K. ter Laan heeft een boekje over Jarfke, de profeet, uitgegeven voor het Grunniger Genootschap. Daarin wordt Jarfke de ziener van Oldambt genoemd. Aan dit boekje ontlenen wij de volgende legenden die door Jarfke zijn geschreven. De oude spelling is zoveel mogelijk aangehouden.

 

 

De zee zal land worden


Jarfke. Bron: Prophecye van Jarfke. Licentie: public domain.

Op een tijd is Jarfke komen varen met een schip over dat meye [1] van Winschoot na Blijham, dat doen noch water was, en liep in de Dollaart [2] ende voorts in de Eemse; en als hij overgekomen was te Blijham, doen quam hij bij een man die Heere hiet, die met zijn volk in het meiland [3] was om te zwelen [6]. Zo heeft Jarfke gezeid: och, och, hoe moede ben ik geworden aleer ik door alle hooioppers gekomen ben.


Doen heeft Heere met 't ander volk gevraagd, hoe dat komen zoude, dewijl dat het meyr zo diep is. Jarfke, zijt gij kloek of zijt ge dronken?


Doen heeft Jarfke geantwoord: omdat er noch land worden zal, zo zal daar overvloedig gras wassen.
Doen hebben de Zwelers gezeid: aleer zij dat geloven, zo willen wij eer geloven, dat de hemel daalt, aleer dat meyr tusschen Winschoot ende Blijham tot land worden zal, dat nu zo diep is, dat er hulken [4] en carvelen [5] in varen konnen; daar in de dijken leggen zeven sluizen en die lopen in de Eemse; daarom is 't onmogelijk dat dit geschieden kan.


Woordverklaringen:
1. dat meyr: de zee.
2. Dollaart: Dollard.
3. meiland: madeland, land dat 's winters onderliep.
4. hulken: grote handelsschepen.
5. carvelen: kleine schepen uit Portugal.
6. zwelen: hooi in rijen harken).

 


 

 

De vijand zal komen en het land veroveren


Jarfke had ook gezeid, dat in 't Oldambt zou komen een groote menigte heyrknechten en zij zullen daar geen acht dagen in leggen, maar zulen daar eerseling [1] weer uitgedreven worden, en nadat dit geschiet is, zo zal 't zo toegaan: al degenen die in 't Oldampt wonen bij der Eemse, zullen dat geweer aan de voet binden om den vijand af te weeren.


Hierna zal er een schip komen uit 't oosten in de Eemse; en daar zullen er noch zoveel op wezen, dat men gaan kan van Reude over hen na de Knocke [2]; en die daar in de schepen zijn, zullen in 't Oldampt 't zo opeten, dat daar niet meer zal overblijven als een bul [3] en een haan.


Een hoop van dat heyrvolks, dat eerseling uit het Oldampt zal worden gedreven, zal stand houden te Horen bij Wedde om haar vijanden te verwachten ende in korter stond voort te trekken tussen Veele en Vlachtwedde, maar daar zal niet van worden, maar zij zullen alle voortrekken om haar vijanden te ontkomen tot Vlachtwedde, op 't veld om de slagorde [4] te scheren, maar adar zal noet van worden, maar zullen over Boertange wegrukken.


Daarna, als dat geschiet is, zo zal men van de partijen weten te zeggen van schatten [5] en plunderen, zoodat menig mens moet vertrekken, dat ze het eten niet konnen behouden, overmids het schatten, zo in 't Oldampt als in Groningerland. En dit zal u een teken wezen, dat de kloktoren te Heiligerlee zal vallenin stil weer, dat menig mensche hem zal verwonderen. Ende Westerwolde zal ook niet vrij zijn van uitgeschat te worden, dat ze het mes niet in de schede kunnen houden [6]. In westerwolde zal raad ontbreken, oe ze 't best ontgaan van de krijg; de raad zal haar ontbreken, dat ze malkander geen gehoor willen geven en daardoor in groote schade komen en de omliggende landen zullen zeer verdorven worden, en de vreemdelingen zullen 't gans verderven en regeren na hare wille.


Woordverklaringen:
1. eerseling: ruggelings
2. Reyde en Knocke lagen elk aan een kant van de Eems.
3. bul: stier.
4. slagorden scheren: slagorden opstellen.
5. schatten: brandschatten. Ieder huis moest aan de plunderende troepen leveren wat geëist werd, anders werd het his in brand gestoken.
6. dat ze het mes niet in de schede konden houden: de brandschatting was zo erg, dat men het mes wel moest trekken.)

