De bevrijding van Woldendorp


Het is zaterdag I4 april 1945

Er gaan vreemde geruchten rond. De verschrikkelijk bittere wereldoorlog 1940/'45 loopt, althans voor Nederland en Europa, ten einde. De eens zo machtige Duitse legerscharen, die vijf jaar geleden ons land in vier á vijf dagen onder de voet hebben gelopen en door stadsbombardementen tot capitulatie hebben gedwongen, zijn verworden tot een gedesillusioneerd leger, welke alleen nog door de ijzeren Duitse discipline, en voortgedreven door fanatieke SS-officieren, de hopeloze en waanzinnige strijd tegen de oprukkende geallieerde legers, in arren moede tot het bittere einde is blijven voeren.

 

In Woldendorp is reeds enkele dagen hoorbaar, dat de fronten van de geallieerde strijdkrachten steeds dichterbij komen. Aanzwellend kanongebulder vanuit het westen en zuidwesten maakt duidelijk, dat de barensweeën van de bevrijding van het stukje Nederland, gelegen aan de oevers van Dollard en Eemsmond, spoedig werkelijkheid zullen zijn. Steeds maar passerende, zichtbaar ontredderde Duitse troepen versterken ons in de verwachting, dat nu wel spoedig de bevrijders zullen volgen. We weten echter niet wat ons nog te wachten staat.

 

Op die zaterdag sta ik even voor ons huis te kijken, als weer een groep soldaten, bepakt en bezakt, in volle strijduitrusting en moeizaam voortsjokkend richting dorpskom, passeren.

Wij wonen aan de provinciale weg naar Nieuwolda, wijk C, nr. 160c. Na de oorlog, als de dorpen in de gemeente Termunten weg- en straatnamen krijgen wordt dit AE-weg 38. Met buurman Harm Brouwer wonen we ongeveer één kilometer van het dorpscentrum en aan het uiterste eind van het dorp.

 

 

1. Ons huis 10. Batterij Fiemel.
2. Buurman Brouwer 11. Boerderij Zwitters
3. Duits kwartier 12. Termunterzijl
3a. Zoeklicht stelling 13. Boerderij Olsdor
4. Centrum Woldendorp 14. Dodelaan
5. Boerderij de Vennen 15. Huis K. Telkamp
6. Huis familie Post 16. Grijzemonnikenklooster
7. Zwitterslaan. 17. Boerderij van Hoorn
8. Kabofferij. 18. Weg naar Nieuwolda
9. Dallingeweer.  


Uit het groepje soldaten komt een jonge vent van misschien 18 á 19 jaar op mij af en eist een fiets. Ik wijs hem op het oude vehikel, gammel en zonder banden, dat naast ons huis staat. Dat stuk vergane glorie vindt hij echter niet acceptabel. Ik moet met hem mee de schuur in, maar daar is geen fiets te vinden en ook de achterzolder wordt tevergeefs afgespeurd. Tenslotte wordt ook nog bot gevangen in het losstaand geiten- en varkensschuurtje achter ons huis. Hij weet zeker nog niet hoezeer het Duitse nazidom het Nederlandse volk in vijf jaar oorlog heeft uitgemergeld.

 

In de kelder van ons huis hebben we alvast een soort veldbed voor opa Hindrik Huizinga in gereedheid gebracht. Voor hem is bij de bouw van ons huis een apart kamertje afgetimmerd in de schuur. Hij is al oud, 76 jaar, min of meer afgeleefd en ziekelijk. We zijn ons ervan bewust dat deze kelder, ongeveer drie bij drie meter, binnenkort wel eens de laatste schuilplaats voor ons hele gezin van negen personen zal kunnen worden, wanneer ons huis straks tussen de frontlinies van de beide strijdende partijen zal staan. Maar het zal heel anders lopen.

 

Op zondag 15 april is er van kerkgang geen sprake. Het verwachte oorlogsgeweld, dat elk ogenblik los kan losbarsten, maakt dit onmogelijk. Ook de Duitsers leven schijnbaar in diezelfde verwachting, want als moeder en ik ons even in de kelder bevinden, passeert langs het kelderraam een groepje soldaten, die zich achter in onze tuin begeven. Op het onderstel van een kinderwagen met laadbodempje, geroofd van bakker Simon Smit, vervoeren ze een zwaar kaliber machinegeweer, waarmee ze zich achter in onze tuin ingraven. Van daaruit hebben ze een vrij schootsveld over de weg richting Binnen AE/Nieuwolda. Zo vormen ze nu een voorpost van de, zich na dappere acties hergroeperende Duitse heldenscharen, die de ‘vesting’ Woldendorp tegen de aanrukkende geallieerde legers moeten verdedigen.


Evacuatie
Maandag 16 april breekt aan. Ons wordt verteld, dat reeds zaterdag in Binnen AE, nabij de Stuimelarijlaan, twee Poolse gevechtswagens zijn waargenomen. Achteraf is wel duidelijk geworden, dat dit niet waar geweest kan zijn, maar het gerucht doet wel ons hart vol verwachting én huiver kloppen. Hoelang zal het nog duren en wat kan ons intussen overkomen?

 

De dag kruipt voorbij zonder voor ons noemenswaardige gebeurtenissen, maar dan, ‘s middags om ongeveer twee uur, bereikt ons het bevel tot ontruiming van Woldendorp. De zuidelijke helft nog vóór de avond, de noordelijke helft krijgt nog de tijd tot dinsdagmorgen tien uur.

 

Ons wordt gezegd, dat we, via de Vennenlaan, ons naar de noordelijke slaperdijk van de Johannes Kerkhovenpolder moeten begeven. Nou, daar staan we elkaar toch even van aan te kijken. Hoe moet dit nu en wat zullen we mee kunnen nemen?

 

Vóór alles dringt zich de vraag bij ons op: hoe vervoeren en verzorgen we opa Huizinga? We hebben wel een legerstede voor hem ingericht in de kelder, maar dit blijkt nu verspilde voorzorg te zijn geweest. Wij zijn ervan overtuigd geweest, dat ons huis bij een artilleriebeschieting van het dorp, wel op een uitzonderlijk gevaarlijke plaats staat. Wat is het geval? Schuin tegenover ons huis, in een stukje groenland aan de overkant van de weg, bevindt zich een zoeklichtbatterij van de Duitsers, behorende tot de afweergordel rondom de havenplaats Emden. Het huis links van ons, op 35 meter afstand, is door de Duitsers gevorderd om als onderkomen te dienen voor het bedieningspeloton van deze batterij.


