Deze bedstede met vier kinderen bevindt zich dus duidelijk in de schuur, waar ook de dieren hun onderkomst hebben en waar de oudste juist bezig is het schaap te verzorgen. Deze woning voldoet beslist niet aan de Woningwet van 1901 en desondanks dateert deze foto van rond 1914.... Bron: RHC GA, Groninger Archieven, Beeldbank Groningen.

 

De Woningwet van 1901

 

De woning van Albert Nuus aan de Groeveweg. Foto: ©J.P. Koers, Scheemda.
De woning van Albert Nuus aan de Groeveweg. Foto: ©J.P. Koers, Scheemda.
Woning van H. Elderman aan de Groeveweg. Foto: ©J.P. Koers, Scheemda.

Woning van H. Elderman aan de Groeveweg. Foto: ©J.P. Koers, Scheemda.

Woning van Hero Dammer aan de Groeveweg. Foto: ©J.P. Koers, Scheemda.
Woning van Hero Dammer aan de Groeveweg. Foto: ©J.P. Koers, Scheemda.
Woningen aan de Groeveweg. V.l.n.r. Steven en Fennegien Werkman -Bamberg, Geert Werkman, Marie en Geert Nuis. Foto: ©J.P. Koers, Scheemda.
Woningen aan de Groeveweg. V.l.n.r. Steven en Fennegien Werkman -Bamberg, Geert Werkman, Marie en Geert Nuis. Foto: ©J.P. Koers, Scheemda.

 

Meerland

In 1840 omvat de buurtschap Meerland 31 huizen met 176 inwoners onder dorp en gemeente Finsterwolde, en 18 huizen met 101 inwoners onder dorp Oostwold, gemeente Midwolda. Tegenwoordig omvat de buurtschap nog ca. 60 huizen, waarvan drie aan de noordzijde van de Groeveweg, met ca. 150 inwoners. Aan die kant ligt ook nog een klein stukje Groeveweg, dat nog nét onder Oostwold valt. Direct ten westen ervan is de grens met Midwolda. De kommen en komborden van genoemde kernen grenzen daar aan elkaar. Het tussengelegen, voor het Oldambtmeer weggegraven deel is overigens vrijwel onbewoond. De buurtschap ligt verder rond de wegen Rietlaan, Groenelaan, Clingeweg, Zuiderringdijk en de westzijde van het deel van de Nieuweweg tussen het Oldambtmeer en het kruispunt met de Zuiderringdijk. Het overgrote deel van de buurtschap ligt in de het zuidelijke deel van de enclave van Oostwold: de hiervóór bedoelde delen van het Oldambtmeer maken namelijk deel uit van dorpsgebied van Blauwestad  ten zuiden en zuidoosten van de dorpskern van Oostwold.

 

Er is geen school meer en de middenstand is geheel verdwenen. In die artikel kijken we terug in het verleden in Midwolda en Meerland, in een tijd van veenafgraving en armoede rond 1900. In de buurt heeft ook een buurtschap Hongerige Wolf gelegen, niet te verwarren met Hongerige Wolf bij Ganzedijk.

 

De Woningwet van 1901

De Woningwet van 1901 heeft grote invloed gehad op het bouwen en wonen in ons land. Regels omtrent de nieuwbouw van woningen, het maken van bestemmin plannen, het onbewoonbaar verklaren van slechte huizen en het realiseren van door de overheid gesubsidieerde woningbouw wordt allemaal in deze wet geregeld. De Woningwet wordt dan ook wel de ‘moeder’ van alle wetgeving op het terrein van de volkshuisvesting genoemd.

Er is een tijd geweest dat er nauwelijks regels bestaan voor de bouw van woningen. Heel lang wordt er met eenvoudige materialen gebouwd volgens de geldende traditie. Veel eisen worden er niet gesteld, de meeste mensen wonen in kleine woningen met een bescheiden woonvertrek met open vuur, bedsteden achter het beddenschot in de kamer en een grote schuur voor de opslag van turf en voedsel voor mens en dier.
Voor het arme deel van de bevolking geldt geen enkele traditie. Deze vaak kinderrijke gezinnen moeten zich behelpen met de kleinste en slechtste woningen van bij elkaar gezochte bouwmaterialen, met hutten, vochtige kelderwoningen of éénkamerwoningen. Rook, slechte lucht en vervuild drinkwater zijn een veelvoorkomend verschijnsel, zodat er voortdurend ziekten heersen.

 

In dit artikel willen we kijken naar de woonomstandigheden van de allerarmsten, namelijk de bewoners van het Meerland en Niesoord (de Niesoordlaan te Midwolda herinnert hier nog aan). De afgelegen gehuchten worden zo’n honderd jaar geleden bevolkt door arme arbeiders, die dikwijls in erbarmelijke onderkomens, ja zelfs in plaggenhutten, wonen. Vooral voor deze mensen betekent de Woningwet uiteindelijk een verbetering van de huisvesting.

 

De Woningwet van 1901 bevat drie hoofdpunten: de gemeenten zijn verplicht een bouwverordening vast te stellen, men kan plannen maken voor stadsontwikkeling en er wordt vanwege het Rijk geld beschikbaar gesteld voor woningverbetering.

 

Voor ons is alleen het eerste punt van belang, het toezicht op de huisvesting, want niet alleen nieuw te bouwen huizen moeten aan de nieuwe regels voldoen, ook de bestaande huizen dienen op termijn te beantwoorden aan gestelde eisen in de Woningwet.

 

Natuurlijk is het onmogelijk de kwaliteit van de vele bedompte, vochtige en rokerige arbeiderswoningen meteen naar een hoger plan te brengen, maar de wet biedt nu instrumenten om de er misstanden aan te pakken. Bewoners kunnen gedwongen worden hun huizen te verbeteren en bij nalatigheid kan de overheid de krotten laten ontruimen en wordt in afwachting daarvan boven de deur het welbekende bordje 'Onbewoonbaar verklaarde woning' opgehangen. Dat de woningwet voor de gemeenten nogal wat werk met zich meebrengt is begrijpelijk.

