Het is al heel lang geleden, maar ooit bestonden er nog geen brandweermannen. De oudste brandweerorganisatie, stamt uit de Romeinse tijd. Deze is opgericht door keizer Augustus. Dit is ruim 2000 jaar geleden. Het eerste brandweerkorps heeft vooral uit slaven bestaan. Ze worden ingezet bij branden en moeten altijd paraat zijn. In die tijd gebeuren er ook ontzettend veel branden. Dit komt doordat de huizen uit zeer brandbaar materiaal bestaan, zoals hout en riet. Via een gat in het dak kan de rook van de vuurplaats ontsnappen. Van rookafvoer via een schoorsteen is nauwelijks sprake. De stookplaats is meestal een kuil in de lemen vloer waarin het vuur gestookt wordt en waarboven een pot aan een ketting hangt. Dat deze situatie bijzonder brandgevaarlijk is, mag duidelijk zijn. Een klein ongelukje en de hele stad brandt af. Onvoorzichtigheid met vuur is natuurlijk niet de enige oorzaak dat er brand ontstaat, ook blikseminslag en oorlogen veroorzaken menige brand. Brandstichting wordt door sommige machthebbers als een zeer afdoend middel gehanteerd om tegenstanders te bestraffen en voor langere tijd uit te schakelen.

 

Tot in de 17e eeuw hebben velen de gedachte dat er tegen brand weinig te doen is. Het is de hand van God en je kan hopen en bidden dat de wind gaat draaien of dat het gaat regenen.

 

Wanneer er een brand wordt gesignaleerd in de stad, hebben de brandmeesters op de toren op hun hoorns geblazen. Ook de klokken worden geluid. Iedereen komt vervolgens in actie. Het te gebruiken materiaal bij het blussen van een brand is zeer primitief. De slaven en het volk dat meehelpt, heeft niets anders dan kruiken en potten die met water gevuld worden. Soms maken ze ook gebruik van emmers van leer.

 

Het bluswater wordt uit de gracht geschept. Hier en daar legt men waterreservoirs in de stad aan, want niet in elke straat loopt er een gracht. De gevulde kruiken en emmers worden via een lange ketting van mensen doorgegeven naar de brand. De laatste van de rij gooit het water op het vuur. Heel dicht kunnen de mensen niet bij de brand komen. Zo'n helse hitte is niet te verdragen. Ook de aanvoer van het bluswater is erg onregelmatig en zeker onvoldoende. Veel brandende huizen kun je nu eenmaal niet met een paar emmertjes water blussen.

 

In de 15e eeuw woeden er enkele hele grote branden waarbij ¾ van de stad verwoest wordt. Er moeten strengere maatregelen genomen worden om brand te voorkomen en dat gebeurt ook. Elk huis moet van steen worden. Het riet op de daken wordt verwisseld door dakpannen. Zelfs de schoorstenen moeten uit steen vervaardigd worden. Dit alles maakt een woning minder brandgevaarlijk.

 

Brandcontroleurs lopen rond door de stad. Zij moeten erop letten dat alles volgens het boekje verloopt. Maar zo'n stenen huis kost veel meer. Niet iedereen kan het bevel uitvoeren. Arme mensen kunnen dit niet betalen, de rijke wel. Als ze wel de regels volgen, krijgen de mensen een beloning. Door de invoering van dat bevel, verandert langzamerhand de houten stad in steen, maar dat duurt lang, heel decennia lang....

 

 

Brand ...

 

Brandpreventie na 1521

 

Het jaar 1521 is een belangrijk jaar in de geschiedenis van de brandpreventie. In dat jaar vaardigt Karel V een ordonnantie of wet uit waarin bouwen van huizen anders dan van steen verboden wordt. Ook voor het opslaan van brandgevaarlijke stoffen komen regels. Toch duurt het nog jaren voordat het hele land hieraan gevolg geeft.

Brand is een zorg voor elke burger, de overheid treedt wel verordenend op, maar onderkent de noodzaak een eigen organisatie in het leven te roepen.

 

Een 'originele' leren brandemmer.

 

Men beperkt zich tot voorschriften en bepalingen hoe burgers zich bij brand moeten gedragen en over het aantal ladders, emmers, haken, zeilen en ander blusmateriaal er per stadsdeel aanwezig moeten zijn. Men vormt vanaf een gracht of diep, een lange keten van burgers die elkaar emmers water doorgeven waarbij de laatste in de rij door middel van het leeggooien de vlammen probeert te blussen. Een weinig effectieve bezigheid nog afgezien van het feit dat het doorgeven van houten of metalen emmers een vrij zware en vermoeiende bezigheid is; bij winterdag vaak nog bemoeilijkt door de ijsvorming. Ook de hoge walkanten zorgen voor problemen om het water te bereiken. Men plaatst dan een ladder in de gracht en al staande op de laddersport net boven de waterspiegel wordt het bluswater geput. Later houdt men hier rekening mee door bij belangrijke gebouwen zogenaamde 'stoepen', verlaagde walkanten te bouwen. Deze zijn ook in Winschoten zichtbaar langs de Buiten- en Binnen Venne.

 

Er breekt nog wel eens brand uit, maar doordat stenen huizen brandveiliger zijn, kan een vuurzee minder uitbreiding nemen. Daar men echter nog steeds gebruik maakt van kruiken en lederen emmers, kunnen er geen grote branden geblust worden. Vóór elk huis moet er een brandemmer gezet worden. De burgers mogen alleen mee helpen blussen op het moment dat de overmacht te groot wordt en alle hulp welkom is.

 

De toren als waker voor het vuur

 

De torens in de stad fungeren vaak als uitkijkplaats voor brand. Torenwachters overzien de stad en maken door middel van klokgelui de inwoners op een brand attent. Tevens hangt hij dan twee lantaarns met brandende kaarsen of manden aan de torenzijde waar de brand is. Deze situatie blijft gehandhaafd tot er in de stad voldoende openbare brandmelders en telefoons zijn geplaatst. Totdat een goed blusgereedschap, de brandpomp, zijn intrede doet, is de strijd tegen de 'rode haan' vaak een machteloze strijd. Pas in de Gouden Eeuw gaat de brandweerzorg belangrijk verbeteren. Vanaf de tweede helft 17e eeuw gaat de overheid inzien dat brand blussen niet alleen een zaak is voor directbetrokkenen. Men gaat bepaalde groepen van de bevolking met deze taak belasten. In eerste instantie is het de geestelijkheid die zich hiervoor inzet, maar de gilden nemen uiteindelijk de taken over.

 

De burgerij en de brandemmers

 

De burgerij behoudt echter de plicht gemerkte 'brandemmers' startklaar te houden en bij brand op de stoep te plaatsen. Er zijn burgers die van de overheid de leiding krijgen bij brand, zogenoemde brandmeesters. Zij worden bijgestaan door 'emmermeesters' die zorg hebben voor emmers en ander blusmateriaal en dienen dit na afloop van een brand naar de rechthebbende terug te brengen.

