Oorspronkelijke titel: 'Enkele bijzonderheden over de bevrijding van Beerta op 15 april 1945.'

 

Gerard Olinga, een ex-politieagent, ondermeer gestationeerd geweest in Beerta, was zo vriendelijk om na een bezoek aan het NIOD te Amsterdam, mij een kopie te mailen van 'Enkele bijzonderheden over de bevrijding van Beerta op 15 april 1945'. Het stuk bevindt zich in de oorspronkelijke staat en is geschreven door het hoofd van de lagere school te Beerta, E. van Iddekinge. Omdat hij in het stuk schrijft over de school te Beerta West, vermoed ik dat hij aldaar schoolhoofd was. Hij woonde ook aan de westkant van Beerta. Het leuke is ook dat Iddekinge het verhaal met vulpen heeft geschreven op 27 velletjes papier.

 

Boven: Een jeep van de A-Squadron ergens in Beerta. Bron: een lezer.
Wie herkent de plaats waar deze jeep heeft gestaan.

De gemeente Beerta strekt zich uit over een lengte van ongeveer 25 kilometer van de grens van Winschoten tot de Dollard. Onze woning staat ongeveer 400 meter van de grens met Winschoten-Beerta. We zien van onze woonkamer uit langs de weg die van Winschoten leidt naar Beerta alles naderen.
Op zondag 15 april 1945 zaten mijn vrouw en ik in de kamer, wachten op de dingen die zouden komen. We wisten, dat Winschoten bevrijdt was. Op de avond van 14 april werd het benzinedepot daar door de Duitsers in brand gestoken. Gedurende lange tijd was de westelijke hemel één vuurzee. In ons dorp lagen ongeveer zestig Duitse militairen. Ze waren gelegen in de Oosterschool waar veel munitie lag opgestapeld. Deze school lieten de Duitsers in de voormiddag in de lucht vliegen alsmede het buurthuis en de distributielokalen.


Het liep tegen drieën, toen 12 Duitse militairen op fietsen zonder banden heel langzaam ons huis voorbij reden in de richting Winschoten. Onze achterdeur stond open; ik deed ze dadelijk op slot, want mijn fiets, die ik jarenlang verstopt had, had ik al in de schuur geplaatst. Enkele van deze militairen waren gewapend met kleine machinegeweren, die ze op de schouder droegen.
Ongeveer tien meter voorbij ons huis stapten ze af, keken in westelijke richting en gingen terug. Ze waren nog geen vijf minuten weg, of we zagen een rij kleine auto’s naderen. De bevrijders. Ik ging naar buiten en gaf het sein: Stoppen.

In de voorste auto, evenals de andere (het waren er twaalf), klein en van antennes voorzien, zat een bestuurder benevens een kapitein. Achterin - het waren open wagentjes – zat een officier met een koptelefoon. Het waren Belgen. De kapitein sprak alleen Frans, de andere officier Frans en zuiver Nederlands. De laatste vroeg allerlei bijzonderheden aangaande de Duitse troepen. Speciaal naar de SS. Ik gaf alle gevraagde inlichtingen. Hij vertaalde mijn antwoorden in vloeiend Frans aan de voor het zittende kapitein. Deze stapte toen uit de wagen en liet mij de stafkaart zien. Ik deelde hem mee, welke bruggen door de Duitsers waren opgeblazen, hoeveel Duitsers hier ongeveer waren, waar het afweergeschut stond opgesteld en verdere bijzonderheden.

Hier worden Duitse krijgsgevangenen afgevoerd door een Belgische soldaat. Bron: een lezer.

Wie weet waar dit precies is in Beerta?

Speciaal vestigde ik de aandacht op de 12 Duitsers, die enkele minuten geleden hier gepasseerd waren. Op de fiets dan. Die konden nog niet weer in het dorp (toren) terug zijn. Ze zouden zich waarschijnlijk ophouden tussen ons huis en de kom van het dorp – precies 2 kilometer-.
Alle auto’s waren van de weg af de lanen opgereden. De kapitein stapte weer in, gaf een bevel en met een matig gangetje, gingen deze mannen oostwaarts. Prachtige kerels allemaal, keurig gekapt en geschoren, in onberispelijke uniformen. Geen spoor van vrees. De stoottroep.

