“In de hervormde kerk te Uithuizen bezoekt, zal, indien hij een liefhebber van oudheden is en een blik wijdt aan de schoon gebogen gewelven, aan het fraaie snijwerk van kansel en gestoelte, aan de heldere kleuren van de  deftige wapen borden, zich dat bezoek niet beklagen; hem zal een kreet van bewondering voor de bouwmeesters en handwerkslieden van vroegere eeuwen op de lippen komen, doch hem zal tevens een woord van dank en waardering ontvallen jegens degenen, die dit alles in zulk een goede staat van onderhoud hebben weten te bewaren. En wanneer hij dan de kerk door de deur, die zich in de noorderzijvleugel bevindt, wil verlaten, dan zal zijn oog worden getrokken door een eigenaardige grafsteen[1].

Heeft men een inwoner van Uithuizen als gids, dan zal deze je weten te vertellen, hoe de overlevering zegt, dat onder die grafsteen een Spaanse ridder ligt begraven.


Bedoelde grafsteen is een langwerpige blauwe zerk, liggende gelijk doorgaans alle graven in de richting oost naar west. Aan het west- of hoofdeinde is in de steen een fraai bewerkt schild van brons met omgebogen hoeken en randen ingevoegd. Op dit schild staat een kleiner wapenschild gegraveerd, vertonende op een door dwarsstrepen als blauw aangeduid veld drie leliën, met in het midden eene zespuntige ster. Daaronder staat en reliëf het volgende:

BONNONI AWLSUM
CONIUNX ET HAEREDES
LIBERI. OBIIT 1560,
DIE 19 IUN., AETATIS SUAE 34.


Het opschrift is duidelijk:

„de echtgenoot en de nagelaten kinderen (hebben deze steen gewijd) aan Bonno Awlsum, hij is gestorven in het jaar 1560 op 19 juni, in de leeftijd van 34 jaar."

 

Het wapen is volkomen gelijk aan het wapen, sinds eeuwen en ook nu nog gevoerd door het geslacht Alberda. Drie vragen doen zich na het aanschouwen van de grafsteen bij de onderzoeker op.


1. Wie is Bonno Awlsum (1526-1560) geweest?
2. Hoe komt hier het wapen van Alberda op dezen steen?
3. Wat is er waar van de overlevering aan de in dit graf rustende dode verbonden?


Het geslacht Awlsum, Ausum, Awelsum, ook wel Aulsuma, Ausuma, Ausma geschreven, bloeit in de 15e, 16e en 17e eeuw te Uithuizen. De leden van dit geslacht zijn hoveling of hoofdeling, schrijven zich jonker en komen reeds als grote grondbezitters in de 15e eeuw voor. De oudste van dit geslacht, door mij gevonden, is Dudo of Diwo Ausma, voor komende als een van de  „soensluyden" in een verdrag' van 1476 over het overrecht van Uithuizen gesloten. Toch schijnt de bakermat van het geslacht Awsum of Ausma niet in Uithuizen te moeten worden gezocht, doch in Eenum, waar al vroeg een Aulsuma- of Ausmaheerd onder de stemgerechtigde heerden voorkomt en nog in de 16e en 17e eeuw Bonne Auwsma grondbezit heeft gehad.


Een Bonno Awelsum of Ausma komt in 1489[2], 1503 en 1510[3] te Uithuizen voor. Vermoedelijk is diens kleinzoon de in 1526 geboren en in 1560 gestorven Bonno of Bunno Awlsum, die in de kerk te Uithuizen onder de fraaie steen ligt begraven.