 

Beperkte middelen met de brandspuit 

 

Met de brandspuit kan men voor het eerst water op het vuur spuiten. Deze brandspuit is uitgerust met een bak die met behulp van de lederen emmertjes gevuld kan worden. Met een handpomp wordt het water uit de bak naar de straalpijp omhoog gepompt. Er is echter een groot nadeel aan de brandspuit. Men kan niet anders dan de spuit vlak voor het huis te plaatsen, met alle gevolgen vandien natuurlijk. Daardoor kan men maar telkens één kant van het huis blussen. De andere kanten dienen nog geblust te worden met de emmer. Later komen er kleinere brandspuiten bij, waardoor het blussen iets gemakkelijker verloopt.

 

Ondanks de aanpassingen in voorschriften en verordeningen blijven de middelen ter bestrijding van brand tot 1614 beperkt. In dat jaar wordt voor het eerst octrooi verleend voor een brandspuit. Het is echter een primitieve spuit die niet aan de verwachtingen voldoet, maar anderen wel op een idee brengt. De spuit bestaat uit een grote ronde of rechthoekige bak van hout of metaal, waarin twee zuigperspompcilinders zijn geplaatst die door middel van een stangenstelsel met de hand bewogen moet worden in op- neergaande beweging. Zo perst men water in een verticale buis, en daarop zit een straalpijp, een soort waterkanonnetje die op de brand wordt gericht. De genoemde bak dient constant te worden bijgevuld met emmers water uit de gracht.

 

Toch zijn er nog andere problemen. De brandspuiten kunnen niet bij ieder brandend huis geraken. De straten zijn te smal en niet overal zijn er grachten. Er worden grote bakken vol met water gemaakt en verspreid in de gehele stad. Zo is de hele streek voorzien van water.

 

Portret van Jan van der Heyden. 1661. Tekening 18,6x16,4 cm. Collectie tekeningen en prenten, Stadsarchief Amsterdam, Beeldbank Amsterdam. Licentie: Public Domain.
Jan van der Heyden, Oude brandspuiten en nieuwe slangbrandspuiten 1690, Amsterdam Museum. Licentie: Public Domain.

De uitvinder
Jan van der Heiden

 

Dit is al een hele verbetering maar we moeten wachten tot Jan van der Heiden in 1672 komt met een slangbrandspuit. Hij verbetert de traditionele brandspuit met een wijde linnen slang met waterzak en schraagpomp die dicht bij de waterkant kan worden geplaatst. Dit verhoogt de capaciteit van de brandspuit. De volgende fase is het plaatsen van zuigbuis en pomp in de gracht waardoor het scheppen met emmers tot het verleden behoort. Door het aanbrengen van vier houten wielen maakt men de brandspuit dan nog mobieler.

 

Deze uitvinding van Jan van der Heiden is van veel belang geweest en betekent een revolutie op het gebied van brand blussen. Zijn ontwerp blijft zelfs na minimale aanpassingen tot in de 20e eeuw veelvuldig in gebruik. Zelfs tijdens de Tweede wereldoorlog maakt men nog weer gebruik van deze oude brandspuiten. Naast deze slangbrandspuit zet Jan van der Heiden ook de basis voor een brandweerorganisatie.

 

Voor de Gildenbroeders, door het Stadsbestuur aangewezen voor het blussingswerk, wordt deze taak te zwaar en Jan van der Heiden vindt dan dat het brandweerwezen beter georganiseerd moet worden. Hij verwacht discipline, oefening en taakverdeling van de manschappen. De tijd dat de Gildenbroeders in de kroeg zitten te wachten op een brandmelding is afgelopen. Een brandweerman heeft, en heeft ook nu nog een hartversterking nodig, maar dan wel ná gedane plicht.

 

Vanaf 1800

 

Vanaf 1800 voeren discipline en organisatie de boventoon bij de brandbestrijding. De plaatselijke overheden stellen brandmeesters aan die het opperbevel voeren over de lagere manschappen, de zogenaamde geaffecteerde burgers die vrijgesteld zijn van de schutterij.

 

Als kenteken ontvangen deze geaffecteerde een koperen penning met hun nummer erop. Die penning dient bij opkomst te worden afgegeven aan de brandmeester, als bewijs dat men is geweest. Afwezigheid of te laat komen wordt bestraft.

 

Men probeert op allerlei manieren de ijver en snelheid van de manschappen op te voeren, zo is er ook enige tijd een systeem dat men z'n penning in een bus dient te werpen. De brandmeester heeft ook een penning, maar met een gat en werpt die eveneens bij het ter plaatse komen in de bus.

 

Alle mannen die hun penning vóór de brandmeester in de bus hebben gegooid krijgen meer uitbetaald dan de laatkomers. Daarnaast worden er premies uitgeloofd voor de spuiten die bij brand het eerste water geven. Dit leidt wel eens tot ruzies tussen spuitgasten waarbij men niet schroomt elkaar slangen door te snijden om die premie maar te bemachtigen

 

Langzamerhand wordt echter duidelijk dat het systeem van aangewezen burgers brand blussen niet geheel ten goede komt, zodat de overheid besluit deze lieden te vervangen door vrijwillige spuitgasten.

 

En zo krijgt ook Winschoten in navolging van vele andere gemeenten, rond 1900 een Vrijwillige Brandweer.

 

17e-eeuwse brandspuit in het Nationaal Brandweermuseum. Op de achtergrond een zuigpomp van Jan van der Heyden. Foto gemaakt in het Nationaal Brandweermuseum in Hellevoetsluis. Foto: 1 augustus 2010. Licentie: Creative Commons Attribution-Share Alike 3.0 Unported.

 

 

De brandweer in Winschoten

 

Uit archiefgegevens van Gemeente Winschoten kunnen wij optekenen dat deze plaats vanaf 1800 een eigen brandweer bezit en dat de eerste brandspuit in 1817 wordt aangeschaft. Volgens een schrijven van toenmalig Maîre (Burgemeester) Eisso Post bezit de plaats vanwege de slechte financiële positie voordien nauwelijks blusmiddelen. Op 6 mei 1817 wordt Post door hogere autoriteiten gedwongen tot aanschaf van een brandspuit. Aan die opdracht zal gehoor zijn gegeven want kort daarop wordt zelfs een tweede brandspuit aangeschaft. Winschoten is dan nog klein en mogelijk wordt men weinig met brand geconfronteerd, want op de gemeenterekening in 1818 staat als uitgavenpost van de brandweer een bedrag van slechts f 25,-

 

Brandweerreglement

 

Bij besluit van de Municipale Raad wordt op 30 oktober 1822 het eerste Brandweerreglement vastgesteld. Met de invoering in 1823 van dit 'Eerste Reglement ter Voorkoming en Blussching van Brand' krijgt de brandbestrijding hier ter plaatse enige structuur. Hierin zijn niet enkel bepalingen opgenomen voor de brandweer zelf, maar ook verplichtingen voor de ingezetenen om in geval van brand hun medewerking te verlenen. Een kopie van dit Brandweerreglement is in het archief aangetroffen en het is wel aardig om enkele artikelen te noemen uit dit 'Reglement ter Voorkoming en Blussching van Brand in de Gemeente Winschoten'.

