Foto: Eigen verzameling.

Behalve als grasmaaier of tichelwerker, hebben vroeger veel Duitsers werk in ons land gevonden als landarbeider in de veenstreken. Zo zijn in de 18e en 19e eeuw honderden arbeiders uit Münsterland, Hannover en zelfs uit Lippe[1] betrokken bij de exploitatie van de Groninger en Drentse venen.


Primitief onderdak
Ze wonen in die tijd, net als de andere in- en buitenlandse veenarbeiders, in groepen in eenvoudige houten keten die er door de verveners zijn neergezet. De meesten trekken mee als de kanalen verder het veen binnendringen. Maar sommigen blijven er wonen in de hoop dat ze als landarbeider bij de boeren de kost kunnen gaan verdienen. Want na de ontginning trekt de dalgrond overal kolonistenboeren aan en veel turfgravers worden inderdaad boerenarbeider. Aanvankelijk gaan ze meestal — het kan ook haast niet anders — wonen in primitieve onderkomens op het ovenveen, soms half onder half boven de grond. Het zijn schamele veen- of plaggenhutjes, slechts bestaande uit een laag muurtje van veenzoden en als dak een uit takken gevlochten geraamte met grote heideplaggen erop.


Als het even kan, wordt na verloop van tijd een deel van het loon besteed om de plaggenhut of keet wat op te knappen en te verbeteren. Maar de arbeidersgezinnen in de armelijke hutjes leven meestal ontzettend sober. Op de sneden roggebrood smeert men van armoe een laagje koude aardappelen, dat spottend wel `Kaalkwiekster keze', kaas uit Kalkwijk[2] wordt genoemd, een van de eerste nederzettingen bij Hoogezand.


Een beeld van de woon- en leefwijze van de vroegere veenbevolking geven de openluchtmusea 'De Zeven Marken' (Ellert en Brammert) te Schoonoord[3] en het veenmuseum `Aole Compas', ook wel ‘Het Veenpark’ genoemd, bij Barger-Compascuum.

 

Een holwoning in het openluchtmuseum van Ellert en Brammert.

Een holwoning in het openluchtmuseum van Ellert en Brammert. Foto: eigen verzameling.


Gedwongen winkelnering
De veenarbeiders, zowel Nederlanders als Duitsers, zijn op grond van de gedwongen winkelnering verplicht om alles wat ze nodig hebben, te betrekken van de verveners[4]. Die hebben het monopolie van de levering van levensbehoeften, werkmateriaal, potten en pannen, stro en beddengoed. Een liedje zegt ervan:

 

Ons heer of baas komt spoedig ons bezoeken,
verschaft ons dekens en wat meer behoort.
Of ook gereedschap, meel voor pannenkoeken;
een volle kruik, daar lustig uit geproefd.


Dat ‘lustig proeven' van de drank is vrijwel het enige 'genoegen' van de turfstekers daar in de eenzaamheid. Want wanneer de werkweek om is, hebben ze een dag rust, die voor velen een dag van verveling betekent. Die verdrijven ze dan maar met sterke drank, waarvoor ze noodgedwongen hun klandizie weer moeten gunnen aan de herberg van de vervener.


Toch wordt 's zaterdags vaak met vreugde het weekeinde aangekondigd door middel van het zogenaamde ‘klompeblazen', omdat ze dan 's avonds hun weekgeld zullen ontvangen. Het maken van klompegeluid of 'oehoe' roepen in de holte van de klomp, waarin vooral de Lippers bijzonder bedreven zijn, is zeker geen teken van ontevredenheid of oproer. Het blazen op de klomp wordt ook wel gedaan wanneer door aanhoudende regen het werk moet worden gestopt.


Voor velen echter zijn drankmisbruik, het verblijf in rokerige en benauwde hutten, het voortdurend in een voorovergebogen houding werken in de vochtige grond, slecht eten en andere omstandigheden een gevaar voor de gezondheid. Door de ontberingen krijgen de turfstekers vaak allerlei kwalen, zoals gezwollen benen, longaandoeningen en tering[5].

 

Veenarbeiders poseren op hun werkplek. Turf wordt afgevoerd met een platte kruiwagen.

Veenarbeiders poseren op hun werkplek. Turf wordt afgevoerd met een platte kruiwagen. Foto: Eigen verzameling.


