Voor ‘spek een bonen’ meedoen, die gezegde kent iedereen. Maar waar komt dit gezegde nou eigenlijk vandaan? We gaan terug naar het jaar 1860. Voor het eerst in de geschiedenis worden er schaatswedstrijden voor ’spek en bonen’ gereden. Speciaal voor de arme gezinnen worden er ‘spekrijderijen’ georganiseerd waarbij men spek en bonen mee naar huis krijgt als je aan de start verschijnt.


Het is vele tientallen jaren geleden dat spekrijden uit de mode is geraakt. Misschien zullen de ouderen onder ons het woord spekrijden nog wel kennen uit het verleden, maar zullen ze het moeilijk vinden er een verhaal aan te koppelen. Toch komt spekrijden nog wel voor. Met spekrijden wordt eigenlijk gewoon een hardrijderij op schaatsen bedoeld, maar dan voor behoeftige getrouwde mannen van alle leeftijden.

 

 

 

 

Van ongeveer 1860 tot na 1930 zijn er op tientallen plaatsen in het noorden van ons land spekrijderijen georganiseerd of gewoon hardrijderijen op schaatsen voor behoeftigen met in de prijzenpot spek en bonen. Vaak wordt er ook een heel assortiment aan begrenswaardige zaken in het vooruitzicht gesteld, waarbij we moeten denken aan kledingstukken, eetwaren en zelfs brandstoffen.
In veel gevallen is de kwalificatie ‘hardrijderij’ voor het spekrijden veel te geflatteerd, want iedere arme stakker poogt er in die tijd op af te komen in de hoop voor vrouw en kinderen iets in de wacht te slepen van de beschikbare kleding of etenswaren.


Zelf mannen die helemaal niet kunnen schaatsen komen hoopvol aan de start. Zij hebben in het verleden altijd goed kunnen schaatsen, maar in de laatste jaren is de leeftijd gaan tellen. Geen mens vindt het dan ook vreemd dat er mannen op afkomen die zonder schaatsen meedoen en al hardlopend, soms nog eerder dan de schaatser uit eindpunt overkomen.

 

 

Onder tromgeroffel 'Klaar....af'. Het blikt echter om een false strat te gaan. De linker persoon gaat er vandoor terwijl de 'scheidrechter' nog niet het sein heeft gegeven [1].

 

 

Het spekrijden wordt onder deze omstandigheden een bizarre publieke vermakelijkheid, waarbij de arme drommels herhaaldelijk tot daverende lachsalvo’s aanleiding geven en als je het gebeuren bekijkt door de bril van tegenwoordig moet je je maar met de gedachte troosten dat de betrokkenen het waarschijnlijk niet zelf als een vernederende zaak hebben gevoeld.


Nee, ‘de behoeftigen’ die er aan meedoen zijn uiterst dankbaar voor de hoge heren die deze wedstrijden organiseren. Het is immers mooi meegenomen dat dit spekrijden kan zorgen voor eten op de plank.


Nu is het niet altijd zo geweest dat alleen de snelste rijders en hardlopers met de prijzen naar huis zijn gegaan. Ze krijgen niet allemaal het meeste uit de pot, maar voor alle deelnemers krijgen alleen al omdat ze zich hebben laten inschrijven een kop erwten of een stuk spek. Geen wonder dan ook, dat sommige wedstrijden honderden deelnemers tellen. In 1890 wordt er een wedstrijd gehouden in Leeuwarden op Oudejaarsdag, waaraan maar liefst 427 mannen meedoen.

 

 

Startnummers 13 en 18 staan onder tromgeroffel klaar om spek en bonen te winnen. Zoals we zien doen er zelfs vrouwen aan spekrijden mee. De notabelen staan vlak bij de race, terwijl het gewone volk aan de kant van het ijs staat toe te kijken [1].

 

Het evenement aldaar wordt georganiseerd door de vereniging ‘Avanceeren’. Vroeger zal dit mogelijk uitgesproken zijn als ‘Avesere!’. Dankzij de medewerking van het bestuur van de ‘Nieuwe Leeuwarder IJsclub’ is het mogelijk dat de wedstrijd gehouden wordt op de stadsgracht achter de Prinsentuin.

