
Afbeelding 1.
Een sage uit het Groningerland: een mondeling overgeleverde volksvertelling die gepresenteerd wordt als een waar gebeurd verhaal.
Inleiding
Een sage uit het Reiderland over hebzucht. Jan Sloek is een luiwammes die liever niet werkt. Op een dag vindt hij tijdens een wandeling langs het wad een gouden munt. Hij besluit de volgende dag op verder onderzoek te gaan en ontdekt meer munten. Als hij voor de derde keer teruggaat om nog meer munten te halen, ontdekt hij de verdronken stad Torum. Hij wordt overvallen door de vloed.....
Torum heeft bij het tegenwoordige Duitse dorp Pogum gelegen in de Dollard, iets ten oosten van Ditzum. Recht tegenover de stad Emden in het water ligt Torum verzonken. Volgens de geschiedenis heeft Torum zelfs 8 goudsmeden gehad, een eigen munt en een wekelijkse markt. Het is de grootste handelsstad van Reiderland geweest tot ongeveer 1500.
Jan Sloek, Oabeltje, Torum en het goud
Jan Sloek slentert zoals elke dag over de kwelders van de òle Joacob, zoals de Dollard ooit is genoemd, en laat zich de koude wind in het gezicht blazen. Sloek is een echte dagdromer en als andere mannen van het dorp al lang aan het vissen zijn en met hun 'kraite'[1] over het wad glijden, wrijft Sloek zich de slaap nog uit de ogen. Na een kop melk en een stuk brood verlaat Jan dan altijd zijn hut, laat zijn vrouw achter en slentert doelloos langs de kust. Sloek is een dagloner en als er werk is dan werkt hij een paar dagen en de rest van de tijd slentert hij door de omgeving. Jan wil niet voor een ander voor een appel en een ei zwaar werk verrichten. De dorpelingen zeggen dan ook altijd schertsend: "Sloek hèt Evert op de rugge." Sloek is een luiwammes.
Jan en zijn vrouw Oabeltje hebben het dan ook niet breed maar ze kunnen net rond komen. Oabeltje vlecht korven en verkoopt ze op de markt en als de nood te hoog wordt bezorgt ze werk voor Jan, alleen maar voor een paar dagen want dan houdt Jan het al lang weer voor gezien. Oabeltje waagt het niet over het luie leventje van Jan te klagen. Hij is dan wel een 'laauwgat' maar verder een hele beste vent en zoals de Grunnegers zeggen 'ain goudhaals.' Als het Oabeltje teveel wordt dan neemt Jan haar liefdevol in zijn armen en zegt: "Moak die gain zörgen, ik bin ja bie die en doe zalst zain straks rieden wie mit mooie koets deur t dörp en zal elk ons achternoa kieken." Oabeltje gelooft Jan zijn praatjes maar de jaren vergaan en iedere dag slentert Jan langs de 'òle Joacob' en er verandert niets.
Als Jan weer eens langs de kust loopt met de handen diep in de broekzakken en de kraag hoog getrokken tegen de wind, denkt hij nog eens na over zijn situatie. Hij krijgt het gevoel dat Oabeltje hem niet meer gelooft en heeft een beetje angst Oabeltje te verliezen. Hij peinst met het hoofd gebogen en starend naar de grond voor zich uit. Plotseling blijft hij staan en meent een lichte glinstering in het 'sliek' gezien te hebben. Hij kan zijn ogen niet geloven: voor zijn voeten ligt half onder het 'sliek' een muntstuk te glinsteren in de middagzon. Jan bukt zich en raapt het op en ziet meteen dat het puur goud is. Hij spoelt de munt schoon om het beter te kunnen bekijken. Aan de voorkant zijn de muren van een stad te zien waarvan de poort geopend is. Sloek kan wel zien dat het door een meesterhand is gemaakt. Het is ontzettend fijn bewerkt en je kan zelfs de stenen van de muur zien en aan de andere kant is nog door slijtage vaag een hoofd te zien. Als Jan de munt nog eens nauwkeuriger bekijkt staat boven de poort aan de voorzijde de naam 'Torum'.

Afbeelding 2.