We stonden op de weg en keken ze na. Ze waren nog geen 300 meter ons huis voorbij, of schoten knalden uit machinegeweren. De 12 Duitsers hadden zich opgesteld achter een boerderij. Het was dadelijk weer stil. De Belgen – misschien waren er ook Polen bij -, verlieten hun wagens en stormden voorwaarts. Met 7 gevangenen kwamen ze terug. In een droge sloot – met de handen omhoog – werden ze onder bewaking gezet. Een officier, een Feldwebel en een Gefreiter waren een café binnen gevlucht en verscholen zich in een aardappelkelder. De Polen (Belgen) werden gewaarschuwd en in een ommezien waren ze gevangen. Enig lectuur bleef in de kelder achter o.a. bijgaande brochure: ‘Arbeitsgemeinschaft. Geschichte. Buch 6.‘

In het dorp werd wat meer gevochten. Maar na korte tijd was er geen enkele Duitse meer. Een luitenant lag op de grond en hield zich zwaar gewond. Dit bleek echter niet waar te zijn. Hij was blijkbaar blij, gevangen te zijn. Verderop lagen nog een paar dode Duitsers.
Intussen begon het poldergeschut te blaffen. Dit was zwaar afweergeschut, dat gedurende de hele oorlog opgesteld stond op zeer sterke fundering aan de Dollard dijk in de Carel Coenraad (C.C.) polder. Overtrekkende geallieerde vliegtuigen – bijna nacht op nacht gingen ze over ons dorp in de richting Duitsland – Emden – Bremen – Hamburg – Hannover – Berlijn -, werden door dit geschut beschoten. De granaten ontploften soms boven Winschoten. Slechts heel zelden is een vliegtuig neergehaald.

Een van onze bevrijders werd zwaar gewond door een granaatscherf. Ik geloof, dat hij aan de verwondingen is overleden later. Hier heel dichtbij, Winschoter-Oostereinde, sneuvelde ook een. Zijn lijk ligt begraven op het erf van een boerderij. Boven heet de boer en wordt keurig door de buurtgenoten onderhouden.

Canadese soldaten in Groningen. Bron: Wikipedia.

Ik nam de verrekijker en keek in de richting van Nieuweschans. Een 8 á 10 Duitsers zak ik vluchten, dwars door de velden in de richting van de spoorlijn Winschoten – Nieuweschans. De granaten suisden over en in ons dorp. Verschillende huizen werden getroffen en gedeeltelijk verwoest. Geen ruit bleef er heel van vele woningen. De machinefabrikant E. Hut werd door een scherf getroffen en bloedde dood. Hij is het enige slachtoffer in ons dorp. Tegenover ons huis werd de bijschuur van een boerderij getroffen. Nergens ontstond brand. Vlak voor onze woning ontploften een paar granaten in de lucht. De scherven ketsten tegen het ijzeren hek. Verschillende niet ontplofte granaten vond ik de volgende dag dicht bij ons huis.

’s Nachts was het tamelijk rustig. De volgende dag werden op Beertsterhogen en Nieuw Beerta enige boerderijen door het poldergeschut in brand geschoten. Dinsdag, 17 april 1945 moesten Nieuw Beerta, Drieborg en de polders worden ontruimd op last van de Canadezen. Allen vonden onderdak in het dorp Beerta. Enkelen echter wilden blijven en onder hen bevond zich Everhardus Ebels, een zoon van het vroegere lid van de Tweede Kamer, de Vrije Democraat T.E.H. Ebels. Een jongeman van ruim 40 jaar, gehuwd met Tet Dijkstra van Midwolda. Uit dit huwelijk waren drie kinderen geboren, tussen 7 en 12 jaar. Deze mensen waren schatrijk. Ebels zelf is van een rijke familie, maar zijn vrouw is nog veel rijker. Ze bewoonden in de Kroonpolder een boerderij, 50-70ha, schitterend mooi als er maar weinige in de provincie Groningen staan. Ze waren beiden lid van de NSB. Toen nu de geallieerde tanks vooraan in de Kroonpolder stonden, vielen dadelijk de Duitse granaten links en rechts. Niet zodra waren ze van plaats veranderd, of weer vielen de granaten vlak in de buurt. Ebels en z’n vrouw werden opgehaald en in het café Bos ondervraagd. Zonder resultaat zodat ze weer huiswaarts konden gaan.

