In Krewerd woont een weduwe van adel die Tateke [4] heet. Ze is niet alleen rijk en maar ook erg verstandig. Ze heeft slechts één zoon die Menko heet. Als Menko nog een kleine jongen is, wordt hij doodziek. De weduwe doet de gelofte, dat zij als de Here en Maria, de moeder van de barmhartigheid, hem het leven zal schenken, op haar eigen grond een kapel zal stichten en die uit eigen middelen zal betalen en ook voor het onderhoud zal zorgen van een priester. Nadat ze deze gelofte heeft uitgesproken, leeft haar zoon weer op. Als Tateke dit ziet, komt zij uit vreugde en door haar wereldse begeerte haar belofte niet helemaal na en begint zij te zoeken naar een edel en schatrijk meisje in het land Fivelgo, dat haar zoon als vrouw kan nemen.

 

In die tijd woont er ook in Loppersum een edele, rijke en wijze weduwe, die eerder getrouwd is geweest met Geiko. Geiko is eerder deken van het dorp geweest. Hij was een verstandige man van hoge adel [3]. Na zijn dood laat hij zijn vrouw en zijn dochter Tete achter. Tete is een verstandig meisje, dat meer dan andere vrouwen uitblinkt in de kennis van de letteren. De deken heeft tijdens zijn ziekte met toestemming van zijn vrouw Thialdis de gelofte gedaan, dat hij een kapel zal bouwen en zijn dochter als oblaat naar een klooster zal sturen. Maar hij vervult de gelofte niet zoals hij heeft beloofd. Dit kan te maken hebben gehad met de jeugdige leeftijd van zijn dochter en de wetenschap dat hij een lange leven heeft te gaan. Geiko wordt echter door de dood verrast en sterft in de Here met een zuiver geweten.

 

Hij wordt begraven in Bloemhof te midden van de kanunniken van het klooster. Zijn weduwe, die de gelofte niet is vergeten, bouwt een kapel en neemt een kanunnik van Bloemhof in dienst, die daar dage­lijks de mis moet bedienen. Maar ook zij houdt haar twaalfjarige dochter, buiten het klooster.

 

Intussen raakt Menko bevriend met Tete. Met toestemming van Tateke neemt Menko Teta als vrouw. Zij worden zeer gelukkig, omdat ze beiden rijk zijn en nog in de bloei van hun jeugd. Na verloop van ongeveer een jaar, als Tete op het punt staat te bevallen van een kindje, wordt Menko echter door een ziekte getroffen en sterft. Tete is daardoor zo verdrietig dat zij voortijdig bevalt van haar kindje dat ze naar haar vader, Menko, noemt. Het jongetje overlijdt echter en wordt begraven bij zijn vader in Rozenkamp. Tateke schenkt voor haar zoon als erfdeel tien grazen land [1], waarop de abt haar volledige broederschap toekent en aandeel schenkt in alle goede werken van de kerk van het klooster Bloemhof.

 

Tete, wiens man en zoon haar zo snel zijn ontnomen, keert zodra het mogelijk is naar Loppersum terug, naar het huis van haar moeder. Daar wordt ze later door een dodelijke ziekte getroffen, waarop de abt van Bloemhof bij zich roept. Ze richt zich op uit haar bed en ontvangt met grote toewijding de tonsuur en het kloosterhabijt. Ze draagt het erfgoed van haar vader, in tegenwoordigheid van de priester en van haar moeder, die ermee instemt, over aan de kerk van Bloemhof. Daarna overlijdt ze.

 

Intussen en nog voor de dood van de Tete, verzet haar moeder, vrouwe Thialdis, zich tegen vrouwe Tateke, door te beweren, dat al haar goederen volgens het erfrecht via haar dochter aan haar zijn toegevallen. Tateke, beweert echter het tegendeel. De edelen, de familie en de vrienden van de weduwe, staan achter haar. Sommigen willen wel iets geven, anderen willen alles zelf houden. En zo gebeurt het, dat degenen die eerst vrienden zijn, nu vijanden worden en strijden om de goederen te verdelen die zij bijeen hebben gebracht.

 

De huidige kerk van Krewerd dateert uit schriftelijke bronnen uit circa 1280.

Tateke schrikt hier erg van en komt tot inkeer. Ze denkt weer terug aan de gelofte om een kerk te schenken, maar heeft die  gelofte niet ingelost. Ook denkt ze weer aan het verlies van haar zoon en erfgenaam en ze begint na te denken hoe ze haar gelofte alsnog kan inlossen. Ze vraagt hulp aan de deken van Farmsum [2], waarop bijna alle parochianen en priesters van Holwierde en de deken, er bij haar op aan dringen, dat er een kapel in Krewerd gebouwd moet worden, zodat er geen schisma [5] zal ontstaan tussen de twee dorpen Krewerd en Arwerd. Terwille van het nieuwe gebouw willen zij haar wel steunen, als zij hiervoor toestemming gaan krijgen. Tateke luistert naar deze adviezen, maar kan het zonder giften en gaven niet voor elkaar krijgen. Daarom wendt ze zich tot de abt van het klooster Bloemhof en vraag hem om haar met raad en daad terzijde te staan.