Jan denkt aan de vele legendes die de ronde doen over Torum... eens de rijkste stad van Reiderland die vervloekt door de natuur met al zijn rijkdommen verzonken is in de Dollard. Jan Sloek staat stomverbaasd, hij heeft dus werkelijk een munt in zijn hand die gemaakt is door één van de acht goudsmeden die Torum in haar glorietijd heeft gekend. Jan schreeuwt van geluk en rent naar huis. Oabeltje is sprakeloos van vreugde. Ze omhelst Jan en kust hem. Jan doet zijn verhaal en Oabeltje schudt haar hoofd van verbazing: "Nou... nou... hou is het meugelek." Jan oppert: "Woar aine ligt... liggen ook meer," en besluit de volgende dag op dezelfde plek weer te gaan kijken, echter tegen de zin van zijn vrouw, maar dat kan Jan niet weerhouden.
Sloek kan het niet afwachten en gaat dan ook de volgende dag na 'brijtied' vroeg op pad om in het 'sliek' van de òle Joacob nog meer munten te zoeken. De uren vergaan en als de zon al hoog aan de hemel staat heeft Jan nog niets gevonden alleen wat aangespoeld hout. Van vermoeidheid gaat hij even zitten en staart teleurgesteld over het water. De moed zakt hem in de schoenen.
Het wordt 'leeg wotter' en Jan hoort het bekende slurpen en borrelen in het sliek. Plotseling ziet hij in de verte iets vreemds: het is een zwarte plek waar steeds iets glinstert. Zullen daar misschien de munten van Torum liggen? Jan moet het uitzoeken en loopt met rasse schreden over het wad, recht op zijn doel af. Hij staat na een poosje voor de resten van een oud gebouw wat geen vensters en geen dak meer heeft. Een priel slingert zich om het huis. Het gebouw moet al lang een prooi van het water zijn want er staan alleen nog wat doormodderde muren. Jan stapt voorzichtig door een opening wat vroeger zeker een deuropening is geweest en doorzoekt het huis en waarachtig op de bodem liggen hier en daar gouden munten. Het zijn precies dezelfde munten als de munt die Jan gevonden heeft. Aan de voorkant van de munt staat weer de poort van Torum en aan de achterzijde iets vaags van een gezicht. Jan kan het niet herkennen het is door de tijd vervaagd.
Sloek zijn hart slaat sneller en in zijn ogen ontstaat een koortsachtige blik. Haastig verzamelt hij de gouden munten en steekt ze in zijn zakken. Hij ziet steeds meer munten liggen en ze liggen in een lange rij alsof iemand ze daar expres zo neergelegd heeft om je naar buiten te lokken. Jan slaat als een wilde aan het verzamelen en zijn zakken worden zwaarder en zwaarder. Hij volgt het spoor van de munten die hem naar de achterzijde van het huis lokken. Je kan nog goed zien dat hier vroeger een tuin moet zijn geweest en Jan volgt verder het spoor en nu komt hij op een smal pad terecht die slingerend door het wad loopt en ook hier liggen de goudstukken. Jan verzamelt verder maar merkt al gauw dat er iets niet klopt. De wind is sterker geworden en donkere wolken schuiven zich voor de zon. Sloek merkt dat het pad langzaam verdwijnt en dat hij zelf in het water staat. Stokstijf van de schrik beseft hij dat de vloed terug komt. Jan kijkt achterom en tot zijn schrik is het vervallen huis alleen nog als een zwarte punt te zien. Hij weet nu, dat hij te ver het wad is opgegaan en als van de duivel bezeten rent hij terug naar het huis. Als hij daar aankomt staat het water al tot aan zijn knieën. Hij rent en rent en de laatste meters moet hij voor zijn leven zwemmen en uitgeput bereikt hij de kust. Hij blijft doodvermoeid liggen op het 'sliek' en als hij weer wakker wordt is het al donker.
Jan staat te trillen van de kou en gaat in zijn kletsnatte kleren op pad naar het dorp waar Oabeltje hem al opwacht. Ze heeft zich de hele dag al zorgen gemaakt en een paar vrienden hebben Jan al gezocht. Ze slaat Jan in de armen van blijdschap en kust hem. Jan verlost zich uit haar armen en zegt niets... Hij verdwijnt totaal uitgeput in de bedstee.
