E.C. van der Maes. Vaandrig, 1617. 's-Gravenhage, Gemeentemuseum.

Afb. boven: E.C. van der Maes. Vaandrig, 1617. 's-Gravenhage, Gemeentemuseum. Voor alle duidelijkheid: dit is een afbeelding van een vaandrig en is niet Jacob Eduard de Witte.

Inleiding op
Jacob Eduard de Witte

 

 

 

Zijn leven tussen 1763 en 1782

 

Jacob Eduard de Witte wordt geboren in 1763 en overlijdt in 1853. Hij is een landverrader geweest. Dat wordt hij doordat hij in 1782 als jonge vaandrig (zie afbeelding links) in een val wordt gelokt en militaire gegevens over de versterkingen van het eiland Schouwen uit handen geeft. Zijn leven speelt zich voornamelijk in het westen van ons land af, maar hij duikt ook even op in Groningen.

 

De man aan wie hij deze gegevens verstrekt, de Boskoopse boomkweker Pieter van Brakel, staat in contact met de Engelsen, zo heeft hij De Witte tevoren verteld. Het ziet er aanvankelijk naar uit dat de jonge vaandrig de doodstraf zal krijgen, maar het wordt uiteindelijk een gevangenisstraf die hij uitzit in de Gevangenpoort in Den Haag.

 

Bijna acht jaar zit hij vast en zijn belangrijkste bezigheid in die gevangenisjaren wordt de literatuur. Uit tijdverdrijf gaat hij schrijven en zo danken we aan dit geval van landverraad een oeuvre dat meer dan vijftig titels omvat en dat zeer divers is:

romans, toneelstukken, gedichten, pamfletten, toneelbewerkingen, enz.

 

Vele jaren na het uitzitten van zijn straf en gedurende een langdurige verbanning uit de provincies Holland, Friesland, Utrecht en Zeeland schrijft hij nog steeds. Zijn omvangrijkste niet-gepubliceerde werk is een autobiografie waarvan het handschrift sinds 1879 in het Algemeen Rijksarchief (Den Haag) wordt bewaard. (1) Het is een gedeeltelijke autobiografie, want hij beschrijft daarin de eerste 27 jaar van zijn leven en sluit af op het moment dat hij de Gevangenpoort verlaat (1790) en zijn verbanning ingaat.

 

De Witte schrijft deze autobiografische tekst in 1825 en geeft hem tot titel `Fragmenten uit de Roman van mijn Leeven`. Hij heeft het voornemen te zijner tijd een tweede deel te schrijven en daarom spreekt hij de hoop uit dat de lezers gunstig over dit eerste deel zullen oordelen. (2) Hij heeft zelfs al een uitgever gevonden - de boekhandelaars Visser en Co. in Amsterdam - maar de uitgave van dit eerste deel komt nooit op de markt. Daarom is het tweede deel vermoedelijk nooit geschreven. Het handschrift blijft in particuliere handen tot het naar het Rijksarchief verhuist. (3) In het eind van de negentiende eeuw wordt er door enkele historici aandacht aan De Witte besteed, ook aan zijn autobiografie, maar op een volledige uitgave van de Fragmenten uit de Roman van mijn Leeven heeft men nog een eeuw langer moeten wachten. (4)

 

 

De gevangenpoort in Den Haag anno juni 2003.
Foto boven: De Gevangenpoort is een middeleeuwse gevangenis in Den Haag. Sinds 1882 is in het gebouw een museum gevestigd. De gevangenpoort ligt dicht bij het Binnenhof en de Hofvijver. Achter de poort ligt wat in Den Haag nu de "Plaats" wordt genoemd. Aan het hoofd van dit plein heeft zich 'het Groene Zoodje' bevonden, wat de executieplaats is geweest. Bron: WP

De Wittes literaire werk krijgt tijdens zijn leven weinig weerklank en het raakt in de 19e eeuw bijna geheel in vergetelheid. Belangstelling voor populair proza uit de 17e en 18e eeuw voert in de jaren zeventig van de vorige eeuw eeuw terug naar schrijvers die tot de tweede garnituur worden gerekend omdat het genre dat ze beoefenen traditioneel weinig hooggeschat wordt. De Wittes briefromans behoren tot deze lang laaggeschatte, lang verwaarloosde categorie literaire teksten.

 

Wie zich in De Wittes werk verdiept, komt al snel verwijzingen tegen naar de rechtszaak uit 1782, die in die tijd voor veel opschudding hebben gezorgd. Dat hij bovendien over deze affaire een autobiografische tekst nalaat, maakt de literatuuronderzoeker nieuwsgierig naar het leven van de schrijver. Een nadere kennismaking met het werk - gepubliceerd en ongepubliceerd - voert tot de conclusie dat juist de ´Fragmenten uit de Roman van mijn Leeven´ lezenswaard zijn, meer dan de sentimentele briefromans en toneelstukken. Juist de omstandigheid dat De Witte een concreet object beschrijft (zijn eigen leven) en niet een fictief kader hoeft te creëren, lijkt ons de aantrekkelijkheid voor lezers van nu te bepalen. De lezer hoort een vroeg 19e eeuwer spreken over zijn eigen levensloop tot 1790. De Witte doet dat met gevoel voor dramatiek, wat niet verwonderlijk is voor iemand die maanden lang de doodstraf boven het hoofd hangt en uiteindelijk met een gevangenstraf wegkomt. En hij doet het met een overvloed aan details die de tekst levendig en interessant maken, omdat we er een indruk aan kunnen ontlenen betreffende het 18e eeuwse dagelijkse leven. Uiteraard kunnen we de Fragmenten niet gebruiken als bron voor de biografie van De Witte. (4) Immers, voor de biograaf is een autobiografie wel de minst betrouwbare bron. (5) Zeker in het geval van De Witte, die als landverrader te boek staat en zijn gedrag uit de vaandrigsjaren wil rechtvaardigen. Als het de lezer echter niet gaat om betrouwbare informatie over De Witte, dan blijft er genoeg over: een zeer lezenswaardig relaas over een jonge man uit een goede familie die door een misstap zijn leven verwoest. Het lijkt het plot van een roman en daarom geeft De Witte in zijn titel de indruk dat het om fictie gaat. Maar in zijn inleiding neemt hij de indruk die het gebruik van de term Roman in de titel bij de lezer wekt, weer terug: "Er zijn geene Romans: alles kan gebeuren". (6)

 

Pennevruchten.

Afb. boven: Pennevruchten in de gevangenis.. "Niettemin is het juist de romanschrijver aan wie we de leesbaarheid van de tekst danken. Al schrijvend en - vermoedelijk niet in de laatste plaats - lezend heeft de jonge De Witte in de gevangenis, geholpen door vrienden en bezoekers, in de literatuur een roeping gevonden. En in de autobiografie, die 40 jaar na zijn debuut wordt afgerond, herkennen we niets meer van de aarzelende stappen van De Wittes eerste pennevruchten."

 

Het is zonder meer opmerkelijk dat juist al in die tijd het mogelijk is voor familie en kennissen om een gevangene in de gevangenis te mogen bezoeken. Het toont aan dat de denkwijze van de mensen zo slecht nog niet is. Wij kijken vooral naar de zware lichamelijk straffen van toen, maar laten de menselijke achterweg, terwijl die -hoe opmerkelijk ook- al aanwezig is.

 

Ook het feit dat De Witte zijn vrouw juist leert kennen in de gevangenis geeft ons een beeld van herkenning en waardering, zonder daarbij De Witte als misdadiger te onderschatten.

 

Niettemin is het juist de romanschrijver aan wie we de leesbaarheid van de tekst danken. Al schrijvend en - vermoedelijk niet in de laatste plaats - lezend heeft de jonge De Witte in de gevangenis, geholpen door vrienden en bezoekers, in de literatuur een roeping gevonden. En in de autobiografie, die 40 jaar na zijn debuut wordt afgerond, herkennen we niets meer van de aarzelende stappen van De Wittes eerste pennevruchten. Hij is dan een onderhoudend schrijver die zijn lezers boeit en hen gemakkelijk doet geloven dat zij het verhaal lezen over een jongeman die het slachtoffer wordt van politieke kuiperijen.

 

De tekst zelf staat dan ook in deze uitgave centraal. Deze behoeft zelf weinig introductie, want noch het taalgebruik noch de stijl zullen de lezer voor problemen plaatsen. In de annotaties bij de tekst zijn we dan ook zuinig geweest. En de kwaliteiten van de tekst spreken voor zich: de anecdotes, de dramatiek, de details over het gevangenisleven in het eind van de 18e eeuw. De persoon van De Witte vereist wel enige introductie, juist waar we zijn eigen woorden op zulke belangrijke punten als (vermeend?) landverraad niet mogen vertrouwen. Vandaar dat het leeuwedeel van deze inleiding gewijd is aan een biografische schets, die gebaseerd is op archief- en literatuuronderzoek. Dat we daarbij uitvoerig stilstaan bij het proces uit de jaren 1782-1784 heeft onder meer te maken met het feit dat De Witte er zelf uitvoerig op ingaat. Bovendien betreft het gebeurtenissen die het leven van de schrijver volledig bepalen.

 

Daarnaast is het geval De Witte ook historisch interessant:

 

zijn zaak leidt tot een ommekeer in de militaire rechtspraak, tot afschaffing van het hoogste militaire rechtscollege, na botsingen waarbij de Stadhouder tegenover het belangrijkste gewest (Holland) staat. Dat het lange leven van De Witte - hij wordt 90 jaar - maar ten dele (5) te documenteren is, geeft ook de beperking van het onderzoek en dus van deze inleiding aan. Na het uitzitten van zijn straf (1790) komt hij herhaaldelijk met de justitie in aanraking - wegens verbreking van zijn eeuwige verbanning en wegens oplichting - en juist daaraan danken wij de sporen in rechterlijke archieven. Na 1807 vinden wij echter nauwelijks iets terug: hij heeft zichzelf dan spoorloos gemaakt. Toekomstig onderzoek kan daar verder gaan. Wij geven hieronder een voorlopige schets, met de nadruk op de periode tot 1790.

 


Criminaliteit in de achttiende eeuw

Niet altijd is Verlichting troef in de 18e eeuw. Er is naast onmiskenbare vooruitgang ook veel armoe en ellende. Geluk, rijkdom en voorspoed liggen zeker niet binnen ieders handbereik. Grote steden hebben te maken met bedelaars en dieven. En op het platteland, bijvoorbeeld in Nederlands en Belgisch Limburg, zaaien roversbenden als de ‘bokkenrijders’ angst.

 

In 18e-eeuwse literatuur wemelt het van de ongure types: losbollen, klaplopers, hoeren, dieven en oplichters. Veelzeggend is de bloei van de criminele biografie, waarin de levens van beruchte boeven worden beschreven. De bekendste boef uit de 18e eeuw is de Fransman Cartouche, aanvoerder van een roversbende. Maar ook Nederland heeft zijn eigen legendarische bendeleider: Jacob Fredrik Muller, alias Jaco. Ook zijn leven is stof voor een roman, net als dat van Hendrina Wouters. Zij berooft een oude vrouw en haar dienstmeid en snijdt hun vervolgens de keel door. De 28-jarige Hendrina wordt voor straf geradbraakt, de keel afgesneden, het hoofd, beide benen, en de rechterhand afgehakt. Wat van het lichaam over is wordt te kijk gezet.

 

Naast diefstal is prostitutie voor veel vrouwen een middel om het hoofd boven water te houden. Tussen 1650 en 1800 worden alleen al in Amsterdam 4633 hoeren veroordeeld. In de literatuur wemelt het van de verhalen over jonge meisjes die aan lager wal raken en hun diensten aanbieden in herbergen, kroegen en op straat. Actrices hebben op dat gebied een zeer slechte reputatie. In Venus en Cupido (1760) lezen we dat ze ‘genoodzaakt zijn ’s nachts te moeten werken om overdag tijd tot studeren te hebben’. De 18e eeuw is onverbiddelijk in strafmaatregelen. Een serie-inbreker moet het vrijwel altijd met de dood bekopen, hetzij aan de galg, hetzij aan de wurgpaal. Dieven en dievegges worden in het openbaar gegeseld of gebrandmerkt. Boetes, verbanning of opsluiting zijn strafmaatregelen waaraan ook schrijvers niet ontsnappen. Hendrik Wyermars krijgt vijftien jaar gevangenisstraf vanwege zijn boek Den ingebeelde chaos (1710), waarin iets te veel aan het bestaan van God wordt getwijfeld. Jacob Campo Weyerman slijt de laatste negen jaar van zijn leven in de Haagse Gevangenpoort vanwege ongeoorloofde journalistieke praktijken als chantage. Openbare straffen zijn doodgewoon in de 18e eeuw. Het is een van de manieren om potentiële misdadigers angst in te boezemen. Op bewaard gebleven prenten ziet men op de gezichten van het massaal toegestroomde volk echter weinig angst, meer sensatielust. Een zeer mediamiek geval is Johannes van Goch. Zijn strafzaak neemt jaren in beslag en krijgt veel publiciteit via allerlei pamfletten van broodschrijvers die er geld mee verdienen. Van Goch heeft op 29 juni 1775, in het bijzijn van omstanders, zijn ex-vriendin Anna Smitshuizen doodgestoken, omdat ze hem niet meer wil. Later verklaart hij dat hij zelfmoord heeft willen plegen, maar dat het slachtoffer hem heeft willen tegenhouden en daarbij per ongeluk in het mes is gevallen. Van Goch wordt in 1778 op de Dam onthoofd.

 

Ook gevangenen zijn openbaar bezit. Mannen worden opgesloten in zogenaamde rasphuizen, waar ze kleurhoudende boomstammen tot poeder moeten zagen en raspen, vrouwen in spinhuizen. Daar wordt in de 18e eeuw geen wol meer gesponnen, maar linnen genaaid. Dergelijke gevangenissen staan open voor publiek. Een bezoekje aan de gevangenis is voor veel Nederlanders en toeristen een leuk uitstapje. Je kunt er beroemde boeven in het echt zien. De beruchte schrijver Franciscus Lievens Kersteman, die jarenlang vastzit in Rotterdam wegens oplichting, krijgt in 1783 bezoek van een oude vijand die hem zijn excuses laat aanbieden. Hele oeuvres worden binnen de muren van de gevangenis geschreven. Jacob Eduard de Witte en Jean Henri des Villates, die eind 18e eeuw als politiek gevangenen vastzitten in de Haagse Gevangenpoort, ontwikkelen zich daar tot schrijvers. Zelfs slagen ze erin een paar schrijfsters te verleiden die zich dagelijks bij hen laten opsluiten. De twee paartjes brengen de dagen schrijvend door. Maria van Zuylekom publiceert Mengelingen in proza en poëzij (1788) en De Witte Schetzen van het menschelyk hart (1789). Cornelia van der Weyde schrijft de briefroman Henry en Louize (1794) terwijl haar geliefde Des Villates werkt aan de briefroman Karel of de dankbaare voedsterling (1796). (Bron: Lit.nl)

 

 

Het leven van Jacob Eduard de Witte 1763-1782

 

Portret van J.E. de Witte Sr. (1738-1809), foto collectie Iconografisch Bureau van aquarel, vroeger in de collectie Van Hövell-Engelen van Pijlsweert te Groesbeek. Kunstenaar onbekend.
Afb. boven: Portret van J.E. de Witte Sr. (1738-1809), foto collectie Iconografisch Bureau van aquarel, vroeger in de collectie Van Hövell-Engelen van Pijlsweert te Groesbeek. Kunstenaar onbekend.