Wij vinden het dus een logische gedachte, dat het oprukkende geallieerde leger de omgeving van ons huis wel als eerste doelwit zal kiezen voor hun vuurkracht. Dan krijgt moeder een lumineus idee. "Ga Berend Tuin eens vragen of hij ons met zijn paard en wagen naar de Vennen wil brengen". Berend Tuin is brandstofhandelaar en vrachtrijder en woont ongeveer 500 meter bij ons vandaan. Ik naar Tuin, op mijn gammel vehikel, dat eens een fiets is geweest. En warempel, als ik hem de toestand uiteenzet, speciaal met het oog op opa Huizinga, belooft hij direct te zullen komen. Hij zal ons dan eerst wegbrengen, om daarna met eigen gezin te volgen.

 

Even later staan paard en wagen op de weg voor ons huis en komt Tuin bij onze voordeur om te helpen met het opladen van opa en van de beslist noodzakelijke spullen, die we denken mee te moeten nemen.

 

Dan komt er een granaat aansuizen, als eerste voorbode van wat Woldendorp te wachten staat. Het onding boort zich aan de overkant van de weg in de sloot wal van het groenland en is duidelijk bedoeld voor de Duitse stelling daar, maar komt 100 meter te vroeg neer, precies naast het paard van Tuin. Het barst met een zware dreun uit elkaar, richt verder geen schade aan dan een granaattrechter in de sloot wal, maar het paard vindt het daar toch een erg ongezonde bedoening. Uit puur lijfsbehoud neemt het onverwijld de benen, om 500 meter verderop toevlucht te zoeken bij de veilige stal. Weg paard, weg wagen en weg ook Berend Tuin, die nu wel eerst naar huis moet om paard en wagen weer op te halen, maar die, uiteraard, niet terugkomt.


We zijn dus weer op onszelf aangewezen. Tijd voor lang beraad is er niet en zo komen we tot het besluit, dat moeder alvast met de kinderen vooruit zal gaan en dat ik, met opa op de bagagedrager van de fiets, zal volgen. Vlug worden wat voor het gebruik gereedgemaakte etenswaren in een boodschappentas gepakt, om althans voor een paar dagen aan de honger het hoofd te kunnen bieden. Wat noodzakelijke verschoning voor de kleinsten wordt onder het hoofdkussen gestopt van de kinderwagen, waarin Martha van één jaar en drie maanden en Eltjo, 3 maanden oud, verpakt worden. Bij Martha heeft dokter Botjes op vrijdag tevoren juist een lichte longontsteking geconstateerd, wat in 1945, bij verergering, nog als een ernstige ziekte moet worden aangemerkt, zodat haar verzorging ons nu wel extra zorg baart.

 

Nadat we ons in een kort gebed hebben gesteld onder de hoede van onze Hemelse Vader en Hem om hulp en bescherming hebben gevraagd, neemt moeder de voetreis aan naar de boerderij op de Vennen, eigendom van de familie B. Bosker uit Woldendorp en bewoond door de familie P. Bos. Daar zullen we elkaar terugvinden.

Daar gaat moeder, in de kinderwagen de twee kleinsten en rondom de kinderwagen, Trijntje van acht jaar, Hinkie van 7 jaar, Ena van 5 jaar en Harm nog maar 2 jaar oud. Wat zal de naaste toekomst ons brengen? We weten het niet, maar in ons onderbewustzijn staat wel vast, dat binnen enkele dagen de strijd beslist zal zijn, wat dit voor ons dan ook mee zal brengen. Als er al Poolse gevechtswagens zijn gezien in binnen AE, dat is toch bewijs genoeg voor een spoedige afloop van de strijd. Het zullen echter veertien bange dagen worden, maar we weten dan ook niet dat er op 21 april, dus vijf dagen na onze evacuatie, nog eerst een Canadese pantserdivisie helemaal van uit de Veluwe moet komen om de Poolse divisie af te lossen en om de taak van deze Polen over te nemen bij het tot zwijgen brengen van de laatste resten van de Atlantikwall bij Nansum, Delfzijl, Fiemel, in de Carel Coenraadpolder en de Knock [2] aan de overkant van de Eems en vooral niet te vergeten de See Festung Borkum.


Restanten van de vesting te Borkum. Bron: eigen verzameling.Restanten van de vesting te Borkum. Bron: eigen verzameling.

 

Ikzelf moet allereerst nog een oplossing zien te vinden voor de meest effectieve overlevingskansen van onze tweehoog drachtige geiten. Ik weet niets beters te verzinnen dan ze maar los te laten lopen in het varkenshok naast de geitenstal in het losstaand schuurtje achter ons huis. Voorzien van een flinke portie vers gras en een pan met drinkwater moeten we het beste er maar van hopen. Ook de kippen in hun hok naast het schuurtje worden van ruim eten en drinken voorzien.

 

Terloops maakt ik even een praatje met een van de soldaten van het zoeklicht naast ons, die zich heeft ingegraven in de greppel tussen ons erf en dat van buurman Brouwer, vanwaar hij met Pantserfausten een bedreiging moet vormen voor geallieerde pantservoertuigen, zodra deze Woldendorp zullen trachten binnen te rukken. Hij ziet die hele Krieg niet meer zitten, de laatsten der Duitse Mohikanen strijden voor een reeds verloren zaak, maar ja, ‘befehl ist befehl’.

 

Dan komt het moment dat ik met opa Huizinga de tocht naar de Vennen zal moeten maken. De fiets wordt naast de stoep gezet en daar laat opa zich op de bagagedrager zakken.

 

Het huis, met alles erom en erin, wordt aan de loop der gebeurtenissen prijsgegeven. Om braak en plundering te beperken worden de deuren niet afgesloten, alleen de sleutels worden meegenomen en het geringe bedrag aan contanten dat we bezitten.

 

En zo ga ik met opa aan de rit. Het zal stellig een hele opgave worden, voor ons allebei, om dit zo'n twee kilometer vol te houden.

 

Er komt echter een onverwachte oplossing. Op ongeveer 200 meter van ons huis woont de veehouder en handelaar Jan Jager. Hij en zijn vrouw staan juist klaar om met hun paard en wagen het dorp te verlaten en hij biedt mij aan om opa op zijn wagen te laden en dan zal hij voor het vervoer naar de Vennen zorgen, waar moeder intussen moet zijn gearriveerd.