 

Onderzoek in probleemgebieden

Allereerst is het zaak er achter te komen hoe het met de woningen is gesteld. Er zijn in Midwolda twee probleemgebieden, namelijk het Meerland onder Oostwold en de streek Niesoord[1] onder Midwolda. Daar, ver van de bewoonde wereld, in het ontginningsgebied van de hoge venen van de Ennemaborg zijn de allerarmsten neergestreken. Het zijn hoofdzakelijk dagloners en turfgravers, die daar met hun kinderrijke gezinnen in hutten of zeer slechte huizen wonen.


In Meerland is het niet anders. Vooral het nu verdwenen streekje 'Hongerige Wolf' wordt bewoond door de armste mensen, die genoegen moeten nemen met een plekje op de zompige bodem van het drooggelegde meer, het Huningameer. De Groeveweg, de kilometerslange veenweg naar de bewoonde wereld van Midwolda en Oostwold, is onverhard en wordt het grootste deel van het jaar omschreven als een modderweg.

 

 

Voorzieningen zijn er niet, een schooltje wordt pas in 1894 gesticht en sanitair en de drinkwatervoorziening zijn allerbedroevendst. Het is zeer de vraag of de brave burger uit Midwolda of Oostwold wel op de hoogte is van deze schrijnende woonomstandigheden in beide gehuchten. Wie de woonomstandigheden wel scherp in de gaten houdt, is de regionale 'Gezondheidscommissie'. De commissie, waarin een aantal doktoren uit de omtrek zitting hebben, bestrijkt de gemeenten Winschoten, Beerta, Nieuweschans, Finsterwolde, Midwolda, Scheemda, Noordbroek en Oude Pekela en dient te waken voor het uitbreken van allerlei ziekten. Jaarlijks krijgt de commissie te maken met het uitbreken van difterie en tyfus, veroorzaakt door slecht drinkwater en onhygiënische woonomstandigheden. Bij de uitvoering van de Woningwet van 1901 krijgt de Gezondheidscommissie dan ook een belangrijk aandeel.

 

Woningonderzoek

In februari 1903 wordt een begin gemaakt met een grootschalig woningonderzoek, zoals in de Woningwet is bepaald. Iedere woning met drie of minder vertrekken dient aan een onderzoek te worden onderworpen en de bevindingen kunnen op een voorgedrukt formulier worden genoteerd. In juli deelt de burgemeester de gezondheidscommissie mee, dat in de gemeente Midwolda 749 woningen voor onderzoek in aanmerking komen en dat de 'opzichter der gemeentelijke gebouwen', C. Tonkens is aangewezen om het onderzoek te doen.

 

Nog in het najaar van 1903 bezoekt Tonkens alle woningen en noteert met vlijt de namen van de eigenaar, het aantal bewoners, het aantal woonvertrekken en de afmetingen van de vertrekken. Voorts het aantal en de grootte van de ramen, de ligging van de vloer ten opzichte van het maaiveld, of de vloer in het woonvertrek uit hout of steen bestaat, het aantal bedsteden en de verdeling van de slaapplaatsen, de aanwezigheid van een privaat, de watervoorziening, afvoergoten en mestvaalten en tot slot de staat van zindelijkheid en onderhoud.

 

Tonkens zal bij zijn rondgang wel heel wat ellende onder ogen hebben gekregen, zoals de bewaarde formulieren nog laten zien. Natuurlijk komen overal in beide dorpen krotwoningen voor waar grote gezinnen samenleven met varkens, schapen en geiten, maar de huizen aan de modderweg in Meerland spannen toch wel de kroon.

 

 

Onmogelijke situaties

Op nummer 280 woont daar dagloner Jurjen Boelman met zijn vrouw Attje Nuis. In het woonvertrek van 3.75 x 3.50 meter met een open vuur en een stenen vloer, woont het gezin van acht personen en als slaapplaats zijn er ‘achter het beschot’ drie bedsteden afgetimmerd. Het echtpaar slaapt in de ene kamer, de zoons van 14 en 17 in de andere en de zoon van 7 slaapt in de derde bedstee samen met zijn zusjes van 10 en 4. Voor de drie maanden oude baby staat er in de kamer een wieg.

 

Het privaat is buiten op het erf en bestaat uit een gat in de grond. Een regenbak of waterput ontbreekt: het water wordt van de buurvrouw gehaald en in een houten vat opgeslagen…

 

Nader onderzoek in het gemeentearchief leert, dat er in het kleine huisje in totaal twaalf kinderen zijn grootgebracht, waarvan de oudsten in 1903 kennelijk al zijn uitbesteed.

 

Ze moeten immers plaats maken voor de nieuwelingen. De geschetste situatie is aan de Groeveweg en aan de Hongerige Wolf schering en inslag.


Op 280a woont in een huurhuisje Geert Kiewiet met zijn vrouw en twee vrijgezelle kinderen van 19 en 26 jaar, op 281 Bartelt Smidt met vrouw en vier kinderen en op 282 woont Jan Mulder met vrouw en vier dochters. Het echtpaar slaapt samen met de kinderen van 2 en een half jaar in één bedstee.


Evenals de buren hebben ze als privaat 'een gat in de grond, terwijl een waterput of regenbak ontbreekt. Verder komen we tegen Berend de Gries en z’n gezin, Pieter Gremmer met vrouw en kinderen en verder de bejaarde Lammert Ploeger met z’n vrouw die een 'slechten laag gebouwtje' bewonen waarvan het woonvertrek een vloer heeft van bakstenen.

 

De stokoude woning van Abraham Werkman en Ettje Nap, Groeveweg. V.l.n.r. Abraham, Ettje en zoon Okko. Foto: ©J.P. Koers, Scheemda.

De stokoude woning van Abraham Werkman en Ettje Nap, Groeveweg. V.l.n.r. Abraham, Ettje en zoon Okko. Foto: ©J.P. Koers, Scheemda.

 

Vocht, stank en smerig drinkwater

Op 285a woont Lodewijk Nuus en daarnaast Eildert Nuus met z’n gezin. Geert Werkman, Berend Ploeger, Hendrik Bolhuis, Simon Adam en de weduwe Haijo Meulman, bij allen ontbreekt het aan de nodige voorzieningen. De laatst genoemde weduwe van 73 bewoont een onderkomen, dat door Tonkens wordt omschreven als zeer slecht. De vloer van het woonvertrek bestaat uit 'brokken steen', en het is door de droevige toestand van het dak een zeer vochtige omgeving.

 

Het huisje van broer en zus Willem en Jantje Staats, een voorgevel met bij elkaar gezochte ramen. Foto: ©J.P. Koers, Scheemda.