Begrafenis van een Lipsker
Wanneer een veenarbeider uit Westfalen of Lippe hier overlijdt, wordt hij door zijn landgenoten op plechtige wijze begraven. Zo'n begrafenisplechtigheid wordt in het ‘Tijdschrift Groningen van 1917’ beschreven door dominee J. S. Swaagman, in 1834 predikant te Stadskanaal. Hij zit in zijn studeerkamer, wanneer hij — zo vertelt de dominee — een steeds dichterbij komend gezang hoort:


`Ik begaf mij naar buiten en bespeurde weldra, dat de weg met een dichte drom van mannen overdekt was, en dat hun gezang ook velen mijner dorpsgenoten buiten hun woningen had gelokt. Er werd een `Lipsker' begraven en ruim tweehonderd landgenoten bewezen hem de laatste eer. De meesten hadden hun Hoogduits Liederenboek in de handen; voor hen, die het niet hadden, was het zachtelijk voorzeggen van de regel, die volgen zou, genoeg om ook deelgenoten van het gezang te zijn. Zonder om te zien naar de meer en meer toevloeiende menigte van nieuwsgierigen, traden ze al zingende voort. Inmiddels was men de begraafplaats genaderd. Ieder ontblootte nu z'n hoofd: men schaarde zich om het graf; de kist werd neergezet, en de eerbiedige stilte werd mede afgewisseld met het zingen van de eerste vier verzen uit het 320ste lied:


Begrabt den Leib in seine Gruft,
Bis ihn des Richters Stimme ruft.
Wir säen ihn, einst blüht er auf
Und steigt verklärt zu Gott hinauf.'


De Duitse turfstekers gaan weer naar hun 'Heimat' wanneer er naar schatting voldoende turf geproduceerd is. Ook wanneer de voorraad van het vorige seizoen maar voor een deel is afgevoerd, stuurt de veenboer zijn arbeiders eerder weg. De trek van de Westfalers en Lippers naar de venen in Groningen en Drenthe houdt tegen 1900 zo goed als op.


Westfaalse kolonisten
De Veenkoloniën zijn al vanaf het begin bevolkt door immigranten van zeer verschillende herkomst. In het uiterste zuidoosten van Groningen blijven nogal wat Duitse veenarbeiders uit de gebieden van Munster en Hannover hangen. Behalve de turfstekers komen er ook kolonisten uit de naburige veenstreken van Westfalen, die zich in Zuidoost-Drenthe vestigen. De eerste immigranten komen daar omstreeks 1810. Ze hebben voorheen, aan de rand van het 'Moor' vooral in de omgeving van de Hümmling, een karig bestaan gehad in de boekweitverbouw[6]. En al brengt het verbouwen van dit product weinig kosten met zich mee, toch is na een aantal cultuurjaren de opbrengst te gering om daarvan nog te kunnen verkopen. Daarom kopen of huren ze stukken veen van de boeren van Oud-Schoonebeek, die uitgebreide veengebieden in bezit hebben. Omdat dit eigendom meestal verafgelegen is, zien die boeren zelf geen kans om de grond in cultuur te brengen.

De markescheiding heeft vermoedelijk ook het verhuren of verkopen van de percelen gemakkelijker gemaakt.

 

Turf wordt afgevoerd om te drogen.

Turf wordt afgevoerd om te drogen. Foto: Eigen verzameling.

 

Duitse onderduikers
Behalve uit economische noodzaak komen veel Duitsers om politieke redenen naar onze woeste heidevelden en moerassen. In de tijd van de Pruisische machtsontwikkeling — koning Frederik Willem I, 1717-1740 — duiken al veel Westfaalse dienstplichtigen onder in de Nederlandse veenstreken. Ook tijdens de Franse bezetting van Münsterland hebben verscheiden jonge Duitsers zich verstopt in het grote veen in de omgeving van Slochteren, een uitstekend onderduikgebied. Samen met hun voor 't seizoen hier gekomen landgenoten gaan ze turfgraven en werken ze ook bij de boeren. Naar men zegt, zijn verscheidene van hen getrouwd met meisjes uit een van de omliggende dorpen. Weer anderen zoeken hun toevlucht in de verlaten veenstreken van Oost-Groningen, waar ze zich tamelijk veilig voelen. Ze houden zich in leven door het verkopen van zelfgemaakte bezems, boenders en manden van gevlochten takjes.


Met de Frans-Duitse oorlog van 1870 verlaten opnieuw talrijke Westfaalse of Hannoveraanse dienstplichtigen hun land. Aan een beschrijving door Geert Teis Pzn. (1864-1945) over die uittocht ontlenen we het volgende:


'De oorlog was gekomen. Op Klooster (Ter Apel) waren al verscheidenen uit Hannover (Westfalen) aangekomen. Ze wilden de Pruisen niet helpen tegen de Fransen, want men had immers hun koning weggejaagd en het land ingepikt. Dan liever de grens over!