 

Het varken
Wat mij heel erg aan het hart gaat is, dat ik de restanten van een, nog niet zo heel lang geleden geslacht varken heb moeten achterlaten. Als bezitter van een stukje land mogen wij, uit eigen middelen en voor eigen gebruik, jaarlijks een varken mesten. Van het laatst geslachte varken is, naast wat kleingoed, nog een vol dijbeen met schenkel en een zijde over en dat alles ligt daar nu ten roof in ons huis. En we zullen het nu en straks zo best kunnen gebruiken. Nu ik voor opa vervoer heb gevonden, zie ik mijn kans schoon, om van het varken nog te redden wat er te redden is. Dus ga ik terug naar huis. De nog resterende delen van wat eens een varken is geweest, worden zorgvuldig in papier gewikkeld en in een zak gestopt. Daar ga ik dan op de fiets met het varken op de bagagedrager, met de linkerhand vastgehouden en de rechter aan het stuur. Even lijkt het erop dat die linkerhand achter mijn rug mij noodlottig zal worden. Ik zit nog maar net op de fiets of daar zie ik in de verte vanuit het dorp een Duitse motorrijder aankomen, met op de duo een officier, die, op ongeveer honderd meter afstand, met een snelle ruk zijn vuurwapen pakt en een kort salvo over mij heen jaagt. Meteen zijn ze mij ook gepasseerd en dan kijk ik verschrikt achterom. De officier geeft een teken dat ik wel door kan rijden. Ik begrijp dat hij geen enkel risico heeft genomen. De schrik zit er goed in bij de laatste Duitsers.

 

Verder bereik ik ongestoord de Vennen, waar ik moeder met de kinderen en opa vindt, voorlopig een beetje provisorisch geïnstalleerd in de koestal van de Vennen-boerderij. Wij delen de koestal met een aantal lot- en dorpsgenoten en vrij spoedig vult zich de gehele schuur met een menigte van huis en haard verdrevenen. Intussen staat al vast, dat dit slechts onderdak voor één nacht zal zijn, want, hoewel dit er niet bij gezegd is, ook deze boerderij zal, alvorens zij kan dienen voor dekking van de oprukkende geallieerde troepen, vanaf Fiemel in brand worden geschoten.

 

Wij slapen die nacht op stro, althans, voor zover er in die uitzonderlijke omstandigheden sprake kan zijn van slapen. Naast het ongewone en de spanning, zijn het ook nog exploderende granaten die in de omgeving neerkomen en ons herhaaldelijk doen opschrikken. De kinderen houden zich opmerkelijk rustig. Niet alleen de zieke Martha in de kinderwagen en baby Eltjo in moeders armen, die zich eigenlijk nog van geen gevaar bewust zijn, maar ook de vier anderen die al wel terdege iets beseffen van de gevaren die dreigend naderen. Ze zijn trouwens al wel wat gewend, want neervallende en exploderende bommen zijn het laatste jaar om Woldendorp en soms ook op niet al te grote afstand van ons huis, geen uitzonderingen meer. Als dat gebeurt heeft onze mondjegauwe Ena meestal haar commentaar al klaar: "Nou hebb'n ze ja weer wat, nou ligt 'r ja weer aine". Maar ‘klain’ Ena, broer Piet heeft nog een ‘groot’ Ena, heeft deze nacht geen commentaar. Harm heeft voorlopig nog het meest te stellen met de muggen die hem 's nachts plagen en hem af en toe een hartgrondig "Au" doen roepen.

 

Naar huize Post
De volgende morgen moet de trektocht worden voortgezet, nog ongeveer 500 meter verder tot aan het Verenigingskanaal, dat de afwatering verzorgt van de Finsterwolder- en de Reiderwolderpolder en bij Fiemel haar uitwatering vindt in de Eems, via een aldaar staand gemaal. Waar wij dit kanaal zullen bereiken loopt het langs de dijk van de Johannes Kerkhovenpolder en hier bevindt zich een smalle brug, bedoeld voor de fietsers en het voetvolk, in een verkorte weg tussen de Polder en Woldendorp.

 

Bij de brug staat, eenzaam en verlaten, een arbeidershuis, bewoond door de familie T. Post. En het is dit huis dat als trekpleister fungeert voor de hele schare Woldendorpers, welke daar haar evacuatiebestemming moet vinden.
Evenals de vorige dag gaat moeder voorop met de kinderen en zal ik volgen met opa op de bagagedrager. Het varken blijft eerst achter, maar zal opgehaald worden, zodra wij een, in de gegeven omstandigheden, aanvaardbare verblijfplaats voor opa hebben gevonden. Maar zie, juist als ik de boerderij verlaat, komt daar Johannes (Jans) Bos uit Woldendorp met een platte boerenwagen, met daarop als passagiers mevrouw Jantje Smant-Hoffies en haar moeder, mevrouw Hoffies. In de vaste veronderstelling dat deze wagen ook richting huize Post gaat, vraag ik of opa ook mee kan rijden en dit wordt grif toegestaan. Moeder zal opa ter plekke wel opvangen en dus gaat mijn eerste zorg weer uit naar het varken, als kostbaar bezit in bange dagen.

 

Maar wie schets mijn verbazing als moeder mij even later vertelt dat de bedoelde wagen, met haar kwetsbare vracht, daar niet is aangekomen. Niemand van onze lotgenoten weet ons te vertellen, waar de wagen gebleven is en dus valt er niets anders te constateren, dan dat opa met onbekende bestemming verdwenen is. Vermoedelijk weer richting Woldendorp, maar verder? We weten het niet en proberen dit te achterhalen. Dit zou kunnen betekenen, dat ik moeder met zes kleine kinderen in de steek moet laten. Het enige wat we kunnen doen is hopen en erop rekenen, dat de heer Bos en Mevrouw Smant opa Huizinga niet ergens onverzorgd achter zullen laten.

Het is wel duidelijk dat die groep van hier samengestroomde mensen onmogelijk in het huis van de familie Post onderdak zal kunnen vinden. Na wat gezoek en gescharrel improviseren velen zich maar een lig- en schuilplaats, in de droge sloten om en nabij het huis. Gelukkig is het uitzonderlijk mooi voorjaarsweer, zodat een verblijf in de open lucht, zelfs bij nacht, met een minimale beschutting niet onoverkomelijk is.


Vooral ter wille van de zieke Martha hebben wij graag een plaatsje onderdak en dat wordt ons dan ook graag gegund. Martha wordt in een bedstede gelegd in de woonkeuken annex slaapkamer, zodat Eltjo zijn kinderwagen weer alleen in gebruik krijgt. Dit wordt ook tijd, want Martha heeft intussen kans gezien hem een forse krabwonde op zijn, nog prille, babyhoofdje te bezorgen. Zodoende krijgt ook moeder een plaatsje te midden van de familie Post. Vader en de vier grotere kinderen bivakkeren 's nachts in de schuur, waar we mannetje en vrouwtje in reine harmonie, naast en bij elkaar gepakt liggen. De sexappeal schijnt zomaar verdwenen. Overdag zoeken we ons vertier op de kanaalkade en aan de voet van de dijk. Het heerlijke, zomerse weer heeft dit alles tot een fijne kampeerhappening kunnen maken, is het niet, dat we ingeklemd zitten tussen twee elkaar op leven en dood bestrijdende legers.