 

 

 

Een magere man zal komen met volk en schepen en voorspoed hebben

 

Ende Jarfke heeft als voort gezeid, dat daar een smal Heere [1] komken zal over Boertange, komende uit den oosten en zal zitten op een rood bles peerd met vier witte voeten ende dat zal een jong Heere zijn en zal wit haar hebben, ende enen weduwen zone. Ende hij zal hebben op de linker kinnebakke ene wratte.
Dit zal u een teken wezen: aar staat een kruis in ’t Gravenland [2], ende dat zal gezet worden in Embden [3] op de muire [4], en zo dat kruis uitwaarts valt, zo zullen ze uit het land verjaagd worden en zo dat kruis inwaarts valt, zo zal dit volk uit het Nederland niet verjaagd worden, maar haar schepen zullen behouden blijven. Deze Heere zal gewinne hebben zover als hij komt.
Dit zal u wezen tot een waarteken, dat gij 't zult geloven: de tijd zal komen, dat een zwarte rave twee witte jongen opvoeden zal, in de harde maand [5].


Woordverklaringen:
1. een smal heere: een magere man.
2. 't Gravenland: Oost-Friesland.
3. Emden.
4. muire: muur.
5. de harde maand: januari.

 

 

 

De huislieden in het Oldambt zullen gedwongen worden om Groningen te helpen.

 

Ende Jarfke heeft gezeid: als Groningen belegerd wort, zo zal het staan in 't Oldampt en in Groningerland, dat waar de huislieden [1] gaan, daar zullen zij het geweer bij haar dragen op den akker en in 't weiland. Zo zullen zij dat geweer aan de voet binden en de boden zullen 't anse land doorlopen en dwingen de lieden bij de brand [2], dat zij zullen komen en helpen. Zij moeten de zwa [3] op de akker laten leggen en lopen en helpen Groningen winnen.
Daarna zal Groningen opgetimmerd worden, maar niet zo groot als 't tevoren is geweest.


Daarna zal Groningen ten derde male gewonnen ende zodanig verbrand en verdistrueerd [4] worden, dat wanneer de kooplieden uit verre landen zullen komen na de markt en zullen vragen: waar is Groningen? zo zal men zeggen: daar is groningen geweest. En zij zullen malkander de plaats wijzen daar Groningen gelegen heeft.
Daarna zal een vredelijker tijd komen als er nooit geweest is, van Christus' geboorte af.


Woordverklaringen:
1. huislieden: meervoud van huisman = boer.
2. bij de brand: onder bedreiging, dat anders de hizen in brand gestoken werden.
3. zwa: zeis,
4. verdistrueerd: verwoest.)

 

 

 

Land zal water worden

 

Op een tijd is Jarfke komen varen van Muntendam na Westerreyde. Daar stond een klooster; daar wared nonderd en tachtig zusters in.


Doen was 't nog al land tussen Reyde en Westerwolde en de Eemse was niet wijder tussen Parmar ale een man met een slinger kon oversmijten.


Nog heeft Jarfke op een tijd gevaren van Parmar naar Termunte, toen hij tot Termunte kwam voor de Kanzerzijl. Ze moesten daar een zijn in houden, daar haar water door liep. Daar lagen drie zijlen in Termunte, de een most houden die van Muntendam, de tweede het Convent va de Grijze Monniken met oude Termunte, de derde het groote Termunte.


Vandaar heeft Jarfke gegaan naar Oosterreyde, want hij had daar veel van zijn vrienden wonen.
Doen is hij komen op de Plane en Spuie. Daar kwam een man bij hem die hiet Ezyka. Doen heeft JArfke tot Ezyka gezeid: hoe diep gaat gij in 't water? al vast aan de hals toe?
Doen heeft Ezyka gezeid: nu zien ik wel dat gij dronken zijt.
Doen heeft Jarfke gezeid: dat zal nog komen; al dat nu land is, dat zal water worden.
Doen heeft Ezyka gezeid: dat waar onmooglyk, dat het geschieden zou, want daar is geen water.
Jarfke zeide: als de Pape overkomt van de zee, zo zal dij wat wonders weten te zeggen. Dan zullen de dijken vernield en verditrueerd worden; het water zal zeer grote schade doen en zal de luiden arm maken. Als dat geschiet is, zo zal 't van jaar tot jaar kwader worden, totdat het al vernield is.

