De Heer van Faan
De heer Rudolf de Mepsche van Faan weet vanaf zijn vroegste kinderjaren zijn wrede aard en aanleg voor de buitenwereld te verbergen. Als hij nog als kind met kinderen speelt, lijkt het er zelfs op of hij een teergevoelige ziel bezit. De tranen springen hem zeer gemakkelijk in de ogen, en wanneer zijn vriendjes zich wreed vermaken met een kikker, meikever, vlinder of vogel kijkt hij wel toe, maar hij steekt nooit een hand uit om hen te helpen. Nooit zal hij zelf in een boom klimmen om vogelnesten uit te halen. Liever blijft hij beneden aan de stam staan, en als zijn brutale kameraad met de muts in de mond, waarin de gespikkelde eitjes liggen, naar beneden klautert, vraagt hij niets van de buit. Hij kijkt onbewogen toe, hoe in de schaal aan de spitse en de stompe kant een klein gaatje wordt geprikt, en hoe het donkergeel en slijmerig wit kwakje onverschillig op de grond wordt geblazen, waar het als een stervend jong leven nog even op het mos natrilt.


Rudolph De Mepsche van Faan.
Jonker Rudolph de Mepsche van Faan.

Hij is geen vriend en geen vijand van dieren. Andere jongens hebben nog wel eens een jonge kraai die op hun schouders zit, alsof zijn eigenaar de liefste knul ter wereld is, of ze hebben een jong hondje, dat wild voor zijn jeugdige baasje uit springt. Bij De Mepsche van Faan is nooit een wezen te bekennen dat hij lief heeft. Zij ogen zijn schaduwen zonder licht, die diep in zijn bleke gezicht liggen; zijn lippen zijn bloedeloos. Lacht De Mepsche van Faan wel ooit? Deze vreemde jongen, die voor niets en niemand bang is, zit het liefst in zijn eentje. Als hij ouder wordt, ziet men hem weinig met jonge edellieden, en men zegt van hem dat hij mensenschuw is. "Zou hij ooit wel aan de vrouw komen?" spot men. "Wat een vraag! Hij en van een vrouw houden? Bestaat niet!" Het lijkt of hij de meisjes voorbijloopt. Ze lachen wel eens aarzelend tegen hem, omdat hij eenmaal een Mepsche van Faan is, en omdat ze het vreemd vinden dat hij hen negeert. Welke aantrekkelijke jonge vrouw kan dit verdragen?

 

Een keer is er een meisje geweest dat zijn belangstelling heeft gewekt. Ze heeft hebzucht in hem opgeroepen, zoals een kind ernaar verlangt een nieuw stuk speelgoed in zijn bezit te krijgen, maar hij is haar voorbijgegaan.


In de loop der jaren zijn de wallen onder zijn ogen dieper geworden en zijn lippen nog bleker dan in zijn knapentijd. Toch, ondanks het feit dat hij zijn spieren weinig heeft geoefend in het spel of tijdens de jacht, heeft hij de schouders en armen gekregen van zijn sterke voorgeslacht. Men heeft de indruk dat hij zware gewichten kan heffen, hard metaal kan breken en snel wild kan volgen, als hij dat zou willen. Maar hij wil het niet.


 Er bestaan mensen die geen vreugde kennen en geen verdriet. De heer van Faan is zo iemand. Tot hij ontdekt dat er iets in het leven is dat hem kan wekken uit zijn onverschilligheid.


 Op een keer, als er boerenkermis in het dorp is, ziet hij hoe een paar jongens een gans knuppelen. De stokken slaan op het weke, gevoelige vlees, en het dier krijst hartverscheurend. De Mepsche staat erbij en staart ernaar, als in een droom verzonken. Zijn handen trillen en de wallen onder zijn ogen worden donker van kleur. "Is dat prettig?" vraagt hij met een toonloze stem. De jongens kijken verwonderd op van hun wrede bezigheid en ze zien hem aan. "Wil de heer het misschien zelf eens proberen?" zegt een van de ruwe kornuiten. "Gaat u gerust uw gang, heer..." "Ik zie liever dat jullie het doen. Ga maar door. Zou hij nog lang leven? "Niet lang meer," antwoordt een boerenjongen met een kennersblik. "Hij nadert zijn einde." "Mooi rood is het bloed op de veren.Kijk zijn ogen eens. Het leven is mooi.
 "Voor de gans niet." Nu lachen ze allemaal. "Knuppel de gans niet verder," beveelt de heer. "Als je hem slaat, zal hij 't bewustzijn verliezen. Laat hem voelen dat hij pijn heeft, laat hem voelen dat hij leeft!" Mepsche van Faan sluit hierbij zijn ogen. "Raak hem niet aan. Kijk hem kruipen. Ja, dit doet me goed." "Heeft mijnheer nooit 't vogelschieten en 't palingtrekken gezien?" "Ik zal er naar komen kijken - waarschuw me maar, als 't zover is!" "En wil mijnheer echt niet zelf knuppelen?" "Nee," zegt De Mepsche vastbesloten, "ik heb liever dat anderen het doen, jongens!"


Hij wacht de dood van de gans niet af. Langzaam en in gedachten verzonken verlaat hij de kermis. "Mepsche van Faan," fluistert een stem in zijn bloed, "dat was mooi - dat zie je niet elke dag. Vandaag heb je het leven recht in de ogen gezien."

In de late avond van 28 januari 1712 wordt het ontzielde lichaam van Jebbo Aldringa, borgheer te Faan, bij toortslicht statelijk ter aarde besteld. Een deel van zijn nogal uitgebreid bezit aan heerden en rechten te Faan, Niekerk, Oldekerk en elders blijft eigendom van zijn broer Assuerus Aldringa. De rest, met inbegrip van de borg Bijma, vererft op Rudolf de Mepsche. Als in 1722 ook Assuerus sterft, beschikt De Mepsche over al de rechten en heerlijkheden die de Aldringa's bijeen gekocht hebben.

Borg Bijma te Faan.
Borg Byma, 't Huis tot Faan, tekening anno 1782. Bron: Beckeringkaart.

In 1713 verschijnt Rudolf de Mepsche als comparant voor Faan in de Ommelander landdag. Van meet af streeft hij er naar om via dit gezagsinstituut zijn invloed te vergroten en zijn portie mee te krijgen van de buit, die in de vorm van lucratieve ambten van tijd tot tijd wordt verdeeld. Van meet af is hij er zich ook goed van bewust, dat in deze wedloop de Heer van Hanckema te Zuidhorn een geduchte tegenspeler zal zijn.

Op de mooie borg Hanckema zetelt al van 1675 af een tak van het zo uitgebreide en invloedrijke geslacht Clant. Als Maurits Clant, de oude jonker, uit de ramen van de weelderig versierde sterrenkamer over de lage landen westwaarts kijkt, ziet hij tegen de horizon het geboomte langs de singels bij Bijma. Daar woont de kleinzoon van de hardvochtige ketterjager Johan de Mepsche en Clant maakt zich geen illusies over hem. Woorden en daden van De Mepsche laten er geen twijfel over bestaan, dat hij het er op toelegt Hanckema te overvleugelen. De oude jonker hoopt dat zijn zoon Edzard tegen de ondoorgrondelijke heer van Bijma opgewassen zal zijn.

