Bij Jipsinghuizen in Westerwolde heeft tot voor enkele jaren een hoogte gelegen. Dat is de Spinberg geweest, omdat het Spinwijf er heeft gewoond. Overdag zie je haar (haast) nooit, maar ’s avonds komt ze tevoorschijn. Als ’t dan niet al te donker, maar ook weer niet al te licht is, kun je haar boven op de berg zien zitten met haar spinnewieltje. Ze zit altijd te spinnen, hele lange draden, waarin ze jonge mannen probeert te vangen.
Maar veel zal ze niet gekregen hebben; ’t is een woeste streek, een echte wildernis, vol ruigte en struikgewas van hazelnoten, lijsterbessen, kamperfoelie, bramen, met overal manshoog onkruid ertussen. ’t Is te begrijpen dat daar niet veel volk komt en zeker niet bij nacht en ontij.
In dit anonieme waarschuwingsverhaal uit de vroege twintigste eeuw zijn ten minste drie stemmen te beluisteren: die van de publicist, van de informant en van degene van wie deze het verhaal eerder heeft gehoord. Verzamelaar Ter Laan bewerkt het in zijn Nederlandsche Overleveringen en verandert bijvoorbeeld de directe constatering ‘daar vangt ze jonge kerels in’ in het iets afstandelijker ‘daarin probeert ze jonge mannen te vangen’. Het Groningse kruid ‘adderroet’ vindt hij onvertaalbaar en dat wordt dus maar simpel ‘onkruid’ in plaats van adderwortel (Polygonum bistorta).
Behalve die van de notulist en redacteur, is er de stem van een eerdere verteller of vertelster die de – naar alle waarschijnlijkheid jongere – luisteraars probeert schrik aan te jagen. Daarnaast klinkt het nuchtere commentaar door van de informant: waarom zou iemand zich eigenlijk op een dergelijke plek wagen? Dat is natuurlijk precies waarom het te doen is geweest: uitzoeken wie er van de jonge mannen in Jipsinghuizen genoeg moed heeft om ’s nachts naar de Spinberg te gaan.
In een ander verhaal wordt die uitdaging weer tenietgedaan, of op z’n minst gerelativeerd. In de oorlog met de bisschop van Münster (Bommen Berend), zo wordt er verteld, heeft de vijand een schildwacht uitgezet boven op de Spinberg; het Spinwijf is destijds binnengebleven. De bevelhebber van Bourtange is vervolgens als boer vermomd naar hem toe gelopen, heeft doodkalm een pijp opgestoken en de Münsterlander zijn tabaksdoos aangereikt. Op het moment dat die de brand in zijn pijp wil steken, krijgt hij een mes in zijn lijf. De rest van het leger volgt dat lot en de lijken worden in het Olde Diep gedumpt. Dat heet daar nog altijd het Bisschopskerkhof.
Ter Laans informant laat hierop volgen dat alleen de schatmeester is ontkomen, want die overnacht in een boerenhuis in de buurt. Zo gauw hij in de gaten krijgt wat er gebeurt, heeft hij het geld in een diepe put gesmeten. Later zal hij dat wel weer komen ophalen, maar het is er nooit van gekomen. Men hoeft er niet naar te zoeken: de boer heeft de schat er zelf na een poosje uit gehaald en al zijn nakomelingen zijn er nog rijk van.
In de eerste decennia van de twintigste eeuw is de Spinberg afgegraven en van het Spinwijf is niets gevonden. Die heeft zeker op tijd de benen genomen. Maar de schildwacht wordt wel gevonden, met zijn hoofd van zijn romp. Een boer in de buurt heeft dat nog gebruikt als stop in het ‘zoepenvat’ (karnemelksvat).
In 1665 worden bij Jipsinghuizen de troepen van Christoffel Bernard van Galen op de vlucht gejaagd en de gesneuvelden worden begraven op het Bisschopskerkhof. Het is onwaarschijnlijk dat het sterke verhaal over de moordpartij uit die tijd mondeling is overgeleverd en het ligt meer voor de hand dat iemand het later verzonnen heeft om de naam Bisschopskerkhof meer invulling te geven. Daarbij is dan het commentaar gevoegd op de puissant rijke boeren in de streek.
Jipsinghuizen ligt op de zandtong die van Ter Apel naar het noorden loopt. Daar kan men nog een Spinwijf verwachten, een enkelvoudig wit wief, wat erop duidt dat het hier om de marge van de overlevering gaat waarin witte wieven gewoonlijk als een groepje optreden. Iets dergelijks is het geval in het nabijgelegen Mussel, waar weliswaar drie ‘widde juffers’ zijn gesignaleerd, maar wel op een plek die de ‘spooklaan’ wordt genoemd. De juffers zijn hier dus tot spoken verworden.
Verder speelt hier hetzelfde element van mannelijke durf, want een kerel met de bijnaam ‘Satan’ weet te vertellen dat de juffers nooit verder zijn gekomen dan de vijfde boom. Andere spinwijven zijn waargenomen bij Middelbert, op ’t Stopke te Wessinghuizen[1], bij Ellersinghuizen[2] en op de Hasseberg bij Sellingen. Maar volgens een informant van de latere volksverhalenverzamelaar F. Wever, zijn het ‘gewoon nevelslierten’ geweest.
In 1921 vindt verzamelaar Huizenga-Onnekes een spinwijfvertelling in Vlagtwedde. Hierin is het een heks waar niemand voorbij durft te gaan. Op een avond komen een broer en een zuster die op dezelfde boerderij dienen langs de Spinberg. Daar horen ze een vreemd geluid, en ze nemen zo snel mogelijk de benen.