 

 

 

Voortekenen bij de dood van Jarfke


Als Jarfke nu krank was en lag in zijn doodbedde (doodsbed), doen hebben zijn nabers hem aangesproken.
Doen heeft Jarfke gezeid, zij zouden doch uitzien op zijn huis wat daar op liep, want hij had daar een bescheid van gekregen, dat daar twee witte duiven op zouden komen of twee zwarte raven.


Doen zijn twee nabers uitgegaan en hebben gezien twee witte duiven langs het huis heen en weer lopen, en adtzelve hebben zij hem weer geboodschapt.


Och! Och! nu dit twee witte duiven zijn, nu zal het alles waar worden wat ik gezeid heb, want het ismij alles ingegeven. Hadden daar twee zwarte raven geweest, zo en zoude 't niet waar geworden hebben, wat ik gezeid heb. Nu zal 't bijster toegaan, dat geen mensen dat kunnen geloven eer 't geschiet is.

 

Jarfke waart nog steeds rond. Regelmatig nog komt hij langs bij de mensen om te vertellen wat er staat te gebeuren. Zo ook in Noordbroek in Groningen:

 

“Er zit verandering aan te komen “ mompelde Jaarfke, hij tuurde over de glinsterende Siepsloot die zich traag een weg richting de Munter Ae zocht. Tjarko knikte maar, Jaarfke zag zoveel, dacht hij terwijl er een vlucht kraanvogels boven zijn hoofd naar het Noorden trok.


Nog even, en de zomer zou niet lang meer op zich laten wachten, ik hoop, dacht Tjarko dat het weer net zo mooi als vorig jaar wordt, zomaar.


Hij keek naar Jaarfke en vroeg:” Woar bist du mitt summer “? Aangezien Jaarfke visioenen had tuurde en duurde hij in de verte, trok zachtjes aan zijn baard en zei met zachte bedachtzame stem: “IK ben mitt Summer in Brouck “.
“Mitt Summer in Brouck ???” vraagt Tjarko verbaasd.


“Joa !”, hij klopt zijn pijp uit op de brugleuning, draait zich om en slentert in de richting van de Olde Dodde.
WAT?
“Mitt Summer Brouck” feest.
Waar ?
Op Locatie bij de Molen; Bij Janneke & Taeke; In Brouck [1]

 

 

 

Over Blijham


Op een tyt hadde Jarfke gevaren met een schip over het Meyr van Winschoten nae Blyham/ dat doe water was/ en liep in de Dullert ende voort in de Eems/ en als hy over gekomen was te Blyham/ doen quam hy by een man die Heere hiet/ die met syn volck in 't Weylant was om te Hoyen so heeft Jarfke geseyt: och och hoe moede ben ik geworden/ aleer ick door alle Hoyoppers gekomen ben. Doen heeft Heere met het andere Volck gevraegt hoe dat komen soude/ dewyl dat het Meyr soo diep is? Jarfke zydt ghy oock kloeck of syt ghy droncken? doen heeft Jarfke geantwoort: om dat het noch Lant worden sal/ soo sal daer overvloedigh gras wassen. Doen hebben de Hoyers geseydt/ al eer wy dat gelooven/ soo willen wy veel eer gelooven dat den Hemel dalen sal/ al eer dat het Meyr tusschen Wynschoot/ en Blyham tot Lant worden sal/ dat nu soo diep is datter Hulcken en Carvelen in varen kunnen; daer in de Dycken liggen seven Sluysen en loopen in de Eems/ daerom is het onmogelyk dat dit geschieden kan.


Item/ op een tyt had Jarfke komen varen van Blyham nae Winschoot met een schip/ en aldoor heeft Jarfke geseyd/ hy had gezien twee scharen Mayers met hare zeynen nederliggen/ dat doen nog water was. Doen seyden die luyden tot hem/ dat het onmogelyk was/ dat het Landt worden soude. Doen heeft Jarfke geseyd/ en laet u dat niet verwonderen/ de Sluysen sullen doorgaen door groote winden en water/ dan sal het landt worden.