De kinder- en jeugdjaren van Jacob Eduard de Witte

 

Jacob Eduard de Witte wordt met zijn tweelingbroer Johannes Gerardus (Jan Gerrit) op 2 april 1763 gedoopt in 's-Hertogenbosch. (7) De ouders, Jacob Eduard de Witte (1738-1809) en Anna Joanna Eeneschs (gedoopt 1740), laten de tweeling rooms-katholiek dopen, hoewel zij zelf gereformeerd zijn. Jacob Eduard zelf zal later ook gereformeerd door het leven gaan. (8) De familie De Witte is er een van hoge militairen. Grootvader Jacob Eduard (1708-1790) is generaal en tot op hoge leeftijd commandant van het fort Crevecoeur bij Den Bosch. Vader Jacob Eduard werkt als generaal voor de Generaliteit en later in dezelfde rang voor de Russen. De familie heet De Witte, maar vanaf het moment dat grootvader De Witte in het bezit komt van een verzameling genealogische aantekeningen, vat in de familie de mening post dat men afstamt van het geslacht De Witte van Haemstede, en dus van Floris V. Grootvader De Witte beroept zich daarop in 1782 en opnieuw in 1789. (9)

 

Jacob Eduard jr noemt zich vanaf 1797 met regelmaat voluit De Witte van Haemstede, maar ook wel weer kortweg De Witte. Als zijn overlijden in 1853 in Den Haag wordt aangegeven heet hij weer, net als bij zijn doop, Jacob Eduard de Witte. (10) Pas aan het einde van de 19e eeuw brengt een onderzoek van M.G. Wildeman uitkomst in deze naamsverwarring: het beroep op de afstamming van het beroemde geslacht mist grond. (11) Maar Jacob Eduard zal ongetwijfeld zijn opgevoed in de geest van behorend tot een bekend vaderlands geslacht.

 

Jacob Eduard is negen jaar toen hij met zijn ouders naar Amsterdam verhuist. Zijn vader heeft zijn militaire loopbaan ingeruild voor een burgerlijke betrekking, die van directeur over stadswerken en gebouwen in Amsterdam (12). Met een inkomen van ƒ4.500,- per jaar plus ƒ600,- voor paard en rijtuig is vader De Witte een ambtenaar van aanzien. In 1777 komt er een einde aan deze carrière. Vader De Witte wordt beschuldigd van malversatie, onder andere het aannemen van steekpenningen, en wordt ontslagen. (13) De familie vertrekt daarop eerloos uit Amsterdam. Later, in 1784, vertrekt de ex-directeur vanuit Amersfoort naar Rusland om daar als generaal bij de genie zijn militaire loopbaan weer op te nemen. (14)

 

De Witte jr zal in Amsterdam goed onderwijs hebben genoten. De positie van zijn vader brengt dat met zich mee. Ongetwijfeld zijn er in de familiekring ook kennissen van aanzien. Daarop wijst nog de bijdrage van Jacob Eduard jr in het liber amicorum van de componist en dirigent Bartholomeus Ruloffs, geschreven in 1794. (15) Het is mogelijk dat Ruloffs muzieklessen aan de kinderen van de stadsarchitect heeft gegeven. Voor zijn vader echter naar Rusland vertrekt, is Jacob Eduard zelf al een loopbaan als militair begonnen. Met een grootvader en vader, die beiden generaal zijn, ligt het in de lijn van de verwachtingen dat ook Jacob Eduard jr. militair wordt en het is waarschijnlijk niet moeilijk om een plaats voor hem te vinden, invloedrijk als zijn familie is. Hij wordt op 10 augustus 1780, 17 jaar oud, als officier in Amersfoort (de woonplaats van de familie) beëdigd, met de rang van vaandrig. Als de oorlogshandelingen van 1782 (vierde zeeoorlog met Engeland) beginnen, gaat hij met zijn eenheid mee naar Schouwen, in verband met de noodzaak tot versterkingen aldaar. (16)

 

Gevangen en veroordeeld van 1782 tot 1784

 

De aanloop

 

In schrille tegenstelling tot de Amsterdamse jaren, die jaren van overvloed moeten zijn geweest, is zijn eerste tijd als vaandrig met een cadetstractement dat maar niet verhoogd wordt, er een van schulden. In de zomer van 1782 schrijft De Witte in Brouwershaven een vierregelig versje dat zijn situatie kernachtig weergeeft: [p. 13]

 

Slegten Teid!

Quam ooit een leege beurs een droevig hooft te maaken ik heb er reeden toe,

om veelerhand zaaken want niet alleen mijn beurs maar ton;

en pijp en doos zijn leeg, helaas wat zijn de tijden slegt en boos. (17)

 

 

Begin 1797 kreeg Jacob Eduard de Witte van Haemstede een aanstelling als magazijnmeester en opzichter van het Franse militaire hospitaal in het voormalige Prinsenhof te Groningen. Hij beurde er het bepaald niet slechte tractement van bijna 50 gulden per maand, met vrije inwoning, turf en kaarsen, en iedere vier dagen vlees en brood toe. Weldra kwam ook zijn gezin naar Groningen over.
Afb. boven: Begin 1797 krijgt Jacob Eduard de Witte van Haemstede een aanstelling als magazijnmeester en opzichter van het Franse militaire hospitaal in het voormalige Prinsenhof te Groningen. Hij beurt er het bepaald niet slechte tractement van bijna 50 gulden per maand, met vrije inwoning, turf en kaarsen, en iedere vier dagen vlees en brood toe. Weldra komt ook zijn gezin naar Groningen over.

Hulp van zijn familie kan hij niet verwachten, omdat deze er zelf moeilijk voorstaat. De Witte roept daarom de hulp in van een kennis om een schuld van 30 ducaten in te lossen.(18) In deze omstandigheden ontmoet hij op 5 september 1782 op een kolfterreintje bij een boerderij in Brouwershaven de Boskoopse kweker Pieter van Brakel. Tijdens het kolven herinnert Van Brakel De Witte aan het débacle van zijn vader (het ontslag in Amsterdam van 1777) door een regel uit een liedje aan te halen: ´Wittje hoog hoog, Wittje laag laag´. (19) De vaandrig vat de regel op als een belediging aan het adres van zijn vader en verontschuldigingen volgen. Na het kolven hebben ze nagepraat onder het genot van enkele flessen wijn. Van Brakel heeft De Witte toen uitgehoord over de batterijen die het eiland Schouwen moeten verdedigen tegen een Engelse landing. Hij stelt de vaandrig 100 ducaten in het vooruitzicht als deze wil meewerken aan een plan dat een spoedige vrede tussen de Republiek en Engeland zal bewerken.

 

De Witte is snel gezwicht en heeft toegezegd bij een toekomstige landing alarmschoten achterwege te laten. (20) De Witte kan niet weten dat hij in een val loopt die door Van Brakel enkele dagen eerder is uitgedacht. De Boskoper is op 3 september bij de raadpensionaris van Holland, P. van Bleiswijk, gekomen met een verhaal over een ontmoeting op de Rotterdamse kermis (dat zal op 28 augustus zijn geweest) met een Engelsman die Cresit heet en die hem 40 Zeeuwse rijksdaalders heeft gegeven in de hoop dat hij met de Engelsen zal meewerken. Door dit verhaal aan de raadpensionaris op te dissen hoopt hij aanspraak te kunnen maken op de beloning die in oorlogstijd staat op het verstrekken van waardevolle gegevens die kunnen leiden tot aanhouding van spionnen.

 

Schets van het eiland Schouwen door J.E. de Witte (1782) met aanvulling in potlood door P. van Brakel en notities van de Krijgsraad en het Hof van Holland (1782-1783). Deze schets werd door Van Brakel meegenomen van de kamer van De Witte. ARA 's-Gravenhage HvH 5526.
Afb. boven: Schets van het eiland Schouwen door J.E. de Witte (1782) met aanvulling in potlood door P. van Brakel en notities van de Krijgsraad en het Hof van Holland (1782-1783). Deze schets werd door Van Brakel meegenomen van de kamer van De Witte. ARA 's-Gravenhage HvH 5526.

Hij zal de complotterende Engelsman in Zierikzee op 5 september weer hebben ontmoet en die zal hem de naam van De Witte als waardevolle informant hebben gegeven. (21) De Witte heeft Mr Cresit echter nooit ontmoet. Van Brakel vertrekt weer uit Brouwershaven op 7 september, nadat hij het ontwerp van een kaart van het eiland Schouwen-Duivenland bij zich heeft gestoken, dat De Witte heeft gemaakt. (22) Vanuit Rotterdam schrijft Van Brakel - onder het pseudoniem PRO PATRIA - een brief aan de Witte met verzoek om de gegevens over de versterkingen nog eens zwart op wit te zetten. (23) Daarna gaat hij naar raadpensionaris Van Bleiswijk en laat De Wittes kaartje zien als bewijs tegen de vaandrig.

 

Een paar dagen later is hij er weer met een brief in geheimschrift, die overigens niet van De Witte komt en waarvan de raadpensionaris een kopie aan de stadhouder stuurt.(24) Op aandringen van de raadpensionaris noemt Van Brakel tijdens dat gesprek voor het eerst de naam van De Witte. De Witte antwoordt per ommegaande op het schrijven van Van Brakel (de Pro Patria-brief) met een brief die hij met VADERLANDER ondertekent en waarin hij zeer precies opgave doet van de versterkingen op de eilanden: 8 batterijen met het aantal kanonnen en het kaliber, plus de namen van een commanderende officier, allemaal gegevens die een militair niet aan een burger mag verstrekken. (25)

 

Op 16 september schrijft Van Brakel een tweede Pro Patria-brief met verzoek om een betere kaart van de eilanden. (26) Op dezelfde dag liet hij De Wittes Vaderlanderbrief aan Van Bleiswijk zien. Het duurt na 16 september nog bijna een week voordat er iets door de autoriteiten wordt ondernomen. Op 24 september roept de stadhouder kolonel Volckier Rudolph van Bentinck en luitenant-kolonel C.J. van de Graaf bij zich en geeft opdracht de zaak in Brouwershaven te gaan onderzoeken. (27) Op 26 september leggen de twee hoofdofficieren De Witte tien vragen voor waarop hij mondeling en schriftelijk moet antwoorden. (28) De antwoorden die een kort overzicht bevatten van wat De Witte sinds 5 september is overkomen, stellen de beide hoofdofficieren niet gerust. De Witte moet mee naar Den Haag. Daar wordt de vaandrig op 27 september 1782 opgesloten in de provoost.

 

Het proces voor de Krijgsraad

 

Daags na de arrestatie wordt het onderzoek naar De Witte door de Krijgsraad geopend, eerst nog, op bevel van de Stadhouder, in het geheim en voor een beperkt gezelschap: Fiscaal J.G. van Oldenbarneveldt genaamd Tullingh, griffier L.L. van Reenen en de kolonels C. de Brauw en J.H. van Goens. Zij horen De Witte op 28 september en 1 oktober. Deze ontkent niets, want de Raad heeft met het door Van Brakel meegenomen kaartje en de gewisselde brieven de bewijzen in handen. (29) De Wittes verslag van de gang van zaken in Brouwershaven week nogal af van wat de Stadhouder en de fiscaal via de Raadpensionaris van Van Brakel hebben gehoord.

 

Schets van het eiland Schouwen door J.E. de Witte (1782?) aangetroffen bij zijn papieren ten tijde van de arrestatie. ARA 's-Gravenhage HvH 5526.
Afb. boven: Schets van het eiland Schouwen door J.E. de Witte (1782?) aangetroffen bij zijn papieren ten tijde van de arrestatie. ARA 's-Gravenhage HvH 5526.

Daarom wordt op 3 oktober ten huize van raadpensionaris Pieter van Bleiswijk (1772-1787)een bijeenkomst met Van Brakel belegd. Bij deze gelegenheid geeft Van Brakel een uitgebreide beschrijving van Master Cresit, het Engelse brein achter het landingsplan: 5 voet lang, tussen de 30 en 40 jaar oud, vief van uiterlijk, goed Hollands en Engels sprekend, gekleed in een gele rok met smal goud randje en een hoed met vierkante gesp en lint, met een badine (een stokje) in de hand en twee horloges in de zak. (30) De Stadhouder oordeelt, na door de fiscaal te zijn ingelicht, dat het proces tegen De Witte kan beginnen. (31)

Op 4 oktober krijgt De Witte een helbardier in zijn ‘kamer’ en wordt de provoost extra bewaakt. Op 5 oktober wordt hij voor het eerst voor de volledige Krijgsraad geleid, die de gegevens probeert na te trekken die Van Brakel twee dagen eerder heeft verstrekt. (32) Van Brakel belegt op 7 oktober in Rotterdam een bijeenkomst waarvan een verslag als pamflet verschijnt: ´Verhaal te Rotterdam, In een daar toe belegd gezelschap, sommierlijk gedaan op den 7 October 1782 door Brakel´. Volgens dit verhaal zou Ingenieur Crezy [sic] bij een van de ontmoetingen van De Witte gezegd hebben: "ik zie aan zijne ogen, dat hij wenste rijk te zijn [...] Ik heb Lavater door en doorleezen, en heb de Physionomiekunde op mijn duim". (33) Vermoedelijk probeert Van Brakel door zijn verhaal rond te bazuinen de publieke opinie te bespelen. Immers, in oorlogstijd zullen verhalen over spionnage en vijandelijke landingen snel gehoor krijgen. Daarmee wordt dan meteen ook de publieke opinie tegen De Witte bespeeld.