 

Voortdurend is onze aandacht gericht op de vraag of wij iets bemerken van de nadering van het leger, dat ons de bevrijding moet brengen, maar de eerste dagen is daar hoegenaamd geen sprake van. Zoals reeds eerder vermeld, is het wachten van de geallieerden op versterking vanuit Gelderland, welke pas op maandag 23 april actief aan de strijd kunnen gaan deelnemen aan het front in Noordoost Groningen. Op die datum loopt de frontlijn van de geallieerden in de zuidelijke sector globaal ongeveer vanaf Nieuwe Schans, via Finsterwolde Oostwold, Nieuwolda, Wagenborgen naar Steendam. Hier wordt de frontlinie onderbroken door de inundatie tussen het Afwateringskanaal Duurswold en het Damsterdiep.

 

Maar is opa Huizinga gebleven?
De dagen van dinsdag 17 april tot en met zaterdag 21 april verlopen voor ons als dagen van maar uitzien en afwachten zonder waarneembare ontwikkelingen, behalve dat de donderdag ons opheldering brengt over het lot van opa Huizinga Vanuit de richting R.M. Polder zien wij in de loop van die dag langs de dijk de heer J. Medda en zijn vrouw uit Woldendorp naderen, die ons vertellen, dat wij ons geen zorgen hoeven te maken over opa Huizinga, want die is opgenomen in het gezin van broer Piet en met dit gezin diezelfde morgen uit de R.V. Polder vertrokken naar bevrijd gebied, in de buurt van Finsterwolde-Winschoten. Zelf hebben ze die tocht naar de bevrijding niet mee kunnen maken, want het naderende Nederlandse Militair Gezag heeft met Medda nog een appeltje te schillen, wegens verrichte diensten voor de Duitse Sicherheitspolizei, als N.S.B.-er en landwachter.

 

Ook uit de mond van een N.S.B.-er is dit bericht een enorme opluchting. Wat is er intussen na dinsdagmorgen gebeurd? Terwijl ik mij die morgen weer in de schuur bevind om ons varken in veiligheid te stellen, is Jans Bos met paarden, wagen en passagiers gedraaid, heeft het gezin van zijn zoon Pieter Bos, van de Vennenboerderij, bijgeladen en zich toen weer naar Woldendorp begeven. Daar komt dan de tweede uittocht op gang, maar deze dinsdagmorgengroep begeeft zich niet richting Vennen/J.K. Polder, maar met uitzondering van enkele kleine groepjes die elders hun toevlucht zoeken in o.a. Lalleweer, langs de Zwaagweg naar de R.M. Polder. Dat is ook de richting die de familie Bos kiest en aangekomen in de buurt van de afslag Finsterwolde, zoeken zij onderdak in één van de boerderijen daar. Deze en andere boerderijen worden de tijdelijke wijkplaats en toevluchtsoord voor een groot deel van de exodus uit Woldendorp op die dinsdagmorgen.

 

Ook mijn broer Piet met vrouw en vier kinderen, samen met het gezin van Ds. T. Klein en het schoolhoofd J.F. van Dijk komen daar terecht. Bij hun aankomst daar weet iemand mijn broer te vertellen, dat zijn vader daar in een boerenschuur ligt. Hoogst verbaasd vraagt Piet zich af waar Redmer en zijn gezin dan wel zijn, maar niemand die het weet. Alleen van opa komt hij aan de weet, dat wij ergens achter de Vennen moeten zitten, maar meer weet hij ook niet.

 

Intussen heeft deze loop der gebeurtenissen tot gevolg, dat nu dus broer Piet en zijn gezin de zorg voor opa Huizinga op zich krijgen. Achteraf mogen wij dit wel een genadige bestiering Gods noemen, waardoor opa en ons veel moeite en zorg bespaard is gebleven.

 

Wat is toch het geval, daar in de Reiderwolderpolder ligt die hele schare vluchtelingen direct in het schootsveld van geallieerd Poolse artillerie uit de buurt van Finsterwolde en van de Duitse artillerie van de Batterie Dollard Süd, achter in de Carel Coenraad Polder. Bij voortgaande gevechtshandelingen zal het in de Reiderwolderpolder een totaal onhoudbare toestand worden, zowel voor de bewoners als voor de geëvacueerden. Ook de wederzijdse commandanten zien dit in, en in een gevoel van menselijke bewogenheid komen zij voor die donderdagmorgen een periode van staakt het vuren overeen, waarin iedereen die zich in veiligheid wil stellen de gelegenheid krijgt uit te wijken naar bevrijd gebied.


Ook broer Piet en zijn gezin met hun nieuwe aanwas, opa Huizinga, begeven zich op weg naar de bevrijding en komen terecht in de boerderij van H. Boven onder Oostwold, ergens aan de weg naar Winschoten. Daar vinden zij een gastvrij onderdak bij goede kennissen en daar hebben zij de uiteindelijke capitulatie van het Duitse leger in een betrekkelijke rust kunnen afwachten. Ook opa kan daar een vrij goede verzorging worden geboden, wat in onze eigen omstandigheden totaal onmogelijk zou zijn geweest.

 

Het voedselprobleem opgelost
We keren terug naar huize Post. Zoals reeds gezegd, deze eerste week van onze evacuatie wordt een week van uitzien en afwachten. Gedurig steken wij onze hoofden boven de dijk uit, om te zien of er iets waarneembaar is van naderende gevechtshandelingen, maar het kanongebulder blijft maar steeds op constante afstand. Begrijpelijk is dat spoedig de vraag opkomt hoe wij het voedselprobleem op moeten lossen. Niemand heeft op een evacuatie van lange duur gerekend en al zou men er wel op gerekend hebben, dan behoort het meenemen van voldoende houdbaar voedsel, in april 1945, toch tot de onmogelijkheden.

 

Nu zijn er Woldendorpers die uitgeweken zijn naar familie in Termunten en zo dringt het tot daardoor dat heel Woldendorp geëvacueerd is en dat een deel van de bewoners zich in vrij precaire omstandigheden aan de J.K. Polderdijk bevinden. Er worden hoofden bijeen gestoken en er worden enkele mannen uitgezonden om bij ons polshoogte te nemen.

 

Deze beloven ons dat men in Termunten zal doen wat mogelijk is om ons dagelijks van het benodigde voedsel te voorzien. Ondanks de ontreddering van de samenleving in het dorp, wegens het binnentrekken van de restanten van het Duitse leger en vanwege de angst voor wat de bewoners op korte termijn te wachten staat en ondanks de lege winkels, die al in een hele tijd geen bevoorrading meer hebben gekregen, wordt er toch een bevoorradings organisatie op poten gezet, die klinkt als een klok.