 

 


Beschrijving:
Jarkfe ontmoet een man die Heere heet. Jarfke vertelt hem dat het meer gras zal worden, maar hij wordt niet geloofd want het meer is heel diep.

Jarfke profeteert over de ondergang van de Dollard.
Het volgende profeteerde Jarfke aangaande de ondergang van den Dullert:
Item door versuymenis der partijen die onder de dycken hooren te maken/ konden de dycken niet staande houden ende die daer verre van woonden/ wouden niet Dijcken: Zoo zyn deze na beschreven Carspelen te niet en onder ghegaen/ ende tot de Dullert vergaen/ recht tegenover Jansemer Gat: Dat is vergaen als men schreef 1277 den 23 January.
Dit zyn deze na beschreven Kercken/ Torens/ Kloosers/ en Kaspelen soo sy vergaen zyn/ als hier nae volght.
(volgen de namen van twee en dertig dorpen)
In 't getal te samen twee en dertig dorpen.


Aldus zyn de namen van de Caspelen, Kloosters en Kercken die door twist der lantsaten vergaen zyn, waer door seer merckelicke schade en ellende uyt ontstaen is, gelyck men nogh sien kan door Jansemer Gat.
Item/ dit is Jarfkes seggen van 't kleyne Oldampt/ in de wyssegginge/ en in 't geleden doen men schreef 1277.
Item op een tyt is Jarfke van huys gekomen/ dat hiet Capellenhuys/ daer is hem een man te ghemoet gekomen/ die heeft hem gevraegt: Jarfke hoe gaet het u? doe heeft Jarfke geantwoort/ noch wel; ik moet eens nae Termunte gaen/ daer is my wat sonderlinghs geopenbaert in de sloot daer ik heen voer/ dat ik heb ghesien dat de Kercke met Klocktoren zal verdestrueert worden: doe Jarfke dit seyde/ heeft 't volck met hem gegeckt; doen heeft Jarfke geseyt/ die na ons kintskinderen komen/ sal deze destrueeringe overkomen.


Item op een tyt is Jarfke komen varen van Muntendam na Wester-Reyde/ daer stont een klooster by daer waren 180 Susters in/ doe was 't noch al lant tusschen Reyde en Westerwolde/ en de Eems was niet wyder tusschen Palmaer als een man met een slinger konde oversmyten.


Noch heeft Jarfke op een tyt komen van Palmaer naar Termunt/ doen hy toe Termunten quam voor Manser-zyl/ want zy mosten daer een zyl innehouden daer haer water door liep; daer lagen drie Zylen in Termunte/ die eene most houden die van Muntendam/ die tweede dat Convent van de grys Monneken met d'oude Termunt/ de derde van groot Termunte; en van daer heeft Jarfke gegaen naar Ooster Reyden/ want hy hadde daer veel van zyn vriende woonen/ doen is hy gekomen op de Plaene ende daer quam een by hem die hiet Esyka/ doen heeft Jarfke tot Esyka geseyt/ hoe diep gaet ghy in 't water? tot den hals toe/ doe heeft Esyka geseyt/ nu sie ik wel dat ghy droncken zyt/ dan ick sie wel dat ick de eerste niet ben die met u geckt/ doe heeft Jarfke geseyt/ dat sal noch komen/ al dat nu lant is/ dat sal water worden/ doe heeft Esyka geseyt/ dat waer onmogelyck dat het geschieden soude/ want daer is geen waeter. Jarfke seyde als de Pape over komt van de zee/ soo sult ghy wat wonders weten te seggen/ dan sullen de dycken verdistrueert worden/ 't water sal groote schade doen/ de Lieden arm maken/ en van Jaer tot Jaer quader worden/ tot dat het al vernielt is.