 

In art. 5 is aan schoorsteenvegers de bijzondere plicht opgelegd om indien door hen schoorstenen niet in orde worden bevonden daar van kennis te geven aan de autoriteiten. Bij niet nakomen van deze verplichting krijgt men een boete van 60 cent. Ingezetenen worden bij art. 6 verplicht hun schoorstenen in de maanden maart en oktober te laten vegen, bij boete van f 1,50.

 

In art. 18 wordt bepaald dat het Plaatselijk Bestuur elke drie maand de brandspuiten moet inspecteren, defecten moet laten herstellen en moet zorgen dat bij iedere brandspuit voorhanden zijn: 2 goede lantaarns elk voorzien van 2 kaarsen.

 

En wat de ingezetenen betreft, wordt in art. 19 bepaald dat iedere bewoner van een behuizing zich moest voorzien van een houten brandemmer 'met inhoud van 10 kan, 7 maatjes, 1 vingerhoed tot 13 kan, 3 maatjes, 9 vingerhoed of 8 tot 10 kroes vocht'.

 

Is men hierin nalatig dan wordt dit op zijn kosten aangeschaft en krijgt hij 1 gulden boete. De bewoners van bovenwoningen en achterkamers zijn van deze verplichting vrijgesteld. Op de 1e maandag van iedere maand 's morgens tussen 9-12 inspecteert de brandmeester de emmers die voor de huisdeur moeten worden geplaatst. Als daaraan niet wordt voldaan of de emmers niet waterdicht worden bevonden, krijgt de bewoner een boete van 50 cent.

 

In art. 20 wordt het Plaatselijk Bestuur bevolen in de winter in de kanalen, grachten of vijvers behoorlijke bijten te kappen.

 

Art. 21 bepaalt dat het Plaatselijk Bestuur 1 brandmeester benoemt en voor iedere spuit 2 onderbrandmeesters.

Wordt volgens art. 24 door iemand brand ontdekt, dan is hij verplicht dadelijk overluid 'Brand' te roepen en de naaste buren daarvan dadelijk te verwittigen. Verder bevat het reglement nog de bepaling dat bij brand 's nachts en bij donker weer alle ingezetenen van de betrokken wijk verplicht zijn een brandend licht voor hun ramen te plaatsen of een lantaarn met een brandende kaars uit te hangen om de straat te verlichten. En voorts om bij elke ontstane brand de brandemmers dadelijk ter plaatse van de brand te doen bezorgen, bij boete van f 1,50. De nachtwachten hebben dan tot taak de verdere plaatsgenoten en autoriteiten te wekken door overal 'brand' te roepen. Dit wordt ondersteund met het luiden van de torenklok.

 

De schutterij zet de plaats van de brand af om o.a. diefstallen te voorkomen. Art. 43, het laatste artikel, bepaalt dat de boetes in de gemeentekas vloeien en dat beloningen daaruit betaald worden.

 

Tot zover enkele bepalingen uit het eerste 'Reglement ter Voorkoming en Blussching van Brand in de Gemeente Winschoten'. Een zeer ongunstige omstandigheid is dat op meerdere plaatsen in het centrum niet voldoende bluswater aanwezig is. Dit leidt soms tot acties van buurtbewoners die zich onveilig voelen. Zo worden rond 1825 op verschillende plaatsen waterputjes gegraven waaruit bij brand grondwater kan worden gehaald. Ook wordt de Raad om een krediet gevraagd voor de vervaardiging van twee brandspuithuisjes voor plaatsing van de brandspuiten. De Raad mag hierover nog niet zelf beslissen maar heeft toestemming nodig van de Gouverneur des Konings. Die vindt de kosten te hoog, want door deze uitgaven zal de begroting worden overschreden hetgeen belastingverhoging voor de burgers betekent. Kosten gaan in dezen vóór veiligheid van burgers. Er komt 1 brandspuithuisje en de andere spuit moet maar in een particuliere schuur worden ondergebracht. Winschoten groeit echter vanaf 1825 van 'vlek' of te wel plattelandsplaats met stedelijk karakter uit naar 'stedelijke gemeente' en in die ontwikkeling blijft ook de brandweer Winschoten niet achter.

 

Op 1 januari 1827 bestaat het brandweermateriaal uit 2 spuiten, 325 emmers (allen particulier eigendom), 4 brandhaken, 12 bijlen, 3 ladders en 4 lantaarns.

 

In 1837 schaft men voor f 800,- een derde brandspuit aan, vervaardigt door dhr. A. v. Bergen te Midwolda. Een hele uitgave voor de gemeentekas, waarvoor men gedurende 8 jaren een 4% lening aangaat. Het materiaal ondergaat tot 1850 maar weinig ingrijpende veranderingen. De slangenbrandspuit door Jan van der Heiden ontworpen wordt alleen geperfectioneerd door een lichtere constructie die de spuit beter vervoerbaar en gemakkelijker hanteerbaar maakt. De grote verandering TOT HIER kwam pas door de invoering van de stoomspuit in 1866. Hoewel James Watt in 1769 al de stoommachine had uitgevonden die een 'industriële revolutie' te weeg brengt, duurt het vrij lang voor deze uitvinding bij de Brandweer zijn intrede doet. Toch is de stoommachine ook voor brandbestrijding een enorme vooruitgang met betrekking tot capaciteit en waterdrukkracht. Aanschaf is echter vanwege het kostenaspect niet voor iedere gemeente mogelijk. Daarnaast vragen vele gemeentebestuurders zich af waarom het nu zo nodig is om met stoom te spuiten, men heeft het toch jaren goed gedaan met gewoon koud water! Over technisch inzicht gesproken…

 

In het Jaarverslag 1851 van Gemeente Winschoten staat ten aanzien van brandblusmiddelen vermeld: "De toestand der middelen is voldoende en de gemeente is in het bezit van vier goede brandspuiten met aanjager en verder toebehoor, welke voor de omvang van de gemeente genoegzaam geacht worden". Geleidelijk wordt de uitbreiding voortgezet en rond 1870 bezit Winschoten een vrij uitgebreid korps van brandweerlieden die rechtstreeks onder bevel staan van het gemeentebestuur. Zij wijst uit de burgerij mannen aan die enige tijd verplicht zijn deel uit te maken van de Brandweer. Bij de benoeming der brandweerlieden wordt gewoonlijk advies gevolgd van de commandant, de opperbrandmeester. Functies in die jaren o.a. bekleedt door kantonrechter Mr. Lewe Quintus, manufacturenhandelaar Dasse Viëtor en azijn- en likeurstoker Phaff. Op 16 september 1886 wordt een brandweeroefening gehouden door het gehele brandweerpersoneel, waarbij het college van B & W in bijzonder aandacht schenkt aan de toestand der brandspuiten en blusmiddelen. Hieruit blijkt dat niet alle spuiten optimaal functioneren zodat bij Gemeenteraad op aanschaf van een nieuwe moderne Zuig- en Persbrandspuit wordt aangedrongen. In een voorstel wijst men op de omvang van het blusmateriaal in verhouding tot de uitgestrektheid van de gemeente en de afmetingen van de percelen. Dit voorstel wordt zonder verdere discussie aangenomen en de firma A.H. van Bergen te Heiligerlee krijgt opdracht voor de vervaardiging.