Rudolf de Mepsche is uiteraard volledig op de hoogte van de usanties en praktijken van de landjonkers. Hij kent al de trucs die worden toegepast om de gecreëerde functies te bemachtigen en hij ziet kans om er nog enkele geraffineerde foefjes aan toe te voegen.

Er zijn in de Ommelanden drie kwartieren, sinds 1659 ieder verdeeld in drie onder-kwartieren. Zoals voor de hand ligt, is het Westerkwartier verdeeld in de onder-kwartieren Vredewold, Langewold en Middag, waar Humsterland bij behoort. Wie in zo'n onderkwartier voldoende stemmen op zijn hoofd kan verzamelen, komt in aanmerking voor de functie van gecommitteerde, arbiter of monsterheer. Bovendien zijn er de toerbeurten voor het lidmaatschap van de Admiraliteit van Amsterdam of Harlingen, de Staten-Generaal, de Raad van State, voor generaal en provinciaal Rekenmeester, enz.

Het doel, voor een van deze goed betaalde baantjes op het fluweel te komen, mag de gebruikte middelen niet bepaald heiligen, -naar de opvatting van de jonkers- worden ze er wel door gewettigd. De corruptie is algemeen en daardoor schijnbaar volkomen legitiem. Er zijn bedragen vastgesteld, die men moet storten om de verworven functie te mogen aanvaarden. En die sommetjes liegen er niet om. De Ommelander jonkers hebben in hun notitieboekje staan, wat ze op het plankje moeten leggen. Voor elk van de ambten van Hoofdman, secretaris van de Hoofdmannenkamer, Advocaat van de Provincie, Monster-Commissaris en Ontvanger der Coopschatten - telkens f. 6.800, (€ 3.085,71). Voor de posten van Ontvanger-generaal of Ritmeester in het leger moet men zelfs f. 10.800, (€ 4900,83) fourneren. Maar men krijgt daarmee dan ook de troeven in handen om zich driedubbel schadeloos te stellen.

Onderling gooien de jonkers in het onderkwartier elkaar de bal toe. Ze helpen elkaar aan stemmen en verdelen de ambtenbuit volgens afspraak. De gesloten geheime contracten waarborgen van te voren een evenredige verdeling van de winsten. Wie het ene jaar een minder profijtelijk baantje heeft, krijgt het andere jaar een winstgevender post. Of men stelt vast, dat alle winsten in één pot zullen vloeien, om die dan naar evenredigheid te verdelen. Op deze manier gaat het na 1740 tussen de heer van Hanckema, Bennema van Noordhorn, De Hertoghe van Rikkerda en Clant van Ayckema te Grijpskerk.

De tweede-rangs-jonkers worden door de grotere heren aan wie ze zich door een contract verbonden hebben met zorg in de watten gelegd, maar met evenveel zorg voortdurend geobserveerd. Ter wille van een klein voordeel laten ze zich omkopen door de tegenpartij. Unico Michiel de Hertoghe van Rikkerda (Lutjegast) is er zo een, die de huik naar de wind hangt. In 1721 heeft hij De Mepsche gesteund, zodat deze lid wordt van de Staten Generaal. Omgekocht door Clant van Hanckema, laat hij het volgend jaar De Mepsche in de steek.

In 1724 echter, ziet hij er heil in zijn draai te nemen en een nieuw contract met De Mepsche te sluiten. Volgens de aanhef van de opgemaakte akte beloven ze elkaar tot hernieuwing van onze oude vriendschap en wegneming der geschillen tussen voorzegde huizen, rust, vrede en enigheid van ons en onze nakomelingen en goede ingezetenen van het onder-kwartier Oostlangewoldsteradeel, tot voorkoming der ‘cuiperijen’ in de toekomst de volgende punten te accorderen. Het eerste punt is dan, dat ze nooit en te nimmer afzonderlijk hun stem zullen geven aan de Heren Maurits en Edsard Clant van Hanckema. Twee jaar later sluit De Hertoghe zonder gemoedsbezwaar een overeenkomst met Clant en Bennema.

Om als eigenerfde landdagcomparant te kunnen worden, moet men een behuisde plaats hebben van minstens 30 gras en belijder zijn van de Gereformeerde religie. Tot ongeveer 1715 is het aantal comparanten hier in elk karspel maar klein. Daarna zien we in de meeste karspelen van Langewold plotseling een sterke stijging van het aantal comparerende eigenerfden.

De Heren Clant en De Mepsche met inbegrip van hun vazallen gaan pachters, keuterboeren en landarbeiders tot eigenerfden bevorderen, door ze aan een boerderij te helpen, die op hun naam wordt gezet. Onder garantie van de jonker wordt door de eigenerfde-in-spé geld opgenomen, om de heerd te kunnen kopen met vaak een complete boerenbedrijf. De jonker zelf zorgt meestal voor het geld en de boer tekent de rentebrief. Deze heeft ongeveer het karakter van een hypotheekakte, want bij wanbetaling vervalt het onderpand, de boerderij met inventaris, aan de jonker.

Tientallen pachters en burgers, tot herbergiers toe, gaven dergelijke rentebrieven af en worden in naam eigenaar van een behuisd stuk grond. Ze moeten op tijd rente en aflossing betalen en vanzelfsprekend als landdagcomparant hun stem geven aan de jonker, van wie ze financieel afhankelijk zijn. Op deze wijze wordt een nieuwe stand van 18e eeuwse horigen in het leven geroepen, met als enig doel, stemmen te winnen. Stemmen, die men nodig heeft in de nooit aflatende strijd tegen de rivaal, die precies dezelfde kunstgrepen toepast.

De jonker en zijn adviseurs zitten steeds op plannen te broeden, om hun corrupt systeem te perfectioneren. Sterft er een boer, dan moet men er altijd een op reserve hebben, die zo snel mogelijk zijn plaats inneemt. Aan weduwen heeft men niets. Grote boerderijen worden gedeeld, waarbij de vereiste behuizing voor de afgesplitste helft gevonden wordt in een in de buurt staande arbeiderswoning.

Het is niet Rudolf de Mepsche, die met deze manipulaties is begonnen. In 1712, het jaar dat hij op Faan arriveert, draagt Maurits Clant van Hanckema al een heerd van 32 gras over aan Sybrant Jans te Noordhorn, waarvoor een rentebrief wordt getekend van f. 6.400, (€2.904,19). In 1714 draagt Hendrik Bennema, de man waar Clant op kan bouwen, een heerd van ca. 30 gras over aan Warner Jans. Hiermede maakt Bennema een begin met de opdeling van zijn uitgebreid bezit onder schijn-eigen-erfden, terwijl hij de grond grotendeels in eigen gebruik houdt.

Vrees voor de dag, dat de Hanckema-clan door De Mepsche en zijn aanhang zal worden overstemd, drijft Clant en Bennema reeds dan tot frauduleuze transacties met land en geld. Pas tegen 1717 begint Rudolf de Mepsche het voorbeeld van zijn tegenstanders te volgen. En zoals alles wat hij onderneemt, doet hij het grondig. In 1721 wordt Hanckema bij de stemming verslagen en wordt De Mepsche lid van de Staten-Generaal.