Daerna is Jarfke gevaren met een schip langhs die Eems na Termunten/ doe hy van die zyl quam/ doe stonde Esyka daer op/ en seyde/ wilt ghy met my meer gecken? ende Jarfke seyde/ die seylen sullen daer uyt gegraven worden/ en de Eems sal lant worden/ daer sal een wit schaep op gaen en sal swarte lammeren by haer hebben weyden/ doe vraegde hem dat volck of dat wel geschieden konde? Jarfke sprak/ Gods hant is boven al/ ende die regeert in Hemel en op der Aerden. Dat waer schade/ want Hulcken en Carvelen daer in zeylen/ en Termunten is een vleck vol van nering/ maer het sal 't slimste Kraeye nest worden/ dat in 't kleyn Oldampt is of mach wesen; doe vragden hem 't volck of hij droncken en van syn sinnen berooft was. Doe seyde Jarfke de Vreemdelingen sullen dat kleyn Oldampt te niet maken/ nademaal d'een d'ander geen gehoor en wil geven/ daer door komt de tweedracht/ dat de Vreemdelingen de dycken gantschelyck vernielen sullen/ ende ten laetsten wederom maken/ als de tyt vervult is/ dan sullen sy malkanderen gehoor geven/ daer door sullen sy Jansemer blincke verliesen en tot den Dullert worden. Dit heeft Jarfke tot Esyka geseyt: Esyka seyde wanneer sullen de dycken weer gemaeckt worden/ en hoe lang sullen se open staen?


Jarfke seyde seven jaren sullen se open staen/ en dat water sal groote schade doen: Esyka seyde dat volck dat dan noch leeft in 't Oldampt/ haer ellende is niet te beschryven door den kryghshandel diese met malkanderen hebben/ die Huyslieden worden arm en 't krygsvolck wordt ryck van 't roven/ dat heeft Esyka gemerckt/ daer haer kinderen noch leven/ van 't volck 't welck eerst over gekomen is: Jarfke seyde/ haer kinderen sullen 't beleven/ maer den krygh moet eerst rusten/ al eer sy wederom handelen konnen/ want die twee parthyen sullen 't vernielen.
Jarfke seyde de eene Parthye volck sal syn sittinge daer in neder slaen /ende sullen 't bedycken en houden 't voor haer Lant/ vernielende en brandende Kercken en Torens: doe vraeghde 't volck/ sullen sy 't dan varen laten? Jarfke seyde/ Sy moeten Groeningerlandt weder varen laten. Op eenen tyt is Jarfke komen vaeren van Reyderwolde na huys/ 't was geheeten Capellenhuys/ dat nu in de Dullert leyt/ doe quam hem een man te gemoet Heere Eckes genaemt/ en was een gheleert man van Germeden van geboorte die heeft Jarfke aan gesproken en seyde: Jarfke wat is dat een schoone tyt voor onse kinderen: Jarfke seyde/ die Luyden die dan noch leven die sullent bevinden/ als de sterre met de steert sal gesien worden/ alsdan komt de tyt der droeffenisse: wee de menschen die dan noch leven! Want den Kryghshandel sal staen in Nederlant omtrent 30 jaren na dese tyt/ die dan noch leven sullen van wonderbaerlycke dingen weten te seggen; door desen krygh sal 't kleyne Oldampt te niete gaen/ en staen menig jaer in 't zant/ dat kan niet te rugge blyven/ daer na sal een vredelycke tyt komen/ so lang de wereldt staet. Dit heeft Jarfke geprofeteert/ en heeft menig jaer daer na geleeft [2].


Het zou zo zijn dat door de schuld van Tidde Winnengha, die geen dijken wilde maken, in de Dollard vierendertig dorpen en twee kloosters door het water overstroomd waren.


Wy stadholder end Hoofdmannen der Stadt end Ommelanden van Groningen, van wegen des Coeninchs van Spangien etc., als Hartouch van Brabant, Grave van Hollant end Erfhere der Stadt end Ommelanden vorsz, etc, doen kondt end bekennen, yn end overmidts desen openen breve, dat voer ons gekoemen end verschenen synt, heer Theodoricus Nicolai à Gouda, Kellener toe Gryse-moncken, old acht en veertich jaren, (en verschillende anderen).
Seggen voerts de voernoemde deposanten dat, soe lange hoer gedencken can, altoes en haer olderen end voerolderen een gemeen naem end faem is gewest, dat, ten tyde van 't inbreken der vorsz: Dollart, eener, genoempt Tidde Winnengha up Reyderlandt gewoent heft, seer ryck van goeden, end oeck een regent of te mederegent van Reyderlandt, end namaels doer groete armoet een provenier in Palmaer geworden; dewelcke, aangesproken by de huyslieden end gemeente aldaer, om de dyckentoe maecken, ter antwort gegeven heft, dat he niet wolde dycken, eer end voor de vloet een speetse hoghe over syn landt soude loepen, doer wiens negligentie end groete schult de dyck Jansem qualicken bewaert is geweest, end ver midts dien ingebroeken een groete water (die Dollart genoempt) gemaekt heft; in welcke Dollart vier en dartich grote schoene dorpen end twee kloesters, als Menterwolde en Palmaer, vergaen end doer 't water verdroncken syn, gelyck noch huyden ten dagen toe seen end toe vernemen is, onder welcke vergangen dorpen een, Reyderwolde genoempt, soe groet end ryck is geweest, datter negen styghe vrouwen waren, de elck een golden span voer haer borst hadden, daer een Groeninger kroes nats in mochte gaen, end een, Middewolde genoempt, daer negen styghe steen huesen waeren, van welcke dorpen end Kloesters vorsz; de dorpen Swaegh en Tysweer met Palmaer voer een deel noch corts in esse end in fleur syn geweest end nu geheel vergaen [1].