De volgende dag doet hij verslag van zijn avontuur en als bewijs schudt hij de munten uit zijn zakken. Oabeltje staat 'kèl stokstief'. Er zijn zoveel munten dat de tafel niet groot genoeg is. "Zoveel goud kunnen we ons leven niet eens uitgeven!" roept Oabeltje van geluk. Jan knikt maar zegt niets, waarop Oabeltje vraagt: "Wat hèst... bist doe nait bliede?"
We kunnen nu toch alles kopen wat we willen zegt Oabeltje. Jan knikt en zegt heel kalm: "Ik wil der nog ain keer hìn, der mout nog meer wezen van dat gold." Oabeltje schudt haar hoofd en zegt: "We hebben ja genog en t'is doar ja veul te gevoarlek." De tranen springen in haar ogen maar Jan is vastberaden. Het is meer een innerlijke drang die hem weer het wad opjaagt.
Jan gaat met 'leeg tij' [2] op pad en komt na een fikse wadwandeling weer bij het vervallen huis terecht. Op het smalle pad verzamelt Jan de ene gouden munt na de andere en vult de jutezak die hij deze keer heeft meegenomen. Jan kan niet eens meer het hoofd omhoog houden door de zware last op zijn rug. Hij kijkt naar de grond en merkt niet eens dat alles om hem heen verandert.
De zon verdwijnt achter de wolken en de wind neemt af. Er is geen 'zeekoap'[3] meer te zien of te horen en het wordt geheimzinnig stil ja zelfs 'moesstil'. Links en rechts van het pad duiken sporen van vervlogen tijden op... oude resten van muren en skeletten van boomstronken tekenen zich af tegen de hemel.
Sloek heeft het te druk met munten rapen en merkt niet eens wat er om hem heen gebeurt. Hij weet zelfs niet meer wanneer hij is vertrokken en hoe laat het is en wanneer de vloed weer zal komen. Opeens staat Sloek 'stokstief' voor een witte wand, een brede mistbank is opgedoken. Hij twijfelt even en duikt de mist in, maar moet zich wel inhouden want hij kan geen hand meer voor zijn ogen zien. De nevel bedekt ook zijn voeten en hij kan geen stap meer verder lopen. Hij staat moederziel alleen in de mist en heeft geen besef waar hij zich bevindt of waar hij heen moet lopen. Jan Sloek krijgt het met de angst te doen. Hij vervloekt zijn lichtzinnigheid en meer nog zijn gier en hebzucht naar meer goud. Maar het is nu te laat en hij weet dat hij niet meer kan omkeren en als de vloed komt hij jammerlijk zal verdrinken.
De mist trekt gelukkig net zo snel op als dat het gekomen is en Jan kan zijn ogen niet geloven: hij staat voor een poort met grote openstaande deuren. Hij kent deze poort, want hij heeft de poort eerder gezien op de gouden munten. Het is de poort van Torum. Jan gaat door de poort en staat plotseling midden in een mensenmenigte, zelfs straatmuzikanten zijn aan het spelen. Het kan toch niet waar zijn, is het een droom? Jan wordt meegesleurd door de mensenmassa en wordt naar het centrum gedreven. Hij heeft geen keus en dan komt hij terecht op een groot plein. Iedereen is bezig en Jan wordt niet eens opgemerkt. Rondom het plein staan rijk versierde koopmanshuizen en hij ziet een gerechtsgebouw waar lieden in zwarte kledij met grote mappen onder de armen in en uit lopen.
Aan de westzijde van het plein is de kerk waar op dat moment de klokken geluid worden. Drie keer klinkt het geluid over de stad. Jan Sloek heeft gehoord dat de stad ten onder is gegaan onder het klagend geluid van deze klokken. "Kin ik die helpen mien jong?" zegt een stem naast Jan, "ik bin Tammo." Jan zegt geschrokken: "Mijn ogen en oren zeggen mij dat dit Torum is, maar Torum is toch al lang ten onder gegaan in de Dollard?" Tammo legt zijn hand op Jan's schouder en zegt heel kalm en bedaard: "Dat mogen de narren op het vaste land wel denken, maar de waarheid is dat we leven, de muren van Torum hebben ons beschut tegen het water en sindsdien leven we hier afgezonderd en afgesloten van de wereld. De zee houdt ons gevangen."