Clant en de zijnen kunnen deze knock-out maar slecht verteren. De heren zonnen op een spoedige revanche. Er wordt gesjacherd met boeren en land en er gaat geen kans verloren om De Mepsche onder zijn duiven te schieten. Het gekuip heeft succes. We hebben al gezien, dat jonker Unico Michiel de Hertoghe zijn contract met De Mepsche heeft verscheurt en overstapt naar het andere kamp. Als eind 1722 opnieuw gestemd wordt over de te verdelen ambten (in de kerk van Noordhorn), staken de stemmen en blijven de functies onbezet.

In de daarop volgende jaren weten Clant en consorten hun koppel stemvee voldoende uit te breiden om zeker te zijn van de meerderheid. Behalve het grietmanschap, heeft De Mepsche nooit weer een openbaar ambt bekleed. De schare echte en onechte eigenerfden die De Mepsche uit de karspelen Faan, Niekerk, Oldekerk en andere jaarlijks laat aanrukken, dwingt de winnaars tot voortdurende waaksheid.

In 1726 komen de vier leden van het Hanckema-consortium met elkaar overeen, dat ze evenredig aansprakelijk zullen zijn voor eventuele schaden, voortvloeiende uit de geïnterpoleerde borgtochten. Hiermee worden de afgegeven rentebrieven bedoeld. Met ziet: de jonkers bezigen voor hun corruptieve handelingen hun eigen juridisch jargon.

‘Helse boosheyt’
Na 1722 heeft Rudolf de Mepsche het dus moeten aanzien, dat de begerenswaardige ambten bij zijn sterkere tegenspelers terecht komen. De Mepsche weet drommels goed, dat dit voor het grootste deel het werk is van Hanckema's actieve contactman: Hendrik Bennema, de herenboer uit Noordhorn, regelmatig bekleedt met de functie van provinciaal Rekenmeester. Voortdurend is hij bezig de zadelriem van Edsard Clant steviger vast te snoeren.

Tot het laatst toe heeft De Mepsche de strijd verbeten voortgezet. Het heeft hem hopen geld gekost. In zijn stamgebied (Faan-Niekerk-Oldekerk) weet hij in 1731 nog 46 figuranten op de comparantenlijst te krijgen. Het getij is hem echter ongunstig. Door een epidemie sterven nog voor de stemming dag 8 stemgerechtigden. Nadien heeft hij zijn kiezerskorps niet meer op het gewenste peil kunnen krijgen. Als grietman van Oosterdeel-Langewold, een functie die hij nogal enkele malen heeft bekleed, wordt in 1731 zijn ijver in beslag genomen door een zaak van schijnbaar heel andere aard.

Op verschillende plaatsen in Nederland worden in die tijd door de justitie arrestaties verricht en vonnissen uitgesproken wegens het zogenaamde ‘crimen nefandum’ of goddeloos vergrijp, nader gepreciseerd als tegennatuurlijke ontucht, gepleegd door de mannelijke sexe….

De predikant van Niekerk, ds. Bijler, een temperamentvol en zeer belezen man, heeft er tegen gefulmineerd in een door hem uitgegeven boek getiteld: ‘Helsche Boosheyt of grouwelycke sonde van Sodomie’. Hij staat op het standpunt, dat dit kwaad moet worden gestraft overeenkomstig de oudtestamentische bepalingen van de Mozaïsche wetten, die daarop betrekking hebben. Erger nog: zoals de Sodomieten door een straf van de hemel de vuurdood sterven, zo moeten ook in 1731 de zondaars branden.

 

'Helse boosheyt'.

 


Dit schijnt trouwens in die tijd een gangbare opvatting te zijn geweest, waarbij men zich heeft kunnen beroepen op een artikel uit veel oude landrechten waarin ook van ‘bernen’ of branden wordt gesproken. Van Bijler heeft zijn collator, grietman De Mepsche, volledig kunnen overtuigen, dat hij als drager van het rechterlijk gezag, dit artikel onverkort dient te handhaven als deze boosheid in zijn ambtsgebied de kop zal opsteken. Merkwaardig is echter, dat De Mepsche onmiddellijk na het uitlezen van Van Bijlers boek de zevenkoppige draak van het ‘crimen nefandum’ al heeft kunnen signaleren. Naar hij meedeelt, heeft een blinde jongen hem de eerste aanwijzingen gegeven. Nog dezelfde avond wordt de aangeklaagde Jan Berents bij het Noordhorner tolhek gearresteerd door de ‘biezejagers’ van De Mepsche. Hij bekent en noemt een medeschuldige. Het wordt een rollende sneeuwbal. Folterwerktuigen als pijnbank, been- en voetijzers dwingen de slachtoffers tot het noemen van namen. In heel dit walgelijke proces van martelingen, ranselpartijen en helse verhoren wordt De Mepsche krachtig bijgestaan door zijn geconstitueerd medegrietman, de rechtskundige Menso Alting en een andere jurist namelijk G. Froon uit Groningen.

Naar de in die tijd geldende recht, mag de rechter bij half bewijs, bijvoorbeeld alleen maar een beschuldiging door een getuige, gebruik maken van foltermiddelen om van de beklaagde de waarheid uit eigen mond te horen. Van dit recht blijkt De Mepsche een ruim gebruik te hebben gemaakt. Hij heeft het zelfs gebruikt om andere, nog vrij rondlopende personen, die als verdacht worden genoemd te kunnen arresteren. Tot een ketting rijgen de beschuldigingen zich aaneen. De stallen en kelders van Bijma raken vol.

De verdachten zijn haast zonder uitzondering afkomstig uit Zuid- en Noordhorn. Ze worden onder de ogen van de borgheer van Hanckema weggehaald. Deze staat machteloos. Ook hijzelf is aan het rechtstoezicht van de grietman-in-functie onderworpen. Telkens verschijnen de wedman en de biezejagers van De Mepsche in de beide dorpen. Onzekerheid en angst grijpt de bevolking aan van laag tot hoog. Zij die vrezen te worden aangebracht om namen te noemen, slaan op de vlucht. Het baat hun niet. De grietman vraagt en krijgt toestemming de jacht ook buiten zijn rechtsgebied voort te zetten. Alleen de heer Lewe van Aduard toont zich bij het tweede verzoek weigerachtig.

Clant van Hanckema en Rekenmeester Bennema wordt de grond te heet onder de voeten. Ze vluchten naar de stad Groningen. Bennema laat zich als stadsburger inschrijven. Beide stellen zich ‘ter purge’ dat wil zeggen ze verklaren zich bereid elke aanklacht te weerleggen en zich daarvan te zuiveren. De Mepsche schrijft, dat hij tegen de heer van Hanckema niets in de zin heeft en dat hij, wegens de verwantschap van Clant aan zijn vrouw, het oordeel aan andere rechters zal overlaten, als het zou blijken dat deze heer tot de verdachten zou behoren.