 

Op dezelfde dag, 7 oktober 1782 wordt het onderzoek naar De Witte als afgedaan beschouwd. De fiscaal adviseert de Raad: "dat de vaandrig de Witte zal worden verklaart eerloos en infaam en voorts gecondemneert te worden, om zijn degen voor de voeten te zien breeken en om daarna met den zwaarde te worden gestraft dat er de dood na volgt". (34) De fiscaal ziet wel een paar verzachtende omstandigheden: de leeftijd van De Witte, zijn benarde financiën, het feit dat hij geen direct contact met de vijand heeft gehad (geen verraad ‘in den hoogsten trap’) en tenslotte de omstandigheid dat hij tot zijn daad is aangezet onder belofte van geld te zullen ontvangen. De raad besluit daarop eenstemmig tot de doodstraf door ophanging; De Wittes degen zou in stukken worden gebroken en hem voor de voeten worden geworpen en na de executie zou zijn lichaam aan een buitengalg worden opgehangen als afschrikwekkend voorbeeld. (35)

 

Helbaardier of hellebaardier

Een hellebaardier is een soldaat die bewapend is met een hellebaard. Dit type soldaat komt op in de Middeleeuwen maar verdwijnt langzaamaan gedurende de 16e en 17e eeuw. De hellebaard ontwikkelt zich uiteindelijk tot een ceremonieel wapen, als onderscheidingsteken voor een onderofficier.

De hellebaard is een houw- en stootwapen uit de Middeleeuwen dat bestaat uit een lange houten stok met een ijzeren punt, en daaronder, tegenover elkaar geplaatst, een bijl en een haak.

 

Een hellebaard.

De Stadhouder laat direct daarna de bewaking in en bij de provoost verscherpen. (36) Op 9 oktober vraagt de raad zich nog af of het aan den volke vertonen van het lijk voor een officier niet een te zware straf is, maar - zeggen de notulen: "het hangen aan de buitengalg zal blijven en [...] de Sententie [is] finaal gearresteerd". (37) Uit het feit dat de raad zich met de overweging aangaande de eer van De Witte, die volkomen verloren zou zijn als zijn lijk aan de galg hangt, bezig houdt, terwijl de sententie zo goed als vast staat, blijkt wel hoe belangrijk de eer en het eergevoel in die tijd zijn geweest. De sententie wordt ter goedkeuring aan de Stadhouder voorgelegd. Hij is immers de hoogste militair in de Republiek en dus neemt het hoogste militaire rechtscollege geen belangrijke stap buiten hem om. Men regelt de details van de terechtstelling en De Witte krijgt te horen dat zijn zaak er slecht voorstaat. Men is bang dat hij ‘zich eenig zins te kort zou kunnen doen met een hals of neusdoek’ en dus worden er permanent twee helbardiers (zie kolom hierboven) in zijn kamer geplaatst en worden de gordijnen van zijn bedstede weggehaald. (38)

 

Alles wijst erop dat de dagen van de vaandrig geteld zijn. Pas als de Stadhouder de stukken naar het Hof van Holland stuurt (13 oktober 1782) om onderzoek naar medeplichtigen mogelijk te maken (de executie zal zo lang worden opgehouden), wordt er iets tegen Van Brakel ondernomen. Dat is natuurlijk niet de taak van de Krijgsraad geweest, aangezien Van Brakel geen militair is. De procureur-generaal van het Hof heeft niet lang nodig om de ernst van de zaak in te zien. Hij laat Van Brakel op 15 oktober in Boskoop arresteren en opsluiten in de civiele gevangenis van het Hof (de kastelenij). (39)

 

Van de Krijgsraad naar het Hof

 

Na zijn veroordeling als landverrader – hij was als jong vaandrig in de val gelokt en had militaire gegevens prijsgegeven – zat Jacob Eduard de Witte (1763-1853) bijna 8 jaar opgesloten in de Gevangenpoort in Den Haag. Uit tijdverdrijf schreef hij er meer dan vijftig titels: romans, toneelstukken, gedichten, pamfletten, toneelbewerkingen etc. Met veel gevoel voor dramatiek beschreef De Witte in 1825 ook zijn eigen leven tot aan zijn vrijlating en verbanning in 1790. Fragmenten uit de roman van mijn leeven, levendig en interessant door zijn gedetailleerdheid, leidde tot een ommekeer in de militaire rechtspraak.

Afb. boven: Jacob Eduard de Witte, Fragmenten uit de roman van mijn leeven. Editie Grietje Drewes en Hans Groot. 1993, 178 blz., ingenaaid, geïllustreerd, isbn 90-6550-122-3, €20,–.

Na zijn veroordeling als landverrader – hij was als jong vaandrig in de val gelokt en had militaire gegevens prijsgegeven – zat Jacob Eduard de Witte (1763-1853) bijna 8 jaar opgesloten in de Gevangenpoort in Den Haag. Uit tijdverdrijf schreef hij er meer dan vijftig titels: romans, toneelstukken, gedichten, pamfletten, toneelbewerkingen etc. Met veel gevoel voor dramatiek beschreef De Witte in 1825 ook zijn eigen leven tot aan zijn vrijlating en verbanning in 1790. Fragmenten uit de roman van mijn leeven, levendig en interessant door zijn gedetailleerdheid, leidde tot een ommekeer in de militaire rechtspraak.

De Witte, die in afwachting van de uitspraak en de uitvoering van het vonnis, bange dagen doorbrengt in de provoost, krijgt ‘hulp’ uit een hoek die hij allerminst kan verwachten. Op 16 oktober, nog geen week nadat griffier Van Reenen hem de ernst van de zaak onder ogen heeft gebracht en maar een paar dagen na de eerste bezoeken van de ziekentrooster De Bruin, dienen de gedeputeerden van Amsterdam bij de Staten van Holland een resolutie in, waarin het door de Krijgsraad gevoerde proces ‘nul, en onbestaanbaar’ wordt genoemd en de Krijgsraad zelf "notoirlyk incompetent". (40) De Engelsen zullen de landing op Goeree hebben willen doen en daarom is "de Hoogheid en de Souverainiteit van deese Provincie [= Holland]... ten sterkste geattacqueert worden". Het is een zaak voor het gerechtshof van de provincie Holland, het Hof van Holland, aldus Amsterdam, en dus moet De Witte worden overgedragen. (41)

 

De Stadhouder, daags daarna van het voorstel van Amsterdam op de hoogte gesteld, verweert zich sterk: het gaat om een militair delict, in Zeeland gepleegd, door een geboren Brabander die als militair ter repartitie van Utrecht staat (betaald wordt door Utrecht). Genoeg argumenten voor berechting door een Generaliteitsrechtbank als de Hoge Krijgsraad. (42) Er kan dus van overdracht geen sprake zijn. Wel wijst de Stadhouder er fijntjes op dat hij de stukken in de zaak De Witte al aan het Hof van Holland heeft gestuurd voor eventuele berechting van medeplichtigen.

 

De discussie over de competentie in de zaak De Witte, die de resterende maanden van 1782 in beslag zal nemen, kent naast de Stadhouder en de Hollandse Staten (met Amsterdam als drijvende kracht) nog een derde belanghebbende partij: de Zeeuwse Staten. Aangezien het ‘misdrijf’ in Zeeland is gepleegd, tegen Schouwen is gericht en de verdachte binnen de provinciegrenzen is gearresteerd, zijn de Zeeuwse Staten van mening dat het Hof van Zeeland competent is in deze zaak. En Zierikzee beklaagt zich over het "sijngulieren gevangenneemen van dien persoon [De W.] op hun territoir buijten hunnen voorkennisse." (43)

 

Het meningsverschil over de competentie in de zaak tegen De Witte heeft echter een bredere achtergrond. De zaak vormt een aanleiding om de algemene discussie over de militaire jurisdictie in de Republiek, die in 1772 tussen de Staten van Holland en de Stadhouder is gevoerd, maar sindsdien zonder gevolg is gebleven, te hernemen "om de desordres [...] eens te doen ophouden", aldus Amsterdam. (44) De Stadhouder verweert zich in een brief aan de Staten van Holland waarin hij onder verwijzing naar zijn hoge ambten zijn verantwoordelijkheid ten opzichte van Holland, de zes andere provincies én de Unie naar voren brengt. (45)

 

De discussie wordt echter niet alleen schriftelijk en binnen de hoge colleges gevoerd. De kranten blijven ook niet stil en er verschijnen over De Witte en de militaire jurisdictie verschillende pamfletten. De impasse waarin de zaak terechtkomt - en waardoor De Witte lange tijd in de grootste onzekerheid verkeert omtrent zijn lot - komt op 2 december 1782 dichter bij een oplossing door de beslissing van de Zeeuwse Staten om af te zien van de berechting van De Witte en deze ‘bij delegatie’ over te laten aan het Hof van Holland. (46) De Stadhouder doet de volgende stap. In de vergadering van de Staten-Generaal van 24 december 1782 stelt hij voor De Witte over te dragen aan het Hof van Holland, maar deze overgave en de erop volgende berechting mogen geen gevolgen hebben voor de militaire jurisdictie. De Stadhouder sluit zich hiermee aan bij het Zeeuwse voorstel; ook bij hem is van berechting bij delegatie sprake. Daarmee wil hij nogmaals aangeven dat zijns inziens De Witte door de juiste instantie is berecht. De Staten-Generaal nemen het voorstel aan en machtigen de Stadhouder tot de overgave, maar de gedeputeerden van Holland en West-Friesland protesteren heftig. De resolutie is beledigend voor hun provincie en haar wordt onrecht aangedaan. Zij vechten de rechtmatigheid van meerderheid van stemmen aan en achten de Staten-Generaal niet competent tot het nemen van zo'n beslissing. Voor Holland is de zaak te onverkwikkelijker aangezien er een resolutie in de Staten van die provincie klaarligt over dezelfde zaak. (47) De Hollandse Staten achten zich niet gebonden aan de resolutie van de Staten-Generaal en nemen op 27 december 1782 een eigen resolutie aan die grotendeels overeenkomt met het Amsterdamse voorstel. De procedures voor de Krijgsraad worden van de hand gewezen en de berechting van De Witte wordt rechtstreeks opgedragen aan het Hof van Holland. Van ‘delegatie’ kan geen sprake zijn. (48) Het heeft er alle schijn van dat de Stadhouder, wetende dat Holland in die zin zal gaan beslissen, de provincie probeert te snel af te zijn, in de hoop daarmee de gevolgen voor de militaire jurisdictie te beperken. Dat mislukt echter.

 

In 1783 wordt de Hoge Militaire Krijgsraad door de Staten-Generaal afgeschaft. (49) De Krijgsraad wikkelt de zaak heel snel af. Op de avond van 26 december 1782 wordt De Witte overgebracht van de provoost naar de Gevangenpoort, geboeid aan een helbardier, en onder bewaking van een officier, 24 (!) manschappen, een korporaal en acht ruiters. En tenslotte - niet zonder betekenis - in een gewone jas, zonder enig teken van militaire uitrusting. Met het laatste heeft de krijgsraad nog een zet willen doen: niet de vaandrig maar de burger De Witte wordt overgedragen. (50) Later zal blijken dat de Witte door het oog van de naald is gekropen: voordat de krijgsraad de doodstraf heeft kunnen uitspreken, is hij in de minder bedreigende handen van het Hof van Holland terecht gekomen.

 

Van Brakel verschijnt voor het Hof

 

De martelkamer in de Gevangenpoort van Den Haag.
Foto boven: De martelkamer in de gevangenpoort van Den Haag waar Van Brakel wordt vastgebonden en uitgerekt ook krijgt hij er slagen. Bron: WP.

Al een paar dagen na het begin van het onderzoek in de zaak tegen Van Brakel en nog voor het eerste verhoor geven de raadsleden de procureurgeneraal IJ. 't Hoen in overweging dat Van Brakel door De Witte tot verraad te verleiden, een misdaad heeft begaan. (51) De verhoren van Van Brakel tussen 29 oktober en 16 november 1782 concentreren zich grotendeels op de episodes met de Engelsman Master of Ingenieur Cresit. (52) Tussen 5 en 18 november hoort het Hof een kleurijk gezelschap van houders van koffiehuizen, logementen, kermistenten en wafelkramen, om over de ontmoetingen van Van Brakel met Cresit getuigenverklaringen te krijgen. (53) Op grond van deze verhoren vindt de procureur dat er reden is om Van Brakel van de civiele gevangenis van het Hof naar de criminele gevangenis over te brengen. Op 19 november gaat Van Brakel naar de Gevangenpoort. Er volgen nog 17 verhoren van Van Brakel voor het Hof en pas nadat hij op 17 april 1783 in de pijnkelder is gebracht en is ‘opgehaald’ (vastgebonden en uitgerekt!) en hem enkele slagen zijn toegebracht, geeft hij toe dat hij de hele geschiedenis verzonnen heeft om geld op te strijken. Cresit heeft nooit bestaan en De Witte heeft hij toevallig in Brouwershaven aangetroffen en tot slachtoffer van zijn boosaardig plan gemaakt, dat hij enkele dagen voor die ontmoeting heeft bedacht en met het verhaal waarvan hij in eerste instantie naar Raadpensionaris Van Bleiswijk is gegaan. (54) Met deze bekentenis is De Witte uiteraard zeer gediend. Vast is komen te staan dat het hele landingsplan en de verleiding van De Witte zijn ingegeven door de geldzucht van Van Brakel.