 

De barre winter van 1890-1891

 

De winter van 1890-1891 is een van de koudste winters in Nederland geweest. De vorstperiode begint op 26 november 1890 en houdt ongekend lang aan, twee maanden, tot 23 januari 1891. Op 5 december vriest het al zo hard, dat op de Zuiderzee in de buurt van Schokland vier geladen schepen in het ijs vastvriezen. Ook de grote rivieren vriezen snel dicht. Op 17 december is het door de voortdurende harde oostenwind plaatselijk zou koud dat verscheidene mensen doodvriezen. De kranten staan vol berichten van omgekomen en verdronken schaatsers. De gemiddelde ijsdikte in sloten en vaarten komt uit op maar liefst 65 cm, plaatselijk wordt zelfs 70-80 cm bereikt. De strenge, koude winter brengt veel ellende met zich mee. Volgens volkstellers heeft slechts één op de tien huizen een brandende kachel. Winterkleding laat vaak te wensen over, en net als nu hebben vooral armen en daklozen daar het meest onder te lijden. Men grijpt alles aan om warm te blijven, kruipt bijvoorbeeld tegen de warme muur van de gasfabriek en kinderen slapen bij gebrek aan winterkleding onder stro en zakken om zich warm te houden. Vooral de arme mensen hebben het bijzonder zwaar. [4]

Het blijkt dat de Leeuwarders een grote hoeveelheid levensmiddelen en kleren, maar ook brandstoffen hebben ingezameld, waarvan de waarde op wel tweeduizend gulden (1890) wordt geschat. Het is die dag bitterkoud, maar toch wordt het voor jong en oud, maar vooral voor de gehuwde werklieden een groot feest. En wat blijkt, tussen de oudste en de jongste deelnemer zit een leeftijdsverschil van meer dan zestig jaar. Een van de mannen is zelfs niet in staat de baan te voet af te leggen, maar daarvoor vinden de organisatoren een oplossing: de deelnemer wordt op een slede gezet en wordt voortgeduwd door een paar stoere makkers. In de krant komt de volgende dag het bericht ‘dat dit niet weinig de lachlust opwekte’.


Even enthousiast als de rijders zelf toont de verslaggever van de krant zich de volgende dag als hij schrijft: ‘In het groot getal tevredenen, die door deze eigenaardige rijderij werden gemaakt, heeft de commissie zich zeker ruimschoots beloond gezien, die zij zich in deze zaak heeft willen geven.’


De rijderij voor behoeftige werklieden in de barre winter van 1890 is voor zowel de organisatie als de deelnemers dus een groot succes geweest. Echter nog veel indrukwekkender wordt het voor dezelfde vereniging drie jaar later op 21 januari 1893. Het vriest maar liefst 15 graden
[3]. Bij het inschrijfadres ‘J. Vermeulen, bij de Meelbrug’ staan dagen voordat de rijderij wordt gehouden zeker tegen de duizend deelnemers. Op een zo’n groot aantal heeft het bestuur van ‘Avanceeren’ niet gerekend en men ziet zich genoodzaakt nog op de dag voor het festijn een advertentie in de krant te plaatsen waarin de gegoede burgerij wordt opgeroepen om nog wat meer geld of goederen voor de deelnemers beschikbaar te stellen. De inwoners van Leeuwarden nemen de noodkreet erg serieus, want volgens de gegevens gaan alle 976 deelnemers met in totaal 2623 kinderen bepakt en bezakt naar huis en wel met twee pond spek, twee kop bruine bonen, twee pond rijst, een mud cokes, een brood en een korf turf. Dat is veel te veel om door één man te dragen, vandaar waarschijnlijk dat er zoveel kinderen bij betrokken zijn geweest. Voor de dertig besten zijn er bovendien ook nog kledingstukken, zodat hier zonder overdrijving gesproken kan worden van een prijzenregen.

 

 

Ook hier is het weer een drukte van belang op het ijs. Alleen lijkt het hier te gaan om gewoon schaatsen en niet om een wedstrijd [1].

 

De oudste deelnemer, de heer J. Hes blijkt maar liefst zeven en tachtig jaar te zijn; de jongste, O. Kielstra is negentien jaar. Bovendien blijkt deze Kielstra vader te zijn van drie kinderen …. Deelnemer H. de Jong is twee en twintig jaar en is vader van zes kinderen… D. Hollinga is drie en veertig jaar en vader van twaalf kinderen. Deze mensen hebben dus best wel geweten wat ze met de gewonnen rijst en erwten hebben moeten doen.


Deze rijderij wordt ook vereerd met een bezoek van de Commissaris van de Koningin en begint ’s morgens om halfnegen. ’s Middags om vier uur glijden de laatste prijswinnaars over de finish en even later vertrekken alle deelnemers in ‘een vroolijke en vreedzame optocht met Bengaalsch vuur’ en met de stedelijke muziekkorps, dat ook dapper tijdens de wedstrijden heeft gespeeld. Onder grote hilariteit gaat de stoet naar de Manege, waar de prijzen worden uitgedeeld.