 

Dit resulteert in een brandspuit die in 1885 op de Wereldtentoonstelling in Antwerpen bekroond is met een gouden medaille. Het betreft hier een brandspuit aangespannen met 200 m voorslang met straalpijp opening van 21 mm die de waterstraal 24 meter in verticale en 29 meter in horizontale richting kan brengen. Tevens is het mogelijk middels een driewegkraan 2 slangen van 25 meter te bedienen. Met deze aanschaf is wel het aanzienlijke bedrag van f 775,- gemoeid, maar deze spuit heeft in de jaren zijn waarde ruimschoots bewezen.

 

Als dank daarvoor krijgt deze brandspuit vele jaren een eervolle plaats in de Winschoter toren om vervolgens te worden overgebracht naar de hal van het Stadskantoor. Daar kan men nu nog eens aanschouwen hoe het blussen van brand in vroeger tijden nog echt handwerk is geweest.

 

De Winschoter Brandweer beschikt vanaf 1887 over een 6-tal Handbrandspuiten. De voor die tijd modernste staat zoals gezegd nu in het Stadskantoor. In die tijd zijn de brandspuiten op diverse plaatsen in het centrum en in de buitenwijken gestationeerd, in zgn. 'brandspuithuisjes'. Dit heeft als voordeel dat het materiaal bij brand direct voorhanden is. Aan het hoofd van elke spuit staat een Brandmeester met onder zich een aantal spuitgasten een pijphouder en lantaarndragers. Er is bovendien een afdeling ladders en haken, alsmede één die de haspels bedient. Onderstaand twee van die handbrandspuiten.

 

De Brandmeesters zijn o.a. herkenbaar aan een staf die ze bij zich dragen met daarop aangegeven het nummer van de spuit waarover zij het bevel voeren. Bewaard zijn de staven met de nummers 1 t/m 5, alsmede een staf van de afdeling wateraanvoer en lichtverlichting. De staf met een goudkleurige knop behoort toe aan toenmalige commandant, de Opperbrandmeester.

 

Verder zijn bij de Brandweer nog ingedeeld geweest een paar tamboers, hoornblazers en enkele klokluiders. Het is namelijk gewoonte dat bij brand de brandweerlieden, en daarmee tegelijk de ingezetenen, door klokgelui, trommelslag en hoorngeschal gewaarschuwd worden. Deze wijze van brandalarm blijft in werking totdat de techniek ook hier haar intrede doet, maar daarover later meer. Dit alarm lokt vanzelfsprekend vele inwoners uit hun huizen, richting brand waardoor het werk van de brandweer belemmerd wordt. Omdat het politiekorps in die tijd nog maar over weinig personeel beschikt, wordt de dienstdoende schutterij ingeschakeld om daar de orde te handhaven. Het is vaak heel moeilijk aan het nodige bluswater te komen, vooral op plaatsen waar men geen vaart, gracht of sloot heeft en men aangewezen is op de daar gemaakte waterputten. Het komt dan vooral op de waterdragers met hun emmertjes aan. Pas als in 1903 Winschoten z'n Gemeentelijke Waterleiding krijgt, kan de Brandweer heel wat effectiever en krachtdadiger bij branden optreden. Op afstanden van 50 tot 100 m worden in de straten brandkranen aangebracht zodat de Brandweer door middel van een op de brandkraan geschroefd opzetstuk waaraan de slangen worden gekoppeld, water kan betrekken. De druk in de waterleiding laat echter nog te wensen over zodat soms nog water moet worden betrokken uit sloten, grachten of putten.


Een algehele reorganisatie van de brandweer gaat met de inwerkingtreding van de Waterleiding gepaard. Het betekent ook afschaffing van het premiestelsel waarbij de spuit die het eerste water geeft beloond wordt. De totstandkoming van de 'Winschoter Telefoonmaatschappij' in 1901 brengt ook veel te weeg. Door het gebruik van de telefoon komt er een eind aan het luidruchtige brandalarmsysteem en kunnen de brandweerlieden geluidloos worden gealarmeerd. Tamboers, hoorn blazers en klokluiders verdwijnen van het toneel, de bevolking wordt bij brand niet meer in beroering en op straat gebracht en inzet van de schutterij wordt overbodig. Er wordt een nieuw brandweerkorps gevormd, samengesteld uit vrijwilligers en benoemd door B&W. De burgemeester heeft bij brand het opperbevel maar delegeert dit meestal aan de opperbrandmeester die in dit werk veel kundiger is. Deze reorganisatie betekent ook inkrimping van brandweer- personeel daar de meeste Handbrandspuiten buiten werking worden gesteld.

 

Door paarden getrokken stoomspuit gemeente Zeist, gefotorafeerd in het Nationaal Brandweermuseum in Hellevoetsluis. De brandspuit is een apparaat dat een waterstraal produceert met als doel een brand te blussen. Met een brandspuit kan water hoger en dieper in een brandhaard worden gebracht dan wanneer men water rechtstreeks vanuit een emmer gooit. Foto: 1 augustus 2010. Licentie: Creative Commons Attribution-Share Alike 3.0 Unported.

 

 

Stoomspuiten

 

In de 19e eeuw volgen al snel de stoomspuiten. Die kunnen ieder tien keer meer water geven dan een gewone brandspuit. In bepaalde steden wordt de vrijwillige brandweer vervangen door de beroepsbrandweer. De mannen krijgen een bepaald uniform en een degelijke uitrusting. Het gebruik van de helm wordt eerst negatief ontvangen. Als blijkt hoeveel levens door het dragen van de helm gered worden, verandert de helm tot een van de belangrijkste onderdelen van de uitrusting.

 

Maar niet alles is koek en ei. De brandweermannen moeten heel sterk zijn omdat de brandspuiten met de hand naar de brand getrokken moeten worden. Nadien moet de spuit van de wagen worden gekiept en de pomp in werking gebracht door de stokken met de hand op en neer te drukken. Later maken ze gebruik van paarden. Daardoor wordt de tijd die men nodig heeft om de brandspuiten naar de vuurzee te vervoeren, korter. De mannen kunnen volop hun kracht gebruiken om de brand te blussen. Het pompwerk moet wel nog met de hand gebeuren, wat ook heel vermoeiend is, maar na een tijd pompen worden de mannen afgelost.

 

Door stoom aangedreven brandspuit. Deze kan door paarden getrokken worden. Licentie: Creative Commons Attribution 1.0 Generic.

 

 

De drijvende stoombrandspuit

 

Op het einde van de 19de eeuw wordt de eerste drijvende stoombrandspuit in dienst genomen. Deze boot heeft een grote stoommachine en men kan dus via de rivieren heel wat water leveren bij een brand. Naar aanleiding van enkele grote branden worden er nieuwe en strengere voorschriften ingevoerd voor schouwburgen. De veiligheidsinrichtingen van die gebouwen worden vanaf dat moment door de brandweer zelf geleid. Overal in de stad komen er verschillende brandweerposten en het materiaal wordt uitgebreid. Alles wordt zo brandveiliger gemaakt.