 

De Witte verschijnt voor het Hof

 

Terwijl het proces tegen Van Brakel voor het Hof van Holland maanden duurt, omdat hij het Hof met zijn verhaal over Cresit een rad voor ogen draait, kan het zelfde Hof de zaak tegen de vaandrig snel afhandelen. Op de 10e januari 1783 bekent De Witte dat hij schuldig is aan landverraad. (55) Het Hof beschikt in de papieren van de Krijgsraad natuurlijk over veel informatie. Daarbij komt dat de Wittes aandeel in het geheimzinnige landingsplan veel duidelijker is dan het aandeel van Van Brakel, die veel vaker wordt verhoord en wiens zaak pas in april 1783 als afgehandeld kan worden beschouwd. De Witte en Van Brakel, beiden in de Gevangenpoort, worden op 31 januari en 1 en 3 februari met elkaar geconfronteerd, maar hun lezing van de gang van zaken staat op verschillende punten lijnrecht tegenover elkaar. (56)

 

Op 5 februari, als De Witte in de zaak tegen Van Brakel als getuige wordt gehoord, geeft hij het Hof in overweging "dat, gelijk hem gev[angen]e uit het geene hij tot hiertoe van de zaaken uit de verhooren & confrontatien met Van Brakel heeft vernomen, is voorgekoomen, apparentelijk gefingeert is". Hij licht toe dat er in de dagen dat hij Van Brakel leert kennen in Brouwershaven een Engelse kaperkapitein verblijft met een knecht die hem wel heel erg doen denken aan Van Brakels verhaal over Cresit en diens joodse knecht. (57) Pas twee maanden later geeft Van Brakel toe dat hij de hele zaak verzonnen heeft. De eis van procureur-generaal 't Hoen tegen beide gevangenen wordt op 20 mei 1783 door het Hof naar de Staten van Holland gestuurd. Tegen De Witte voert hij als voornaamste punten aan, dat hij op van Brakels verzoek gegevens over de batterijen op het eiland Schouwen heeft verstrekt, dat hij bij een landing zijn batterij (de Os) zal laten ‘zwijgen’, dat hij zich niet heeft verzet tegen het wegpakken van een kaartje door Van Brakel, dat hij de militaire gegevens per brief nog eens heeft opgegeven, dat hij zijn superieuren niet direct op de hoogte heeft gesteld, dat hij zich dus heeft schuldig gemaakt aan ‘verstandhouding’ met het doel vijandelijke landingsplannen te begunstigen. Een verzachtende omstandigheid is dat Van Brakel het landingsplan heeft gebagatelliseerd. De Witte heeft zelf gewezen op zijn jonge jaren, zijn benarde financiële situatie, terwijl hij nooit van plan zou zijn geweest het plan ook echt te helpen begunstigen. Niettemin is de eis streng: De Witte moet "met den Swaarde gestraft [worden] dat 'er de dood na volgde". (58) Tegen Van Brakel voert de procureur-generaal aan, dat zijn verhaal over Cresit en het landingsplan ‘een louter figment’ is, dat door hemzelf is bedacht. Hij heeft de Raadpensionaris misleid en bedrogen en het leven van De Witte in gevaar gebracht. Er zijn geen verzachtende omstandigheden. Van Brakel moet in het openbaar worden gegeseld en gebrandmerkt, 25 jaar in een tuchthuis worden opgesloten (en daar de kost verdienen) en zal na het uitzitten van zijn straf eeuwig worden verbannen uit Holland, Zeeland, Friesland en Utrecht. (59)

 

De eis tegen De Witte is net zo zwaar als de veroordeling van de Krijgsraad en het feit dat de hele zaak gefingeerd is en aan het brein van Van Brakel is ontsproten, heeft daar niet veel aan veranderd. Op dat punt wijst De Witte wel duidelijk in zijn gratieverzoek dat door twee juridische adviseurs is opgesteld. Het wordt ingediend bij de Stadhouder die het snel doorstuurt aan de Staten van Holland, maar hij schrijft erbij dat hij een kopie aan de Zeeuwse Staten gestuurd heeft, een duidelijke poging om Holland te herinneren aan het feit dat het proces ‘bij delegatie’ plaats heeft gevonden.(60) De Staten nemen het rekest niet in behandeling, omdat het niet tot hen is gericht, waarna het rekest in nagenoeg dezelfde bewoordingen opnieuw wordt ingediend bij de Staten van Holland, Deze besluiten eerst het Hof van Holland om advies te vragen. (61) De adviezen van de procureur en het Hof, die op 10 oktober 1783 worden besproken, wijken gedeeltelijk af. Volgens de procureur zijn sommige van de aangevoerde punten van het rekest niet ter zake doende, maar er zijn wel omstandigheden die strafvermindering mogelijk maakten. Hij adviseert het Hof af te zien van de doodstraf en te kiezen voor een gevangenisstraf van "een seeker getal van jaaren" en eeuwige verbanning. Het Hof is echter strenger in zijn advies aan de Staten. Het verzoek om gratie kan van de hand worden gewezen. De verzachtende omstandigheden zijn niet van dien aard dat daar gratie op kan volgen. Als enig punt brengt het Hof naar voren dat de zaak buiten de schuld van De Witte veel meer tijd in beslag heeft genomen dan gebruikelijk is. (62) De Witte heeft zich ook tot de Staten van Zeeland gewend met een gelijkluidend gratieverzoek en het overleg tussen Holland en Zeeland zal de zaak lang ophouden.

 

 

De Staten van Holland in vergadering in 1625.
Afb. boven: De Staten van Holland in vergadering in 1625. Bron: WP.

 

 

Op 19 februari 1784 pas wordt door een commissie van de Staten verslag uitgebracht over de adviezen van de procureur en het Hof. De overweging van het Hof over de lange looptijd van het proces wordt overgenomen en strafvermindering wordt mogelijk geacht. Na nieuw overleg met de Zeeuwen besluiten de Hollandse Staten op 20 april 1784 De Witte de doodstraf en iedere andere straf op een schavot kwijt te schelden en het voor het overige aan het Hof over te laten. Zeeland stemt hiermee in. (63) Ook voor Van Brakel wordt een gratieverzoek ingediend en wel door zijn moeder, Jannetje van Tol, maar de procureur, het Hof en later de Staten zijn eensgezind: het wordt op 19 april 1784 van de hand gewezen. (64) Op 7 mei 1784 neemt het Hof van Holland een beslissing in de zaken tegen De Witte en Van Brakel, op 21 mei wordt het vonnis uitgesproken. De rechtbank verklaart De Witte

 

"vervallen te zijn van zijne Militaire Charge en Inhabil om int vervolg immer den Lande te dienen.
Condemneert denzelven voorts, om voor den Tijd van 6 Jaaren in een verseekerde plaats binnen
de provincie te worden gedetineert."

 

Verder zal na het uitzitten van zijn straf eeuwige verbanning volgen uit de provincies Holland, Zeeland, Friesland en Utrecht. Op verbreking van de verbanning komt een zware straf te staan. Tenslotte moet hij nog de kosten van de gevangenhouding betalen. (65) Van Brakel wordt veroordeeld tot een aantal zware lijfstraffen: een publieke geseling onder de galg met een strop om zijn hals en brandmerking, en tot een vrijheidsstraf van 25 jaar in een tuchthuis, waar hij moet werken voor de kost. Verder wacht ook hem na afloop van zijn strafuitzitting verbanning, soortgelijk aan die van De Witte en ook hij moet de kosten van gevangenhouding betalen. (66)

 

De Witte komt er, de dreigende doodstraf in aanmerking genomen, met zijn zes jaar genadig af, maar het zal desondanks een bittere pil geweest zijn. Dat is uitgekomen dat het om een valstrik is gegaan en dat van een landing of contacten met de vijand helemaal geen sprake is geweest, heeft hem wel iets geholpen, maar hem niet behoed voor een lange gevangenisstraf. Van Brakel is in Zeeland op zoek geweest naar iemand die zijn ongeloofwaardige verhalen tegenover de Hollandse raadpensionaris geloofwaardig kunnen maken. In de door schulden geplaagde vaandrig heeft hij een gemakkelijk slachtoffer gevonden. Dat Van Brakel sluw is, blijkt wel uit het feit dat hij Van Bleiswijk enkele weken en het Hof van Holland enkele maanden om de tuin weet te leiden.

 

Tussen De Wittes aanhouding en de veroordeling liggen twintig maanden, terwijl zowel de Krijgsraad als het Hof binnen enkele weken klaar zijn met de zaak. De meeste tijd verloopt met de twist over de jurisdictie (oktober-december 1782), het onderzoek naar Van Brakels verhalen (oktober 1782-april 1783) en de behandeling van het gratieverzoek (mei 1783-april 1784), vooral doordat het overleg met Zeeland tijdrovend is. Al met al zal De Witte een moeilijke tijd hebben doorgebracht. Hij is negentien jaar als hij wordt aangehouden, leeft maandenlang in de wetenschap dat hij het met de dood kan bekopen en ziet zijn familie (vader, stiefmoeder, broers en zussen) naar Rusland vertrekken, terwijl hij nog in afwachting van het vonnis is. De publieke opinie, voor zover die weerspiegeld wordt in pamfletten, is op De Wittes hand, al blijkt dat pas duidelijk als Van Brakels verhaal een luchtballon blijkt te zijn. Al in 1782 legt een dichter onder het pseudoniem Philateles vol mededogen de volgende woorden in de mond van De Witte:

 

Hoe werd ik niet ontroerd, toen mij die zak met Geld

Dat lokaas voor mijn Jeugd, zoo schandig werd gegeven. (67)

 

En de schrijver van het biografische pamflet over Van Brakel kan in 1784, nadat die zijn intrek heeft genomen in het tuchthuis te Gouda onder het portret van Van Brakel schrijven:

 

Zie, in dit Beeld, een schelm, door 't gansche Land berucht;

Een snoode Valschäart, die, door Geldzucht aangedreeven,

Een Jongling bracht ten Val, Zelfs in 't gevaar van 't Leeven 't

Is BRAKEL, volgens recht gestraft en thans getucht. (68)

 

 

Jacob Eduard de Witte in de Gevangenpoort in Amsterdam van 1784 tot 1790

 

Jacobus Scheltus en Wilhelmina Zoodaar

 

Jacobus Mr. Scheltus ('s-Gravenhage 21 mei 1758 - Leiden, 29 maart 1832) is de zoon van Paulus Mr. Scheltus (1736-1808) en Francina Alida Vosmaer (1738-1786). Zijn eerste huwelijk vindt plaats op 27 september 1786 te 's-Gravenhage met Henrietta Margaretha Mulder (1768-1855) en het gezin krijgt twee kinderen, Ludolf Jacobus Hendrik Scheltus van Kamperbeke in 1791 en Paulus Arend Scheltus (1808-1892).

 

Hij krijgt een relatie met Anna Wilhelmina Zoodaar en huwt haar op 21 december 1784, nadat hij van Henrietta is gescheiden.

Jacobus Mr. Scheltus is advocaat Hove van Holland, notaris en schepen van Leiden.

Ter gelegenheid van dit huwelijk schrijft Jacob Eduard de Witte: "In Huwelijks-zangen, voor den weledelen heere Mr. Jacobus Scheltus, en mejufvrouwe Anna Wilhelmina Zoodaar, vereenigd op den 21e. van wintermaend 1784."

Als De Wittes gevangenisstraf van zes jaar ingaat, is hij 21 jaar. Zijn moeder is al gestorven, zijn vader met het gezin naar Rusland vertrokken. Andere familie woont buiten Amsterdam. Hem wacht - na zes jaar Gevangenpoort - een eeuwige verbanning naar de buitenprovincies. De weg naar een militaire carrière is afgesloten; hij heeft onderwijs genoten, maar geen vak geleerd; zijn familie is niet bemiddeld. (69) Vanaf zijn intrede in de Gevangenpoort heeft De Witte van doen met Willem Budding, die drossaart en cipier is, na 5 mei 1784 met cipier Jacob Zehender. Deze krijgt bij zijn aantreden een aantal strengere voorschriften opgelegd, waardoor - zeker aanvankelijk - het verschil met het gemakkelijke regiem van Budding door de gevangenen gevoeld wordt. (70) De Witte moet na zijn veroordeling zelf de verblijfskosten betalen: 18 stuivers teerkosten per dag (in 1784 nog verhoogd tot 22), 3 stuivers voor beddegeld en dan nog een bedrag voor turf, kaarsen, wijn, brandewijn of jenever.

 

Hij richt zich direct tot het Hof om kwijtschelding van die kosten te verkrijgen. (71) Bezoek mag hij ontvangen en - al is er weinig familie in de buurt - er zijn wel kennissen en relaties van de familie. De cipiers hebben aan bezoekers een bijverdienste, dus zijn zij in veel gevallen niet streng. Dankzij de gedrukte werken van De Witte weten wij dat hij zijn dagen (groten)deels vult met literaire werkzaamheden. Daarin vindt hij een bezigheid die met niet al te veel moeite in de gevangenis kan worden vervuld: een tafel en een stoel heeft hij, over papier, pennen en inkt hoeft hij slechts de cipier te raadplegen. Het al geciteerde versje ‘Slegten Teid’ van 1782 dateert al van voor zijn arrestatie, de volgende proeve van dichtkunst kennen wij uit december 1784, een bruiloftzang voor Jacobus Scheltus en Wilhelmina Zoodaar (zie ook rechter kolom).(72)

 

Een tweede gelegenheidsgedicht, op het verdrinken van zijn broer Fredrik Hendrik in augustus 1785, bewijst dat het De Witte ernst is met zijn pogingen om dichter te worden.(73) Het gedicht is interessant omdat er autobiografisch materiaal in verwerkt is. De Witte blijkt bovendien vooruitgang te hebben geboekt als dichter: het gedicht op Fredrik Hendrik van De Witte is meer geslaagd dan de bruiloftzang uit 1784. De Witte vermeldt het bestaan van dit gedicht in een afzonderlijke uitgave in zijn autobiografie. Wij kennen de tekst ervan alleen uit de verzamelbundel Dicht-offer aan Themire, 1788, p. 28-31. Daar luidt de titel: "Mijne aandoeningen, Bij het ontvangen der bittere maare, wegens het verdrinken van mijnen geliefden Broeder, Fredrik Hendrik de Witte, In de maand Augustus, van den jaare 1785."

 

Het eigenlijke debuut van De Witte dateert van 1786 en is veel meer literair dan de eerder verschenen gelegenheidspoëzie. Hij noemt Cephalide zelf ook "het eerste werkje, dat ik van my ter Drukpersse overgeev".(74)

 

Cephalide.
Afb. boven: Omslag van het boek Cephalide. "De Witte laat zich voor Cephalide in alles inspireren door Julia (1783) van Rhijnvis Feith en is nu ook prozaschrijver geworden, zij het van een zeer bepaald soort: het onrealistische, sentimentele proza dat in die jaren in de smaak valt, ook nog in een populaire vorm, die van de briefroman." Bron v.d. afb.: "Cephalide Door Jacob Eduard de Witte van Haemstede", gedigitaliseerd door Google.

De Witte laat zich voor Cephalide in alles inspireren door Julia (1783) van Rhijnvis Feith en is nu ook prozaschrijver geworden, zij het van een zeer bepaald soort: het onrealistische, sentimentele proza dat in die jaren in de smaak valt, ook nog in een populaire vorm, die van de briefroman. De besprekingen in het najaar van 1786 in de "Boekzaal der Geleerde Wereld en de Vaderlandsche Letter-oefeningen zijn mede ingegeven door medelijden met de schrijver, die aanmoediging verdient en ‘zynen tyd in de gevangenis, tot nut en vermaak zyner landgenooten, [zal] besteeden".(75)

Op dit medeleven heeft De Witte al gespeculeerd in zijn Voorbericht. In de jaren dat hij gevangen zit schrijft De Witte veel. We tellen tussen 1785 en 1790 vierentwintig uitgaven: romans, toneelstukken, poëzie, gelegenheidsgedichten. En hij kan terecht bij boekhandelaars en uitgevers in Den Haag, Leiden en Amsterdam, waaronder bekende uitgeversadressen. In die jaren tellen wij meer dan tien verschillende uitgevers/boekhandelaren. Het lijkt onwaarschijnlijk dat hij dat literaire werk vanuit de Gevangenpoort zonder hulp van anderen geplaatst kan krijgen, al is hem het corresponderen toegestaan. Hij zal als beginnende schrijver hulp nodig gehad hebben van meer ervaren collega's, in veel praktische zaken, waaronder de contacten met uitgevers, honoraria en dergelijke. Een steun en toeverlaat wordt hem in deze jaren zijn latere echtgenote, Maria van Zuylekom, die zelf dichteres is en misschien via hun gemeenschappelijke literaire belangstelling kennis met hem maakt. Toegang tot de Gevangenpoort is niet moeilijk te verkijgen.