Van deze edelman weten wij iets meer dan zijn geboorte- en sterfjaar. In het Nobiliarium van Coenders[5] lezen wij:


„1548 Sondags na Pontiaan[5] is geweest de bruiloft van Jr. Bonne Ausum en Juff. Abele Coeanders[6]. Zijn bruiloft kleren waren eene swarte cammelotten[7] mantel met 2 zijden lijsten en een rood fluwelen wammes[8] met een bruine fluwelen kolder[9] en een rode broek, gevoerd met taft[10]. De derde dag had hij aan een ton neijen cammelotten paltrock[11] met een zwarte zijden lijsten en een zwarte zijden wams[12] met een zwarte broek met zwart taft[13] gevoerd en een stootdegen, waarvoor hij had gegeven 76 rijders. De bruidskleren waren een goudgele cammelotten rok met 2 zwarte zijden lijsten en een bruine Engelse tabbert[14] met 2 rode zijden lijsten en met zwart onder gevoerd met 2 beslagen mouwen daarin, en een gouden hals band van 10 loot, daartoe een bellergordel[15], dat 2 maal ommeginck, een flitterde[16] huive[17] van 12 loot met een grote perlen cappe."


Zij die hoge waarde hechten aan het spreekwoord „de kleederen maken de man", zullen nu voldoende omtrent Jr. Bonno zijn ingelicht; zij, die deze leer niet huldigen, zullen deze mededeling enkel beschouwen als niet van belang ontbloot voor de kennis van de weelde en van het kostuum in de 16e eeuw. Van dezelfde Jr. Bonne weten wij verder nog uit het Nobiliarium, dat hij in zijn twaalfjarig huwelijk vier kinderen heeft gekregen, de „liberi haeredes" van de graf zerk. Zij zijn:
1. Botto, geb. 1549, overl. 1550, begraven in de kerk te Uithuizen;
2. Coert, geb. 1552;
3. Bauwe, geb. 1555;
4. Tjaecke, geb. 1556.


Behalve de reeds genoemde leden van het geslacht Ausma, zijn er nog enige afstammelingen uit dit geslacht in de kerk van Uithuizen begraven en wel allen in de grafkelder in de noordelijke zijvleugel, waar de bovenvermelde grafsteen is geplaatst. De laatste leden van het geslacht komen voor in het vierde kwartaal van de  17e eeuw.

 

Zij schijnen dan in macht en aanzien een vrij hoog standpunt te hebben ingenomen, blijkens de titels, waarmee zij zich schrijven:


„Ausma op Engersma, jonker en hoveling tot Uithuysen en Uythuyster Meden"

[18].

 

Engersma of Engersum is een van de heerden, in welk bezit men de heren Ausma reeds vroeg aantreft. De eerste, die zich onder de invloed van de naar meer titels en praalvertoon strevende tijdgeest Ausma op Engersma heeft geschreven, is Jr. Botto of Butto, overleden in 1605. Engersum zal dan waarschijnlijk ook meer burcht of landgoed dan wel een eenvoudige heerd zijn geweest; op de oude kaart van Beckeringh wordt, zo er al geen afbeelding als van zoveel andere burchten op te vinden is, de plaats met name en met aanduiding van een vierkanten „singel" van bomen aangewezen. Het heef gelegen geweest ten noorden van Uithuizen, de laatste overblijfselen zijn in 1855 gesloopt.


Voor de tweede vraag „Hoe komt het wapen van Alberda op deze steen", waag ik het een oplossing te geven. De dorpen Leermens, 't Zandt, Zeerijp en Eenum vormen gedurende vele eeuwen één rechtstoel[19] of redgerrecht. Een inzage in de klauwboeken[20] geeft direct de overtuiging, dat het geslacht Alberda in het gebied van deze rechtstoel zijn oorsprong moet zoeken. Behalve het grote aantal heerden, als eigendom van het geslacht Alberda of aanverwante geslachten daarin voorkomende, wijzen daarop voornamelijk de reeds vroeg voorkomende en ook nu nog bekende „Alberdaheert" en „Alberda nije heert." Aangezien nu „Ausmaheert" mede onder de boven aangeduide heerden in de genoemden rechtstoel voorkomt en de familie Ausma blijkens bovenvermelde redenen waarschijnlijk uit Eenum afkomstig is; aangezien het geslacht Auwsma blijkens de besproken grafzerk en een aantal zegels, op het oud-archief te Groningen aanwezig, het wapen van het geslacht Alberda heeft gevoerd, en eindelijk aangezien de weinig voorkomende voornaam Bunno of Bonno een naam is, welke door onderscheidene leden van het geslacht Alberda reeds vroeg wordt gedragen, zo bestaat er voorzeker grond voor het vermoeden, dat een van de  leden van het geslacht Alberda zijn woonplaats Eenum heeft verlaten en zich naar Uithuizen heeft begeven en, omdat er meer Bunno's waren, zich ter onderscheiding Ausma heeft genoemd naar de vroeger door hem bewoonde of bezeten Ausmaheert.