Het huisje van broer en zus Willem en Jantje Staats, een voorgevel met bij elkaar gezochte ramen. Foto: ©J.P. Koers, Scheemda.

 

Op 292 woont de 82-jarige weduwe van Jacob Aukes in een zeer slechte woning. De vloer is weliswaar van hout, maar Tonkens meet in het kamertje een hoogte van slechts 1.89 m. Dagloner Alko Zwik bewoont huis 296. De man is weduwnaar geworden en blijft achter met zeven kinderen, waarvan de jonste bijna twee jaar is. Hun onderkomen is ronduit slecht. Het gezin leeft in een vertrek van 3.90 x 3.85 waarin twee bedsteden zijn getimmerd. Tonkens noteert dat de vader en z’n drie zoons van 15, 5 en 2 in de ene slapen en de vier dochter in de andere. De vloer in het woonvertrek bestaat uit 'brokken steen'. Het privaat is 'een stuk buiten ’t huis', terwijl men 'erg geel' water betrek uit een put van twijfelachtige aard.

 

Het huisje van Willem Alberda in het veen te Niesoord. Foto: ©J.P. Koers, Scheemda.

Het huisje van Willem Alberda in het veen te Niesoord. Foto: ©J.P. Koers, Scheemda.

 

Verderop op nummer 300 bewoont het zeskoppige gezin van Heiko Kiewiet een woning die Tonkens kwalificeert als een 'slecht oud gebouwtje' met een stenen vloer en een zolderhoogte van krap aan 1.72 M. Het privaat bestaat uit een 'gat in de grond' buiten het huis, terwijl er geen enkele eigen watervoorziening is.


Stoffer Oosterhuis bewoont met vrouw en acht zoons van 1 ½, 3,5,6,7,9,10 en 11 jaar oud woning 308a, dat als een zeer slecht onderkomen wordt omschreven. Het gezin woont in een vertrek van 3.60 x 3.60 meter voorzien van een stenen vloer. Alles slaapt in twee kleine bedsteden, maar vraag niet hoe. De ouders met de twee kleinste kinderen gebruiken de ene, terwijl de andere zes zoons, 'drie bij drie', een slaapplaats in de andere vinden…

 

Niesoord

De streek Niesoord strekt zich destijds uit vanaf de hoofdweg in Midwolda naar het zuiden, diep het hoogveen in van de Ennemaborg. Het gehucht wordt voornamelijk bewoond door dagloners en turfgravers, die met hun gezinnen neerstrijken in het hoogveen. Sommigen hebben kleine stenen woningen, maar in de 19e eeuw staan er ook nog plaggenhutten. Van lieverlee wordt het hoogveen rondom weg gegraven. Ook op het eigen erf, rondom de woningen beginnen de bewoners, tegen de regels in, turf te steken zodat de huizen en hutten uiteindelijk op kleine heuveltjes komen te staan. Tegen de regels in, want het betreffende hoogveen behoort aan de gemeente Midwolda.

In 1905, als het hoogveen in de directe omgeving rond wordt afgegraven, wonen op het achterste deel zo’n 31 gezinnen. Van enkele bewoners weten we hoe ze gehuisvest zijn,  Willem Alberda, Albert Oudekerk, Hendrik Snoek, de weduwe Jurjen Feiken en IJsbrand Feikens bewonen nieuwe huizen.

 

Woning van Brinkman aan de Zuiderweg (Kikkerpolder) met een mooie regenbak. Foto: ©J.P. Koers, Scheemda.

Woning van Brinkman aan de Zuiderweg (Kikkerpolder) met een mooie regenbak. Foto: ©J.P. Koers, Scheemda.


Jantje Meijer en Hendrik Westermolen bewonen oude woningen, terwijl Jan Boven, Hendrik Boven sr., Hendrik Boven jr. en Harm Koers nog gehuisvest zijn in oude hutten… Alle percelen zijn gehuurd van de gemeente en we zullen later zien, dat deze hutten en krotten in 1909 en 1910 door de gemeente als eersten worden ontruimd.

In ’t Veen, zoals de Midwolders Niesoord aanduiden, komen we verder nog de volgende bewoners tegen. G. Sportel, Koert en Hindrik Oudekerk, W. Veld, Geert Boelman, Geert Baas, U. Hagenus, Hindrik Bodde, B. Keizer, K. Waalkens, H. Feiken, G. Haijer, H. Kiel , J van Dijk en verder Hilko Koetje, B. Stek, Lodewijk Mulder en H. Gremmer. De genoemde Jurjen en IJsbrand Feiken bewonen de laatste twee percelen nabij de Hoofdwijk.

 

Invoering bouwbesluit 1905

Als gevolg van de invoering van de Woningwet worden de gemeentebesturen verplicht een bouwverordening op te stellen, waarin alle eisen met betrekking van de volkshuisvesting moeten worden opgenomen. Niet alleen aan technische zaken als de fundatie, de brandveiligheid en de constructie van muren en dak worden in het vervolg eisen gesteld, ook de minimale eisen betreffende de volksgezondheid krijgen een plaats in de bouwverordening. Zo wordt onder meer de minimale grootte van een woning vastgesteld, het oppervlak van het woonvertrek, de wijze van bevloering, de hoogte van het vertrek, de inrichting van de bedsteden, de privaten, de afvoer van afvalwater, waterputten en de mestvaalten.

 

Niet alleen in Midwolda, ook in Scheemda zwoegen de bestuurders met de invoering van het bouwbesluit. is de inventarisatie van de woningen in Midwolda al in 1903 afgesloten, in Scheemda moet het onderzoek in juli 1904 nog beginnen.

 

Ook aan de Hoofdweg in Midwolda (Westeind) hebben oude huizen gestaan van allerlei slag waarin grote gezinnen hebben gewoond. Foto: ©J.P. Koers, Scheemda.

Ook aan de Hoofdweg in Midwolda (Westeind) hebben oude huizen gestaan van allerlei slag waarin grote gezinnen hebben gewoond. Foto: ©J.P. Koers, Scheemda.