Men kon ze elk ogenblik ook in Stadskanaal verwachten. Sommigen hadden ze al zien lopen op Boerendiep bij het tichelwerk: van die echte poepen met spijkers onder de schoenen en groene petten. In 't café van Klok werd er druk over gepraat. Daar gaat de deur open... drie grote kerels met groene zakken op de nek “Goon dag ook!” “Goeie dagl” klinkt het antwoord. “Wist mie 'n schnaps doon?” “Mie ook?” “Oen mie ook!”. Na een poosje komen de andere gasten met de velings aan de praat, dankzij aangeboden sigaren en de schnaps. En dan blijkt, dat Jan Bèrend, Michel Johann en Hinnerk het vooral op Bismarck[7] hebben voorzien.

Waarschijnlijk waren het in hoofdzaak de Rooms-Katholieke Hannoveranen, die eieren voor hun geld kozen en naar Nederland vluchtten. Velen van hen hebben vooral in de Veenkoloniën een definitieve woonplaats gevonden.'


Veelvormige bevolking
In de nederzettingen langs het uitgebreide kanalenstelsel vestigen zich langzamerhand ook veel mensen die een of andere nering of handwerk uitoefenen. Uit Westfalen komen vooral veel marskramers, die met allerlei waren langs de huizen en hutten venten. Veel van deze kiepkerels of velings vestigen zich voorgoed in de nieuwe dorpen.
Verder gaan veel turfschippers langs een van de kanalen wonen, waar ze midden in het bedrijfsgebied hun schip voor de deur kunnen meren. Door de hoofdkanalen en de talrijke daarop uitkomende zijkanalen, wijken of monden, kunnen de turfschippers in alle richtingen het veen doorkruisen.

 

Plaggenhut in het openluchtmuseum te Schoonoord in 16 juli 1954. Foto: Bouke Lukkien. Een man bij de deur van een plaggenhut. De gordijntjes zijn gemaakt van pakpapier. De foto is genomen in het openluchtmuseum van Schoonoord tijdens de viering van het honderdjarig bestaan van het dorp in 1954.

Plaggenhut in het openluchtmuseum te Schoonoord in 16 juli 1954. Foto: Bouke Lukkien. Een man bij de deur van een plaggenhut. De gordijntjes zijn gemaakt van pakpapier. De foto is genomen in het openluchtmuseum van Schoonoord tijdens de viering van het honderdjarig bestaan van het dorp in 1954. Licentie: Creative Commons CC BY. Bron: CollectieGelderland.nl.

 

Scheepvaart
Als gevolg hiervan worden verscheidene bouw- en reparatiewerven voor turfschepen en later ook voor zeeschepen gebouwd. Want behalve de binnenvaart ontstaat als een bijzonder verschijnsel de veenkoloniale zeevaart. Omstreeks 1858 hebben bijna 600 zeeschepen hun thuishaven in dit ontginningsgebied. Maar door de toepassing van de stoomkracht en de vraag naar grotere, ijzeren schepen blijkt dat de werven daarvoor te klein en de bruggen te smal zijn.


Aan de bloeiende scheepvaart en scheepsbouw in de Veenkoloniën komt na 1870 een abrupt einde. In de omgeving van Hoogezand blijft de bouw van kustvaarders wel mogelijk. Hier herinneren de namen van vroegere of nu nog bestaande werven, zoals Bodewes, Bröerken, Pattje en Muller, aan de eerder hierheen gekomen Duitse scheepstimmerlieden. De veelvormige samenstelling van de veenkoloniale bevolking komt sterk tot uitdrukking in de verschillende kerkelijke richtingen. Naast Protestantse groeperingen hebben bepaalde streken een Rooms-katholieke inslag. Deze streken zijn van oorsprong vooral bevolkt door immigranten uit het aangrenzende Münsterland. Het Münsterse veld is hiernaar vernoemd, een omstreeks 1880 gestichte veenkolonie ten zuiden van Ter Apel.

Ook in Nieuwe Pekela is een concentratie van migranten uit Hannover ontstaan. Dit blijkt nog duidelijk uit de vele Duitse familienamen van de bewoners van dit dorp.