 

 De brandweer in de 20ste eeuw

 

Rond de eeuwwisseling doet de koolzuurspuit zijn intrede. Een koolzuurspuit zorgt ervoor dat water onder koolzuurdruk verspoten kan worden. Dit water wordt gebruikt om de kleinere branden te bestrijden. Voor grotere branden maakt de brandweer steeds gebruik van het water in de waterleiding, desnoods met de stoomspuiten.

De eerste ladders die de brandweer bij het blussen gebruikt, zijn mechanische ladders. Op een grote kar bevindt zich een ladder. Met de hand wordt een tandwielmechanisme in werking gebracht waardoor de ladder uitschuift. Zo kunnen de brandweermannen hoger gelegen verdiepingen bereiken. Nog een grote vordering is het motoriseren van het materiaal. De auto doet zijn intrede en het gebruik van paarden vermindert.

 

Naar aanleiding van grote branden past men de preventie in gebouwen aan. Vóór de eeuwwisseling moeten alleen schouwburgen voldoen aan de brandpreventie, maar er komen ook nieuwe wetten voor bioscopen en werkplaatsen. Ook door deze voorschriften wordt de brandveiligheid groter.

 

Ambulancevervoer in de Eerste Wereldoorlog schijnt ook een taak geweest te zijn van de brandweer.

De Eerste Wereldoorlog

 

De Eerste Wereldoorlog betekent voor de brandweer uit verschillende landen een periode van materiaalgebrek. Iedereen, ook de brandweer, moet zich onderwerpen aan het gezag van de bezetter. Veel materiaal wordt gevorderd. Ze moeten zich maar redden met hetgeen ze nog over hebben, verplichting om voorwerpen in koper in te leveren, verbod om te hulp te komen bij bepaalde branden die gunstig zijn voor de bezetter. Het materieel dat de brandweer nog over heeft, bestaat voornamelijk uit armpompen en voertuigen die door paarden worden getrokken.

 

Na de oorlog verandert er veel. Aangezien de bezetter bijna al het materieel heeft opgeëist, moeten de brandweerkorpsen zich opnieuw uitrusten.

 

Steeds meer brandweermannen worden in dienst genomen. De brandweer van Amsterdam, in Europa een primeur, neemt een commandowagen in dienst, voorzien van een radio-installatie. Vanaf dat moment kan men communiceren met de kazerne en de voertuigen.

 

Door de benzineschaarste moet men in WOII gebruik maken van trekkracht door de brandweermannen. Bron: Brandweer Amsterdam.

De Tweede Wereldoorlog

 

De Tweede Wereldoorlog betekent opnieuw een periode van ellende. Weer moet er bezuinigd worden, op benzine, materieel, water en voedsel. Het is zelfs zo erg dat gemotoriseerde voertuigen alleen bij heel grote branden kunnen worden ingezet. Voor de rest moeten ze het maar doen met trekwagentjes.

 

Na de oorlog wordt zo snel mogelijk gestart met de wederopbouw. De eerste jaren na de oorlog staan dan ook in het teken van de vernieuwing van het materieel. Nieuwe technieken ontwikkelen zich snel. Tegen het einde van de jaren vijftig doen de persluchtapparaten hun intrede. Ook bijzonder materieel, zoals schuim- en poederblussers en hogedrukautospuiten, worden langzamerhand een vertrouwd beeld in de kazernen. Ook de opleidingen van brandweerlieden worden strenger. De wetten op brandpreventie in gebouwen veranderen en het wordt de taak van de brandweer toe te kijken op nóg brandveiliger gebouwen.

 

Als voorbeeld van moderniseringen bij de brandweer nemen we als voorbeeld de modernisering van de brandweer van Winschoten.

 

Modernisering bij de brandweer van Winschoten

 

De ingebruikname van de Gemeentelijke Waterleiding en de totstandkoming van de 'Winschoter Telefoonmaatschappij' betekenen vanaf 1903 een belangrijke stap in de ontwikkeling van brandbestrijding alhier. Het gemeentebestuur, overtuigd van de grote waarde van een goed uitgeruste brandweer, is steeds bereid mee te werken het korps van de modernste hulpmiddelen te voorzien. Winschoten krijgt een Brandweer die voor de beste in den lande niet behoeft onder te doen en uitgerust is met middelen die het haar mogelijk maakt de grote vijand, het vuur, op doeltreffende wijze te bestrijden.

 

De modernisering van materiaal en alarmeringsysteem betekenen herziening van het uit 1823 daterende 'Reglement ter Voorkoming en Blussching van Brand'. In het nieuwe Brandweerreglement van 26 mei 1906 valt te lezen dat vanaf nu de Winschoter Brandweer bestaat uit: een Opperbrandmeester, Brandmeesters, een Hoofdman Haken en Ladders, Onderbrandmeesters, Opzichters, Sectiecommandanten, Brandwachten en Spuitgasten. Ieder met een eigen taak. Zij zijn allen voorzien van onderscheidingstekens die bij brand of oefening zichtbaar gedragen dienen te worden.

 

De Opperbrandmeester is herkenbaar aan een brede oranje-sjerp en lederen pet met gouden band met daarop de metalen letters 'B.W.'. De Brandmeesters dragen een brede witte-sjerp en lederen pet met zilveren band en letters 'B.W.'. Onderbrandmeesters en opzichters dragen de witte sjerp om hun middel, Sectiecommandanten een witte band met spuitnummer om de linkerarm, Brandwachts een lederen pet met blauwe band en de Spuitgasten om de linker arm een band met de letters 'B.W.' Alle mannelijke ingezeten vanaf 20 jaar kunnen tot Spuitgast of Brandwacht worden benoemd. Het personeel krijgt een jaarlijkse vergoeding en de spuitgasten ontvangen voor hun inzet f 0,25 voor het eerste uur en f 0,20 uur voor de volgende uren. De Brandwachten zijn uitsluitend voor de bediening van het blusmaterieel dat gebruikt wordt in verband met de 'Hoogdruk waterleiding'. Zij worden dan ook als 'Waterleiding-Brandweer' aangeduid.

 

Voor alarmering van het personeel krijgen de Hoofdbrandwachten een telefoontoestel met verbindingen in huis en de Onderbrandmeesters en Brandwachten een elektrische bel.

 

Ontvangt de Opperbrandmeester een Brandmelding, dan geeft hij direct kennis aan de Hoofdbrand-wacht wiens slangenwagen het dichtst bij de brand geplaatst is. De Brandwachten zorgen dan dat de slangenwagen ter plaatse komt waarna de spuitgasten hun werkzaamheden kunnen aanvangen al dan niet met gebruik van de waterleiding. De slangenwagens moeten met de hand worden voortgetrokken of met de paarden van stalhouderij Nieboer.

De slangenwagens zijn uitgerust met tenminste 120 meter slang diverse straalpijpen, fakkels, hamers, bijlen, touwen met haken, een ijzerbezem met kogel, ketting en kitshaak en een kannetje smeerolie. De Opperbrandmeester wordt altijd vergezeld door de bode. Hij verzorgt de administratie van de brandweer en heeft de zorg voor het onderhoud van de blusmaterieel.