 

Wij zijn niet aan de weet gekomen welke personen zich hier allemaal voor hebben ingezet, maar twee namen mogen zeker worden genoemd, namelijk de algemeen bekende en geachte onderwijzeres van de Termunter openbare lagere school, juffrouw Broesder, die als opper-keuken-prinses kans ziet elke middag voor die hele schare hongerige magen voldoende eten klaar te toveren en de man die de leiding heeft bij het vervoer van Termunten naar huize Post en daarna naar boerderij Olsder, de oud-Woldendorper Simon Bulten. Verder Termunten het op haar best en op haar breedst.

 

Uiteraard komen ze in Termunten voor de vraag te staan waar ze voldoende voorraden vandaan moeten halen om plotseling zo'n 150 mensen van voedsel te kunnen voorzien. De winter 1944/'45 is net achter de rug en alhoewel er in deze hongerwinter in het agrarische Groningen eigenlijk geen sprake is geweest van echte honger, zijn er toch geen winkelvoorraden meer aanwezig.

 

Er moet dus naar een andere bron worden omgezien, waaruit aan de omvangrijk gestegen behoefte kan worden voldaan. De oplossing ligt in een boerderij te Baamsum. Daar worden nog flinke hoeveelheden groene erwten en een opgeslagen voorraad rogge aangetroffen. Hoe dit precies in het werk is gegaan, of dit zomaar in beslag is genomen of dat het door de betreffende landbouwer is afgestaan voor het goede doel, is mij niet bekend geworden, maar wel weet ik, dat ons het tot de dag van de bevrijding aan eten niet heeft ontbroken. Natuurlijk wordt het allemaal wel wat eenzijdig, elke dag snert met roggebrood. Voor dat brood zorgen de molenaar en de bakker in het dorp. Al spoedig kan de snert ruim van vlees worden voorzien, want de in de groenlanden verblijvende koeien worden af en toe uitgedund door het toenemend oorlogsgeweld en de Woldendorper huisslachter Evert Bouman, die ook tot de evacuees behoort, krijgt plotseling dagwerk met het slachten en gebruiksklaar maken van zwaargewonde en gesneuvelde dieren. Er wordt ook hier en daar wat eetgerei verzameld en zo lijkt het daar in en rond huize Post ‘s middags wel wat op een beetje uit de hand gelopen picknick, helaas onder doodsbedreiging.

Vier van ons mogen zelfs eten uit met eigen zilveren lepels en vorken. Na de geboorte van onze eerste Harm in maart 1941 (overleden in oktober 1941), hebben oom Klaas en tante Gine uit Rotterdam ons deze attributen geschonken, voorzien van de initialen: T, H, E en een cursief gegraveerde H. Of dit cadeau bedoeld is geweest als sein tot stoppen nu alle vier grootouders benoemd zijn weet ik niet, maar zo ja, dan heeft het geen effect gehad, want deze eerste vier worden nog door twee keer vier gevolgd. Op zoveel vruchtbaarheid is het zilver uit Rotterdam niet berekend.

 

Nu zijn deze lepels en vorken bij het verlaten van ons huis in de tafellade achtergebleven. Een soldaat van het Duitse peloton naast ons, de bubie (kleine jongen) onder zijn strijdmakkers, heeft dit in de gaten gekregen en vindt dat deze waardevolle dingen ons toch maar beter achterna gebracht kunnen worden. Hij heet Hugo Lachniecht, maar staat in Woldendorp bekend als Boebie en hij krijgt na de oorlog het Nederlands staatsburgerschap wegens zijn vergaande loyaliteit jegens de Woldendorper bevolking. Nu zijn er onder deze bevolking jongelui die de eerste week van onze evacuatie nog wel een kijkje zijn gaan nemen in het dan nog vrij rustige Woldendorp en bij één van deze bezoekjes ontmoet Boebie de hem bekende Jan Hillenga S.zn. die bereid is ons de lepels en vorken te bezorgen, wat dan op donderdag 19 april plaats vindt. Hulde aan deze Duitse soldaat en aan onze vriend Jan Hillenga, die later, naar onze begrippen, helaas te jong gestorven is.

 

Een woord op zondag
Op vrijdag 20 april komt er nog een andere vraag naar voren; zou het ook mogelijk zijn op aanstaande zondag hier een predikant te krijgen voor het brengen van een bemoedigend woord? Lang niet iedereen geeft te kennen daar behoefte aan te hebben, maar ook niemand verzet zich ertegen. Nu is er voor ons maar één dominee die daarvoor benadert kan worden en wel Ds. Van der Berg uit Termunten, want de beide Woldendorper predikanten, Esser en Klein, zijn van huis en haard verdreven. Er gaat een afvaardiging op pad om Ds. Van der Berg te bezoeken en deze toont zich direct bereid aan ons verzoek te voldoen, indien de oorlogshandelingen het niet zullen verhinderen.

Welnu, die zondag, 22 april 1945, komt Ds. Van der Berg na de kerkdienst in Termunten, met twee van zijn kerkenraadsleden, naar huize Post om daar voor een groep verdrevenen een boodschap te brengen uit het eeuwenoude Woord van God. Bijna iedereen heeft zich in en om de schuur van het huis verzameld, om te horen naar het Evangeliewoord, een blijde boodschap in barre omstandigheden.

 

Voorzover ik mij kan herinneren is er niet gezongen, maar wel intens gebeden om hulp, om uitredding en bewaring in het oorlogsgeweld, dat dreigend nader komt. In zijn toespraak richt Ds. Van der Berg onze gedachten op God, die hemel en aarde uit het niets tevoorschijn roept en die een hulp is in alle benauwdheden; Wiens liefde sterker is dan de dood, door Christus, die de dood overwon. Het is goed in deze omstandigheden, deze boodschap meegegeven te krijgen voor de week die ons wacht, met al haar dreiging en gevaar.

 

Opnieuw verdreven
Dat die dreiging onafwendbaar nader komt, wordt ons diezelfde zondag opnieuw duidelijk aangezegd. In de loop van de namiddag verschijnt er bij ons een Duitse officier, die ons komt vertellen, dat de brug over het kanaal daar bij huize Post binnenkort zal worden opgeblazen en dat wij ons de volgende morgen van daar moeten verwijderen. Ook de familie Post moet nu hun huis verlaten. Als laatste wijkplaats rest ons dan Termunten, om daar de loop van de gebeurtenissen tot het bittere einde af te wachten.

 

In zulke omstandigheden van voortdurend verborgen gevaar ontdek je, dat de mensen een bepaalde laconieke gelatenheid over zich krijgen, uiteraard bij de één sterker dan bij de ander, maar deze nieuwe ontwikkeling heeft bij niemand een extra opwinding tot gevolg. Als dat dan moet, dan moet het maar.