Afbeelding 4.
Wat een zeldzaam verhaal, denkt Jan maar schenkt er verder geen aandacht aan, omdat hij zich verwondert over de dingen om zich heen. "Kom mee," zei Tammo, "we hebben vanavond een groot feest en voordat Jan iets kan zeggen neemt Tammo hem bij de hand en neemt hem mee naar de herberg waar de mensen zich al tegoed doen aan drank en spijzen. Muzikanten en schoonheden verleiden de gasten met dans en muziek. Samen met Tammo drinkt Jan het ene glas wijn na het andere en zo'n feest heeft hij nog nooit meegemaakt. Hij eet spijzen die hij nog nooit heeft geproefd en drinkt wijn als nog nooit tevoren. Jan zingt uit volle borst de liederen mee. Hij gaat zelfs op de tafel staan en proost met de Torumers. Hij heeft zich nog nooit zo vrij gevoeld en net op het moment van het hoogste geluk begint alles om hem heen te draaien. De mensen en de herberg draaien voor zijn ogen en plotseling heeft hij geen bodem meer onder de voeten. Het lawaai verstomt en de menigte verdwijnt als Jan met een klap op de grond terecht komt.
Als Jan zijn ogen weer opent, staart hij in het donker. Hij ligt op de grond en zijn kleren zijn kletsnat. In zijn mond proeft hij nog de wijn vermengt met het zoute water en zijn handen voelen de 'sliek' van het wad. Met één slag is Jan wakker en langzaam keren de herinneringen van de laatste uren terug. Wat is er gebeurd? Hoe is hij hier terecht gekomen? En waar is Tammo?
Jas zijn hoofd bonst nog van de wijn. Moeizaam gaat hij staan en de jutezak met gouden munten ligt naast hem. De duisternis lijkt ondoordringbaar en als eerst door het maanlicht de omgeving een beetje zichtbaar wordt, merkt Jan dat hij op het wad staat. De wind trekt aan zijn natte kleren en in de verte hoort hij het ruisen van het water. Snel is zijn droom weg en Jan merkt dat hij in grote moeilijkheden verkeert: het water komt terug. Honderd meter van hem vandaan ziet hij de poort van Torum, dat is zijn enige kans. Jan slaat de jutezak over zijn schouder en gaat weer op pad. Jan voelt zich nog misselijk van de wijn en als hij de eerste golven voelt slaat de paniek toe. Hij laat de zak met munten vallen en hoopt zo sneller de poort van Torum te bereiken, maar ondanks zijn moeite blijkt Torum nog ver weg te zijn. Tot aan zijn borst staat het water als hij de poort bereikt maar... de poort is dicht en wijd en zijd is er geen mens te bekennen.
Jan slaat met zijn vuisten op de deur en schreeuwt in paniek: "Laat me naar binnen... laat me naar binnen." Maar niemand hoort hem en de poort blijft dicht. Het water stijgt hoger en hoger en staat al tot zijn hals. Jan huilt en bedelt maar niemand helpt hem en voordat het water zijn hoofd omsluit hoort hij nog een duivelse lach vanaf de muren van Torum.
Het is al de zevende dag dat Oabeltje langs de kust loopt om Jan Sloek te zoeken. De dorpelingen hebben Jan al opgegeven maar Oabeltje loopt nog te zoeken en kijkt over het wad in de hoop nog een levensteken op te vangen. Ze heeft in haar hart de hoop ook al opgegeven en werpt een laatste blik over het wad. De rode avondzon duikt in de zee en er is weer een dag voorbij en als Oabeltje besluit voor de laatste keer naar huis te gaan ziet ze iets glinsteren in het sliek. Het is een gouden munt. Oabeltje krijgt een brok in de keel en raapt het op. Het is precies zo'n munt die Jan hier ook gevonden heeft. Aan de voorzijde staat de poort van Torum en als Oabeltje de munt omdraait ziet ze een afbeelding van een gezicht. Deze keer is het beeld niet vervaagd: het is duidelijk te herkennen. Het is het gezicht van haar man Jan Sloek.
Zie ook: Torum, een verdronken dorp in de Dollard.
Zie ook: Verdwenen Dollarddorpen.

|