 

Al het brandweerpersoneel met uitzondering van de spuitgasten leggen ten overstaan van het college van B&W de eed c.q. belofte af waarin zij beloven de opgedragen taak met nauwgezetheid en ijver te zullen uitvoeren. De burgers hebben uiteraard wel de plicht om de bevelen van de brandweercommandanten op te volgen, maar nergens in dit Reglement staat nog dat ze materialen en dergelijke beschikbaar moeten stellen. Aangezien de telefoon nog geen gemeengoed is, doet men toch een beroep op de particuliere bezitters om ingeval van brand hiervan gebruik te kunnen maken. In verschillende straten komen strookjes aan lantaarnpalen met opschrift 'Brandmelding perceel no… zoveel' Dat zijn vaste adressen waar je binnen kunt gaan om te bellen als er brand is.

 

Grotere steden maken een netwerk van openbare brandmelders die via ondergrondse kabels verbonden zijn met een telegraafkamer in een brandweerkazerne. Winschoten beschikt echter dan nog niet over een eigen brandweerkazerne zodat deze wijze van brandmelding nog niet mogelijk is.

 

Automatische brandmelder. Foto: 5 februari 2005. Bron: Wikipedia. Licentie: GNU Free Documentation License.

 

Bestrijding wordt steeds meer preventie

 

Steeds meer houdt de brandweer zich bezig met het voorkomen en blussen van branden, maar ze worden ook ingeschakeld voor verkeersongevallen, te water geraakte personen, bij instortingsgevaar en bijvoorbeeld bij stormschade. De brandweer haalt katten uit bomen, helpt ingesloten mensen, en noem maar op. Door alle veranderingen wordt de brandweer een bijna dagelijks beeld in onze samenleving en is dus niet meer weg te denken. Na een lange geschiedenis kunnen we nu toch spreken van degelijke, goed uitgeruste brandweerkorpsen. Brandweerlieden zijn en blijven mensen die mensen in nood helpen.

 

 

De tankautospuit is het werkpaard van de brandweer. Foto: 14 januari 2007. Bron: Wikipedia. Licentie: CC-BY-SA-2.5; Released under the GNU Free Documentation License.

 

 

Geschiedenisoverzicht

 

De geschiedenis van de brandweer

In de 16e eeuw zijn brandbestrijders met emmers en brandhaken nog kansloos. Met de komst van de handbrandspuit in de 17e eeuw kunnen branden bedwongen worden. De uitvinding van de stoombrandspuit en de motorbrandspuit geeft de brandweer nog veel meer bluskracht. Technische vernieuwingen en inzichten uit de praktijk veranderen de organisatie van de brandweer.

 

Tot 1650: Emmers, ladders en brandhaken

Vóór de uitvinding van de handbrandspuit bestrijdt men branden met leren emmers, ladders en brandhaken. Branden blussen lukt nauwelijks. De halfvolle emmers water die vanaf ladders over het vuur worden uitgegooid, hebben bijna geen effect. Brandbestrijding betekent vooral: voorkomen dat de brand overslaat op andere gebouwen, die meestal van hout zijn.

 

Brandspuit (links) en zuigpomp (rechts) van Jan van der Heyden. Zuigpomp en brandspuit met slangen van Jan van der Heyden gemaakt voor de stad Utrecht. Foto: 3 augustus 2010. Bron: Brandweermuseum Hellevoetsluis. Licentie: the Creative Commons Attribution 3.0 Unported.

 

 

Van 1650 tot 1860: Handbrandspuiten

De uitvinding van de handbrandspuit veroorzaakt een grote ommekeer bij de brandbestrijding. Eerst is er midden 17e eeuw de grote handbrandspuit van de Duitser Hautsch. De Amsterdamse uitvinder Jan van der Heijden komt eind 17e eeuw met een aantal sterk verbeterde versies. Voor de ontwikkeling van de brandweer is de uitvinding van de brandslang erg belangrijk. Hiermee kan de brandweer veel beter water op de brand spuiten met de verbeterde pomp die een ononderbroken straal water produceert. Met de kleine mobiele brandspuit van Van der Heijden kan men voor het eerst tamelijk effectief branden bestrijden.

 

Tot 1860: Brandbestrijding als burgerplicht

De brandbestrijding in steden is vanaf de middeleeuwen een plicht van burgers. Als er brand uitbreekt moeten alle mannen snel met emmers, brandhaken en ladders naar de brand komen. Dat verandert na de uitvinding van de handbrandspuit in de 17e eeuw. De uitvinding van de brandslag betekent een revolutie voor de brandbestrijding. Er zijn dan veel minder burgers nodig die emmers water doorgeven. De nadruk ligt dan op het snel in stelling brengen van de handbrandspuiten. Dat gebeurt onder leiding van brandmeesters. Die dragen opvallende lange gekleurde stokken. Daarmee geven ze het pomptempo aan en slaan ze hinderlijke omstanders weg.

 

Van 1860 tot nu: Stoombrandspuiten & motorbrandspuiten

De uitvinding van de stoommachine en daarna van de verbrandingsmotor geven de brandbestrijding nieuwe impulsen. In de tweede helft van de 19e eeuw worden de stoombrandspuiten nog door paarden naar de brand getrokken. In de 20e eeuw wordt de stoommachine vervangen door de verbrandingsmotor. Dankzij de stoombrandspuit en de motorbrandspuit kan de brandweer steeds grotere hoeveelheden water in een brand spuiten.

 

Van 1860 tot 1940: Gemeentebrandweer en innovaties

Vanaf het tweede deel van de 19e eeuw verandert de organisatie van de brandweer sterk, mede door de uitvinding van de stoombrandspuit, de motorbrandspuit en de aanleg van waterleidingen. Er is minder maar beter opgeleid personeel nodig dat sneller en makkelijker bij branden kan komen. De brandweer gebaseerd op burgerplicht wordt vervangen door de vrijwillige brandweer en in sommige gemeentes door een professioneel georganiseerde beroepsbrandweer. De gemeentes worden wettelijk verantwoordelijk voor de brandweer. Dat blijft zo tot de Tweede Wereldoorlog.

 

Van 1860 tot 1940: Gemeentebrandweer in Amsterdam

Nadat de vrijwillige brandweer van Amsterdam in 1871 hopeloos heeft gefaald bij een brand in het centrum grijpt de gemeente in. Amsterdam krijgt de eerste professionele brandweer van Nederland. De Amsterdamse beroepsbrandweer wordt een voorbeeld voor de rest van Nederland. Wandbord met uitrustingsstukken, conform 'Algemene dagorder No. 240' van de Amsterdamse brandweer uit 1903. Het sierbord is in 1926 door de Brandweer Amsterdam geschonken aan het 'Gezelschap Utrechts Brandweer', vanwege diens 75-jarig jubileum.

 

Van 1940 tot 1945: Brandweer in bezettingstijd

Tijdens de Tweede Wereldoorlog verandert er veel bij brandweer. De Duitse bezetter vindt dat de Nederlandse brandweer tijdens de Duitse invasie gefaald heeft, bijvoorbeeld bij het bombardement van Rotterdam. De Duitsers centraliseren de organisatie en reorganiseren de vrijwillige brandweerkorpsen tot een beroepsbrandweer. Die krijgt te maken met nieuwe soorten branden, incidenten en rampen die veroorzaakt worden de oorlog, zoals bombardementen.