 

En zo wordt dan op maandag 23 april de trektocht naar Termunten gemaakt, door sommigen via Kabofferij [1] en Dallingeweer en door anderen via de Zwitterslaan. Wij hebben onze wagen weer volgeladen met twee kleine kindertjes, waarvan Martha intussen vrijwel van haar ziekte is hersteld.


Dankzij Gods zegen hebben dus de medicijnen van dokter Botjes een goede uitwerking gehad en de benarde toestand in het nauwe wereldje rondom haar schijnt daaraan geen schade te hebben toegebracht.

 

In de loop van de eerste week is al een jonge zwangere vrouw uit ons midden afgevoerd naar Termunten, omdat de baby de eigen bevrijding niet wenst uit te stellen tot op of na ons aller bevrijdingsdag. Als wij in Termunten aankomen maken moeder en kind het goed.


Verreweg de meesten van onze groep, waaronder ook wijzelf, vinden onderdak in de boerderij van Abel Olsder, een pachtboerderij, die in 1933 is afgebrand en in 1934, op moderne leest geschoeid, herbouwd. Achter in de grote landbouwschuur is een brandvrije paardenstal aangebracht en aan de rechterzijkant een eveneens brandvrije koestal. Brandvrij betekent echter helemaal niet ook bomvrij en veilig voor granaten.

 

In deze boerderij bevinden wij ons op besmet gebied, want bij boer Olsder is inwonend zijn 39-jarige neef Klaas Waker, gevreesd in de regio als N.S.B.-er en landwachter en tevens is hier ingekwartierd een Duitse mevrouw, die de laatste maanden als administratrice dienstdoet in de ‘Organisation Todd’, een afdeling van de Duitse Wehrmacht, speciaal belast met het bouwen van versterkingen en het aanbrengen van versperringen tot stuiting van de geallieerde opmars. Het duizendjarig Duitse Rijk ligt echter op apegapen en Waker en die ‘Toddfraulein’ hebben dit begrepen.

 

Ons gezin krijgt als appartement een varkenshok, die is afgebouwd in de koestal. De rest van de lotgenoten gaat zich verspreiden over de koestal en de paardenstal, terwijl het gezin Post gaat bivakkeren midden in de grote landbouwschuur. De stallen worden met stro ingericht tot slaapplaatsen en de gangen achter de stallen worden het woongebied voor overdag, voor zover we ons niet in de buitenlucht bevinden.


Ook wij bevinden ons overdag meestal buiten het varkenshok, behalve Eltjo in de kinderwagen en Martha die kruipexperimenten gaat uitvoeren. Voor hen wordt het varkenshok in hoofdzaak dagbox en slaapplaats.

Natuurlijk wordt het voor de vier andere levenslustige springers een hele opgave om hun energie te bedwingen, wel met een beperkte levensruimte. Toch krijgen wij en de kinderen aan het einde van ons verblijf aldaar een compliment voor het feit, dat de kinderen zich zo rustig en gedisciplineerd hebben gedragen. En dat compliment, verwoord door Wiepko de Groot, doet ons best een beetje goed.

 

De melkvoorziening en het steeds nader komend geweld
Intussen gaat de voedselvoorziening vanuit de openbare lagere school gewoon door. Echter, vooral voor kinderen wordt snert en roggebrood toch wel een erg eenzijdig dieet en voor de twee kleinsten is melk absolute noodzaak. De laatste dagen bij huize Post is dit opgelost doordat een melkersteam kans heeft gezien koeien te melken, die in het land lopen, maar waarvan de eigenaren schijnbaar ondergedoken zijn. Wij weten echter niet hoe dit nu hier in Termunten zal gaan. Daarom nemen wij direct 's maandags contact op met een ons zeer goed bekende boer, Hein Bos en zijn vrouw, die ons direct toezeggen, dat wij bij hen terecht kunnen, zolang dat nodig is. Maar de volgende dag blijkt dat al niet meer nodig te zijn.

 

Ook de veehouders van Termunten hebben hun koeien zoveel mogelijk de weilanden ingestuurd, omdat daar volop voedsel is en omdat verblijf onder dak, bij de komende gevechtshandelingen, wel eens grote moeilijkheden kan geven. Koeien kunnen niet worden meegenomen in een kelder als de nood aan de man komt. In de wei zijn ze ook niet veilig, zoals we hebben gezien, maar dat moet dan maar komen zoals het komt.

 

Ons melkersteam, Jan Harmannus Stegmeijer en Berend Tuin, trekken er opnieuw op uit en ontdekken in een weide ergens aan de Zwitterslaan een groepje koeien die erg blij is dat hun uiers dagelijks van de last ontdaan worden. Voorlopig is dit probleem dus opgelost.

 

Intussen wordt al spoedig merkbaar, dat de strijd om Woldendorp en Termunten nu echt menens gaat worden.

Wanneer wij ons achter de boerderij bevinden en in de richting van de polders kijken, dan zien we telkens weer branden ontstaan, waarvan gemakkelijk te raden is, dat deze de polderboerderijen tot as zullen verteren, om te voorkomen dat ze tot dekking kunnen dienen voor de Canadezen. Van dag tot dag is te zien dat de branden steeds nader komen, waaruit weer het terugtrekken van de Duitsers en het oprukken van de Canadezen valt af te leiden. Vooral in Carel Coenraad- en Johannes Kerkhovenpolder lijkt aan het eind van de week wel de verschroeide aarde te zijn ontstaan. Alles wat maar branden wil, is weggebrand.

 

Ook van over Woldendorp, richting Nieuwolda/Wagenborgen, komt het kanongebulder steeds dichterbij en het wordt ons duidelijk dat er om Woldendorp zwaar wordt gevochten. Hoe bitter op zichzelf ook, toch mag de daarvoor verantwoordelijke Duitsers een stukje menselijkheid niet worden ontzegd, omdat zij ons tijdig uit deze hel hebben doen laten vertrekken, alleen, zal het met Termunten beter aflopen?

 

Polen
In het begin van de week krijgen we er een paar merkwaardige kostgangers bij. De Duitsers laten in bepaalde gevallen in hun batterijstellingen krijgsgevangenen civiele diensten verrichten. Zo zijn er ook krijgsgevangenen ondergebracht in de batterij achter Termunten te Fiemel. Daaronder zijn ook enkele Polen. Als de Duitsers en de Russen in 1939 Polen overvallen en het Poolse leger al spoedig de strijd tegen de tweezijdige overmacht moet opgeven, heeft een groot aantal Poolse soldaten kans gezien naar Engeland uit te wijken, alwaar zij een speciale Poolse legereenheid zijn gaan vormen.