 


 

 

Jarfke profeteert over het doorbreken van de zeedijken waardoor het meer van Winschoten zal veranderen in weides.


Propheterende Tonge van Jarfken Wypkes uitroepende over Groeningerlandt de inbreucken der Zee-Dycken.

Beschryft den eersten inbreuck, waer door het Meyr sal veranderen in schoone weylanden.

 

Aenhoort hier Jarfkens Prophecy,
wanneer hy vol van jaeren
Door 't Winschootensche Meer seer bly
Nae Blyham is gevaeren.

 

Als hy nu daer gekomen was
Een man, wiens naem hiet Heere
Heeft hy doen aen gesprooken ras,
Die 't landt hoyden ven veere.

 

Och, hoe moe ben ick geworden, hoort!
Al eer ick ben gekoomen
Door alle dees Hoy-oppers groot
In 't midden van de stroomen.

 

Waer op gevraeght heeft dese Heer
Met alle syn Landtslieden.
Dewyl soo diep hier is het Meer,
Hoe dat dit sou geschieden?

 

De Hoyers hebben hem geseydt:
Al eer wy dat gelooven,
soo geven wy u dit bescheydt;
Valt Hemel eer van boven.

 

Jarfken die heeft geantwoordt ras;
Omdat het landt sal wesen,
soo sal daer overvloedigh gras
Wassen by menschen leven.

 

Het Meer dat tusschen Blyham is,
En oock tusschen Winschooten,
nu soo diep is geworden was,
Als 't zich heeft doen vergrooten.

 

Dat daer in varen heel bequaam,
Soo Hulcken als Carveelen;
Dewelck kunnen al te saem
Seer ruim daer in gaen speelen.

 

Het Meer dat is soo vast bedyckt,
Dat seven sluysen loopen
Den Dollart door in d'Eems gelyck;
Wy willen dit niet hoopen.

 

Als Jarfken daer nae van Blyham
Op Winschooten quam varen,
Heeft hy gesien daer liggen stram
Met zynen mayers schaeren.

 

Die seyden: 't Is onmogelyck,
Dat 't Meer hier sal toelanden,
(Hetwelck is soo Water-ryck)
om te hoyen het met handen.

 

Jarfken hier op sey, 'k bidde, hoor:
Seecker, dit is geen wonder,
De sluysen sullen breecken door
Windt, water, ende donder.

 

Dit sal een teeken wesen klaer:
Soo haest de reuven bloeyen
Midvasten, sal syn in gevaer
Westerwold, wilt u spoeyen.

 

Maer als de reuven staen seer root,
Sullen westwolder landen
als dan noch syn in grooter noot,
Die 't water sal bestranden.

 

Bronnen:


1.Maandblad Groningen, K. ter Laan. SINSAG 0489 - Das zweite Gesicht .
2.Legenden langs de Noordzee/ S. Franke. - Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1934, p. 168-170; 171-172; 173-175.
3.Algemene bron: Meertens Instituut, Amsterdam.

 

 


Deze pagina maakt deel uit van www.nazatendevries.nl.
Aan bovenstaande tekst is de uiterste zorgvuldigheid besteed.

Desondanks kunnen er best fouten voorkomen.
Constateer je fouten en/of heb je vragen, correcties, aanvullingen.........

geef die dan even aan mij door via mijn E-mail adres.
Laat ook eens een bericht achter in het Gastenboek.

 

 

Hoogeveen, 2 november 2020.
Samenstelling: © Harm Hillinga
.
Menu Artikelen.
Terug naar de HomePage.
Top