Bennema krijgt groter moeilijkheden. De Hoge Justitiekamer erkent volledig de bevoegdheden van de grietman van Oostlangewoldsteradeel en is niet van plan hem een strobreed in de weg te leggen bij het uitvoeren van zijn taak. Dan komt de beschuldiging van Bennema binnen. De Mepsche heeft zijn naam door een van de gevangenen horen noemen. In het proces dat volgt heeft de heer van Faan echter bakzeil moeten halen. De burgemeester van Groningen heeft Bennema laten arresteren, maar hij wordt niet aan De Mepsche uitgeleverd. Een speciale commissie verhoort de getuigen. Ze blijken onder pressie van de rechter de Rekenmeester te hebben beschuldigd. Bennema wordt vrijgesproken en hoeft niet weer naar de gevangenis boven de Poelepoort in Groningen terug te keren.

Intussen heeft het proces, dat met gesloten deuren op Bijma wordt gevoerd, zijn dramatisch hoogtepunt bereikt. Ds. Van Bijler is enkele malen bij de verhoren tegenwoordig en heeft er zijn welgevallen aan. Het getal van schuldigen en verdachten is gestegen tot 35. Dat het er beestachtig toe gaat blijkt uit de briefjes, die de gevangenen naar buiten smokkelen en uit het feit, dat Sicke Arents onder de pijnigingen bezwijkt. Een klein aantal gevangenen, dat in Groningen onder arrest wordt gehouden en verhoord, heeft het niet minder hard te verantwoorden. De Zuidhorner eigenerfde Jan Pot, sterft met een op de pijnbank uiteen getrokken lichaam.

De slotzitting zou publiek zijn en worden gehouden in het kerkje van Faan. In de gezinnen, waar een man of zoon is weggehaald heerst de vreselijkste spanning.

Galg.

Het helse vonnis: de 22 galgen
De 22 galgen, opgericht op het Kaakheem op de Westergast te Zuidhorn, steken hun armen dreigend uit. Ze spreken een ondubbelzinnige taal, al voordat de rechters openlijk uitspraak doen. Hout, hooi en turf liggen opgehoopt. De timmerlui bouwen de tribune voor de kijkers. Dit stuk grond, deze ‘giesellap’ zoals het volk het noemt, heeft De Mepsche in 1720 gekocht om er drie ter dood veroordeelde misdadigers te laten terecht stellen.

De 24e september van het jaar 1731 is door de grietman en zijn mederechters aangewezen als datum voor de publicatie en de uitvoering van het vonnis. Alles is tot in bijzonderheden geregeld. Antony Snijder, de stadsbeul, rijdt met zijn helpers tijdig naar Zuidhorn. Op zijn aanwijzingen worden de brand-
stapels gereed gemaakt.

Als de heren van het gericht voor het kleine Faner kerkje uit hun koetsen stappen, spannen zeven boeren hun wagens aan, om de gevonnisten van Bijma naar Zuidhorn te vervoeren.

Om de tafel binnen het koorhek zitten, behalve de grietman, zijn rechterhand, Dr. Menso Alting, het viertal Groninger juristen, Froon, prof. Rotgers, Taalman Reichle en Dr. Alberthoma en niet te vergeten de predikant van Oldekerk, Niekerk en Faan, ds. Van Bijler. De schrijver van de ‘Helsche Boosheyt’ opent de zitting met een lang gebed. Voor iedereen moet het duidelijk zijn, dat de kerk aan deze uitspraak haar sanctie verleent. Door steunpilaren omringd en door de kerk gedragen, hoeft de grietman van Oosterdeel-Langewold zich geen zorgen te maken.

Dr. Froon houdt het rekwisitoor
Het gericht van Oost-Langewoldsteradeel, Ratione Officii in Confinatie hebbende vernomen, na voorafgaande informatie.....enz. Voor elk van de veroordeelden wordt de sententie herhaald, vier en twintig keer. En telkens weer luidt de strafclausule:......’aan een paal te worden gezet, door de scherprechter doodgeworgd en voorts desselfs lichaam tot asse verbrand’. Voor drie heeft men een nog strengere strafmaat nodig geacht. Gerrit Frericks, Jan Beerents en Hendrik Beerents zullen vooraf in het gezicht worden geblakerd. De twee kinderen krijgen levenslang tuchthuis en moeten de executie aanzien. De nabestaanden worden gestraft met betaling van de kosten van het proces en de terechtstelling, ieder voor zijn aandeel.

De verschrikkingen van de tragedie die volgt, het transport naar Zuidhorn en de openbare moordpartij, zijn niet te peilen. Zeven boerenwagens met de mishandelde gevangenen en het lijk van Sicke Arents, hobbelen door de sporen van de zandweg naar de Zuidhorner Gast. Met de wagens meelopend ziet men de familieleden, vrienden en kennissen, eerst op afstand gehouden, maar later opdringend, jammerend en huilend of proberend een troostwoord te vinden.

Ds. Van Bijler ziet men met een strak gezicht voortschrijden in de stoet, ernstig en zelfverzekerd beleeft hij de dag van de wrake van zijn toornige god.


Ds. Van Bijler vertegenwoordigde de kerk echter maar in schijn. De oude ds. H.C. Metelerkamp van Zuidhorn, de jonge Metelerkamp van Niehove en ds. Abelaar van Oostwold, allen bij het treurspel aanwezig, hebben zich duidelijk genoeg van hun Niekerker collega gedistantieerd. Blijkens hun brieven aan hoge Colleges in de stad, hun voorspraak voor de rechtelozen en hun openlijk getuigenis in kerkelijke bijeenkomsten, hebben zij deze oordeelsdag beleefd als een ongeluksdag voor de kerk. Zij tonen zich bitter gekrenkt door het feit, dat een predikant zijn eigen gemeenteleden tijdens hun gevangenschap op Bijma niet mag bezoeken. Ze hebben hun verontwaardiging er over uitgesproken, dat niemand in staat is een dergelijke beestachtige strafoefening te verhinderen.

Tot op het ogenblik, dat hun keel wordt dichtgesnoerd, hebben de meeste slachtoffers luid van hun onschuld getuigd. Wie, zoals ds. Metelerkamp, op een uitbarsting van de tot razernij opgekropte woede van het landvolk heeft gerekend, wordt teleurgesteld. Weerloos en geslagen, in het fatale besef van hun onmacht, staren de mensen het moordtoneel aan of wenden zich in angst en weerzin om. Men komt niet verder dan tot het in stilte vervloeken van de rechters en het ballen van een vuist. Tweehonderd soldaten met geheven wapens vormen een stalen cordon om de brandstapels. De hitte van brandend teer en hout, drijft bewakers en toeschouwers achteruit.

 

Er is een lijst bekend van de 22 personen die destijds gedood zijn:

■Jan Beerents 19 jaar

■Gerrit Freeks 49 jaar

■Hendrik Beerend Liplander 33 jaar

■Hendrik Cornelis 21 jaar

■Jan Jans 18 jaar

■Pieter Cornelis 20 jaar

■Hans Engberts 19 jaar

■Cornelis Jans Commissie 18 jaar

■Tamme Jans 15 jaar

■Jan Jacobs van Donderen 30 jaar

■Hendrik Leeuwes 19 jaar

 

■Jan Idzes 18 jaar

■Gerrit Harms 16 jaar

■Thomas Jacobs 16 jaar

■Jan Harms Braker 37 jaar

■Jan Wychers 45 jaar

■Mindelt Jans Roll 36 jaar

■Asinga Immes 45 jaar

■Eysse Jans 41 jaar

■Goossen Hendriks Braker 40 jaar

■Harm Arends Harkema 44 jaar

■Sicco Arends Harkema 39 jaar, niet terechtgesteld, overleden tijdens verhoor.