 

Als de abt hoort dat haar plannen vast staan en dat ze van goede wil is om de kerk te bouwen, antwoordt hij haar, omdat hij haar geestelijke vader is:

 

“Deze woorden zijn vroeger vaak over uw lippen geko­men zonder enige uitwerking. Als u nu wilt vervullen, wat uw gelofte eist, en u door uw gelofte daartoe verplicht bent, weet dan dat deze kapel, als zij gebouwd wordt, niet nuttig zal zijn voor onze kerk. Maar, opdat de dienst aan God vermeer­derd zal worden, moet u aan God en aan mij beloven, dat u de kerk ter ere van Maria, de moeder Gods, op uw eigen grond zult stichten met alle toebehoren ten dienste van de heilige mis. Ik zal u naar mijn vermogen bijstaan.”

 

Tateke vindt dat haar wens is vervuld en antwoordt:

 

“Alles wat u gezegd hebt, wil ik zeer gaarne daadwerkelijk vervullen, en dat beloof ik aan God en aan u, zeer geliefde vader.”

 

Ze voegt er nog aan toe:

 

“Omdat veel goederen van ons huis te Krewerd aan uw kerk gekomen zijn, wil ik, opdat u nu en later geen schade zal lijden, mits u en ik blijven leven tot alles wat te maken heeft met de bouw van de nieuwe kerk is voltooid, de kerk met al haar toebehoren aan u en uw convent schenken.”

 

De abt antwoordt:

 

“Moge u leven in de naam van Jezus en het doen.”

 

Intussen regelt de abt de zaak met zijn vrienden en bekenden bij de bisschop, zodat de wens ten uitvoer gebracht kan worden en hoewel sommigen het er niet mee eens zijn, krijgt Teteke toch haar zin.

 

 

Noten:

 

1. Een gras is oorspronkelijk een hoeveelheid land, nodig om één koe te voeden (ca. 0,40 ha), zie J.M. Verhoeff, De oude Nederlandse maten en gewichten (Amsterdam 19832) 31 en 105.

2.  Waar de deken zetelde.

3. Vgl. over de dekens Emo, p. 175. Zie ook p. 234, 240 en 444. Kroniek van Bloemhol [Voortzetting].
4. Naamsverklaring Tateke. ‘Uiteenlopende varianten als Deddo, Djille, Take, Tekele, Tiese, Tjakko, Tsjesse en Tijdo (mannelijk) en Deddina, Dideke, Diltsje, Taetske, Teda, Tjadine, Tjitske en Tijtje (vrouwelijk) zijn te groeperen rond Diede. Het zijn verkortingen, in veel gevallen beïnvloed door de kindertaal, van Germaanse namen met Diet- 'volk' (zie diet-), bijvoorbeeld Diederik, Dirk, Oudfries Thiad. Vgl. Didde = Diederick, Dirck, Noord-Brabant 1380. De vormen die met een D beginnen komen wel in het Fries voor, maar zijn daar niet oorspronkelijk, aangezien het Fries T- had. De j-klank van Thiad- is in veel gevallen verdwenen. In enkele gevallen (Taet-) is ook een stam *taita mogelijk, vergelijk Oudhoogduits zeiz 'teder'.’ (Bron: Meertens Instituut). Ook volgens het Meertens Instituut kwam er in 2017 niemand meer voor met de naam Tateke, ofwel er waren te weinig gegevens voor het tonen van de populariteit.
In de oorspronkelijke schrijfwijzen wordt Tateke, Tyadeke, genoemd.
5. Een schisma (Grieks: σχίσμα, s-chisma of s-chísma van σχίζω, s-chidzō, schizein = splitsen, klieven, afscheuren, splijten) is een splitsing of afscheuring van een organisatie in minstens twee verschillende kampen.

 

 

 

Bron:

 

Vrij verteld uit de ‘Kroniek van het klooster Bloemhof te Wittewierum’, met een inleiding, editie en vertaling van H.P.H. Jansen en A. Janse. Uitgeverij Verloren te Hilversum, 1991.

 


Deze pagina maakt deel uit van www.nazatendevries.nl.
Aan bovenstaande tekst is de uiterste zorgvuldigheid besteed. Desondanks kunnen er best fouten voorkomen.
Constateer je fouten en/of heb je vragen, correcties, aanvullingen...geef die dan even aan mij door via mijn E-mail adres.
Laat ook eens een bericht achter in het Gastenboek.
Hoogeveen, 4 januari 2019.
Verhaal: © Harm Hillinga
.
Menu Artikelen.
Terug naar de HomePage.
Top