 

Maria van Zuylekom is geboren in 1759, dochter van Jan van Zuylekom en Agnita Ameur. (76) Zij is de derde van vier meisjes en wordt opgevoed door haar stiefmoeder.(77) Maria is in 1788, nog geen dertig jaar, lid van het Utrechtse Dicht-genoot-schap "Vlijt is de voedster der wetenschappen" en het Haagse genootschap "Kunstliefde spaart geen vlijt". In datzelfde jaar is een bundel Mengelingen van haar uitgekomen bij Isaac van Cleef in Den Haag, de boekverkoper/uitgever die in hetzelfde jaar verschillende titels van De Witte uitgeeft.(78) Juist 1788 is voor De Witte een belangrijk literair jaar. Hij kent Maria misschien al in 1787. Zij woont dan bij haar ouders op de Honaart te Voorburg. (79) In 1788 is Maria van Zuylekom al een regelmatig bezoeker van De Witte. Zij schrijven samen een roman-in-brieven (Henriëtte van Grandpré) die in 1789 uitkomt. Maria doet ook kopieerwerk voor haar toekomstige echtgenoot. (80) In 1789 schrijven zij samen een brief naar het bestuur van het dichtgenootschap Kunstliefde spaart geen vlijt. (81) Op dat moment is de relatie tussen De Witte en Maria van Zuylekom al innig. Hun eerste kind (gedoopt in mei 1790) is in 1789 al geboren, want in oktober 1790 wordt al een tweede kind van hen gedoopt. (82) Het geeft een aardig beeld van de omstandigheden waaronder De Witte en zijn geliefde in de Gevangenpoort hebben kunnen leven. Zelfs uit de schaarse gegevens over Maria van Zuylekom valt al af te lezen dat zij een zelfstandige en onconventionele vrouw is geweest. Het feit dat zij als ongehuwde vrouw, die getuige haar erkenning als dichteres een goede scholing heeft gehad, voor de gevangen Jacob Eduard kiest en zich zo met een maatschappelijk verstotene identificeert, wijst in die richting. In de contacten tussen het Haagse genootschap Kunstliefde en De Witte speelt Maria van Zuylekom een rol. De Witte zelf wordt niet tot lid uitverkoren, wat ongetwijfeld samenhangt met zijn maatschappelijke status als ‘landverrader’. Maria wordt op 13 september 1788 buitengewoon lid. Daarvoor heeft de Witte al een prijsvers ingezonden (1788) dat overigens niet bekroond wordt. (83) In 1789 vraagt hij de medewerking van het genootschap bij het samenstellen van een bundel ´De geest der Nederlandsche Dichteressen´. (84)

 

Sluitstuk van het voorbericht van Jacob Eduard de Witte van Haemstede uit zijn boek Cephalide.
Afb. boven: Sluitstuk van het voorbericht van Jacob Eduard de Witte van Haemstede uit zijn boek Cephalide.

De contacten tussen De Witte en Kunstliefde worden zeer frequent als hij optreedt als woordvoerder voor uitgeefster C. Doll-Egges te Amsterdam voor wie hij als redacteur van een almanak optreedt. (85) In het zelfde jaar werpt hij zich op als woordvoerder van twee dichteressen uit Bergen-op-Zoom, Adriana van Overstraten en Petronella Moens en correspondeert in hun naam met het bestuur van het genootschap. Zonder dat zij het weten worden zij tot buitengewoon lid van het genootschap uitverkoren op voorspraak van De Witte en voor deze uitverkiezing bedankt De Witte uit hun naam. Later, als duidelijk is geworden dat De Witte zich heeft opgeworpen als woordvoerder voor twee dames die mondig genoeg zijn en die in het verre Bergen-op-Zoom geen idee hebben van wat er in hun naam gezegd wordt, geven de dichteressen in felle bewoordingen aan het genootschap te kennen dat zij zich door De Witte en zijn vrouw bedrogen voelen. Adriana van Overstraten:

 

zijn [= De Wittes] vergaande leugens en bedriegingen

aan mijne lieve Vriendin Moens en mij gepleegt gaan

alles te booven. Maar dit doet mij nog plaizier nooit

dit slegte koppel [= De W. en Van Z.] gezien of gesproken te hebben. (86)

Het genootschap erkent de ‘alleszints snoode behandelingen, zo ten opzichte van het Genootschap, als haar Persoon[= Adriana van O.], van den eerlooze de Witte, [te hebben] verstaan.’ Van Zuylekom wordt geroyeerd als lid. (87) Als ze een jaar later, niet wetend van het royement, een boek toestuurt, krijgt ze het per ommegaande terug. (88) De Witte zelf kan niet geroyeerd worden, want hij heeft het niet tot lid van het genootschap gebracht. Over zijn motieven voor dit bedrog tasten onderzoekers in het duister. Het enige zichtbare voordeel voor De Witte is een hechtere band met het dichtgenootschap, waarvan hij toch nooit lid kan worden. Enige voldoening smaakt hij wel van twee gedichten die hij op prijsvragen van het genootschap heeft ingezonden en die weliswaar niet worden bekroond, maar toch in de bundels van het genootschap zijn verschenen. (89)

 

 

Inschrijving van ondertrouw van J.E. de Witte en Maria van Zuylekom ('s-Gravenhage 9 mei 1790) GA 's-Gravenhage RA 768 p. 197).
Afb. boven: Inschrijving van ondertrouw van J.E. de Witte en Maria van Zuylekom ('s-Gravenhage 9 mei 1790) GA 's-Gravenhage RA 768 p. 197).

Het schrijven, de contacten met schrijvers en dichters, met uitgevers en bestuursleden van het dichtgenootschap, deze literaire bezigheden vullen de dagen van De Witte en de tijd in de Gevangenpoort gaat er sneller door om. Hij heeft in de Gevangenpoort interessant gezelschap aan de politieke gevangene Jean Henri des Villates die in Cornelia Lubertina van der Weyde een vriendin krijgt met wie hij, net als Jacob Eduard en Maria, een roman-in-brieven schrijft, getiteld Henry en Louize. Dat schrijven gebeurt misschien ook gezamenlijk in de gevangenis. Cornelia van der Weyde trouwt met haar compaan na zijn vrijlating in 1795, ook zij hebben dan al een kind.

 

De geschiedenis van De Witte en zijn vrouw herhaalt zich. (90) Met het oog op zijn vrijlating en het aanstaande huwelijk zijn De Witte en Maria van Zuylekom op 9 mei 1790 in Den Haag in ondertrouw gegaan. De Witte mag ook voor die gelegenheid de Poort niet verlaten. (91) Pas op 21 mei 1790 is hij vrij. (90)

 

Jacob Eduard verbannen: 1790-1807

 

Na zijn vrijlating gaat Jacob Eduard met zijn aanstaande echtgenote en een zoon van vermoedelijk nog geen jaar oud naar Brabant waar zij in Rosmalen een oom en tante hebben: Johanna Jacoba de Witte en Johannes Esser, secretaris van Rosmalen en Nuland. Daar wordt eerst op 23 mei 1790 de zoon gedoopt: Jacob Eduard (de vierde in een rij) en daags daarna het hu- welijk ingezegend. (92) De Witte gaat kort daarna naar Zaltbommel waar op 10 oktober 1790 het tweede kind, Johanna Maria Agnita, wordt gedoopt. (93) In 1791 verschijnt daar ook een nieuwe roman van De Witte, Martian en Jenny bij Hugo Hendrik de Meyere.

 

In 1792 is het gezin in Oss, waarvandaan Maria de Witte contact met het Haagse Kunstliefde probeert op te nemen. Zij biedt het genootschap De Verlosser aan, dat zij met Jacob heeft geschreven en haar roman Ismene en Selinde, en stuurt een ‘vriendelijke groete van [haar] Echtgenoot’ mee.

 

Huwelijksinschrijving van J.E. de Witte en Maria van Zuylekom (Rosmalen 24 mei 1790) RA Noord-Brabant Trouwboek Rosmalen (1712-1798) Rosmalen 4.
Afb. boven: Huwelijksinschrijving van J.E. de Witte en Maria van Zuylekom (Rosmalen 24 mei 1790) RA Noord-Brabant Trouwboek Rosmalen (1712-1798) Rosmalen 4.

Maar zij krijgt de boeken teruggestuurd en wordt van het royement van 1791 op de hoogte gesteld. (94) In Oss wordt ook het derde kind gedoopt: Johanna Henrietta Adriana, die de moeder zal worden van de dichter J.J.L. ten Kate. (95) De Witte probeert door veel te publiceren een inkomen te verwerven en respectabiliteit terug te winnen. Wij weten echter te weinig van schrijversinkomsten in die jaren om ons een beeld te kunnen vormen. In de periode 1790-1815 verschijnen er 25 uitgaven: een roman, bundels proza en poëzie, gelegenheidsgedichten, pamfletten en ook verschillende toneelbewerkingen. Voor Maria de Witte zijn die zelfde jaren de meest produktieve. Maar van de literatuur kunnen zij niet leven en dus wordt naar ander werk omgezien. Van Oss gaat De Witte naar Kesteren in de Betuwe, waar hij echter niet kan blijven. Hij kan de fiscaal daar niet de aangevraagde papieren overleggen (96) en dus is zijn aanwezigheid binnen de gemeentegrenzen niet gewenst. Hij gaat daarop naar Amsterdam, waardoor hij de verbanning verbreekt, en wordt daar in mei 1795 benoemd tot redacteur (‘schrijver’) van de stadscourant, alhoewel op 1 februari 1796 al weer ontslagen. Juist in deze periode 1793-1796 geeft de boekverkoopster C. Doll-Egges verschillende werken van De Witte uit. Hij is dus als journalist en literator actief. Misschien krijgt hij ook hulp van zijn tweelingbroer, Jan Gerrit, wijnhandelaar in Amsterdam en in zeer goeden doen. Jan Gerrit de Witte wordt echter eind 1795 gearresteerd wegens fraude, enkele jaren tevoren gepleegd als klerk van de Weeskamer. Hij blijkt het astronomische bedrag van ƒ80.000,- aan obligaties en effecten te hebben verduisterd. Onder meer heeft hij daarmee Maria de Witte geholpen. Op 28 april 1796 valt voor hem het vonnis: 30 jaar rasphuis, geseling, brandmerking, verbanning. (97) De Wittes tweelingbroer, die in de Fragmenten niet genoemd wordt, is de tweede De Witte die in Amsterdam wegens oplichting in opspraak komt.

 

Jacob Eduard vertrekt met zijn gezin naar Den Haag om bij de Nationale Conventie clementie te vragen voor Jan Gerrit. Waar Amsterdam zich kennelijk niet zo druk om heeft gemaakt - hij kan er maandenlang rondlopen en zelfs betaald werk verrichten, dat is in Den Haag niet goed gegaan. Hij wordt er op 7 mei 1796 aangehouden wegens de verbreking van zijn verbanning. Er volgt een bewogen beroep op het Hof om hem de verbreking vrij te schelden: hij is naar Amsterdam gekomen om te helpen bij de grote onderwaterzettingen, die de oprukkende Fransen moeten stuiten. Daarna heeft hij in Den Haag met zijn advokaat Abraham van Twist de zaak van zijn tweelingbroer besproken en vervolgens heeft hij twee maanden gewerkt voor majoor F. van Bouchenröden, die bezig is met een plan tot verbetering van de financiële situatie in de koloniën. De Witte vraagt opschorting van de verbanning omdat hij naar West-Indië wil vertrekken. (98) Het Hof is echter van De Wittes "Patriotische Sentimenten" niet erg onder de indruk, evenmin als van "de diensten welke hij voorgeeft aan zijn vaderland gedaan te hebben, waarvan Hij met veel ostentatie eenen zeer grooten ophef maakt, en welke Wij liever niet al te nauwkeurig onderzoeken, maar voor zijne verantwoording laaten." (99) De Witte komt er echter genadig af. De verbreking van de verbanning wordt hem kwijtgescholden, maar de gevraagde opschorting krijgt hij niet.

 

De AApoort in Groningen

Groningen is tot 1874 een vestingstad met toen zeven buitenpoorten. Daarnaast kent de stad binnenpoorten, oudere poorten die hun toegangsfunctie hebben verloren, maar nog dienst doen als bijvoorbeeld gevangenis. Van alle poorten die Groningen ooit heeft gehad is er maar één overgebleven, de Herepoort, die echter niet meer in Groningen staat, maar in de tuin van het Rijksmuseum in Amsterdam.

Van de AApoort in Groningen is niets meer over.

Op 8 juni, na precies een maand op de Gevangenpoort, is hij weer vrij. (100) Waar de Witte heen gaat weten wij niet, ongetwijfeld zal hij Den Haag en Holland snel hebben verlaten. Hij heeft misschien dan al contact met Willem Leurs, werkzaam bij het Bureau van Gezondheid over de Armée en Hospitalen der Bataafsche Republiek, want via deze vriend krijgt hij een aanstelling als magazijnmeester en opzichter bij het Franse militaire hospitaal in Groningen. De aanstelling gaat in op 20 april 1797 en op die dag is De Witte (nu steevast De Witte van Haemstede, alsof hij daarmee de band met het verleden heeft afgesneden) bezig met zijn voorganger Weber de inventaris op te maken en de overdracht te regelen. (101) De Witte krijgt er 49 gulden en 7 stuivers per maand, verder vrij wonen, licht en vuur, en iedere vier dagen vlees en brood. Maria de Witte en de kinderen volgen spoedig naar Groningen, maar nog geen drie maanden later wordt De Witte gearresteerd en naar de Aapoort gebracht. Hij heeft malversaties met rijksgelden gepleegd. (102) Leurs spoedt zich naar Groningen, vermoedelijk in een poging om de zaak te sussen. Op 17 augustus laat hij de Groninger fiscaal van Wartum echter weten dat De Witte niet zal worden teruggeroepen (naar Den Haag?) en dat de zaak gewoon aan de justitie zal worden overgelaten. (103) De Witte heeft zonder toestemming materialen van het hospitaal verkocht en de opbrengst in eigen zak gestoken. Verder heeft hij schoonmaaksters, was- en naaivrouwen, en werklieden op papier meer dagen laten werken dan ze in werkelijkheid hebben gewerkt en het verschil opgestreken. Het vonnis wordt op 27 april 1798 uitgesproken: De Witte wordt eerloos verklaard, mag het land nooit meer dienen en wordt voor eeuwig verbannen uit het voormalig gewest Stad en Lande. Er volgt beroep van zowel de procureur als de veroordeelde, maar op 14 juli 1798 blijkt het definitieve vonnis niet veel minder zwaar: alleen de eeuwige verbanning wordt er een van 10 jaar. (104)

 

 

Opnieuw verbannen en concurrentie met het tijdschrijft Janus

 

Het tijdschrift Janus.