 

Van 1945 tot nu: Van gemeentebrandweer tot veiligheidsregio

Na de bevrijding krijgen de gemeentes de brandweer weer onder hun hoede. Midden jaren zeventig begint men de gemeentebrandweer om te vormen in regionale korpsen . Doel is de onderlinge samenwerking te verbeteren bij het bestrijden van rampen en crises. Daarom gaat de brandweer ook samenwerken met de geneeskundige hulpverleningsdiensten in regionale veiligheidsregio's. Sinds 2010 zijn er in Nederland 25 van deze veiligheidsregio's (zie afbeelding hieronder).

 

 

 

 

Van midden 19e eeuw tot nu: Vrijwillige brandweer

De vrijwillige brandweer ontstaat in het midden van de 19e eeuw. Rotterdam krijgt al een vrijwilligerskorps in 1845. In Alkmaar richt de turnvereniging 'Kracht & Vlugheid' in 1879 een korps op. De brandspuiten zijn van de gemeente of soms ook van verenigingen of brandverzekeringsmaatschappijen. Om de gezellige kant en de saamhorigheid te stimuleren organiseren brandweerlieden zich in sport-, zang- en toneelverenigingen.

 

PIT Veiligheidsmuseum

De tentoonstelling is doorlopend te zien in PIT, hét museum voor politie, brandweer en ambulance. Ontdek het heden, verleden en de toekomst van veiligheid via een bijzondere collectie en interactieve games. Het museum is leuk voor jong en oud. Het museum is gevestigd aan het Schippersplein 4 te Almere.

 

 

Wat de brandweer o.a. gebruikt

 

Persoonlijke uitrusting

Alle brandweerlieden hebben hun eigen bluspak, helm, laarzen en handschoenen. Deze persoonlijke beschermingsmiddelen beschermen de brandweerlieden tegen hitte, kou en vallende/scherpe voorwerpen.

 

Brandweerman met ademluchttoestel, bij de linkerhand hangt een elektronische manometer met waarschuwingssignaal voor een lage druk in de cilinder (55 bar of lager) en een bewegingsmelder om te waarschuwen bij een ongeval waar een brandweerman bewusteloos raakt. Foto: 23 september 2004. Licentie: GNU Free Documentation License.

Ademluchtoestel

Een ademluchttoestel dragen brandweerlieden op hun rug. Het masker (gelaatstuk) bevestigen zij aan hun helm en vervolgens kunnen zij de lucht uit de fles inademen. Het ademluchttoestel beschermt hen tegen de hete en giftige rook die bij brand vrij komt. Met één ademluchtfles (cilinder) kan een brandweerman ongeveer 30 minuten ademen.

 

Zaklamp

In een brandend gebouw in het vaak erg donker door de rook. Daarnaast moet de brandweer ook 's nachts in actie komen. Daarom is er voor alle brandweerlieden een zaklamp beschikbaar.

 

Redvest

Als brandweerlieden langs de waterkant of op een boot moeten werken dragen zijn een redvest zodat ze niet verdrinken als ze per ongeluk in het water vallen. Het redvest heeft een speciale hittebestendige laag die het redvest beschermt tegen brand.

 

Portofoon

Met de portofoon kunnen brandweerlieden onderling praten. Ook kan de bevelvoerder via de portofoon met de meldkamer praten en om versterking vragen.

 

Warmtebeeldcamera

Steeds meer tankautospuiten zijn uitgerust met een warmtebeeldcamera. Deze speciale (en hele dure!) camera kan simpel gezegd 'door rook heen kijken'. Hierdoor kunnen brandweerlieden snel een eventueel slachtoffer of de brand vinden. Hoe lichter (of witter) het plekje op het beeld is, hoe heter. Hoe donkerder (of zwarter) het plekje is, hoe kouder. De gele en rode plekke zijn extra warm, hier zit het vuur.

 

Verkeersvest

Bij ongevallen op snelwegen dragen brandweerlieden een verkeersvest zodat hij beter zichtbaar zijn. Bij brand, bijvoorbeeld een autobrand, worden de verkeersvesten niet gedragen omdat deze niet bestand zijn tegen de vlammen.

 

EHBO koffer

Soms is de brandweer eerder aanwezig dan de ambulance. Als een slachtoffer dan gewond is, kunnen de brandweerlieden alvast een verband aanleggen om het bloeden te stoppen.

 

Opzetstuk

De tankautospuit heeft 1500 liter water bij zich. Als dat water op is, dan kan de brandweer het water uit een brandkraan halen. Hiervoor hebben zij een zogenaamd opzetstuk nodig dat wordt aangesloten op de brandkraan. Aan het opzetstuk kunnen vervolgens slangen worden gekoppeld.

 

Slangen

De brandweer maakt gebruik van twee soorten slangen, hoge druk slangen en lage druk slangen. De hogedrukslang is dun, 90 meter lang en zit opgerold op een haspel. Aan de andere kant van de tankautospuit zit nog een hoge druk slang. Deze heeft vaak een andere kleur (meestal zwart) om de twee slangen uit elkaar te houden. Het voordeel van hogedrukslangen is dat ze snel gebruikt kunnen worden. Meer dan 95% van de branden in Nederland wordt geblust met hoge druk.

 

Als de brand groter wordt en er is meer water nodig, dan worden lage druk slangen ingezet. Dit zijn vaak rode slangen. Deze zijn 20 meter lang en zijn 52 of 75 mm dik. Op een tankautospuit liggen wel 16 slangen van 75 mm dik en 12 slangen van 52 mm dik. De 75 mm slangen worden gebruikt om water te verplaatsen van bijvoorbeeld de brandkraan naar de tankautospuit en de 52 mm slangen worden gebruikt om daadwerkelijk te blussen. Door middel van de zilveren koppelingen kunnen de slangen aan elkaar bevestigd worden.

 

Straalpijp

Aan het einde van een slang zit een zogenaamd straalpijp bevestigd. Hiermee kan de brand geblust worden. Met de straalpijp kan de brandweerman het water aan en uit zetten en instellen wat voor soort waterstraal hij wil gebruiken. Hogedrukslangen en lagedrukslangen hebben verschillende straalpijpen.

 

Verdeelstuk

Met een verdeelstuk kan van één lage druk slang (75 mm) drie lage druk slangen gemaakt worden. Er liggen vaak twee verdeelstukken op een tankautospuit.

 

Waterkanon

Met een waterkanon kan met een enorme hoeveelheid water, 2000 lier per minuut, geblust worden. Ook kan met het waterkanon een watergordijn gevormd worden om bijvoorbeeld een gastank die vlakbij een brand staat af te schermen van het vuur.

 

Zuigbuis

Niet overal in Nederland zijn brandkranen aanwezig. Vooral buiten de bebouwde kom is dit het geval. Om daar aan water te komen gebruikt de brandweer zuigbuizen om water uit bijvoorbeeld een sloot of rivier te pompen.