Hoe nu echter Bonno Awlsum, uit een onvervalste Groningse of liever Friese stam gesproten, door de overlevering een Spaans ridder is geworden, is mij niet recht duidelijk; gegevens, waarop deze overlevering berust of waaruit zij is voortgesproten, heb ik niet gevonden. Mag men het wagen hier eveneens een vermoeden te uiten? Zou het dan ook mogelijk zijn, dat Jr. Bonno Awlsum in zijn jongelingsjaren vóór zijn huwelijk, als zovele jonge Hollandse edelen, deel heeft uitgemaakt van de hofstoet van Karel V en aldus in Spanje is geweest? Hiervoor pleit de omstandigheid, dat volgens sommigen de overlevering luidt, dat de grafsteen in de kerk te Uithuizen is geplaatst boven het stoffelijk overschot van een Uithuizer ridder, die in Spaanse dienst zou zijn geweest. De overlevering toch is een slecht historieschrijver, het gaat met haar net als met de sneeuwbal, die van een dak glijdt. Hoe meer zij door de tijd wordt voortgestuwd, hoe groter haar omvang wordt en hoe moeilijker de oorspronkelijke kern van waarheid is te herkennen.


Doch hoe ook het zij, Jr. Bonno Awlsum is geen Spanjaard, doch een echte Uithuizer en uit de geschiedenis is tot dusver nog niet gebleken, dat hij een die „hervorragende Persönlichkeiten" is, wiens levensloop of grote daden het nauwgezet onderzoek van de historicus waardig zijn. Het doel van deze mededelingen is dan ook meer, om anderen op te wekken een onderzoek in te stellen naar de kern van waarheid, welke doorgaans in elke overlevering schuilt, terwijl men zonder schroom kan verklaren, dat er geen dorp in onze provincie is, waar niet aan enig huis, graf, toren enz. een overlevering of sage is verbonden. Voor de resultaten van die historische onderzoekingen stelt de redactie van dit jaarboekje gaarne zijn bladzijden open[21].”


Mr. J. A. FEITH

 

Uit: “VOLKSALMANAK VOOR 1890. JAARBOEKJE VOOR GESCHIEDENIS, TAAL- EN LETTERKUNDE OER PROVINCIE GRONINGEN ONDER REDACTIE VAN Mr. J.A. FEITH, COMMIES-CHARTERMEESTER BIJ HET OUD-ARCHIEF IN GRONINGEN, EN Mr. J. E. HEERES, ADJUNCT-COMMIES BIJ HET RIJKS-ARCHIEF TE 'S GRAVENHAGE.
GRONINGEN, ERVEN B. VAN DER KAMP. 1889”.

 

Lees verder: De borg Engersum bij Uithuizen.


Noten:

1 Helaas kan ik nergens aantonen dat deze steen nog aanwezig is. In de "Groninger Gedenkwaardigheden" van Pathuis/Alma wordt vermeld dat de steen niet meer aanwezig is. Is de zerk dan wellicht na 1890 uit de kerk verwijderd?

2 Voorkomende in het Klauwboek van de  redgerrechten van Tjassens onder no. 17, Uithuizen en Meeden." H. S., folio 175a Oud-Arch. van Gron.

3 Verzeg. 1503 No. 42 en 1510 No. 14 Oud-Arch. van Gron.

4 Uitgeg. Mr. H. O. Feith, 's Gravenh. 1886, pag. 79.

5 De dag Pontiaan (Sint Pontianus) valt in de katholieke traditie op 17 januari.

6 Dochter van Coert (Conradus) Coenders van Helpen (ca1500-1543) en Bouwe Clant (ca1502-1536.

7 Cammelot of camelot = zachte stof uit wol en geiten- of kemelshaar geweven.

8 Kledingstuk.

9 Een mouwloos leren vest of wambuis, vaak gedragen door soldaten.

10 Taft, een textielsoort, die ook wel taf, taffet, taffetas of tafzijde wordt genoemd.

11 Tonneije of taneyf is een bruingele, zwartachtig gele kleur.

12 Een zijden wams (of wambuis) is een nauwsluitend bovenkledingstuk voor mannen dat vooral in de 16e en 17e eeuw populair is geweest. Waar een standaard wams vaak van wol of linnen is geweest, geldt de zijden variant als een absoluut luxesymbool voor de elite.