De Witte vertrekt uit Groningen, waar hij een jaar heeft vastgezeten, met de zware last van een dubbele verbanning. Het gebied waar hij zich kan vestigen wordt steeds kleiner. Van Groningen gaat hij (rechtstreeks?) naar Zwolle waar hij korte tijd de kost verdient met meetkundelessen aan officieren van de Vijfde halve Brigade. Op een rekest aan de municipaliteit om toestemming te verkrijgen om er te blijven wonen, wordt afwijzend beschikt. (105) Het is alsof hij opnieuw verbannen wordt. Vermoedelijk gaat Maria de Witte daarna met de kinderen naar Den Haag. Waar het vierde kind (Johannes Lodewijk) is geboren en gedoopt, weten wij niet. Het moet voor 17 november 1801 zijn, want dan noemt De Witte zich vader van vier kinderen. (106) Maria de Witte krijgt van Generaal de Witte uit Rusland een jaargeld van 600 gulden. (107) De Witte probeert zelf via Amsterdam scheep te gaan naar Rusland, maar hij betaalt de heffing die voor het uitvaren verschuldigd is, niet en wordt van boord gehaald. Vanuit Breda richt hij een verzoek aan de Eerste Kamer van de wetgevende vergadering om de verbanning van 1784 opgeheven te krijgen. Hij wacht echter het antwoord niet af, vertrekt naar Den Haag, waar hij op 1 september gearresteerd wordt, weer vanwege de verbreking van de verbanning. (108) De procureur-generaal is snel klaar met zijn eis. De Witte dient een tweede rekest in bij de Eerste Kamer, maar de commissarissen van het Hof van Holland, gevraagd om advies, zien geen aanleiding om clement te zijn. (109) In arren moede dient De Witte nog een rekest in, nu bij het Hof van de voormalige gewesten Holland en Zeeland. Niets helpt. Op 24 november 1801 valt het vonnis: twee jaar opsluiting en het voortduren van de verbanning. (110) Meteen vraagt hij toestemming om de straf in Den Haag te mogen uitzitten. Er wordt echter besloten dat hij naar Alkmaar zal gaan, waar de cipier, Nicolaas de Visser, voorwaarden voor de detinering heeft gesteld die voor het Hof aanvaardbaar zijn, want De Witte zelf kan de kosten van de detentie niet betalen. (111) De Witte is liever in Den Haag gebleven, omdat hij redacteur is geworden van Den Politieken Blixem, een weekblad dat in die stad wordt uitgegeven, werk dat hij vanuit Alkmaar moeilijk kan voortzetten. Hij bedankt, eenmaal in Alkmaar, voor het redacteurschap en begint een eigen Politieken Blixem en zelfs een tweede tijdschrift Janus dat concurreert met een al bestaande Janus. De Witte heeft hier kennelijk in Alkmaar vanuit de gevangenis gelegenheid toe. Dit loopt teveel in het oog en de procureur-generaal grijpt in de rel, die ontstaat rond de Blixems en Janussen in door ze alle te verbieden en De Witte terug te halen naar Den Haag. (112)

 

     Provinciale Leeuwendaalder met zwemmende leeuw 1597, geslagen te Middelburg .
Afb. boven: Provinciale Leeuwendaalder met zwemmende leeuw 1597, geslagen te Middelburg

Maria de Witte heeft een maand tevoren toestemming gekregen om ook naar Alkmaar te gaan. Zo is het gezin opnieuw gescheiden: hij in Den Haag, zij met de kinderen in Alkmaar. (113) Als De Witte in 1803 vrijkomt, zoekt hij het zuidelijker: hij gaat naar Antwerpen, waar hij tot eind februari 1804 verblijft en met stille trom verdwijnt onder achterlating van onbetaalde rekeningen.(114) Op de terugweg naar het Noorden laat hij in Putte de vrouw van Michiel Hendriks, een ex-medegevangene in de Gevangenpoort, bij zich komen en maakt haar twee Zeeuwse rijksdaalders (zie afb. rechts) en enkele goederen afhandig die hij aan Hendriks zal gaan brengen. De vrouw, Helena van Hien, geeft in goed vertrouwen alles af, maar haar man ziet van geld noch goederen iets. (115) De Witte zelf reist via Den Haag en Amsterdam naar zijn gezin in Alkmaar, waar hij in overleg met advokaat van Twist en Maria orde op zaken wil stellen om vervolgens naar Gelderland te vertrekken.

 

 

Zijn arrestatie in Alkmaar

 

Voor hij echter zijn zaken in orde gemaakt heeft, wordt hij weer gearresteerd: in Alkmaar deze keer, en opnieuw naar de Gevangenpoort overgebracht. (116) Het bedrog van Helena van Hien en de schulden in Antwerpen blijven buiten beschouwing, maar de verbreking van zijn eeuwige verbanning levert drie jaar tuchthuis op. De Witte gaat naar Gouda. (117) In Gouda knoopt hij betrekkingen aan met de binnenmoeder van het tuchthuis, die de regenten tot daden nopen. In hun rapport heet het dat De Witte zich niet heeft ontzien om

 

´zeer onbehoorlijke, en aan een getrouwd

Manspersoon ongepermitteerde liaisons te

contracteeren, althans die Vrouw [= de binnenmoeder]

op eene schandelijke wijze te amuseeren en bedriegen,

en dat wel, naar het schijnt, met concurrentie en overleg

van zijne eigene huisvrouw; zulks dat gemelde Regenten

zich verplicht hebben gerekend, om dien Geconfineerden te verplaatsen´. (118)

 

Daarna blijft het kennelijk rustig in Gouda want in de stukken van het Hof van Holland komt men de Witte niet meer tegen. Hij mag, na afloop van deze drie jaar, met instemming van het Hof enige tijd in Alkmaar verblijven om zijn zaken met Maria de Witte te regelen. Het zelfde jaar, op 17 augustus nog, wordt hij opnieuw gearresteerd en wel als een ‘onbeschaamde en waarlijk zeer gevaarlijke Bandit’ door de baljuw van Hoge en Lage Zwaluwe, om vervolgens overgegeven te worden aan Den Haag. (119) Hij gaat opnieuw naar de Gevangenpoort. Jacob Eduard verweert zich dit maal op een heel andere manier. Hij heeft zich vergist in het Hollandse grondgebied en denkt dat de beide Zwaluwes tot de Baronie van Breda behoren. Het Hof vindt de verklaring aannemelijk en zo komt De Witte met een waarschuwing vrij. (120) Hij vertrekt weer uit Den Haag. We weten niet waarheen. Maria de Witte woont tot 1809 in Alkmaar en vertrekt dan met haar kinderen naar Haarlem. (121)

 

 

1807-1853: Spoorloos

 

"Levensberigt van Jhr. Gerard Johannes Beeldsnijder van Voshol.

Gerard Johannes Beeldsnijder, den 30en Mei 1791 te Amsterdam geboren, was de zoon van Johannes Beeldsnijder, die aldaar het ambt van Schepen bekleedde, en van Henriette Everdina Beeldsnyder. Eene letterkundige opleiding mogt hem niet ten deele vallen. Ten jare 1813 was hij, als luitenant onder de Amsterdamsche Schutterij, bij het beleg van Naarden tegenwoordig, en werd hij dientengevolge met een eerepenning begiftigd.

 

Toen Beeldsnijder den leeftijd van zesentwintig jaren had bereikt, trad hij in het huwelijk met Martina Adriana Maria van Toulon. - Op den huize Rupelmonde aan de Vecht, waar hij onbelemmerd zijn lust tot het aankweeken van bloemen en zeldzame planten kon voldoen, woonde hij nu negen jaren. Nadat hij zich vervolgens te Utrecht gevestigd had, werd hij lid der Ridderschap en der Provinciale Staten. Den vrijen tijd, dien zijn overigens ambteloos leven hem ruimschoots verleende, besteedde hij aan het verzamelen en rangschikken van prenten, portretten en handschriften, vooral tot opheldering der Nederlandsche geschiedenis. Deze bezigheid, die hem zoowel arbeid als uitspanning was, bragt hem in kennis met mannen van letteren, voor wie hij steeds zijne verzameling gaarne openstelde, en die hem als een vriend en beoefenaar der Vaderlandsche historie ook elders deden kennen. Zoo werd Beeldsnijder Directeur van het Zeeuwsche Genootschap, lid onzer Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde (1831) van het Provinciaal Utrechtsch en het Noordbrabandsch Genootschap, van het Friesch Genootschap voor Geschied-, Oudheiden Taalkunde, en van het Historisch Genootschap te Utrecht. Ook buitenlandsche vereenigingen kozen hem tot medelid, zooals het Oudheidkundig Genootschap te Athene enz.

 

Met hulp van geleerde vrienden gaf Beeldsnijder de volgende geschriften in het licht:

 

Verbond en smeekschriften der Nederlandsche Edelen van den Heer Baron d'Yvoy van Mydrecht, vermeerderd met aanteekeningen en verrijkt met bijna alle de fac-similés. Met twee tabellen, 8o. Utrecht, 1833. Fac-similés van onuitgegegevene brieven en andere belangrijke stukken van beroemde mannen. 6 afleveringen, Utr. (1837). 4to. Het Album van Joannes Narsius, van Dordrecht, lijfarts en geschiedschrijver van Gustavus Adolphus, Koning van Zweden. 8o. Utrecht, 1837. Drie stukjes, medegedeeld in de Kronijk van het Historisch Genootschap te Utrecht, 1851. 8o. J. Jansz. Beeldsnijder, met Fac-simile. (1575-1588). De Jesuiten en Minrebroeders uit Maastricht verbannen in 1638. Mislukte aanslag van 's lands vloot op eenige Engelsche Virginie-vaarders, 1667.

 

Beeldsnijder overleed te Utrecht, den 19en April 1853. Zijne rijke verzameling, die uit vier gedrukte maar niet in den handel gekomen Catalogi kan gekend worden1, heeft hij aan een zijner kleinzonen bij uitersten wil nagelaten. Utrecht, Junij 1853. M.D. de Bruyn." (Bron: DBNL)

Terwijl we in archieven op vele plaatsen sporen hebben kunnen terugvinden van De Wittes leven tot 1807, al zorgen vooral zijn contacten met de justitie voor deze navolgbare sporen, na 1807 worden de gegevens heel gering. Met nog bijna 46 levensjaren voor de boeg - De Witte sterft in 1853 op 90-jarige leeftijd - blijft het tweede deel van zijn leven voorlopig onbeschreven. Hij publiceer na 1807 nog wel, veel minder echter dan in de produktiefste jaren 1785-1805. In 1814-1815 komen er een paar pamfletten uit, maar daarna wordt het stil. De Fragmenten worden geschreven, maar niet gepubliceerd. In 1828-1829 stuurt hij brieven en gedichten naar zijn Goudse weldoener, de verzamelaar G.J. Beeldsnijder (zie kolom rechts). De brieven zelf zijn ook in Gouda geschreven. (122) Twee handschriften uit 1827, Morgenzang in den kerker en Avondzang in den kerker, doen ons alweer denken aan een verblijf in een gevangenis.

 

Op 8 december 2020 krijgt ik een mailtje van Aline de Bruijn: 'Vandaag was ik gegevens aan het digitaliseren voor vele handen. Daar kwam ik schrijver Eduard de Witte, geboren Den Bosch, tegen bij een volkstelling te Gouda 1830. Jacob Eduard de Witte verbleef op 70 jarige leeftijd in een zogenaamd "Professioneel huis van correctie". Omdat ik zag dat er van deze persoon juist uit deze periode weinig bekend is, leek het me wel interessant om het even te vermelden. Red'

 

Deze gedichten kunnen natuurlijk ook terugblikken zijn. (123) Als Maria de Witte in 1831 in Den Haag overlijdt, is de verblijfplaats van haar echtgenoot onbekend. (124)

 

In dezelfde stad overlijdt in 1838 haar oudste zoon. (125) Jacob Eduard zelf woont er, in ieder geval vanaf 1845, in het huisgezin van zijn oudste dochter en haar man, Jan Herman ten Kate. (126)

 

Wanneer zijn verbanningen zijn opgeheven, weten wij niet. Mogelijk hebben de nieuwe staatkundige verhoudingen, na afloop van de Franse tijd, een verandering in De Wittes zwerversbestaan te weeg gebracht. Maar als dit zo is, waarom is dan in 1831 zijn verblijfplaats onbekend? Dat wijst er eerder op dat hij nog steeds een banneling is. Op 14 juni 1853 wordt in Den Haag aangifte gedaan van zijn overlijden. (127) Deze uiterst summiere gegevens over de tweede helft van De Wittes leven kunnen ongetwijfeld worden aangevuld, na verder archiefonderzoek.

 

Of het gegevens zal opleveren die de afwisselende eerste helft van zijn leven zullen evenaren, moet betwijfeld worden. Wij vermoeden dat De Witte na 1807, mogelijk geholpen door zijn opgroeiende kinderen, een teruggetrokken leven heeft geleid. Met de justitie heeft hij tussen 1782 en 1807 te veel te maken gehad om nog risico's te lopen. De jaren in de gevangenis: Den Haag, Alkmaar, Gouda, zullen als een bittere herinnering op hem zijn blijven wegen. Toch blijft het onbevredigend dat de tweede helft van zijn leven een lege plek is. Wat wij hebben kunnen toevoegen aan het in de Fragmenten al beschreven periode 1763-1790 geeft een indruk van de persoon van Jacob Eduard de Witte, ook al is het fragmentarisch, en dan vooral van het gebroken leven dat na 1790 maatschappelijk niet gerehabiliteerd kan worden. Uit dat beeld komt hij niet alleen naar voren als een onvoorzichtige militair die met zijn leven speelt, maar ook als een onbetrouwbaar persoon en als oplichter, kanten van zijn karakter die in de Fragmenten onbeschreven zijn gebleven. Hoe hij de verbanningsverbrekingen, de oplichting van het ziekenhuis in Groningen en nog andere zaken in een tweede deel van zijn Fragmenten heeft moeten schoonpraten, moet onbesproken blijven. Zo'n tweede deel wordt nooit geschreven.