 

Veenmoerassen in het zuidoosten van Groningen en een groot deel van Drenthe. Naar een kaart uit 1634 van Corn. Pijnacker.

Veenmoerassen in het zuidoosten van Groningen en een groot deel van Drenthe. Naar een kaart uit 1634 van Corn. Pijnacker 1570-1645).

 

 

Meer lezen: Over kiepkerels, marskramers of velings.

Noten, bronnen en referenties:

Noten:

1 Lippe. Het vorstendom Lippe is van 1798 tot 1918 een historisch vorstendom in Duitsland. Het vorstendom is gelegen geweest tussen de Wezer en het zuidoostelijke deel van het Teutoburgerwoud, tussen Hannover en Westfalen.

2 Kalkwijk. De Kalkwijk, is een buurtschap en een straat in de gemeente Midden-Groningen. Zoals de naam met -wijk al zegt is het van oorsprong een nederzetting langs een kanaal geweest. In 1631 wordt een overeenkomst getekend tussen de Friesche Compagnie en de stad Groningen waarin de stad opdracht geeft tot vervening van het gebied. Hierop wordt de Kalkwijk gegraven en in de eerste jaren elk jaar met ten minste 40 roeden uitgebreid. Aan weerszijden is de afgraving even breed en is bepaald door de afstand naar de afgraving tot de Borgercompagnie. Later wordt het kanaal ook Kalkwijksterdiep of Kalkwijkerdiep genoemd. De naam komt waarschijnlijk van de familienaam Kalk, hoewel ook wel gezegd wordt dat kalk duidt op een oude kalkoven die hier ooit gestaan zou hebben. De wijk is inmiddels gedempt. Het noordelijke gedeelte is tegenwoordig een deel van Hoogezand, buiten de bebouwde kom staan een aantal imposante boerderijen. In het verlengde van Kalkwijk ligt de buurtschap Lula (Bron: Wikipedia, Kalkwijk).

3 Openluchtmuseum Ellert en Brammert wordt geëxploiteerd door de Stichting De Zeven Marken en is opgericht op 31 oktober 1956.

4 Een vervener is de eigenaar van het gebied waar het veen wordt afgegraven, de veenderij.

5 In de volksmond wordt tuberculose ook wel tering genoemd. In de periode dat er nog geen werkzame geneesmiddelen bestaan tegen tuberculose, ontstaan de afkortingen tbc, of zelfs tb, die ook tegenwoordig nog worden gebruikt.

6 Boekweit (Fagopyrum esculentum) is een plant uit de duizendknoopfamilie (Polygonaceae) die geteeld wordt voor zijn zaden, waar boekweitmeel van gemaakt wordt en als dekgewas. Polen en in mindere mate Frankrijk zijn nog belangrijke Europese productielanden van boekweit als voedselgewas. Daarnaast is er tegenwoordig veel import van boekweitmeel uit China.

7 Otto Eduard Leopold von Bismarck-Schönhausen (Schönhausen, 1 april 1815 – Friedrichsruh, 30 juli 1898), vanaf 1865 graaf, vanaf 1871 vorst von Bismarck, vanaf 1890 hertog zu Lauenburg, is een Duits 19e-eeuws staatsman geweest en een dominant figuur in de wereldgeschiedenis. Lees meer op Wikipedia over Bismarck.

 

 

Bronnen en referenties:
- J.S. Zwaagman, Tijdschrift Groningen, 1917.
- Korn. Mulder (geb. 1916), Hannekemaaiers en Kiepkerels, 1973.


 


Deze pagina maakt deel uit van www.nazatendevries.nl. Aan bovenstaande tekst is de uiterste zorgvuldigheid besteed. Desondanks kunnen er best fouten voorkomen. Constateer je fouten en/of heb je vragen, correcties, aanvullingen......... geef die dan even aan mij door via mijn E-mail adres (zie rode balk boven). Wij hebben ons uiterste best gedaan om de auteurs van teksten/citaten en copyrightbepalingen van afbeeldingen te achterhalen. Mocht je rechthebbende zijn en hierover vragen of opmerkingen hebben, neem dan contact op via e-mail. Lees ook de 'Disclaimer' en 'Privacy' voor méér informatie en laat ook eens een bericht achter in het Gastenboek, dan weet ik waarvoor ik het doe.

Hoogeveen, 29 januari 2025.
Redigering: René van Rijn, Winschoten
Samenstelling: © Harm Hillinga.
Klik hier om naar het menu ARTIKELS te gaan.
Klik hier om terug te gaan naar de HOMEPAGE.
Top