 

Maar een jaar later ligt ook daar het bouwbesluit op tafel en geeft Gedeputeerde Staten na enige wijzigingen haar goedkeuring. B. en W. van Scheemda hebben zich niet van hun moeilijkste kan laten zien. Het college heeft een grote bevoegdheid ingebouwd tot het verlenen van dispensatie 'van al te knellende bepalingen'. Immers, men leeft in Scheemda niet in een stad, 'maar op het vrije en frissche land', aldus de burgermeester.

 

In Midwolda wordt het bouwbesluit na en aantal wijzigingen op 28 juli 1905 door Gedeputeerde Staten van Groningen goedgekeurd. Het besluit bevat maar liefst 83 artikelen. Nieuw is, dat van elke woning een tekening van plattegrond en doorsnede moet worden aangeleverd met gegevens over de bouwplek, het oppervlak van de woning, het hoogtepeil van de vloeren, het aantal vertrekken, de fundering, de dikte van de muren en de constructie van het dak. Verder de plaats van het privaat, de watervoorziening en de bedsteden. Alle eisen voor het te bouwen nieuwe huis kan de 'timmerbaas' in het vervolg uit het bouwbesluit halen.

 

Meerland staat in die tijd in de wintermaanden vaak blank. Foto: ©J.P. Koers, Scheemda.
Meerland staat in die tijd in de wintermaanden vaak blank. Foto: ©J.P. Koers, Scheemda.

In het besluit treffen we de volgende regels aan: het woonvertrek moet minstens een oppervlakte hebben van 14 m2 en elke woning dient een aan- of ingebouwd privaat te hebben met een bodem en wanden van steen en voorzien van een deur… Stenen vloeren worden verboden: in de woonvertrekken moeten houten vloeren aanwezig zijn met daaronder voldoende ruimte en gaten in de muur om de luchtcirculatie te bevorderen.
Schrobgaten, ’t geutgat, in de muur en open goten voor de afvoer van afvalwater naar de sloot worden zoveel mogelijk verboden.

 

Elk woonvertrek dient voorzien te zijn van minstens twee ramen met een lichtinval van 1/6 van het vloeroppervlak, die bovendien opengeschoven moeten kunnen worden. De muren van de bedstee dienen gepleisterd te zijn en aan de onderzijde met houten schotten te worden voorzien. Stapelbedden zijn niet toegestaan. In iedere woning dient op elke drie bewoners, ouder dan 2 jaar een bedstee te zijn. Jongens en meisjes, ouder dan twaalf jaar, dienen ‘behoorlijk afgescheiden verschillende slaapplaatsen te hebben. De bedsteden mogen niet in stallen worden afgetimmerd en ook niet tegen stalmuren aan, mits er een houten schot tussen slaapplaats en muur wordt geplaatst.

 

Tot slot vinden we in artikel 57 een bepaling betreffende de kookpoten , de grote gietijzeren potten die veel mensen op het erf hebben staan voor het koken van varkensvoer en het uitkoken van de is. De pot moet worden geplaatst in 'een ijzeren, steenen of andere brandvrije beschutting…'.


Met het in juli 1905 afgekondigde bouwbesluit gaat men de schrijnendste gevallen te lijf. En dat de eerste pijlen worden gericht op de krotten aan de Hongerige Wolf ligt voor de hand.

 

Acties tot woningverbetering
Meteen in 1905 worden de eerste maatregelen genomen. In de gemeente worden de sloten en goten geschoond en enkele dammen voorzien van nieuwe buizen voor een goede waterafvoer. Volgens de burgemeester heeft die maatregel in Oostwold goede gevolgen, omdat bij een aantal huizen de aardappelkelders onder bedsteden, die voorheen vol water hebben gestaan, nu droog blijven… Verder krijgt een aantal bewoners opdracht hun mesthopen te verplaatsen, omdat ze te dicht bij de woning of de waterput zijn gelegen en zo het drinkwater vervuilen.

 

Er hebben in Meerland eerder nogal veel huzen gestaan. Op deze kaart is elk zwart blokje een woning. Ook de school aan de Buiten Meerlandsche Weg staat op deze kaart aangegeven.
Er hebben in Meerland eerder nogal veel huzen gestaan. Op deze kaart is elk zwart blokje een woning. Ook de school aan de Buiten Meerlandsche Weg staat op deze kaart aangegeven.

Met het aanpakken van de eerste krotwoningen wordt in 1906 een begin gemaakt. Neem bijvoorbeeld woning 52, waarin de gezinnen wonen van Aalf Tuin en Filippus Hassing. Het huis, waarin eigenlijk vier gezinnen kunnen wonen, is eigendom van Engel de Jong uit Oostwold. Tonkens noteert bij zijn bezoek een groot aantal mankementen. Beide woningen hebben nog een stenen vloer, hebben ondeugdelijke privaten en te weinig slaapplaatsen. Kennelijk slapen er ook kinderen in de schuur, want er wordt opdracht gegeven in de bergplaats waar turf enz., is gelegen, eene behoorlijk slaapgelegenheid aan te brengen.

 

Nu zal Aalf Tuin het zelf ook niet al te nauw hebben genomen, want in juli 1906 heeft de gezondheidscommissie al grote kritiek geuit op de huishouding en gelast de burgemeester de bewoner om het huis binnen twee weken te reinigen en wordt hem verboden nog langer varkens, schapen en geiten in de woning te houden…

Fillipus Hassing bewoont het achterdeel van de woning. De kamer meet 3.25 x 3.30, de vloer bestaat uit bakstenen en de zolder komt bijkans naar beneden. In het onderkomen woont het gezin van elf personen, vader, moeder met een pasgeboren zoontje en de kinderen van 2, 4, 6, 8, 10, 12, 17 en 21 jaar, waarvan drie jongens ergens in de schuur slapen. Op last van de burgermeester dienen vloer en zolder te worden verbeterd en moeten er in de schuur één of zo nodig twee goede slaapplaatsen worden afgetimmerd. Ten slotte geeft de burgemeester opdracht de mestvaalt, die meteen aan de woning ligt, minstens tien meter te verplaatsen.


Ofschoon de eigenaar van het krot herhaaldelijk wordt gelast de verbeteringen tot stand te brengen, blijft alles bij het oude en ziet het college geen andere weg dan bij raadsbesluit van 8 oktober 1906 beide woningen als onbewoonbaar te verklaren en binnen zes maanden te laten ontruimen.