 

Niet terechtgestelde personen:
■ Jan Sipkes 13 jaar, levenslang opgesloten in tuchthuis, maar ontsnapt.
■ Claas Sipkes Aaxter 13 jaar, levenslang opgesloten in tuchthuis, maar ontsnapt.
■ Jurjen Jans Capel ongeveer 40 jaar, niet veroordeeld.
■ Sybrand Jacobs 18 jaar, niet veroordeeld.
■ Renger Jans 13 jaar, niet veroordeeld.
■ Pieter Jacobs 17 jaar, niet veroordeeld.
■ Jan Jans Wever leeftijd onbekend, niet veroordeeld.
■ Jan Clasen Pot leeftijd onbekend, gestorven na ernstige marteling.


Het raadsel der motieven
In het Oudheidkundig Museum te Groningen hangt het portret van Johan de Mepsche, een voorvader van Rudolf, de grietman uit het monsterproces van Faan. Het gezicht van deze zwaargebouwde figuur, die zijn rol heeft gespeeld in de begintijd van het Spaanse geweld, verbergt meer dan het openbaart. Men kan er in lezen een grote dosis zelfingenomenheid en egoïsme, gepaard met durf en vasthoudendheid. Het gevaar is echter groot, dat we tot de conclusie komen, gewapend met de kennis van zijn woorden en daden. De onbevangen toeschouwer ziet in hem misschien een zeer acceptabel en vriendelijk mens, rechtvaardig en menslievend.

Als luitenant van de Hoofdmannenkamer en daardoor vertegenwoordiger van de stadhouder des konings, is hij een fanatiek verdediger van de opperheerschappij van Filips II en het exclusieve bestaansrecht van de Roomse kerk. Afvalligen kunnen niet worden geduld. De stad vindt in hem een niets ontziend strijder voor de stadssuperioriteit in het gewest. De strijd voor deze principes heeft hij door alles heen, heel zijn leven lang gevoerd en daarbij vooral zijn persoonlijke belangen niet vergeten. Als Alva komt en Groningen in de Knyff een bisschop krijgt, beleeft Johan de Mepsche zijn beste dagen. Naar men vertelt, zitten hij en de bisschop achter het raam van het ‘Huys met de Schoone Gevel’ te genieten van wat er op de Grote markt te zien is: de pijniging van ketters. Zeker van zijn macht, als er enkele vendels Duitse huurlingen binnen de muren van de stad zijn, jaagt De Mepsche de aanhangers van de hervorming, mannen, vrouwen en kinderen de stad uit.

Bij de inval van Lodewijk van Nassau in 1568, wordt de borg van De Mepsches vrouw te Loppersum met de grond gelijk gemaakt. Na de overwinning van Alva, neemt De Mepsche wraak. De boeren uit de omtrek krijgen de schuld. Ze worden van land en goed beroofd en moeten de borg helpen opbouwen. Na een tijdelijke gevangenschap en verbanning van 1576 tot 1580 keert hij terug om met dezelfde grimmigheid zijn oude tegenstanders te lijf te gaan, zonder zijn maatregelen op hun humaniteit te toetsen.

Hij houdt de kerk en de kerk houdt hem in ere. Als proost van het decanaat Loppersum bewaakt hij het godsdienstig leven in zijn ambtsgebied en profiteert tevens van de opbrengsten uit de rijke bezittingen van deze proosdij. Bij de uitoefening van deze taak overvalt hem in 1585 de pest.
Rengers van Ten Post rekent hem tot de boosaardigen, die Gods gericht niet ontlopen. Ze liggen in ‘der helle und ewigen tenden knersent’.

Wat drijft Rudolf de Mepsche tot het voeren van het monsterproces? Het kluwen van motieven schijnt niet te ontwarren. Hij wordt krachtig gesteund, om niet te zeggen voortgestuwd. De invloed van Ds. Van Bijler moet buitengewoon groot zijn geweest. Deze predikant met zijn loftirades op de edelmoedige grietman en nog overdrevener op de beminnelijkheid van Suzanna Alberda, De Mepsches vrouw, weet zijn ideeën aan de formeel-puriteinse geest van De Mepsche op te dringen. En, last but not least, zijn er de gerenommeerde juristen uit de stad, wier adviezen allemaal dezelfde geest ademen.

Het meest ontdekkende licht valt echter op De Mepsches optreden tegen de achtergrond van zijn worsteling om de macht met het huis Hanckema. Behalve de beide kinderen en de jongens, zijn er bij de gevonnisten elf mannen, waarvan acht eigenerfden, allen kiezers van Clant van Hanckema. Van de negen verdachten die te Groningen gevangen worden gehouden en nooit aan Bijma zijn uitgeleverd, zijn er zeven, die de partij van Hanckema steunen. Weliswaar zijn velen van hen gekochte kiezers, maar dat doet in dit geval niets terzake. Vooral bij de latere arrestaties, op grond van afgeperste aanklachten, vallen de slachtoffers onder de eigenerfden, die hun woord aan Clant hebben gegeven.

De arrestaties wegens het ‘crimen nefandum’ vallen in die jaren vrijwel uitsluitend in de grotere steden. Het is eenvoudig absurd om te geloven dat de plattelandskarspelen van Zuid- en Noordhorn er in die mate mee besmet zouden zijn geweest. Op misschien enkelen na, zullen ze allen voor de rechtbank, waarvoor Bennema terecht staat, zijn vrijgesproken. De eerste impuls van De Mepsche zal ongetwijfeld geweest zijn, het gesignaleerde kwaad te straffen. De verdachten die de rij openen, staan blijkbaar minder gunstig bekend. In de loop van het proces wijst alles er onmiskenbaar op, dat het De Mepsches voornaamste doelstelling wordt, zijn tegenstander op Hanckema schaakmat te zetten. In zijn verblindheid heeft hij niet begrepen, dat het door hem gebruikte infame wapen, zich als een boemerang tegen hemzelf zal keren.

De vlekken van de luipaard
Over de afloop zal De Mepsche meer spijt dan berouw hebben gehad. Sommigen van zijn kiezers worden hem ontrouw. Bij de verbeurdverklaring en de verkoop van het bezit van de ter dood gebrachte boeren wordt hij opgehouden door het Hof in Groningen. Het begint protesten en rekwesten te regenen bij de Landdag en de Hoge Justitiekamer. In de Landdag staan zes onder-kwartieren tegenover drie, die voor non-interventie zijn. Dat verlamt de protestactie en geeft De Mepsche de hoop, dat hij nog wel volledig aan zijn trekken zal komen.