De Polen kozen nogmaals een andere standplaats. Weer vielen in de buurt de granaten. Toen vermoedden de Polen, dat er verraad in het spel was. Ze reden naar de boerderij van de heer Ebels en stelden een onderzoek in. Wat ze vonden weet niemand met zekerheid. Ten minste voor zover ik weet en ik meen, tamelijk goed op de hoogte te zijn. Maar zeker is, dat na de huiszoeking de heer en mevrouw Ebels met hun drie kinderen voor hun woning werden geplaatst en doodgeschoten. Men zegt dat de kinderen mochten gaan, maar dat Ebels ze bij zich wilde houden. De boerderij werd in brand gestoken en de lijken werden er in geworpen. Niets is er van terug gevonden. (Klink op deze link voor het volledige verhaal).

 

Ingewijden menen, dat er ook nog enige NSB-ers, die daar een schuilplaats hadden gevonden, verbrand zijn. Zo vond een familie die hier bij wijze van spreken een paradijs op aarde hadden, men kan zich geen vrijer, mooier en onafhankelijker leven denken dan van zo’n herenboer, een smadelijke dood.

Het poldergeschut was nog steeds niet tot zwijgen gebracht. Maar al gauw kwamen enige vliegtuigen, die het fel bestookten. Toen was het afgelopen met het geblaf. Inmiddels was het Canadese leger, nadat Nieuwe Schans genomen was, door ons dorp gegaan, 3 dagen en 2 nachten achter elkaar reden de gevechtswagens, patserauto’s, kanonnen, pantserwagens, Rode Kruis auto’s, jeeps, enz. enz. in een onafgebroken rij door Beerta en Nieuw Beerta. Het was een gedaver en geronk zonder ophouden. Allen stonden op het trottoir om de bevrijders toe te wuiven en vele malen steeg een luid hoera op.

Wel een verschil: Dit leger of de terugtocht van de Duitse troepen, te voet of op krakende wagens met broodmagere paarden. In versleten uniformen, kapotte schoenen en laarzen. Maar de Canadezen! Niets haperde er aan de uitrusting. Als de zware pantserwagens voorbij reden, kon men de bestuurder bijna niet zien en de andere inzittenden helemaal niet. Alleen één man zat er boven op met een koptelefoon, hij was in voortdurend contact met de bestuurder, die alleen maar zicht had door een heel klein venstertje ongeveer 1 ½ dm in ’t vierkant.

De Duitsers hadden langs alle wegen kuilen laten graven op afstanden van 8 á 10 meter, machinegeweernesten, noemden ze deze. Ze rekenden er zeker op dat de geallieerde legers op de open wegen zo maar kwamen aanmarcheren. Welk een ontgoocheling doen dit machtige leger haast onzichtbaar kwam aangereden.

Het mag een wonder heten, dat het dorp Beerta niet totaal verwoest is. Het was voor de Duitsers van het zware geschut in de CC polder een kleine moeite geweest, heel het dorp plat te schieten. Het geschut stond daar in de polder al jaren en de Duitsers waren hier goed bekend. Al het verkeer tussen ons land en Duitsland hier in het noorden ging door ons dorp. Er werden echter maar weinig huizen getroffen, 300 meter van onze woning werd een arbeiderswoning getroffen. De bewoner stond juist in de achterdeur. Hij sloeg tegen de grond en werd aan de hals gewond. Gelukkig niet dodelijk. 400 meter verder trof een granaat een smederij. Geen persoonlijke ongelukken. Heel het dorp had een schuilplaats gezocht in de kelders. Meer dan een week lang hebben de meesten er ook geslapen. In de kelder van de openbare lagere school te Beerta-West hadden wel zo’n 30-tal zich verscholen. Er lag volop stro. Ze sliepen er meer dan zeven nachten achter elkaar.