 

 

 

Verantwoording

 

Deze uitgave volgt nauwkeurig het handschrift van de Fragmenten, dat wordt bewaard in het Algemeen Rijksarchief in 's-Gravenhage. (128) Na de gedeeltelijk publikatie door Th. Jorissen in 1878 is dit de eerste integrale editie. Het handschrift is duidelijk bedoeld geweest als kopij voor de uitgave die De Witte in 1826 voor ogen heeft gestaan. Het is echter geen net handschrift, er zijn vele doorhalingen en correcties, terwijl de spelling en interpunctie slordig en inconsequent zijn. Hoewel wij beseffen dat in de uitgave van 1826, als die er ooit zou zijn gekomen, veel van deze inconsequenties en slordigheden zullen zijn gesaneerd door de zetter, hebben wij hier de voorkeur gegeven aan een uitgave die het handschrift op de voet volgt. Van dit principe zijn wij alleen afgeweken als de tekst moeilijk te volgen is. Ingrepen in de tekst zijn dan echter met rechte haken [ ] verantwoord. In het geval van doorhalingen en correcties van de schrijver, hebben wij altijd gekozen voor de laatste lezing. De daarmee vervallen eerdere lezing is alleen in een noot onder aan de bladzijde opgegeven als de eerdere versie een significante verandering heeft ondergaan. De spelling van De Witte hebben wij alleen gecorrigeerd in het geval van enkele storende verschrijvingen die door het lezende oog niet direct vanzelf worden gecorrigeerd. Zoals Le[c]tur voor Letur, wein[i]g voor weing. De interpunctie is bijna ongewijzigd overgenomen. Alleen op enkele plaatsen hebben wij een wijziging aangebracht, en dan nog alleen als de (ontbrekende) leestekens de lezer op een verkeerd spoor zouden kunnen zetten.

 

- schuine strepen in het handschrift zijn weergegeven als ronde haakjes ( ).

- de dubbele punt als afkortingsteken (Z:H:) is weergegeven als gewone punt.

- de liggende streepjes aan het einde van de zin, na de punt, zijn vervallen.

- cursivering (enkele onderstreping in het hs) is uitgevoerd.

- dubbele onderstreping is weergegeven met kapitalen.

- de aanduiding voor rangtelwoorden (5de, 5e en varianten) is weergegeven met een enkele e (5e).

- de I en de J als hoofdletters (door elkaar gebruikt) zijn aangepast aan ons gebruik, dus Julia voor Iulia en J. Allart voor I. Allart. - de y en ij zijn altijd weergegeven als ij, tenzij de y in eigennamen voorkomt. Dan is deze gehandhaafd.

- terwille van de uniformiteit hebben wij de schrijfwijze van de hoofdstuktitels (afwisselend romein en cursief, onderkast en klein kapitaal) gelijkgetrokken. Door een telfout van De Witte ontbreekt Fragment 5. Dit hebben wij zo gelaten.

 

Het bovenstaande komt voort uit een onderzoek dat is verricht in het kader van een afstudeerproject in 1978 en een erop gevolgde literair-historische opdracht van het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur (destijds C.R.M.). Daarbij is bijzondere dank verschuldigd aan Dr. A.N. Paasman (Putten), die vanaf het begin van het onderzoek als stimulator, raadgever en criticus is opgetreden. Een woord van dank ook aan alle medewerkers van bibliotheken en archieven die met onophoudelijk geduld boeken en archiefstukken aan hebben gesleept. Verder mag niet nagelaten worden te noemen de medewerkers van het Algemeen Rijksarchief en het Gemeente-archief in Den Haag en de Universiteitsbibliotheek en het Gemeente-archief te Amsterdam. Tenslotte is dank verschuldigd aan de heer en mevrouw F.A.J. Enschedé (Den Haag), Dr. J. Kloek (Utrecht) en de Stichting Enschedé (Haarlem), alsmede aan mevrouw Penny Larasati (Jakarta) voor haar geduldige, technische hulp.

 

Voor de liefhebbers die van Jacob Eduard de Witte "Fragmenten uit de roman van mijn leeven (1825)" willen lezen, geschreven in de genre non-fictie, waarin autobiografische memoires, maar ook geschiedenis uit de Patriotten- of Franse tijd voorkomen, kunnen de onderstaande links volgen die leiden naar het genoemde werk op de site van de DBNL:

 

Jacob Eduard de Witte Fragmenten uit de roman van mijn leeven.

Inleiding.

Fragment 1. Iets over mijne voorouders en ouders.

Fragment 2.

Fragment 3. De jaaren mijnder jeugd.

Fragment 4.

Fragment 6. Liefde en teleurstelling.

Fragment 7. Aanvang der rampen mijner jeugd.

Fragment 8. Vervolg van fragment 7.

Fragment 9. Mijne gevangenneeming.

Fragment 10. Vervolg van fragment 9.

Fragment 11. Procedures voor het Hof van Holland. Verhooren - Vonnis.

Fragment 12. Mijne echtverbintenis - Verscheidenheden - Onslag uit de gevangenis.

Bijlage 1.

Bijlage 2.

Personenregister.

 

 

 

 

Verklaringen van afkortingen in me name de onderstaande noten:

 

ARA Algemeen Rijksarchief arch. archief ed. editie
DBNL Digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren
GA Gemeente-archief
HJK Hoge Justitiekamer
HMK Hoge Militaire Krijgsraad
HvH Hof van Holland
KB Koninklijke Bibliotheek
NA Notarieel Archief

NNBW

Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek
RA Rijksarchief
SA Stadsarchief
SB Stadsbibliotheek
SvH Staten van Holland
SvZ Staten van Zeeland
UB Universiteits-Bibliotheek
WP Wikipedia
Lit.nl. Literatuurgeschiedenis.nl is een project van de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren, in samenwerking met auteursteams aan de Universiteit Leiden, Universiteit Utrecht, de Radboud Universiteit Nijmegen en de Universiteit van Amsterdam.

 

 

 

 

 

 

Noten en literatuur:

 

 

1. Algemeen Rijksarchief 's-Gravenhage (= ARA), Aanwinsten Eerste Afdeling 1879 A XII. De afkortingen (ARA, NNBW, enz.) staan verklaard in de verantwoording, aan het einde van deze Inleiding.

2. Zie hierachter p. 160.

3. De Haarlemse stadsarchivaris A.J Enschedé droeg het handschrift in 1879 over aan het Algemeen Rijksarchief. Correspondentie over de overdracht in het Archief van het ARA 1800-1940, 52 (ingek.br. 1878) no 211, en 54 (ingek.br. 1879) no 33.

4. Th. Jorissen, die het hs ter inzage kreeg van A.J. Enschedé, voor het werd overgedragen aan het ARA, publiceerde er lange fragmenten uit onder de titel ‘Uit den Patriottentijd. Eene apologie van den vaandrig de Witte’. In Nederland 1878 II, p. 111-274 [= 174]. A.J. Enschedé zelf gebruikte het voor gegevens over J.H. de Villates, die met De Witte in de Gevangenpoort zat. Deze studie verscheen i.s.m. L. de la Boutetière, Des Villates en France et aux Pays-Bas. Haarlem 1881. De literatuur-historicus J. ten Brink schreef over ‘Verloving en Ondertrouw van Jacob Eduard de Witte van Haemstede en Maria van Zuylekom op de Voorpoorte van den Hove te 's-Gravenhage in 1790’ (in Haagsche stemmen 1887, p. 167-182). Hij baseerde zich echter geheel op Jorissen. In zijn studie De roman in brieven 1740-1840 (Amsterdam 1889) kwam Ten Brink op De Witte als romanschijver terug. De Alkmaarse stadsarchivaris C.W. Bruinvis publiceerde een brochure over De Witte (Jacob Eduard de Witte van Haemstede z.pl. z.j.) en verzorgde later de NNBW-bijdrage over hem (Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek 3 kol 1473-1475).

5. Zie over dit probleem J. Romein, De biografie. Amsterdam 1951. p. 204-205.

6. Zie p. 44.

7. GA 's-Hertogenbosch, doopregister St. Jan, St. Pieter, St. Cathrien f. 14v. Zij zouden daags ervoor geboren zijn, althans zo verklaarden de ouders in 1765 bij hun huwelijk, toen de tweeling werd geëcht. RA Noord-Brabant, Berlicum 10b, trouwregister 20-10-1765.

8. Gegevens ontleend aan ‘Kwartierstaat Ds. Jan Jacob Lodewijk ten Kate’. In Gens Nostra - Ons Geslacht 24 (1969) p. 312-313. Ten Kate was een kleinzoon van J.E. de Witte jr. Zie ook nt 7.

9. ARA, minuutnotulen HMK 267, 16-10-1782. Kon. Huisarchief, verz. Willem V, mil. corr. 301, 18-3-1789.

10. RA Groningen, arch. HJK 2192, 196-197 bevat op 6-4-1797 een aanstellingsbrief voor De Witte van Haemstede. GA 's-Gravenhage, overlijdensreg. 1853 (1-1 tot 26-7 nr 969).

11. ‘Een geslacht de Witte’. In De Nederlandsche Leeuw 1895, kol. 83-86, 136-139.

12. GA Amsterdam, ambtenboek stad Amsterdam 3, p. 82 (10-7-1772). Arch. Thes.-ordin. 35 f. 80.

13. GA Amsterdam, dagelijkse notulen burgemeesteren 20 (1775-1779) 174-175. Arch. Thes.ordin. 25 f. 338-339.

14. GA 's-Gravenhage Not.Arch. 4298, p. 349-351. Akte van 5 april 1784 notaris Roodbeen (Den Haag) waarbij De Witte Sr. een zaakwaarnemer aanstelt.

15. UB Leiden hs TK. 2001 f. 83 r.

16. Deze gegevens uit het arch. van de Hoge Militaire Krijgsraad (HMK) 5526, crim.pap. 1784 verhoor van 1-10-1782 en HMK 271-II.

17. ARA, Hof van Holland (= HvH) 5526 (crim.papieren). Het hs. van dit gedichtje bevat tevens een kladbrief aan ene Zweertz en een ontwerp voor een brief die De Witte tussen 10 en 16 september 1782 verstuurde.

18. Zie de in nt 17 genoemde brief aan Zweertz. Tijdens het proces voor de Krijgsraad werden deze gegevens door de fiscaal als verzachtende omstandigheden aangevoerd. ARA HMK 267 7-10-1782.

19. ARA HvH 5526, verhoren van 26 en 28 september 1782. De gewraakte woorden werden pas geciteerd in het verhoor van 23-1-1783.

20. Een goede samenvatting van de gebeurtenissen van eind augustus-begin september 1782 in de eis van de procureur-generaal tegen De Witte en Van Brakel, ARA HvH 5526, ook in de gedrukte Resolutien van de Staten van Holland, ARA SvH 245 (1783 I) p. 542-576.

21. Van Bleiswijk maakte pas op 3 oktober 1782 een verslag van een ontmoeting met Van Brakel: Beknopt Narré, ARA HvH 5526.22Bij de criminele papieren is deze tekening (brouillon) bewaard. ARA HvH 5526.

22. Bij de criminele papieren is deze tekening (brouillon) bewaard. ARA HvH 5526.

23. Het origineel van deze brief bij de criminele papieren, gedateerd 10 september 1782. Het antwoord moest naar monsr ........ gelogeert bij de Wed. Pr Jansson opt Steijger tot rotterdam.

24. Kon. Huisarchief, arch. Willem V, 212-X correspondentie Willem V-Van Bleiswijk, nr 309.

25. Het origineel is niet gedateerd, evenmin een klad van deze brief bij de criminele papieren, maar hij moet geschreven en verstuurd zijn op 12 of 13 september 1782. ARA HvH 5526.

26. De tweede brief van Van Brakel eveneens bij de criminele papieren, ARA HvH 5526.

27. Zij werden hierover later als getuigen gehoord, en wel op 31-12-1782. Zie verslag van dit verhoor bij de criminele papieren ARA HvH 5526.

28. Vragen en antwoorden bij de criminele papieren, ARA HvH 5526.

29. Verslagen van deze verhoren in ARA HvH 5526.

30. Verslag van deze bijeenkomst door de secretaris van de raadpensionaris, Beknopt narré, ARA HvH 5526.

31. ARA HMK 267 minuutnotulen 3 oktober 1782.

32. Zie noot 30.

33. Verhaal te Rotterdam, In een daar toe belegd gezelschap, sommierlijk gedaan op den 7 October door Brakel, woonende te Boscoop, wegens zekere conspiratie, om de engelschen een Landing in Zeeland gemakkelijk te maaken, en hier op uitkoomende. Z.pl. z.uitg. z.j. p. 6 (ex UB Amsterdam) Afschrift bij de papieren in ARA HvH 5526.

34. Minuutnotulen van de Krijgsraad op 7-10-1782, ARA HMK 267.

35. Idem.

36. Idem 8-10-1782.

37. Idem 9-10-1782.

38. ARA HMK 267 minuutnotulen van 11 oktober 1782.

39. ARA HvH 5526 bevat kopie van de brief van de Stadhouder aan het Hof van 13-10-1782. Verder HvH 347 Resolutieboek 1782 p. 177-182, voor de arrestatie van Van Brakel.

40. ARA Staten van Holland (= SvH) 244 Resolutien 1782, p. 866-867. Zie ook Vaderlandsche Historie, vervattende de geschiedenissen der Vereenigde Nederlanden,[...] Ten vervolge van Wagenaars Vaderlandsche Historie. [door P. Loosjes Az.] dl. 5, Amsterdam, J. Allart 1790. p. 23-24.

41. Zie de in noot 40 genoemde Resolutien van Holland.

42. De resoluties van het Hof van Holland bevatten de argumenten van de Stadhouder. (ARA HvH 347 p. 189-193)

43. ARA SvH 244 Resolutien 1782 p. 1087-1092 uitgebreid over de Zeeuwse argumentatie. Ook RA Zeeland SvZ 3285 index Not. 1782 p. 132-133.