 

Ze formeren een Poolse Pantserdivisie, krijgen een opleiding in Schotland en worden met Brits en Amerikaans materiaal uitgerust. Zo vormen zij een onderdeel van de troepen die vanaf juni 1944 bezig zijn in West-Europa de Duitsers naar de ondergang te jagen. Twee Poolse krijgsgevangen te Fiemel hebben kans gezien te vluchten en zij zoeken een voorlopige toevlucht bij ons in de groep, in de hoop dat de dag van de definitieve bevrijding spoedig zal aanbreken. Ze zijn bij ons van harte welkom, al kunnen we eigenlijk alleen maar met gebaren praten.

 

Zo kruipen de dagen langzaam voort en hoe meer de week vordert, hoe duidelijker het ons wordt, dat Woldendorp een zware tol moet betalen in deze barensweeën van de bevrijding. Wanneer wij van achter de boerderij naar Woldendorp turen dan is slag op slag het inslaan en exploderen van de granaten met het blote oog zichtbaar. Ons voornaamste oriëntatiepunt, de Woldendorper molen, verdwijnt uit het dorpsbeeld en rookwolken vertellen ons dat de rode haan op vele plaatsen koning kraait.

 

Van de Woldendorper molen en de woning ernaast resteert maar weinig meer. Bron: Eigen verzameling.

Van de Woldendorper molen en de woning ernaast resteert maar weinig meer. Bron: Eigen verzameling.


Op zaterdag 28 april nemen de beschietingen over en weer van Fiemel en Knock enerzijds en de Canadezen vanuit en om Woldendorp anderzijds, zulke angstwekkende afmetingen aan, dat ons melkersteam het niet meer verantwoord acht om in het veld de koeien te gaan melken. Hun vrees is volkomen terecht, maar het brengt ons kleine grut wel in een moeilijke positie. Moeder en ik overleggen en besluiten samen te proberen toch een paar koeien gemolken te krijgen. Aan enkele lotgenoten wordt gevraagd of zij een oogje op de kinderen willen houden en ieder met een emmer gewapend trekken we via de Zwitterslaan het veld in. Waar we de dwaze moed vandaan halen om ons aan deze stunt te wagen is mij tot aan vandaag nog steeds een raadsel, maar we bereiken ons doel. Midden in de frontlinie en terwijl de granaten over en weer hoog over ons heen suizen, kiezen wij ieder een koe uit om gemolken te worden. De dieren zijn schijnbaar al aan het oorlogsgeweld gewend, want ondanks alle dreunend vuurwerk, laten ze ons gewillig begaan. Voor moeder is het opnieuw oppakken van een vroeger handwerk, waar ze negen jaar geleden mee opgehouden is. Voor mij is het meer dan 20 jaar geleden dat ik een koe bij de tepels heb gehad en ik ben ook nooit een prima melker geweest. Moeders emmer is in de kortste keren vol, maar de mijne kan ik in dezelfde tijd amper half vol krijgen. We vinden het daar in het ‘vrije’ veld toch niet zo leuk en besluiten dus maar tot de terugtocht, nadat we de melkvoorraad over beide emmers eerlijk hebben verdeeld.


We bereiken veilig en wel onze vluchthaven en worden met bewondering voor betoonde moed en dapperheid ontvangen. Maar wij glimmen helemaal niet van trots over de belevenissen van de laatste drie kwartier en we weten onuitgesproken zeker: dit is niet voor herhaling vatbaar. En dus, voortaan niet meer melken?

En dan rijpt er in mijn brein een nieuw plan, waarbij ik het daarbij komende gevaar maar in mijn onderbewustzijn verstop: de koeien naar het dorp halen. Voor mij alleen is dit vrijwel onuitvoerbaar en dus zoek ik naar minstens één helper. Dit lukt niet al te best, maar tenslotte is Laurens Boerema bereid het waagstuk mee te ondernemen. Boerema heeft zijn geit mee op evacuatie genomen en deze staat aangetuigd bij Zwitterslaan. Koeien en geit zullen dan tezamen naar een wat ‘veiliger’ plek worden gebracht.

 

Zo gaan we dan de tocht naar de koeien ondernemen, ik voor de tweede keer die dag. We passeren de geit, maar die kan wachten tot wij met de koeien terugkomen. Bij de weide aangekomen, zetten we het hek open en als het hek van de dam is, zijn de koeien wel op drift te krijgen. Goedmoedig lopen ze de laan op, richting dorp. Dan begint echter pas ‘het gesmijt in de glazen’.

 

Vanuit het groene korenveld tussen Zwitterslaan en Dodelaan worden we plotseling met geweervuur bestookt en fluiten ons de kogels om de oren. Schijnbaar hebben de daar verscholen liggende Duitsers ook belang bij het behoud van de koeien in de omgeving. Afijn, wij zoeken dekking in de sloot naast de laan en zo, in gebukte houding, proberen wij met veel geschreeuw de koeien voor ons uit te drijven. Dat lukt heel goed. Onderweg wordt nog de geit meegepikt, die ook nog een eind met ons door de sloot moet. De sloten zijn gelukkig nog steeds droog. Dichtbij het dorp krijgen we dekking van struikgewas, zodat we als gewone koeiendrijvers het dorp binnentrekken. We brengen ze in een wei aan de provinciale weg tussen Termunten en Termunterzijl, waar ze 's avonds en de volgende morgen ook nog weer zijn gemolken door ons meikersteam.


De geit wordt binnen handbereik vastgezet bij boerderij Olsder, alwaar ze alle ellende heeft overleefd, zodat ze uiteindelijk toch weer haar veilige stal bereikt in Woldendorp.

 

Een nacht bar en boos en dan .. de bevrijding

De daaropvolgende zondag, 29 april, blijft het nog tamelijk rustig, alhoewel we aanvoelen dat dit wel eens de stilte voor de storm van de beslissende eindstrijd zal kunnen zijn. En onze intuïtie bedriegt ons niet.

Het weer is intussen omgeslagen en bar slecht geworden, met veel regen en een harde gure wind. Die dag bereikt ons nog een vervelend verhaal vanuit het woongedeelte van onze boerderij. Mevrouw Olsder komt ons vertellen, dat de Canadezen over verschrikkelijke vlammenwerpers beschikken, waarmee ze alles platbranden wat onder hun bereik komt. Als dus deze barbaren Termunten binnen zullen trekken dan weten we wat ons te wachten staat. Voorzover ik heb kunnen constateren komt er niemand onder de indruk van deze onheilsprofetie.

