmanak 1890, pp. 98-122
J.A. Feith, 'De rijkdom der kloosters in stad en lande', Groninger Volksalmanak 1902, pp. 1-36
W.J. Formsma, 'De verhouding van het klooster Rottum tot het voorwerk Bethlehem en het kerspel Eelswerd', in: Groningse Volksalmanak 1959, pp. 88-93
D. van Heel, 'Het olde convent of het Sint Agnesklooster te Groningen', in: Groningse Volksalmanak 1941, 192-208
S. Hiddema & C. Tromp, 'Inventaris van archieven van kloosters in de provincie Groningen', Groningen 1989
J.A. Mol, 'Bemiddelaars voor het hiernamaals. Kloosterlingen in middeleeuws Frisia', in: E. Knol et al. (red.), Hel en hemel. De Middeleeuwen in het Noorden, Groningen, 2001, pp. 152-164
J.A. Mol, 'De Johannieter zusters in middeleeuws Friesland', in: H. Schmidt et al. (red.), Tota Frisia in Teilansichten : Hajo van Lengen zum 65. Geburtstag, Aurich 2005, pp. 193-197
R.I.A. Nip, 'Neergang en bloei. De benedictijnenkloosters in Groningen en de hervormingsbeweging in de late middeleeuwen', in: Groningse Volksalmanak 1989, pp. 7-34
R.I.A. Nip, 'De bewoners van het Groninger Benedictijnerklooster Selwerd', in: Driemaandelijkse Bladen 41 (1989), pp. 33-58
G.F. Noordhuis, De Johannieters in Stad en Lande: geschiedenis van de Johannieters in de provincie Groningen (13de-17de eeuw), Warffum 1990
R.F.J. Paping, 'De Groningse provinciale rekeningen van de voormalige kloosterlanderijen' (PDF), in: G. Van Synghel (red.), Broncommentaren, dl. 4: Bronnen betreffende de registratie van onroerend goed in de Middeleeuwen en Ancien Regime, Den Haag 2001, pp. 109-136
E.H. Roelfsema, De klooster- en proosdijgoederen in de provincie Groningen, Groningen 1928
M. Schoengen, Monasticon Batavum, 3 delen, Amsterdam, 1941-1942 (Verhandelingen der Nederlandsche Akademie van Wetenschappen, afd. Letterkunde, Nw. Rks., dl. 45)
M. Schroor, De Atlas der Provincielanderijen van Groningen (1722-1736), Groningen 1996
M. Schroor, De atlas der Stadslanden van Groningen (1724-1729), Groningen 1997
B.W. Siemens, Historische atlas van de provincie Groningen (Kaarten plus Toelichting), Groningen 1962
C. Tromp, Groninger Kloosters, Assen/Maastricht, 1989 (Groningse Historische Reeks, dl. 5)
E. van der Werff, R. Overbeek en B. Havinga, Van Anna Varwers Convent tot Zuiderkerk.

Gasthuizen en Godshuizen in Groningen, Groningen 2005

 

Externe links
Kloosterlanderijen in 1632
J.A. Mol, 'Bemiddelaars voor het hiernamaals. Kloosterlingen in middeleeuws Frisia', 2001
Kroniek van het klooster Bloemhof te Wittewierum
H. van Engen, De derde orde van Sint-Franciscus en de Moderne Devotie in Groningen, 2006
Lijst van kloosters in Oost-Friesland (Duitstalige Wikipedia)

 

Overige bronnen:
1. Hoofdbron: Wikipedia.
2. De Johannieters in Stad en Lande. Geschiedenis van de Johannieters in de provincie Groningen (13de - 17de eeuw), Drs. G.F. Noordhuis, Uitgeverij Sikkema, Warffum, 1990.

 

 

Aan bovenstaande tekst is de uiterste zorgvuldigheid besteed. Desondanks kunnen er best fouten

voorkomen. Constateer je fouten en/of heb je vragen, correcties, aanvullingen...

geef die dan even aan mij door via mijn E-mail adres.

Hoogeveen, 19 juni 2018
Verhaal: © Harm Hillinga.