 

Ook op de huurwoning waarin het gezin van Derk Jan Loer woont heeft Tonkens veel aan te merken. Het dak lekt op vele plaatsen en van een privaat is geen sprake. Vooral de bedsteden zijn een bron van verontreiniging, omdat ze zijn afgetimmerd tegen de binnenmuur waarachter zich de koestal van Elzo Nieuwold bevindt. De gehele muur is doordrongen van get optrekken van vocht uit de stal. Bovendien, zo concludeer Tonkens, staat de achtergevel op instorten. Eigenaar van de dubbele woning, A. de Graaf uit Midwolda, laat de woning echter meteen verbeteren, zodat het college de woning op 8 oktober 1906 goedkeurt voor bewoning.

 

Krotontruiming

Niet altijd is er een eensluidende visie over de vraag of een woning nu wel of niet onbewoonbaar is. Neem de woning 361, bewoond door de gezinnen van H. van der Laan en F. Duut. De Gezondheidscommissie oordeelt na inspectie dat ze niet meer voldoet aan de eisen van de woningwet. Het gemeentebestuur is van mening dat enig herstelwerk beide woningen kan afhouden van het predikaat onbewoonbaar en met een ellenlange brief probeert men in september 1906 Gedeputeerde Staten te overtuigen de woningen niet als krot aan te merken.

De dubbele woning maakt, aldus het schrijven, deel uit van een gebouw in de kom van het dorp en is eigendom van timmerman W. de Wit uit Midwolda.


Het drooggelegde Huningameer, nog zonder bewoning. ca 1800. Bron: RHC GA, Groninger Archieven, Beeldbank Groningen.
Het drooggelegde Huningameer, nog zonder bewoning. ca 1800. Bron: RHC GA, Groninger Archieven, Beeldbank Groningen.

Het oostelijk deel, bewoond door het gezin van Fokko Duut, heeft een kamer met een oppervlakte van bijna 19 m2, vier ramen en een gave houten vloer, deels van eiken en deels van grenen en voldoet daarin aan de bouwvoorschriften. De wanden zijn voorzien van behang, terwijl zolder en beschot zijn geverfd. Het vertrek wordt bewoond door een echtpaar met een kind 'en alles ziet er net en zindelijk uit en maakt op den bezoeker een goeden indruk'. Schamper laat de burgemeester weten dat, als de commissie deze woning tot onbewoonbare woning wil verklaren, er wel meer dan 100 woningen in de gemeente in aanmerking zouden komen voor ontruiming. 

 

Natuurlijk, men erkent dat het westelijk deel van het huis niet in al te beste staat is. De kamer is klein, de vloer van baksteen en de schuur meet slechts 7m2. Bovendien is er geen schuurdeur, zodat alles via de voordeur in huis moet worden gebracht en laat de netheid van het vijfkoppige gezin te wensen over.


Kort voor de jaarwisseling 1910 krijgt de gemeente antwoord van Gedeputeerde Staten, die nogmaals de slechte toestand van de woningen onder de aandacht brengt. Immers, bijna alle muren verkeren in een zeer slechte staat en ofschoon de oostgevel enige scheuren vertoont, is die nog redelijk. Van de rest is de constructie onvoldoende door ernstige verwaarlozing en voor wat de bedsteden betreft, zijn ze klam en vochtig door de natte muren en de kuilen daaronder. De inspecteur heeft geconstateerd, 'dat zich in de muren van de bedsteden eenige grote scheuren bevinden, op enkele plaatsen zelfs met hooi dichtgestopt'.

 

De gemeente spreekt van herstel? De muren zijn zo onstabiel dat alle herstelwerk zinloos is en de opmerking, dat er wel honderd woningen in aanmerking komen voor afbraak, is in wezen juist. De woningtoestand in Midwolda laat, aldus Gedeputeerde Staten 'zeer veel te wenschen over', maar er zal een begin gemaakt moeten worden met een woning als deze, die tot de allerslechtste in de gemeente behoort, met woorden van die strekking besluit Gedeputeerde Staten de brief.


Tot slot geeft Gedeputeerde Staten de opdracht de woning van het gezin Van der Laan voor 1 mei 1907 te doen ontruimen.

 

Andere woningen geven minder problemen. In 1906 worden de woningen 153, bewoond door Jan Musch en 316a, bewoond door de weduwe Werkman onbewoonbaar verklaard en krijgen de bewoners een ontruimingsbevel. Als ze daaraan op 6 mei 1907 nog geen gevolg hebben gegeven begeeft gemeenteveldwachter Engel van der Broek zich naar de woningen om ze onverwijld te sluiten.

 

Deze woning is al conform de Woningwet van 1901 gebouwd. De foto is van een meer recente datum. Let maar eens op de brievenbus die aan de gevel is bevestigd en de ijzeren kast rechts voor telefonie e.d. Foto: ©J.P. Koers, Scheemda.

Deze woning is al conform de Woningwet van 1901 gebouwd. De foto is van een meer recente datum. Let maar eens op de brievenbus die aan de gevel is bevestigd en de ijzeren kast rechts voor telefonie e.d. Foto: ©J.P. Koers, Scheemda.

 

Een woning gebouwd volgens de voorschriften van de Woningwet van 1901. Bron: RHC GA, Groninger Archieven, Beeldbank Groningen.

Een woning gebouwd volgens de voorschriften van de Woningwet van 1901. Bron: RHC GA, Groninger Archieven, Beeldbank Groningen.

 

Bij raadsbesluit van 10 februari 1908 volgen de woningen, bewoond de gezinnen van Hindrik Duitscher, Willem Fransen, Hendrik Smidt, en Johannes Winters. En in 1909 de woningen van J. Topelen, Philippus Smit en van H. Van Dijk. Vrijwel in alle gevallen gaat het om huurwoningen, die zo slecht zijn, dat van enige vorm van herstel geen heil wordt verwacht.

 

Bij raadsbesluit van 17 mei 1910 volgen de woningen van de erven H. Werkman te Meerland en van M. Mennen en later dat jaar de woningen van Jan Meijer te Niesoord, van H. Westermolen te Niesoord, van H. Klop sr. en een woning te Meerland dat eigendom is van W. Levering en C. Nuis.

 

In 1908 wordt aan 187 woningeigenaren een schrijven gericht met de vraag of ze de vereiste verbeteringen willen aanbrengen, of dat ze er voorkeur aan geven de bewoning te staken.