‘Het was’, zo bericht de krant, ‘een allerlevendigste rijderij, die voor en ook na bijzonder komische tonelen opleverde inzonderheid, waar zoovelen slechts een kruk op de schaatsen bleken te zijn en daardoor tot luide vroolijkheid aanleiding gaven’.
[1]


Zoals we er tegenwoordige tegenaan kijken, is dit eigenlijk best wel een zeer triest verhaal.


Je zou denken dat in de eeuw erop spekrijden niet meer voorkomt. Echter, we lezen op 3 februari 1941 in het ‘Dagblad nieuwe Hoornsche courant’ dat in Grootebroek spekrijden wordt georganiseerd voor weduwen en ouden van dagen. Er verschijnen 35 jonge rijders aan de start die trachten hun ‘uitverkoren oudjes’ te verrassen. Vervolgens lezen we ook dat er diezelfde middag nog een wedstrijd wordt gereden voor werkloze huisvaders en dat het bestuur de burgerij bedankt voor hun giften.
[2]

 

Boterdiep ca. 1910 in de stad Groningen, een spekrijderij bij het Zakkenmagazijn van de gebroeders Salomon en Mozes De Swaan [5], kort voordat het bedrijf werd verplaatst naar de Singelweg 102. Bron: Facebook, Oud-Groningen, 19 augustus 2016.


Naar mate de jaren vorderen wordt de kritiek op dit volksvermaak steeds heftiger. Hoewel deze protesten steeds sterker worden, hebben de spekrijderijen tot ver in de jaren dertig stand gehouden. De baan achter de prinsentuin in het centrum van Leeuwarden blijft daarbij een geliefde locatie.


Toch zijn er al een aantal IJsclubs die veel eerder voor een acceptabelere variant kiezen. Zij laten zogenaamde ‘remplaçanten’ aan de wedstrijd meedoen. Goede rijders schaatsen dan uit naam van zo’n arme of hulpbehoeftige, waardoor de armen niet vergeten worden en het publiek een echte wedstrijd voorgeschoteld krijgt.

 

Na de oorlog is het fenomeen definitief verdwenen en is alleen de uitdrukking ‘voor spek en bonen meedoen’ als een van de vele gezegdes afkomstig uit de schaatssport bewaard gebleven.


Gelukkig schaatsen we tegenwoordig dus niet meer voor ‘spek en bonen’. Het woord ‘spekrijden’ en ‘spekrijderij’ wordt tegenwoordig nog wel gebruikt in de schaatswereld, maar heeft niet meer zo’n beladen inhoud. Het gaat nu gewoon op wedstrijdschaatsen: de snelste wint.

 

 

 

Noten en bronnen:


1. Delpher; Historisch Centrum Leeuwarden uit ’t Kleine Krantsje, 1964-1997; 13 januari 1965 pagina 6 en 7.
2. Delpher; Dagblad nieuwe Hoornsche courant, 3 februari 1941.

3. Weerhistorie meteolink.nl.
4. Archief Leeuwarder Courant.

5. Mozes de Swaan is in 1907 door een bedrijfsongeval om het leven gekomen. “Gistermorgen [= 27 september] te tien uur had een droevig ongeluk plaats aan het Boterdiep alhier. In de zaak van gebr. de Swaan aldaar was men bezig bundels zakken van de derde verdieping naar beneden te laten, toen een bundel naar beneden viel en terecht kwam op het hoofd van den heer M. de Swaan. Terwijl hij per rijtuig naar het Academisch Ziekenhuis werd vervoerd, kreeg hij onderweg eene bloeduitstorting, waaraan hij gistermiddag te vier uur overleed.” (NvhN, 28-09-1907).

 

 

Deze pagina maakt deel uit van www.nazatendevries.nl.
Aan bovenstaande tekst is de uiterste zorgvuldigheid besteed. Desondanks kunnen er best fouten voorkomen.
Constateer je fouten en/of heb je vragen, correcties, aanvullingen...geef die dan even aan mij door via mijn E-mail adres.
Laat ook eens een bericht achter in het Gastenboek.

 

 

Hoogeveen, 15 juni 2019.
Update: 8 augustus 2020.
Samenstelling: © Harm Hillinga
.
Menu Artikelen.
Terug naar de HomePage.
Top