De Hoge Justitiekamer, gesteund door de stadsregering, schuift alle verzoekschriften op de lange baan. In dit hoge rechtscollege zitten de begunstigers van De Mepsche, zelfs zijn zwager Alberda van Bloemersma. Eindelijk wordt een commissie beëdigd om de processtukken te onderzoeken en de klachten van de familieleden van de slachtoffers te wegen (1732). Ze voert weinig uit en komt pas in 1739 met een rapport. Als het op besluiten aankomt, staan Stad en Ommelanden weer lijnrecht tegenover elkaar.
De Staten-Generaal bemoeien er zich zelfs mee en manen tot onpartijdigheid. Het advies wordt voor kennisgeving aangenomen. Nog steeds zitten de negen verdachten te Groningen gevangen. De beide jongens, die naar Groningen overgebracht zijn om Bennema te beschuldigen, maken een gat in de gevangenismuur en kruipen er uit.

Intussen lopen de kosten aldoor op. De rekeningen van de terechtstelling zijn nog steeds niet voldaan. De afwikkeling van deze toch zo belangrijke zaak, geeft ons een monsterstaaltje van de verachtelijkste touwtrekkerij. Officieel is er door de Hoge Justitiekamer nooit een oordeel over De Mepsche uitgesproken. Hangende het onderzoek, mag hij echter niet tot de Landdag worden toegelaten, hoe hardnekkig hij dat elke twee jaar ook heeft geprobeerd.
Zijn schulden stapelen zich op. Boeren, die hem niet meer steunen moeten hun rentebrieven inleveren en de boerderij verlaten. Omstreeks 1737 beginnen de monsterheren met de zuivering van zijn kiezerskorps. In de volgende jaren worden de rijen gedecimeerd, zodat er omstreeks 1745 voor Oldekerk-Niekerk-Faan van de ca. 50 comparanten niet meer dan tien over zijn.

Van meten met gelijke maten is evenwel geen sprake. Bij de beoordeling van de stemmers voor Hanckema, knijpt men een oog dicht. Pas na 1747, als De Mepsche door zijn faillissement voorgoed is uitgerangeerd, nemen Clant en de Hertoghe hun donors geleidelijk uit de Landdag terug. In 1745 begint de gerechtelijke verkoop van De Mepsches bezittingen. Tot 1753 toe worden regelmatig heerden en rechten in het Wijnhuis te Groningen ‘bij de keerse’ verkocht. Voor een groot deel komen de goederen tegen een lage prijs in handen van Edzard Reint Alberda van Bloemersma, die ook eigenaar wordt van de borg Bijma.

De verheffing van Willem IV tot erfstadhouder in 1748, gelijk met het dieptepunt in het leven van Rudolf de Mepsche, wordt voor hem de reddingsgordel, die hij krampachtig vastgrijpt. Terwijl veel jonkers afwijzend of weifelend staan ontpopt De Mepsche zich als een vurig Oranjeklant. Hij overtroeft daarmee zijn oude vijand, Lewe van Aduard en het heeft hem geen windeieren gelegd. Met de 40.000 gulden ( € 18.151,21) die hij van de Prins ontvangt kan hij zijn voornaamste schulden betalen. De benoeming tot drost van Wedde opent voor de veel gehate jonker weer een nieuw verschiet. Hij wordt een man van aanzien, maar als hij in 1754 sterft, laat hij een grote schuldenlast aan zijn erfgenamen na. Volgens de Groninger Courant van 17 december 1754 wordt hij in de avond van 8 december met statieus gevolg onder het licht van de flambouwen, in de Martinikerk begraven.

Reacties bij het volk in Langewold
We vragen ons af hoe de reactie geweest is op de gebeurtenissen in 1731, als de as van de brandstapels op de giesellap is verwaaid. In het bijzonder interesseert ons dit voor de kerspelen, waarin hij tot dat jaar voor honderd procent wordt gesteund, Faan, Niekerk en Oldekerk. Deze mensen zitten 's zondags onder het gehoor van Ds. Van Bijler. De lijst van schuldigen, die De Mepsche en Alting hebben opgesteld, wijst uit, dat Van Bijler zijn kudde vrij heeft weten te houden van deze ‘helsche boosheyt’. In de gemeente heeft hij God bedankt voor zulke trouwe en onkreukbare rechters, als die, waarmee Oosterdeel-Langewold in deze verdorven tijd is gezegend. En velen onder zijn gehoor zullen daar min of meer van harte ‘amen’ op gezegd hebben.

a. Sebaldeburen 1732
Hemelvaartsdag 1732 is het weer druk op de jaarmarkt in Sebaldeburen. De kramen staan op het kerkhof en langs de weg. Elk huis is voor deze dag in een herberg veranderd. Overal zitten de keukens en de kamers vol met drinkende en klinkende marktgangers. De grietman, jonker de Hertoghe van Rikkerda, opvolger van De Mepsche, heeft zijn beide biezejagers, Jan Gort en Tjebbe Jans, naar de markt gestuurd om orde en rust te handhaven. Ze gaan van huis tot huis, luisteren even naar de gesprekken en zetten hun rondgang dan weer voort.

In het huis van Hylke Jans treffen ze een gezelschap Niekerkers aan met Harm Jans, de bouwknecht van De Mepsche en Harm Jacobs, zijn wedman. Het is er rustig en de beide ordebewakers stappen er weer uit: Jan Gort naar een ander huis en Tjebbe wandelt in de richting van de herberg bij de Sebaldebuurster Klap.

Als Tjebbe terugkomt, moet hij uitwijken voor de Faners en Niekerkers, die hem in 't voorbijgaan met hun stokken prikken. Tjebbe trekt zijn houwer en wordt handgemeen met Harm de bouwknecht. Stukken hout worden van een vonder gescheurd en bij het gevecht moet Tjebbe zich veilig stellen aan de overkant van de sloot.
Intussen hebben een paar vrouwen Jan Gort gewaarschuwd met de woorden: 'Jan, kom gauw,de Niekerkers moaken dien kammeroad kapot!’

Als Jan zijn vriend te hulp komt, valt de hele bende op hem aan. De bouwknecht geeft hem met een dampaal een harde klap op zijn hoofd en een jonge Faner boer verwondt hem met een soort bijl in de rug. Daarop trekt de troep af. De bouwknecht veegt het bloed van zijn handen, waar de sabel van Tjebben doorgegleden is.

Dr. Ludolphi, de secretaris van De Mepsche vat het geval zwaar op en dient prompt een klacht in bij De Hertoghe, wegens mishandeling van de knecht van De Mepsche. Dr. Rickenga, de waarnemer van jonker de Hertoghe, levert een uitgebreid rapport in over het gebeuren op de bewuste Hemelvaartsdag. De aanklacht wordt ongegrond verklaard en daarmee is de kous af.

b. Zuidhorn 1733
Op een decembermorgen in het jaar 1733, tussen acht en negen, komt de Faner wagen, gemend door Reinder Jans, de koetsier van De Mepsche, door Zuidhorn. Op de wagen zijn gezeten de ambtenaren van de heer van Faan, Menso Alting en Dr. Ludolphi, de schrijver. Ze zijn eens weer voor hun heer op 't oorlogspad.