 

Eind 1908 is aan 57 woningen nog niets verbeterd en besluit het college opnieuw tot een oproep om voor 30 juli 1909 de woningen te verbeteren en de laatste weigeraars krijgen eind 1909 nog eens een aanmaning. Als ook de laatste overstag gaan, meldt de burgemeester dat begin 1910 alle 187 woningen in bewoonbare staat zijn gebracht.

 

Onderzoek naar putwater in Meerland

Bij de inspectie van de woningen door gemeenteaannemer C. Tonkens in 1903, blijkt al de slechte drinkwaterkwaliteit van de woningen in Meerland. Haast tegelijk tijdig met dat onderzoek, trekt de Gezondheidscommissie aan de bel wegens een explosieve stijging van het aantal tyfuslijders in Meerland.
Jaarlijks noteert de Gezondheidscommissie wel gevallen van tyfus, gemiddeld zo’n vijf keer per jaar, maar in 1902 zijn er in Midwolda 21 gevallen, waarvan 14 in Meerland. In het eerste kwartaal van 1903 zijn het er al 10, waarvan 5 in Meerland en dat is verontrustend.

 

Is deze toename misschien een gevolg van het putwater dat wordt gebruikt, zo vragen de bestuurders zich af? En dus geeft men de heren Mensinga en Dijkhuis de opdracht tot een nauwgezet onderzoek. Van dit onderzoek is een zeer schrijnend rapport bewaard gebleven, waaruit blijkt dat de onderzoekscommissie zeer grondig en met grote betrokkenheid te werk is gegaan.

 

Vrijdag, den 24 april 1903, des namiddags ongeveer ten half twee ure zijn de beide ondergetekeenden benevens C. Tonkens, opzichter der gemeentegebouwen en werken naar Meerland geweest en hebben aldaar een uitgebreid onderzoek ingesteld, zo begint het rapport. De eerste welwaterput, die wij hebben onderzocht is bij het huis van H. Staats. Genoemde put is 7 meter vanaf de achtermuur van het huis verwijderd en ongeveer 6 meter vanaf de mesthoop, heeft eene diepte van 2.40 meter, terwijl het water een geelachtige kleur heeft.

 

Daarna komt de put van G. Smid en die van Jan Bamberg, waarvan het water er troebel en erg geel uitzag. Tjaart Aukes heeft een put welks water troebel is en een extra gele kleur had. Het water uit de put van weduwe Levering  had een donkergele kleur en zag er onrein uit. De commissie maakt er melding van dat de vijf laatste huizen aan de Hongerige Wolf het water voor keuken en schoonmaak  uit de sloot tussen hun tuinen en het land van Knottnerus halen. Volgens het drietal is dat water stukken beter dan het putwater dat overal wordt gebruikt.

Meerland. 'Teekening van een te bouwen behuizing aan een bestaand woonhuis van de Naamloze Vennootschap Ennemaborg staande te Meerland onder Midwolda'. Voorgevel in opstand en plattegrond, met aanduiding van het oude en nieuwe gedeelte. Schaal 1:100. Datum: 1850-1900. Tekening met pen en inkt. RHC GA Toegang 402 Archief Ennemaborg, inv. nr.466. De oorspronkelijke afmetingen van de tekening bedragen 46,5x32 cm. Bron: RHC GA, Groninger Archieven, Beeldbank Groningen.

 

Albert de Lange, Derk Boven, Hindrik en Derk Werkman en Haiko Kiewiet  hebben geen putten, maar halen het water uit de put van de buren of uit de sloot langs de weg…

 

Het putwater van Derk Elzinga en Harm Greven heeft een witachtige kleur, het water van Alko Zwik een geelwitachtige kleur.

 

De put van Geert Werkman geeft zelfs water van een melkachtige kleur.

 

Het welwater van Frederik van der Veen oogt goed, maar is volgens de bewoners niet te gebruiken vanwege de kwalijke reuk.

 

Dan is er nog het water van Derk Werkman dat een gele kleur heeft, waarop een blauwe laag drijft. Volgens het drietal heeft het water iets afstootwekkens.

 

'Teekening van een te bouwen behuizing aan een bestaand woonhuis van de Naamlooze Vennootschap Ennemaborg staande te Meerland onder Midwolde'. Mogelijk heeft deze woning voldoende ramen, aan de voorkant zelfs vijf, waarvan twee op een zolder. Uitsnede van de afbeelding hierboven.


Verderop heeft het putwater van Geert Nuis een veenachtige kleur, dat van Hilbert Aukes een grauwe veenkleur en geeft de put van Geert Adam een troebel veenachtig water. Beide heren vragen zich, zo schrijven ze, hoe het kan dat de putten, die toch op korte afstand van elkaar gelegen zijn, zo sterk kunnen verschillen. Ze wijten het gele water en het blauwe vlies aan het salpeter dat in grote mate in de baggerturf voorkomt.

Hun conclusie is, dat de putten van gemiddeld 2.50 m minstens 5 meter diep moeten zijn, maar dat een Nortonpomp, diep in de zandbodem uiteindelijk de beste oplossing is. Het enige nadeel is de grote afstand waarover de gezinnen zijn verspreid. De 60 gezinnen wonen over een lengte van zeker tweeënhalve kilometer. Voor elk huisgezin een put graven zal te kostbaar worden. Volgens onderzoeker Mensinga is het water te Meerland om flauw van te worden. Het ziet er zo vies en miskleurig uit, men zou haast zeggen dat het ongeschikt is om als drinkwater voor het vee te gebruiken....

 

Uitsnede van de tekening hierboven. Links het bestaande gedeelte en rechts het aan te bouwen gedeelte. Rechts zien we een drietal bedsteden. Naar het schijnt is dit een tekening van een bestaand gebouw dat men wil uitbreiden met een extra woongedeelte, bestaande uit een woonkamer, gang, een zijkamer met een kast, met in de woonkamer drie bedsteden en daarachter een nieuwe schuur. Naar het schijnt beschikt het linker deel ook een woonkamer met drie bedsteden, een gang en een zijkamer. Naar het schijnt zien we aan de onderkant van de nieuwe schuur aan de buitenkant een privaat of een put. Omdat de schuren met elkaar verbonden zijn door deuren, kunnen we hier te maken hebben met met twee gezinnen die uit één familie bestaan. Vanuit de gang in de woning aan de rechterzijde kunnen we door verschillende deuren rechtstreeks in de woning aan de linkerzijde komen. Aan de beide voorzijden zien we een schoorsteen.