13 Zwart taft (of taffeta) is een stevige, glad geweven stof met een karakteristieke lichte glans en een "knisperend" gevoel.

14 In een historische context verwijst de term 'tabbaard' (of tabberd) naar het lange ambtsgewaad van hoogwaardig-heidsbekleders, zoals de mantel van Sinterklaas.

15 Bellergordel = ? Belleren = slenteren, mooi gekleed wandelen.

16 Flitteren = glinsteren door trillende beweging.

17 Huif of huive = vrouwenmuts van kant.

18 UIthuizermeeden

19 Rechtstoel is - met name in de provincie Groningen - tot in de Franse tijd de benaming geweest voor de plaatselijke gerechten. Hieronder worden zowel de rechtsprekende colleges als hun ambtsgebied verstaan. In specifiekere zin werd vroeger onder een rechtstoel de zetel verstaan waarop een rechter plaats neemt als hij spreekt, waarbij de samenstellingen tevens het symbool is van zijn ambt.

21 Een klauwboek is in de provincie Groningen een officieel register van die boerderijen en huizen binnen de kluften (ook klauwen of clauwen) waarvan de eigenaar gerechtigd is om als redger of rechter op te treden. Oorspronkelijk gaat het rechterschap rond tussen alle inwoners die aan bepaalde criteria voldoen. De rechten zijn omgaand. De wijze waarop het recht omgaat is vastgelegd in zogenaamde klauwboeken. De boerderijen die in het klauwboek zijn opgenomen zijn de zogenaamde edele heerden.
De klauwboeken komen voor in de Ommelander gouwen die onafhankelijk zijn van de stad Groningen. De oude Friese vrijheid krijgt hier mede vorm door het zelf voorzien in rechtspraak en bestuur dat grotendeels op lokaal niveau, binnen de rechtsstoel, georganiseerd wordt.
Opname in het Klauwboek kan tot de heerlijke rechten worden gerekend.

21 Dit artikel is overgenomen, maar is deels tekstueel bewerkt en aangevuld met o.a. de noten en jaartallen, uit: “VOLKSALMANAK VOOR 1890. JAARBOEKJE VOOR GESCHIEDENIS, TAAL- EN LETTERKUNDE OER PROVINCIE GRONINGEN ONDER REDACTIE VAN Mr. J.A. FEITH, COMMIES-CHARTERMEESTER BIJ HET OUD-ARCHIEF IN GRONINGEN EN Mr. J. E. HEERES, ADJUNCT-COMMIES BIJ HET RIJKS-ARCHIEF TE 'S GRAVENHAGE.
GRONINGEN, ERVEN B. VAN DER KAMP. 1889”.

 


Deze pagina maakt deel uit van www.nazatendevries.nl. Aan bovenstaande tekst is de uiterste zorgvuldigheid besteed. Desondanks kunnen er best fouten voorkomen. Constateer je fouten en/of heb je vragen, correcties, aanvullingen......... geef die dan even aan mij door via mijn E-mail adres (zie rode balk boven). Wij hebben ons uiterste best gedaan om de auteurs van teksten/citaten en copyrightbepalingen van afbeeldingen te achterhalen. Mocht je rechthebbende zijn en hierover vragen of opmerkingen hebben, neem dan contact op via e-mail. Lees ook de 'Disclaimer' en 'Privacy' voor méér informatie en laat ook eens een bericht achter in het Gastenboek, dan weet ik waarvoor ik het doe.

Hoogeveen, 5 maart 2026.
Samenstelling: © Harm Hillinga.
Klik hier om naar het menu ARTIKELS te gaan.
Klik hier om terug te gaan naar de HOMEPAGE.
Top