 

Midden in het dorp ontplofte een granaat in een winkel met bakkersartikelen en kruidenierswaren. De winkel werd totaal verwoest. Vijftien meter verder ontplofte en een precies in een grote kleerkast. Van de kleren vond men alleen kleine lapjes terug. In de kamer waren alle meubels beschadigd. Een andere granaat ontplofte precies in het Beertsterdiep dat langs de weg loopt. Er stonden een 30-tal mensen op de weg, 200 meter van ons huis verwijderd. Ook wij stonden op de weg. Het was zondagmiddag 15 april om 3 uur ’s middags, de Belgen en de Polen waren in het dorp bezig de Duitsers te verdrijven. Heel het Westeind van Beerta stond in groepjes van tien of meer personen op de straatweg om te zien wat er gebeurde. Plotseling ontploften de granaat – de eerste die afgeschoten werd – midden het water, dat over de weg heen spatten. In een ommezien waren de mensen verdwenen. Was de granaat vijf meter meer naar rechts gevallen, dan waren misschien allen gedood. Nu was er nog niet één gewonde. In de huizen die door de granaten getroffen werden ontstond in geen enkele brand. Anders was dit in Nieuw Beerta en in de polders. Op Beertsterhogen, even ten westen van Nieuw Beerta werden de landbouwschuren van H.R. Starke en O. Mellema in brand geschoten. In Nieuw Beerta de kapitale boerderij van de heer D.U. Ebels. In de Kroonpolder behalve de boerderij van de heer E. Ebels nog de villa-boerderijen van H.P. Waalkens, C. Ebels en J. Crebas. In de Stadspolder nog van H. Ebels. Terwijl een boerderij van de heer Botjes al eerder door een vliegtuigbom in brand was geraakt. Het oostelijk deel van de gemeente Beerta, dat aan Nieuwe Schans grenst en met deze plaats één geheel vormt – de zogeheten Oudezijl- werd erg gehavend. Maar niemand treurde om de geleden materiele verliezen. Ieder was blij, verlost te zijn van de gehate Duitsers.

De bevrijding. Bron: Wikipedia.

Behalve de NSB-ers natuurlijk, maar hun aandeel was heel gering. Toen Duitslang gecapituleerd had, kwamen honderden en honderden Nederlandse arbeiders en andere jonge mannen uit Duitsland terug, bij Nieuwe Schans over de grens naar Beerta. Hier werden ze geregistreerd van voedsel en onderdak voorzien. Ik was belast met de huisvesting. Verschillende boerderijen werden gevorderd. Een dikke laag stro op de grote dorsvloeren gespreid, stropakken dienden voor tussenschotten (mannen en vrouwen) en de uitgehongerde en doodvermoeide mensen waren toch zo dankbaar voor die heerlijke bed. In jaren hadden ze niet op zo’n dikke laag stro gelegen. De meesten waren natuurlijk Nederlanders, maar er waren ook Belgen, Fransen en Russen, Jongens en meisjes van wie enkele zelfs uit Rostov. maar ook uit Nicolajev en Odessa en Kiev. Deze russen waren door de Duitsers getransporteerd naar West-Duitsland om in de fabrieken te werken, o.a. in een vliegtuigfabriek in Wener dichtbij Leer. Ook werkten ze bij de boeren aldaar. Ten minste vier van deze Russische meisjes zijn in Hoogezand en Sappemeer met Hollandse jongens getrouwd en wonen nu in genoemde plaatsen. De Russen uit de Ukraine konden wat Duits, maar van de anderen verstond ik geen woord. Verschillende Nederlanders waren ziek en afgemat, er waren er bij, die van Kassel hadden gelopen. Sommige op klompen, andere op stukgelopen schoenen. Ook ware er die ontluisd moesten worden. De heer Pitkoot, arts te Beerta, heeft een zevental totaal afgematte jonge mannen enige weken bij zich thuis verpleegd, voor ze in staat waren hun reis te vervolgen. Maar allen waren toch zo gelukkig eindelijk vrij te zijn in hun vaderland. Zeer enkele Russen voelden er wel voor hier te blijven, maar de meesten wilden zo spoedig mogelijk naar Rusland terug.