 

Uit de tekst spreekt de verbazing over de barre leefomstandigheden in Meerland duidelijk door en filosoferend komt het drietal tot de conclusie dat de tyfusgevallen vrijwel altijd voorkomen onder de allerarmsten. Onderzoeker P. Dijkhuis, wethouder en later burgemeester, memoreert in het rapport  ter illustratie een voorval uit 1902:

Het is in November van het vorige jaar, toen een jongentje van ca. 10 jaren bij een der ondergeteekenden, n.l. Dijkhuis, aan huis kwam om een paar klompen. Dat jongentje is schamel gekleed en zag er erg haveloos uit. Hij had een paar vrouwenschoenen aan, die hij met touwtjes had vast geregen en die wel de dikste keien, maar niet het water konden tegenhouden: daarbij had hij een legen maag, geen wonder dat het arme kind bibberde van koude. Naar zijn zeggen kregen zij niets ander te eten dan aardappels met zout en droog brood. Volgens het oordeel van mij, Dijkhuis, lag hierin het veld gereed, waarop de ziekte zich kon ontwikkelen. Het verwonderde mij dan ook niet, toen ik enkele dagen later hoorde, dat het kind door de typhus is aangetast. Bij het onderzoek der putten vertelde ons een vrouw, die als oppasseres diens deed in een huisgezin waar de man en de vrouw door de typhus aangetast te bed lagen.”Hier zijn 7 kinderen en er is niets te eten…”. Die woorden zeggen veel, ontzaggelijk veel. De armoede en alles wat daarmede gepaard gaat is in enkele gezinnen groot…

Na aanleiding van hun bevindingen geeft de Gezondheidscommissie opdracht tot het verrichten van een chemisch onderzoek naar de tien slechtste putten. Het onderzoek wordt gedaan door dokter M.J. Adriani Engels van Midwolda en apotheker Johannes van Dam van Oude Pekela. De watermonsters worden bekeken op de aanwezigheid van chloor, nitraten, nitrieten, organische stoffen en ijzer. Beide heren concluderen dat het water van 9 putten er zeer onoogelijk en onappeteitelijk uitziet, sommigen deden door hun uiterlijk meer denken aan pathologische urine dan aan drinkwater… De oorzaak is het hoge ijzergehalte, dat op zich echter niet gevaarlijk is. De grootste boosdoeners zijn ammonia en chloor, dat in de meeste putten in hoge concentraties wordt gemeten. Dokter Adriani Engels brengt in herinnering dat 1884 te Meerland ook een ernstige tyfus epidemie heeft gewoed, waarbij 68 mensen betrokken zijn. Ook toen is geconstateerd dat het water veel rottende bestanddelen bevat. Evenals eerder Mensinga en Dijkhuis hebben gedaan, adviseren ook Adriani Engels en Van Dam het slaan van nieuwe en vooral diepere putten.

 
De roep om verharding van de modderweg

In het jaar 1903, het jaar van het grootschalige woningonderzoek en het onderzoek naar het putwater in Meerland komt in november en december de miserabele toestand van de modderweg, de Groeveweg aan de orde. Het is een bijzonder natte herfst met ondergelopen landerijen en een niet meer te betreden modderweg. Het is de Commissie ter Wering van het Schoolverzuim, Z.J. Koning en S. Broesder, die op 20 november een brandbrief naar het college van B en W stuurde, waarin de ontoegankelijkheid van de wegen onder de aandacht wordt gebracht:

 

'…De kinderen van de huisgezinnen aan het pad van de zoogenaamde Hongerige Wolf kunnen de school bijna niet bezoeken; uit één dier gezinnen komen de kinderen reeds gedurende een week niet meer ter school, terwijl die uit andere, trachten de school nog over ’t land van de heer Knottnerus te bereiken...'

 

De brief gaat gepaard met een ondertekende brief door alle bewoners en de opgave dat in Meerland 63 huisgezinnen wonen en er 76 schoolgaande kinderen zijn. In de brief, geschreven door G.S. Adam, wordt de weg een modderpoel genoemd, die voor de mensen niet is te passeren en nog veel minder voor kinderen, die vier keer per dag dit ellendige pad langs moeten:

 

'…Wanneer zullen wij hier verandering krijgen? Nu zult gij Edelachtbare Heeren zeggen, maar het pad wordt immers gemaakt en hersteld. Dat is goed, maar wat helpt het of men die steenen hier zoo in den modder legt. Het lijkt meer dat dat steenen pad te liggen komt in een oude sloot…'.

 

Schamper merkt de heer Adam op:

'Ons dunkt, daar waar één van U Heeren daar elken dag en vooral des ’s morgens, of uwe kinderen daar langs moesten, er wel spoedig beter verandering zou komen… en hij besluit met de uitroep, Wij zijn immers ook menschen'. 

 

Nog voor het einde van het jaar valt een tweede handtekeningenlijst in de bus van het gemeentehuis. De schrijver is vermoedelijk J. Dammer, die in onbeholpen zinnen de situatie nog eens onder de aandacht brengt:

 

‘Wij ondergeteekenaaren Komen Nogmaals tot u om u een verzoekschrift an to bieden van den Groeveweg en wel om die te verharden. meenigmaal hebben wij al an geklopt maar tot hier an toe is alles nog vrugteloos gebleven. Wij verzoeken u dus om het niet langer uit te stelen want ten eersten Kunnen wij onze Kinderen niet naar school krijgen of zij worden nat en in huis houden moogen wij nu niet, want die nieuwe schoolwet die nootzaakt ons er toe, en onze dooden die wij in den winter krijgen die kunnen wij met schik niet naar de begraafplaats krijgen, dees en van zooveele dingen zijn wij verstooken….’

 

De brief is ondertekend door 58 voornamelijk gezinshoofden. Het lijkt op afgesproken werk, want nadat eerst de commissie tegen schoolverzuim, de problemen van de kinderen aan de orde stelt, als de bewoners zelf ondermeer het feit dat ze de overledenen niet naar het kerkhof kunnen brengen, volgt op 30 december een brief van de hervormde predikant van Oostwold, ds. J.L. Dippel. Ook hij stelt dat de Groeveweg, als rijweg en als voetpad voor het grootste gedeelte onbruikbaar is. Behalve dat de ouders hun kinderen niet meer naar school sturen, merkt ds. Dippel op, dat de mensen ook de kerkdiensten niet meer bezoeken, terwijl adressant  door den slechten toestand van deze weg zijn dienstwerk in die omgeving bijkans niet kan verrichten.