Als 's middags de school uitgaat, zegt Pieter Pot tegen zijn vriendje Jacob Pieters: Alting de brander komt hier straks weer met de wagen door de straat. We gaan hem stenigen. Jacob vindt dit voorstel nogal kras en zegt: Durf jij dat wel? Het antwoord van Pieter is: Hij heeft mijn vader om hals gebracht. Ik heb moeder gevraagd, wat voor kwaad er in zit, als je Alting stenigt. Ze heeft gezegd, dat dit wel niet zo'n grote zonde zou zijn. Andere jongens sluiten zich bij hen aan en ze zoeken zakken vol stenen bijeen. Als de wagen verschijnt en de jongens de dreigende ogen van de gewezen grietman zien, laten de meesten hun stenen vallen. Maar Pieter en Jacob gooien zo hard en zo veel ze maar kunnen. Alting is het mikpunt, maar Reinder Jans krijgt de eerste steen tegen zijn achterhoofd. Alting komt overeind en brult tegen de jongens: Ik zal jullie wel krijgen, satanskinderen!

Bij Harke Jans, de kastelein, houdt de wagen stil. Rood van kwaadheid springt Alting er af. Hij heeft nog een steen in zijn hand en zegt: Daarmee word je hier gegooid. Reinder heeft al een bult op zijn hoofd. Van wie zijn die rekels? De herbergier antwoordt: Meneer, ik zou het waarachtig niet weten. Razend over de ongehoorde baldadigheid, hebben ze hun glas brandewijn gedronken. Als ze weer opstappen en wegrijden, zijn de twee hardnekkige vervolgers er weer en vliegen hun de stenen opnieuw om de oren. Ze achtervolgen de wagen tot buiten het dorp. Harke heeft nog gezegd: Jongens, jongens, wat zal daar nog weer op volgen? Maar de beide knapen laten zich raden noch bang maken. Het is voor hen de enige manier, om zich te wreken over de wreedheden aan hun beider vaders begaan en over de ellende die over hun moeders is uitgestort. Als ze de volgende dag door grietman Rickenga, de waarnemer voor grietman De Hertoghe in verhoor worden genomen, vertellen ze alles onverbloemd, zonder zich ook maar een ogenblik te schamen.

c Faan - Niekerk 1734
Op het eind van januari 1734 heeft Dr. Ludolphi, de secretaris van De Mepsche het druk met het inzamelen van handtekeningen voor een brief vol klachten. Als hoofd-ondertekenaars hebben Reinder Jans, koetsier van de heer van Faan en Rotmer Popkes, een landbouwer, hun naam er onder gezet. Wat er nu is gebeurd, loopt volgens Dr. Ludolphi en ook volgens klagers en getuigen de spuigaten uit.

't Is volop winter en het ijs op sloten, vaarten en onder water staande landen is sterk. Op de 28e januari zijn grote drommen mensen op scheuvels over de ijsvlakten komen aanrijden, richting Faan. Velen komen uit Zuidhorn en Aduard, maar er zijn er ook bij uit Hoogkerk en zelfs uit Garnwerd.
Een koppel legt aan bij het huis van Rotmer Popkes, die men kent als een pleitbezorger voor de Mepsche. Rotmer is, door het tekenen van een rentebrief eigenaar geworden van één van De Mepsches boerderijen op Faan. De vrouw van Rotmer is alleen thuis en als ze de troep ziet aankomen doet ze vlug de deur op het nachtslot. De kerels lichten een raam uit het kozijn en komen één voor één binnen. Rotmers vrouw, die een kind verwacht, staat doodsangsten uit.

De indringers vragen naar haar man. Ze verklaart, dat hij weg is; ze weet niet waarheen. Veel kabaal makend, doorzoeken ze vervolgens huis en schuur. Ze komen in elk vertrek en klimmen langs het laddertje naar de zolder. Ze vinden niets en beginnen te razen op De Mepsche en Rotmer, zijn hielenlikker, die ze nog wel zullen krijgen, zoals ze zeggen. De vrouw wordt, volgens Ludolphis rapport, nog diezelfde avond door de alternatie praematuur verlost en verkeert in zwakke staat.

Anderen brengen een bezoek aan de woning van koetsier Reinder Jans. Ook hier is de man die ze hebben moesten niet thuis. Agnietje, zijn vrouw, verklaart niet te weten waar hij zich ophoudt. Bij de huiszoeking wordt ook in dit huis alles door elkaar gesmeten en braaf op De Mepsche en zijn koetsier gescholden. Als ze opstaan om te vertrekken, gooien ze de stoelen op het vuur.

In Niekerk verzamelt zich tenslotte de hele troep. Dr. Alting houdt juist rechtsdag in de herberg van Sipke Sipkes op de hoek. Hij wordt gewaarschuwd, dat er een overval dreigt en sluit haastig de zitting. Reinder Jans legt de zweep over de paarden en brengt de rechter in galop naar Zuidhorn, waar Alting woont. De mannen op het ijs krijgen hem in de gaten en zetten de achtervolging in. Reinder is de hele dag niet weer uit Zuidhorn weggekomen. Hij moet zich schuilhouden in de schuur van Raadsheer Siccama aan de Klinckemalaan.

Bij Niekerk binden de rustverstoorders hun schaatsen af en trekken het loug in. Schelmen van moordenaars en branders!, wordt er geschreeuwd, zwaaiend en dreigend met blote messen. Ze weten de handlangers van De Mepsche heel goed te vinden. Daar woont Tamme Jans de kuiper. Dat is ook een moordenaar en brander! Kom er eens uit als je de courage hebt! Eeltje, de vrouw van de kuipers, staat bij Tetje Mennes in de deur. De beide vrouwen horen zich toeroepen: Bliksemse hoeren, we zullen je snijden!

Onder het voorwendsel, een pijp tabak te willen aansteken bij het haardvuur, komen ze verscheiden huizen binnen, om daar alles in de grootste wanorde achter te laten. De hoofdaanval is gericht op het huis van Peter Nannens, de biezejager van De Mepsche. Deze verschanst zich op de zolder van zijn huisje met snaphaan en houwer en weet de aanvallers op een afstand te houden. Harm Fransen uit Zuidhorn, Jacob Hagel, Mecke Dates de wedman en Pieter Pieters de schoolmeester, allen uit Hoogkerk, zijn de belhamels van de troep. Jacob Hagel staat midden in de gelagkamer van Sipke Sipkes en schreeuwt, dat De Mepsche moet sterven. Op een vrijdag zal hij gehangen worden!

Het ziet er treurig uit in Niekerk, als de tierende bende is weggetrokken. De volgende dag komt de dienstdoende grietman, Dr. Rickenga, om de ooggetuigenverslagen aan te horen en de schade op te nemen. Jan Claasen toont hem zijn gehavende woning. Het gaat hier maar bijster toe, zegt de grietman. Jan Claasen antwoordt: Gisteren hebben ze mij de deur ingetrapt. Hier kan geen mens meer met vrede wonen. Rickenga maakt een ontwijkende opmerking en zet zijn onderzoekingstocht voort. De hetze is te algemeen en het aantal daders ongrijpbaar groot. Van verdere rechtsvervolging schijnt weinig gekomen te zijn.