44. ARA HvH 347 Resolutieboek 1782 p. 331-347, verslag van het besogne van 18-12-1782. Het cit. op p. 342.

45. ARA SvH 244 Resolutien 782, p. 887-889.

46. ARA SvH 244 Resolutien 1782, p. 1087-1092. Ook Vaderlandsche Historie (nt 40) p. 33-34.

47. ARA SvH Resolutien 1783 I, p. 39-41, 47-50. Zie ook Vaderlandsche Historie (nt 40) p. 40-48

48. ARA SvH 244 Resolutien 1782, p. 1142-1143.

49. Het verloop van de discussie die leidde tot de afschaffing van de Hoge Militaire Krijgsraad of liever gezegd tot de uitbanning uit Holland van dat rechtscollege, is uitvoerig gedocumenteerd in Fr.Adr. van der Kemp, Magazyn van stukken tot de militaire jurisdictie betrekkelyk. 8 dln. Utrecht, B. Wild, 1783. Gevolgd door Nalezing van stukken tot de militaire jurisdictie betrekkelyk. 2 dln. Idem 1785. L.M. Rollin Couquerque baseert zich grotendeels op van der Kemp in zijn artikelenserie 't Gedrogt der ongelimiteerde militaire jurisdictie in Militair-rechtelijk tijdschrift 27 (1941-42) p. 158-195, 221-282, 320-354, 368-388. Op de staats- en administratiefrechtelijke aspekten van de militaire jurisdictie kwam hij later terug in ‘Legerbestuur ten tijde van de Republiek der Verenigde Nederlanden’, in Rechtsgeleerd magazijn Themis (1949) p. 67-163.

50. Over de overdracht de minuutnotulen van de krijgsraad van 25 en 27 december 1782 (ARA HMK 267). De Vaderlandsche Historie (zie nt 40) p. 38-39, hechtte aan de overdracht van de Burger de Witte extra waarde.

51. RA HvH 347 Resolutieboek 1783 p. 193-196.

52. De verhoren bij de criminele papieren ARA HvH 5526.

53. Idem.

54. Ook dit verhoor bij de criminele papieren.

55. De getuigenverhoren en verhoren bij de criminele papieren (ARA HvH 5526).

56. Idem.

57. Getuigenverhoor van De Witte 5-2-1782, ARA HvH 5526.

58. De eis tegen De Witte en die tegen Van Brakel zijn te vinden bij de criminele papieren (ARA HvH 5526). Ze zijn ook afgedrukt in de Resolutien 1783 van de Staten van Holland. (ARA SvH 245, I, 542-576).

59. Zie noot 58.

60. Het rekest vindt men in Resolutien van Holland 1783 I, p. 591-606. (ARA SvH 245) Zie ook Resolutieboek 1783 (ARA HvH 348) p. 159, voor de toestemming aan de juridische adviseurs voor inzage in de stukken en een ontmoeting met De Witte.

61. De ondertekenaars blijken De Witte zelf en G.v. Zelder van Beveren en C.v.d. Kop. In deze versie afgedrukt in Resolutien van Holland 1783 I, p. 858-872.

62. De adviezen van de procureur en van het Hof in de Resolutien van Holland 1783 II, p. 1055-1062 en 1063-1074. ARA SvH 246).

63. ARA SvH 247, Resolutien 1784 I, p. 747-752. HvH 349 Resolutieboek 1784, p. 175-177.

64. Zie ARA SvH 246 Resolutien 1783 II p. 1146-1155, voor het rekest en de adviezen, en ARA SvH 247 Resolutien 1784 I, p. 315-316, voor de beslissing van de Staten.

65. ARA HvH 349 Resolutieboek 1784, p. 197-199 en 200-201. Verder HvH 5667 voor de criminele sententies 1784-1789.

66. Zie noot 65.

67. De Vaendrig De Witte, of het onnoozel offer van 't gevloekt verraad in zijnen Kerker. [Dordrecht, A. van Drongelen, 1782. p. 4. (ex. UB Amsterdam)

68. Pieter Brakel, of de gevolgen der geldzucht. Zynde eene echte en waare leevensbeschryving van zyn persoon, caracter en byzonder van het laatste berucht geval met hem en de Witte wegens het vermeende landverraad, voorgestelt in gemeenzaame gesprekken, tusschen differente persoonen, alle zyner zaaken kundig. Verrykt met zyn extra welgelykend portrait. Amsterdam enz., D. Schuurman, enz., [1784]. ex. UB Amsterdam. Het citaat tegenover de titelpagina. De warme sympathie van de schrijver met de Witte blijkt uit p. 51-61.

69. Grootvader de Witte, die tot zijn dood op Crevecoeur woonde, liet bij zijn dood meer schulden dan baten achter, waarom J.E. de Witte sr. van zijn rechten op de erfenis afzag. (GA 's-Gravenhage NA 4435, 287-291).

70. Zie C.G. Calkoen, ‘De Gevangenpoort of Voortpoort van den Hove’. In Die Haghe 1906, p. 195 e.v.

71. Zie over de tarieven Calkoen p. 191-192 en 202-203. Het verzoekschrift in ARA HvH 4590, verzoekschriften.

72. Zie de bibliografie van de Witte (1785).

73.Mogelijk apart verschenen in 1785, maar ook te vinden in Dicht-offer aan Themire (1788). Zie de bibliografie.

74. Cephalide, Voorbericht p. XIV, geciteerd naar de uitgave van 1789 die vermoedelijk een restant van de uitgave van 1786 was. Zie de bibliografie (1786 en 1789).

75. Boekzaal der Geleerde Wereld 1786 II, p. 315-323; Vaderlandsche Letter-oefeningen I, p. 478.

76.Doop op 29 juli 1759 te Voorburg (RA Zuid-Holland DTB Voorburg).

77. Andere kinderen uit het eerste huwelijk: Maria (8-5-1755), Anna Hendrietta (4-4-1756), Theodora Aletta (23-8-1761) RA Zuid-Holland DTB Voorburg. Johannes van Zuylekom en Johanna ter Brake, ondertrouw 18-4-1762 Den Haag. Zij kregen twee dochters en twee zonen. (DTB Voorburg 1763, 1764, 1766 en 1771).

78. Mengelingen, in proza en poëzij: door Maria van Zuylekom. 's-Graavenhaage, Isaac van Cleef. 1788. 8o. XVI + 121 + [I] p. (UB Amsterdam 569 G 56 (1), SB Haarlem 84 H 50). Haar bibliografie omvat 20 nummers.

79. Daar ondertekende zij het gedicht ‘Schets of bespiegeling, over het heil aan Nederland geschonken, in den jaare 1787’, In Gedenkzuil, opgericht, ter nagedachtenis van Neêrlands heil en Oranjes zegepraal. [...] Rotterdam, Johannes Hofhout en Zoon, 1788. 8o. p. 149-153 (GA 's-Gravenhage S.n.17).

80. GA 's-Gravenhage Arch. Kunstliefde 115, ingekomen prijsverzen 1788.

81. GA 's-Gravenhage Arch. Kunstliefde 49, brief van 6-6-1789.

82. Jacob Eduart, doop 23 mei 1790 te Rosmalen (RA Noord-Brabant Rosmalen Empel) en Johanna Maria Agnita, doop 10 oktober 1790 te Zaltbommel (RA Gelderland doopreg. Zaltbommel, RBS inv.nr. 1805).

83. GA 's-Gravenhage Arch. Kunstliefde 15, p. 96. Kunstliefde 115 Ingekomen prijsverzen 1788 bevat onder nr 9 een gedicht van De Witte, getiteld De verhevenheid van het Evangelie, echter in een afschrift van Maria van Zuylekom.

84. Kunstliefde 49, brieven van De Witte van 18 mei en 6 juni 1789. Ook Kunstliefde 16, notulen, p. 50-51. De bundel is niet verschenen. Vermoedelijk had De Witte wel de hand in de totstandkoming van de Almanak voor vrouwen door vrouwen (1795 e.v.).

85. Kunstliefde 49, 2-12-1789 en 12-12-1789. Idem 50, 22-11-1790.

86. Kunstliefde 51, brieven van 13 mei en 13 juni 1791.

87. Kunstliefde 18 (notulen) 4 en 30 juli 1791.

88. Kunstliefde 52, brief van Maria van Zuylekom van 12 juni 1792. Kunstliefde 92, minuutbrief aan M.van Zuylekom van 25 juni 1792.

89. Zie bibiliografie 1790 en 1796. In het Arch. Kunstliefde zijn verschillende handschriften en brieven van De Witte te vinden.

90. Zie het in nt 4 genoemde Des Villates en France et aux Pays-Bas p. 32-37.

91. GA 's-Gravenhage NA 4435 p. 125-126 akte bij notaris J.W. van Alphen waarbij Matthijs van Geitenbeek als representant van de Witte werd aangewezen. Ondertrouw Recht. Arch 768 f. 197, 9 mei 1790, eveneens GA 's-Gravenhage.

92. Doopgegevens, nt 82, het huwelijk staat vermeld in het trouwboek Rosmalen 1712-1798, RA Noord-Brabant, Rosmalen 4.

93. RA Gelderland, Zaltbommel Nederd. Ger. doopreg. RBS inv.nr 1805.

94. RA 's-Gravenhage Kunstliefde 52, brief van 12 juni 1792 van Maria de Witte van Zuylekom. Kunstliefde 92, minuuutbrief aan haar van 25 juni 1792.

95. RA Noord-Brabant, doopboek Nederd.Ger.gemeente Oss 1760-1810, Oss 11, 1792, f 19v. Johanna de Witte van Haemstede publiceerde in 1814 een Lierzang, of aanmoediging, tot vaderlandsliefde en dapperheid.

96. ARA HvH 5610 bevat brief van J. Schonck aan J.E. de Witte te Kesteren dd 1-8-1793. Het zelfde nommer bevat een verhoor van De Witte van 9-5-1796 waarin hij de volgorde van de woonplaatsen in de periode 1790-1793 anders opgeeft. Denkelijk vergist De Witte zich daar. Wij houden de DTB-gegevens aan.

97. GA Amsterdam Recht.Arch. voor 1811 478, p. 145, 160, 165, 180, 185, 189, 201, 355, 403 (confessieboek). Vonnis in Recht. Arch. voor 1811, 620, nr 36.

98. ARA HvH 5610 verhoor van 9 mei 1796, brief van 10 mei, brieven van 10 (rekest) en 12 mei. Ook HvH 354 Resolutien.

99. ARA HvH 445 Register van adviezen op rekesten f. 205-210. cit. op f. 208v.

100. ARA HvH 354 Resolutien, zie 23 mei en 6 en 8 juni 1796.

101. RA Groningen Hoge Justitie Kamer (= HJK) 2192, nr. 1,2,174 en 175.

102. RA Groningen HJK 2198 nr 8 verder een ongenummerd stuk van 10 juli 1797, waarin Maria de Witte moest opgeven wat van haar was en wat van het ziekenhuis.

103. Idem 2192 nr 30 en 31.

104. GA Groningen Groninger stedelijk rechtscollege III ii 6, crimineel protocol 27 april 1798. RA Groningen HJK 2192, 19-5-1798 en 25-51798 voor het appel van De Witte. Sententie in RA Groningen HJK 1970.

105. GA Zwolle, register van resoluties van de municipaliteit 1800-1801, 22-8-1800.

106. En na 2 augustus 1797, getuige een ander verzoekschrift. Vergelijk RA Groningen HJK 2192 nr 24 van 2-8-1797 en ARA HvH 5610 dd 17-11-1801.

107. Zie ARA HvH 5610 verhoor van 1 sept. 1801.

108. ARA HvH 5610, verhoren van 1 en 3 september 1801.

109. ARA HvH 461, dd 30 oktober 1801.

110. ARA HvH 5610 bevat het hs van dit rekest. De Sententie in HvH 5670.

111. Bruinvis p. 7.

112. Over de tijdschriftenaffaire uitgebreid bij Bruinvis, p. 8-14.

113. GA Alkmaar SA 153 Memoriael-register f. 60r.

114. Brief van 18 april 1804 in ARA HvH 5625.

115. Brief van H. van Hien aan Michiel Hendriks van 13 maart 1804 plus een ontvangstbewijs van 2 maart 1804, getekend door De Witte, in ARA HvH 5625.

116. De Witte werd verhoord op 29 mart 1804, ARA HvH 5625.

117. ARA HvH 5671, criminele sententiën, 15 juni 1804.

118. ARA HvH 365, 11 december 1805, Rapport.

119. ARA HvH 367, 19-8-1807

120. Memorie van de Witte in ARA HvH 5637, dd 25-8-1807. De beslissing van het Hof in HvH 367 dd 28-8-1807.

121. GA Alkmaar, arch. Herv. Gemeente, lidmatenboek, register, waaruit ook blijkt dat de twee dochters in 1808 belijdenis deden en Jacob Eduard, de oudste zoon, zich in 1809 weer bij zijn moeder voegde, na enige tijd in Den Haag te hebben gewoond.

122. UB Amsterdam hs 25 V 1-4; KB 's-Gravenhage 121 D5 64.

123. KB 's-Gravenhage 78 F 62 (2).

124. GA 's-Gravenhage, akten overlijden 1831, dl. 1, p. 42 \ 25. Datum: 7 april 1831.

125. Jacob Eduard de Witte. Zie GA 's-Gravenhage, overlijdensregister 1833-1842, 24-9-1838.

126. GA 's-Gravenhage bevolkingsregister 1845, wijk F nr 273. De registers van 1823-1835 en 1836-1845 vermelden De Witte niet.

127. GA 's-Gravenhage, overlijdensregister 1853, nr 969.

128. Zie noot 1.

 

 

 

 

Overige bronnen:

1. © DBNL, Digitale bibliotheek voor de Nederlandsde letteren. "Het leven van Jacob Eduard de Witte", Hans Groot en Grietje Drewes, naar: Jacob Uduard de Witte, Fragmenten uit de roman van mijn leeven (editie Grietje Drewes en Hans Groot), Verloren, Hilversum, 1993.

2. © De inleiding is oorspronkelijk geschreven door Grietje Drewes en Hans Groot.

3. © Literatuurgeschiedenis.nl


 

 

 

Deze pagina maakt deel uit van www.nazatendevries.nl.
Aan bovenstaande tekst is de uiterste zorgvuldigheid besteed.
Desondanks kunnen er best fouten voorkomen.
Constateer je fouten en/of heb je vragen, correcties, aanvullingen.........

geef die dan even aan mij door via mijn E-mail adres.
Laat ook eens een bericht achter in het Gastenboek.
Hoogeveen, 27 augustus 2010.
Update: 8 decemberf 2020 .
Update: 28 januari 2021 .
Samenstelling: © Harm Hillinga
.
Menu Artikelen.
Terug naar de HomePage.
Top