 

Tot slot
De Groeveweg is lange tijd een probleem gebleven. Het gemeentebestuur, dat kennelijk de verbetering niet kan bekostigen, doet eind december 1903 dan ook een dringende oproep aan een aantal vermogende inwoners om bij te dragen in de verbetering. Op de lijst vinden we de namen van bekende landbouwers en kapitaaldraagkrachtige figuren als R. Toren, C. Knottnerus, D.S. Hovinga die elk 250 gulden betalen en W. Kunst die 500 gulden noteert. Samen zorgen de twaalf ondertekenaars voor een bedrag van 1835 gulden. Besloten wordt de Groeveweg met een dikke laag geel zand in goede staat te brengen. In latere jaren wordt een sintel laag aangebracht. Om de voetgangers en fietsers bij duisternis op het goede spoor te houden, zijn tussen de weg en het stenen voetpad witgeschilderde paaltjes aangebracht.

 

Ten aanzien van de watervoorziening wordt in latere jaren aan de Groeveweg een Nortonpomp geslagen, waar de bewoners schoon water kunnen halen.

 

In juni 1903 adviseert het Burgerlijk Armbestuur de gezinnen, die door de sluiting van woningen dakloos worden, niet op te nemen in het armenhuis, maar voor hen een tehuis voor dakkeloozen te bouwen. Het moet een tijdelijke huisvesting zijn, ingericht overeenkomstig de allernoodzakelijkste eischen der wet, met vaste ledikanten, zonder schuur of tuin of andere geriefelijkheden op een plaats, zoover mogelijk verwijderd van alle verkeer. De beste plaats zal zijn het afgelegen gehucht Niesoord.

 

Om de grote woningnood onder de arbeidersbevolking weg te nemen, bouwt de Stichting Midwolda’s Woningbouw met, door de Woningwet van 1901 mogelijk gemaakte subsidie, in 1920 elf dubbele arbeiderswoningen: zes in Midwolda en vijf te Oostwold.

 

 

 

 

 

De oorspronkelijke, onbewerkte tekst, is geschreven door ©Jan P(Pieter) Koers, Scheemda, waarvoor mijn dank.
Bewerkt en samengesteld voor NZD door Harm Hillinga.

 

 

Gerelateerde artikels:
Geschiedenis van de lagere school van Meerland.
Meerland en het Huningameer.

 

 

Noten, bronnen en referenties:

 


Noten:

 

1. Niesoord, vroeger ook Nijsiesoord (Naisiesoord of Niesjesoord), is een gehucht in de gemeente Oldambt in de provincie Groningen. Het ligt ten zuiden van Midwolda aan de rand van het Oldambtmeer. Het buurtje is rond 1820 ontstaan. De naam Nijsiesoord (1850) of Niesoord (1857) verwijst naar de familie Nies, een strenggelovige familie die een groot perceel hoogveen verhuurt aan veenarbeiders, die daar eigen woningen kunnen bouwen. Eigenaar van het land waarop in 1832 twaalf huizen staan, is de weduwe van de rijke herenboer en oud-wethouder Jan Nies (1771-1827). In 1840 staan er aan het laantje 30 huizen met 150 inwoners. Rond 1900 wordt ook de andere kant van de Nanningalaan bebouwd. Nu heet dit de Niesoordlaan.
Het buurtje heeft vrij afgelegen gelegen. Verschillende kerkgenootschappen doen hun best de arme veenarbeiders het evangelie te brengen. Tussen 1874 en 1897 is vooral de gereformeerde dominee Bos uit Midwolda hier actief. Rond 1900 wordt er een hervormd evangelisatielokaaltje gebouwd, dat vanuit Westerlee wordt bediend. Door de opkomst van de sociaaldemocratie rond 1920 neemt de belanstelling voor de kerkdiensten snel af. Alleen de zondagschool is nog een tijdje blijven bestaan.

 

 

Noten, bronnen en referenties:

- Archief Gemeente Midwolda 1811-1989.
- Handtekeninglijst Adam, verharding Groeveweg: ingekomen stukken 1903/482 inv. nr. 149.
- Handtekeninglijst Dammer, verharding groeveweg 1903: ingekomen 1903/483 inv. nr. 149.
- Schrijven ds. Dippel, verharding Groeveweg 1903: ingekomen 1903/484 inv. nr. 149.
- Formulieren woningonderzoek 1903 Wijk A Midwolda: inv. nr. 681.
- Formulieren woningonderzoek 1903 Wijk B Oostwold:  inv. nr. 682.
- Onderzoeksrapport putwater Meerland 1903: ingekomen stukken 1903  inv. nr. 149.
- Concept en verbeterde Bouwverordening 1905: ingekomen stukken 1905 inv. nr. 152.
- Jaarverslagen verbetering huisvesting 1905-1921: inv. nr. 680.
- Raadsbesluiten onbewoonbaar verklaarde woningen: ingekomen stukken 1906  inv. nr 180.
- Woningen te Niesoord: ingekomen stukken 1905 inv. nr. 151.

 

Deze pagina maakt deel uit van www.nazatendevries.nl. Aan bovenstaande tekst is de uiterste zorgvuldigheid besteed. Desondanks kunnen er best fouten voorkomen. Constateer je fouten en/of heb je vragen, correcties, aanvullingen......... geef die dan even aan mij door via mijn E-mail adres (zie rode balk boven). Wij hebben ons uiterste best gedaan om de auteurs van teksten/citaten en copyrightbepalingen van afbeeldingen te achterhalen. Mocht je rechthebbende zijn en hierover vragen of opmerkingen hebben, neem dan contact op via e-mail. Lees ook de 'Disclaimer' en 'Privacy' voor méér informatie en laat ook eens een bericht achter in het Gastenboek, dan weet ik waarvoor ik het doe.

Hoogeveen, 30 maart 2022.
Samenstelling: © Harm Hillinga.
Klik hier om naar het menu ARTIKELS te gaan.
Klik hier om terug te gaan naar de HOMEPAGE.
Top