Dezelfde Dr. Rickenga, jarenlang geconstitueerd (d.w.z. mede-) grietman van De Hertoghe en dus werkend voor de partij, die door De Hertoghe gekozen wordt, heeft wel een grote moeite, om de stemhebbende boeren tijdig hun draai te doen nemen. In 1735 komt er een akte van Correspondentschap tot stand tussen De Mepsche met de heren en freules van Feringa en Rikkerda. De boeren moeten dan tekenen, dat ze weer op een ander paard zullen gaan wedden.

In het begin van 1736 weten de heren Bennema, als agenten voor Hanckema, te Grootegast 15 boeren over te halen, hun belofte aan Rickenga in te trekken. Ze tekenen een stuk, door Bennema opgesteld, waarin ze verklaren niet in te gaan op de ‘valsche voorgevens des heren Rickenga, ons afgeperst, als hebbende door onwaarheden ons misleyt’. Ze beloven in 't vervolg weer braaf hun steun te verlenen aan de actie om de heer De Mepsche te doen diskwalificeren en te doen afmonsteren. In 1738 tekent De Hertoghe weer voor Hanckema. Er ontstaat een rel, als Dr. Rickenga op onwettige wijze en zonder genoegzame kennisgeving een rechtsdag heeft uitgeschreven, die is gehouden in de kerk van Sebaldeburen. Johan de Hertoghe van Boekstede (Westerzand) dient een aanklacht in door tussenkomst van zijn advocaat Dr. F.I. Guichart.


Op 14 januari 1738, de dag van St. Pontiaan, is door Rickenga een extra-ordinaire rechtsdag samengeroepen te Sebaldeburen. Hij wil daar zijn beklag indienen over de vordering die hij heeft op de Hertoghe van Boekstede, wegens juridische assistentie. Om de agenda te vullen, zullen een paar boeren, aanhangers van De Mepsche, een paar onbeduidende rekwesten indienen. St. Pontiaan wordt door de Hoge Justitiekamer als vakantiedag aangemerkt en de zitting wordt onwettig verklaard. Rickenga is dus blijkbaar zijn lastgever ontrouw geworden. Hoe spitsvondig Alting en Ludolphi bij hun verdediging van Rickenga ook te werk gingen - ze hebben geen succes.

 

Het einde
Men schudt hem ruw door elkaar. Ze slaan hem met hun vuisten en met de schop, de vrouwen bewerken hem met hun nagels, kinderen beledigen hem. Hij lijkt het niet te voelen. Dan voert men hem weg. Waar brengt men hem heen? Naar Leegkerk. Daar bindt men in een stal de hoogmoedige, bloeddorstige heer aan een ketting, precies zoals hij het met zijn gevangenen heeft gedaan. Daar laat men hem achter in eenzaamheid, afgesloten van de buitenwereld.


Het geluid van voetstappen vervaagt en in de diepe stilte die volgt, komt De Mepsche langzaam tot zichzelf. Zo vlug is alles gegaan, dat hij de verandering in zijn levensomstandigheden nauwelijks kan bevatten. Langzamerhand komt hij tot het besef dat hij verloren is. Hij voelt zich als een slapende die weerloos op zijn bed ligt, terwijl onbekende gevaren hem bedreigen... een brand, een misdadiger in zijn kamer... een ziekte die hem door het bloed kruipt. Zelfs als het hem lukt weg te dommelen, ruikt De Mepsche het onheil. Hij wordt geregeld met een schok wakker uit zijn lichte slaap.


Hij weet zich bespied door iets dat zich schuilhoudt in een donkere hoek van de stal, loerend als een kat op zijn prooi. Het is altijd donker in de stal, een inktzwarte duisternis omhult hem. Hij weet niet of buiten de zon schijnt, of dat de nacht is gevallen, en ook niet hoeveel dagen er voorbij zijn gegaan. Wat er precies omgaat in Rudolf De Mepsche van Faan, of hij honger en dorst lijdt, niemand zal het ooit weten. Wel weet men dat het ongedierte, al wat kleine wriemelende pootjes heeft en bloed kan zuigen, op Mepsche aanvalt, en dat zij zich verzadigden aan zijn bloed. Tegen deze vijand heeft De Mepsche geen weerstand. De vlooien, de acrobaten onder de insecten, springen zigzagsgewijs over zijn benen en voeten, de luizen haken zich vast aan zijn hoofdhaar en baard, of verschuilen zich in zijn kleren. De ergste van allemaal is de wandluis die zich op zijn vlees laat vallen en die hem zonder ophouden kwelt.
Tot zijn laatste ademtocht blijven ze bij hem. Ze slurpen hem leeg, er lijkt geen einde aan hun feestmaal te komen. Zij voeren zonder het te weten de wraak van het volk uit. En tot op de dag van vandaag noemt men de plaats dicht bij het Drentse tolhek de 'Luizenbult,' ter herinnering aan het passende einde van de bloeddorstige heer Rudolf de Mepsche, heer van Faan, rechter van de streek Oosterdeel-Langewold.


Rudolf de Mepsche, of De Mepsche van Faan, wordt gedoopt op 15 maart 1695 op de Wedderborg te Wedde, hij overlijdt in december 1754, 59 jaar oud. Hij was heer van Faan en later ook drost van Westerwolde.

 

Zie ook onder genealogie:
Meer lezen over De Mepsche Het geslacht De Mepsche (Genealogie).

De Mepsche, de bloeddorstige rechter (Volksverhaal). De Mepsche, de bloeddorstige rechter (Volksverhaal).

 

Literatuur:
01. W. de Blécourt, R.A. Koman [et al.] (2010), 'Rudolf de Mepsche', in: Verhalen van stad en streek: Sagen en legenden in Nederland. Bert Bakker 2010, pp. 25-26.
02. Poort, H.F. (1925), Rudolph de Mepsche, of de Faansche gruwelen (1731). Noordhorn: Poort.
03. Veen, Koert ter (2002), Protestants fundamentalisme in het Groningse Faan. Soesterberg: Aspekt.
04. Visser, Ab (1945), Rudolf de Mepsche, het monsterproces van Faan. Rotterdam: Nijgh & Van Ditmar. - Bevat een uitvoerige besschrijving van het leven van Rudolf de Mepsche, met name de periode rond het proces (2e druk 1959).
05. Vleer, Wigholt Tjerk (1972), 'Sterf Sodomieten!' : Rudolf de Mepsche, de homofielenvervolging, het Faanse zedenproces en de massamoord te Zuidhorn. Norg: Veja.
06. S.l. (1731), Namen der persoonen, die door ordres van ... grietman van Oosterdeel Langewoldt, op Maandag den 24. September, 1731. te Faan by Zuithorn, in Groningerland gelegen, over het plegen van de verfoeyelyke misdaad van zodomie geëxecuteert zyn. In bezit van Universiteitsbibliotheek Utrecht.

 


Deze pagina maakt deel uit van www.nazatendevries.nl.
Aan bovenstaande tekst is de uiterste zorgvuldigheid besteed. Desondanks kunnen er best fouten voorkomen.
Constateer je fouten en/of heb je vragen, correcties, aanvullingen...geef die dan even aan mij door via mijn E-mail adres.
Laat ook eens een bericht achter in het Gastenboek.
Hoogeveen, 13 oktober 2013
Verhaal: © Harm Hillinga
.
Menu Artikelen.
Terug naar de HomePage.
Top