Nadat de Duitsers in ons land gecapituleerd hadden, trokken de Duitse militairen – zoals ik reeds beschreef- door ons dorp. Op een groot weiland moesten ze hun koffertjes en zakken ledigen en alles aan de Canadezen tonen. Nederlands geld werd hun afgenomen. Nu waren er Duitsers die stilletjes dit geld onder een graszode verborgen, in de hoop het weer weg te nemen als de visitatie afgelopen was. Misschien lukte dit wel eens, maar niet altijd. Toen de Duitsers van dit weiland naar hun kamp, vijftien minuten verder, getransporteerd werden, gingen vele Beertsters het terrein afzoeken in de hoop, wat van waarde te vinden. Vaak met succes. Zo vond een schooljongen op zekere dag onder de graszoden f 500 en een andere f 225.

Toen de 120.000 Duitsers door ons dorp gemarcheerd waren, het duurde veertien dagen ongeveer, onder hen zak ik ook toevallig de heer Schulz, een Duitser die al sedert meer dan 25 jaren leraar in het Duits was geweest aan de HBS te Winschoten, kwam op een zekere avond de Duitse generaal met zijn staf in een tiental luxe auto’s. Een Canadees officier had al een half uur ongeveer precies voor ons huis gewaakt. Tegen negen uur ongeveer zagen we de auto’s uit de richting Winschoten komen. Voor ons huis werd halt gehouden. De generaal had een grote herder in de wagen. De adjudant stapte uit en liep naar de Canadese officier, misschien om iets te vragen of mee te delen. De Canadees maakte een afwerend gebaar en de adjudant stapte weer in de wagen. Een Hauptmann stapte uit een van de achterste wagens en vroeg de Canadese officier of hij zich even mocht verwijderen, wat natuurlijk werd toegestaan. Waarom hier halt gehouden moest worden, heb ik nooit begrepen. Waarschijnlijk werd op iemand gewacht. Hoe het zij, er kwam niemand. Na een uur ongeveer stapte de Canadese officier in een jeep en voor de stoet rijdend ging het verder oostwaarts.
Met welk een bluf en branie, met welk een trots waren ze hier in 1940 op die nooit te vergeten vrijdagmorgen om ongeveer negen uur door ons dorp getrokken. Eerst vier heel jonge soldaten op de fiets. Die keken trouwens benauwd genoeg, maar daarna! Een en al bluf. En nu, ‘Sie liessen die Köpfe hangen’. Verslagen waren hun machtige legers. De terugtocht ‘nacht der Heimat’, verwoest, zoals  nog nooit een land verwoest werd. Weg hun steden, fabrieken, huizen, maar vooral, weg hun macht en aanzien. Gehaat door heel de mensheid om hun onmenselijke wreedheid.


E. van Iddekinge.

 

Bron: NIOD, Amsterdam

 

 

Deze pagina maakt deel uit van www.nazatendevries.nl.
Aan bovenstaande tekst is de uiterste zorgvuldigheid besteed. Desondanks kunnen er best fouten voorkomen.
Constateer je fouten en/of heb je vragen, correcties, aanvullingen...geef die dan even aan mij door via mijn E-mail adres.
Laat ook eens een bericht achter in het Gastenboek.

 

 

Hoogeveen, 24 febr. 2017.
Aanvullng foto's: 14 apr. 2017.
Samenstelling: © Harm Hillinga
.

Menu Artikelen.
Terug naar de HomePage.
Top