 

Brandblusser

Ook op een brandweerauto vindt je brandblussers. Vaak heeft een tankautospuit drie verschillende soorten brandblussers aan boord, een schuimblusser, een poederblusser en een koolzuursneeuwblusser. Deze laatste wordt gebruikt voor het blussen van bijvoorbeeld elektrische apparaten. Water geleidt immers stroom waardoor brandweermensen een stroomstoot kunnen krijgen.

 

Ramoneur

Voor schoorsteenbranden beschikt de tankautospuit een ramoneur. Dit is een lange ketting met aan het einde metalen plaatjes. Deze laat men in de schoorsteenpijp zakken en haalt hem vervolgens al schuddend omhoog. Hierdoor wordt de brand geblust. Tegenwoordig wordt de ramoneur vaak op het redvoertuig geplaatst in plaats van de tankautospuit.

 

Meetapparatuur

De brandweer wordt ook regelmatig opgeroepen voor bijvoorbeeld gaslekkages. Omdat gas niet zichtbaar is kunnen ze met een meetapparaat meten hoeveel gas er aanwezig is. Op een tankautospuit vind je verschillende meetapparaten. Zo is er een explosiegevaarmeter die de concentratie van brandbaar gas in de lucht meet, een koolmonoxidemeter en een radioactiviteitsmeter aan boord van de tankautospuit. Steeds meer tankautospuiten zijn ook uitgerust met een zogenaamde H2S meter. Dit gas, waterstofsulfide of zwavelwaterstof, komt vooral voor bij boerenstallen met een gierkelder (mestkelder). Dit gas is levensgevaarlijk.

Hydraulische schaar gebruikt om een stijl van een auto door te knippen om het dak van de auto te kunnen verwijderen. Foto: september 2005. Auteur: Magnus Mertens. Licentie: Creative Commons Attribution-Share Alike 2.0 Germany.

 

Hydraulisch gereedschap

Met hydraulisch gereedschap kunnen bijvoorbeeld mensen uit hun auto bevrijd worden na een verkeersongeval. Dit gereedschap is zo sterk dat het door metalen heen kan knippen en scheuren. Met de hydraulische schaar kan geknipt worden en met de spreider kunnen onderdelen van een auto uit elkaar gedrukt worden om ruimte te creëren. Met de ram kan tot slotte het complete dashboard weggedrukt worden.

 

 

Ladder

De tankautospuit beschikt over een ladder zodat brandweerlieden bijvoorbeeld op een gebouw of in een boom kunnen klimmen. Vaak ligt er een grote driedelige ladder op de tankautospuit plus nog een klein laddertje.

 

Deurram

Soms zijn de bewoners van een brandende woning niet thuis. Als de brandweer dan toch snel naar binnen moet, dan kunnen zij de deur inrammen met een deurram.

 

Kettingzaag

De kettingzaag wordt vaak ingezet als bomen dreigen om te waaien of zijn omgewaaid en over de weg liggen. Hij kan echter ook gebruikt worden om een houten deur open te zagen of een wak in het ijs te zagen om aan water te komen als het vriest.

 

Chemicaliënpak

Als er gevaarlijke chemicaliën vrijkomen dan kunnen brandweerlieden zichzelf beschermen met een chemiepak. Dit pak is een bepaalde tijd bestand tegen deze chemicaliën. Tegenwoordig worden chemiepakken vuilwerkpakken genoemd.

 

ERIC kaartenboek

Er zijn duizenden verschillende chemicaliën op de wereld met allen hun eigen gevaren. Brandweerlieden kunnen al deze chemicaliën natuurlijk niet uit hun hoofd leren. In het ERIC kaartenboek staat per chemische stof wat de gevaren zijn. Zo kan de brandweer snel besluiten wat ze gaan doen.

 

Valbeveiliging

Dit harnas trekken brandweermensen aan als ze op hoogte gaan werken. Het harnas maken ze vast met een touw zodat ze niet naar beneden kunnen vallen.

 

Bouwlamp

In het donker kan de bouwlamp de plek van een ongeval verlichten.

 

Verrekijker

Met een verrekijker kan de bevelvoerder al of afstand van het incident zien wat er aan de hand is. Dit is vooral handig bij incidenten waarbij gevaarlijke stoffen vrij komen. Dan moet er namelijk vaak afstand bewaard worden.

 

Haakse slijper

Met een haakse slijper kan metaal en steen geslepen worden. Bijvoorbeeld handig om een hek open te slijpen als er brand achter is.

 

Reciprozaag

Met een reciprozaag kan hout en metaal gezaagd worden. Tegenwoordig wordt een reciprozaag ook steeds vaker ingezet om slachtoffer te bevrijden bij verkeersongevallen. Dit is soms nodig omdat de materialen waarvan auto's worden gemaakt steeds steviger worden en het hydraulische gereedschap er soms nauwelijks doorheen komt.

 

Een hefkussenset van de firma Vetter. Foto: oktober 2005. Licentie: Creative Commons Attribution-Share Alike 2.0 Germany.

Hefkussens

Op het hulpverleningsvoertuig liggen hefkussens. De kussens worden gevuld met lucht en kunnen hierdoor extreem zware lasten tot wel 50.000 kg optillen. Er kunnen ook meerdere kussens aan elkaar gekoppeld worden zodat er hoger getild kan worden.

 

Dommekracht

Ook dommekrachten vind je op het hulpverleningsvoertuig. Hiermee kunnen ook zware lasten tot 10.000 kg getild worden.

 

Generator

Met dit apparaat kan stroom gemaakt worden. Dat is handig als je midden in een bos staat en je wil daar bijvoorbeeld een lamp aanzetten of een elektrisch apparaat gebruiken.

 

Slangen Opgerold

Een brandweerauto heeft wel 32 slangen in de wagen. Deze slangen zijn op een speciale manier opgerold, zodat er tijdens een actie de brandslang snel uitgerold kan worden.

 

Koppeling

Elke slang is 20 meter lang en heeft aan elk uiteinde een speciale ring, ook wel koppeling genoemd. Als je het aantal slangen in de brandweerauto vermenigvuldigd met de lengte van één slang dan kom je uit op 640 meter. Dus als je alle brandweerslangen van één brandweerauto aan elkaar zou koppelen dan is dat 640 meter lang.

 

Handig

Weet je wat er handig is aan de koppelingen? Alle brandweerslangen in Nederland hebben dezelfde koppeling hierdoor kunnen alle slangen aan elkaar gekoppeld worden.

 

 

 

 

Bronnen:

Stichting Oud Brandweermateriaal Winschoten
Nationaal brandweermuseum, Hellevoetsluis
Pitveiligheid.nl
HetBrandweerMagazijn.nl
Kluisbergen.net
Brandweer.nl


 

 

Deze pagina maakt deel uit van www.nazatendevries.nl.
Aan bovenstaande tekst is de uiterste zorgvuldigheid besteed. Desondanks kunnen er best fouten voorkomen.
Constateer je fouten en/of heb je vragen, correcties, aanvullingen...geef die dan even aan mij door via mijn E-mail adres.
Laat ook eens een bericht achter in het Gastenboek.
Hoogeveen, 17 augustus 2020.
Samenstelling: © Harm Hillinga
.
Menu Artikelen.
Terug naar de HomePage.
Top