 

In die nacht breekt wel de hel over ons los. Onder dekking van hun artillerie rukken de Canadezen vanuit Woldendorp op in de richting van Termunten/Termunterzijl/Borgsweer. Termunten komt nu dus wel hevig onder granaatvuur te liggen en ook onze boerderij krijgt een aantal voltreffers, maar noch de koestal, noch de paardenstal worden geraakt. Het gezin van Post vlucht te middernacht uit de grote schuur, om alsnog een onderkomen te zoeken in de reeds overvolle paardenstal. Enkele ogenblikken later komt er door het dak een granaat naar binnen, welke vrijwel op de plek die zojuist is verlaten explodeert; van bewaring gesproken.

 

Ook ongeveer te middernacht komen plotseling twee jonge Duitsers naar binnen door de staldeur bij ons in de koestal. Ze zijn in volle gevechtsuitrusting, maar alles wat wapen is wordt door hen aan de kant gelegd, waarna ze plaats nemen op een strobaal vóór de ijzeren deur naar de schuur. Daar zitten ze, zonder iets te zeggen, de één met zijn hoofd gebogen in de handen en de andere strak voor zich uitkijkend. Als ik de laatste vraag of zijn makker moe is, is zijn antwoord: hij "ist lichaamsmude’ en hij ‘ist Kriegsmude’. Ze geven de brui aan de Krieg.


Zo trekt deze barre nacht, vol doodsdreiging, voorbij. Tegen het ochtendkrieken staakt de Canadese artillerie de beschieting van Termunten en Termunterzijl. De Canadezen zijn beide dorpen binnengetrokken en het restant van de Duitse troepen, ongeveer 500 man, die geen kans hebben gezien om met boten over de Eems te ontvluchten, geven zich toen zonder slag of stoot over. Ook de beide Duitsers bij ons in de koestal stellen zich, met de wapens op de grond en de handen in de nek, op achter de boerderij. Zij hebben de Krieg overleefd: ‘Sieg heil’.

 

Dan beginnen in ons alle snaren te trillen, want daar zien we de Duitse troepenmacht, rennend en met de handen in de lucht, vanuit Termunterzijl langs ons trekken in de richting van Woldendorp. Waar we vijf lange jaren op gehoopt hebben dat dit komen zou, is werkelijkheid geworden. Het heeft, naar Churchills voorspelling, bloed, zweet en tranen gekost, maar: de glorie van Germany is in bloed en vuur ten onder gegaan.

 

Nog even komt er voor onze groep een spannend moment als de beide Duitsers achter de boerderij worden ingerekend. De Canadezen willen weten of er ook nog Duitsers binnen zijn, waarop ze ons vertellen, dat we allemaal naar buiten moeten komen. Al gauw ontdekken ze echter dat het alleen maar om een groep vluchtelingen gaat en dus mogen we meteen weer naar binnen.


Als ik weer binnen ben, zie ik door een raam in de koestal, dat er Duitsers via het bruggetje over de boerderijgracht het woongedeelte van de boerderij worden ingeloodst. Daar wil ik toch wel iets meer van weten en dus steek ik mijn eigenwijze neus maar even door de staldeur in het achterhuis. Ook Hendrik Perdok, die aan de overkant van de weg woont, maar die in de voorbije nacht met zijn vrouw en een kleinkind ook een toevlucht heeft gezocht bij ons in de koestal, is even nieuwsgierig als ik. Wij ontdekken dat het Duitse officieren zijn, die afgevoerd worden in een kelder onder het woonhuis. Wij worden ontdekt door de Canadezen en ons wordt gevraagd: "Horen jullie hier op de farm thuis?" We verstaan alleen het woord ‘farm’ en trekken daarom maar wat met onze schouders. Zonder mankeren worden ook wij richting kelder verwezen. Boven aan de trap staat een Canadees met een stengun schietklaar en beneden is dat ook het geval. Tussen die twee in mogen we op de trap gaan zitten en dan zien we dat de kelder, die de oppervlakte van het gehele woonhuis beslaat, uit twee gedeelten beslaat.

 

Midden voor de trap uit, met een doorlaatruimte van ongeveer een meter loopt een muur over de volle lengte van de kelder. Rechts staat langs deze muur een tafel opgesteld, waarachter de Canadese staf te velde heeft plaatsgenomen en verder bevinden zich daar de gevangen genomen Duitse officieren. In het linker gedeelte zien we de ‘farmers-family’ Olsder zitten met de Duitse Todd-mevrouw. De N.S.B.-er Klaas Waker heeft nog even uitstel van executie gezocht, zoals ons de volgende dag blijkt, met een heel stel ‘wapenbroeders’ in een boerderij te Grijzemonnikenklooster. De Duitse officieren worden ondervraagd, één voor één gevisiteerd, van hun waardevolle en metalen spullen ontdaan en naar het linker gedeelte gebracht. Dit duurt nogal lang, want de Canadezen hebben geen haast meer.


In de koestal beginnen ze zich zorgen over ons te maken. Wat houdt deze gevangenneming van twee eerzame burgers in? Men besluit het kleinkind van Perdok op onderzoek uit te sturen. De Canadezen zullen een jongetje van tien jaar toch zeker wel loslaten. Dat is echter een duidelijke misrekening, want ook kleine Hendrik komt bij ons op de trap terecht. Daar is het intussen maar een koude bedoening, want twee voltreffers hebben een paar enorme gaten geschoten, vlak boven het maaiveld, in de keldermuur aan de kant naar Baamsum/ Woldendorp. Door deze gaten stroomt de harde en gure zuidwestenwind naar binnen. Voor ons kan dit de pret niet drukken, want wij zitten ons te verkneuteren over de glorie van de Canadezen en over die nu o zo timide Duitse officieren. Vijf jaar lang hebben wij ze meegemaakt in al hun moffen-arrogantie en nu staan ze met gebogen hoofden tegenover hun overwinnaars. Vergaan is hun glorie en verdwenen hun arrogantie.


Dan krijgen we een voorproefje van de nieuwe tijd waarin we nu terecht zijn gekomen. De Canadees, tegen wiens rug ik al die tijd zit aan te kijken, draait zich even om en stopt mij een vol pakje sigaretten in de handen. Geen surrogaat of eigenbouw, maar echte Virginia. De boven ons staande soldaat helpt ons aan een vuurtje en zo zitten Perdok en ik, als twee heren van adel, daar heerlijk onze longen te verpesten. Zo hebben we dat toen echter niet gezien. Even zit ik met de vraag of de gever het restant van het pakje terug moet hebben, maar van boven af komt het gebaar: stop maar gauw in je zak. Als de Canadezen eindelijk klaar zijn met de Duitsers, zodat ook deze kunnen worden afgevoerd, mogen wij weer terug naar de koestal, waar we met vreugde worden ontvangen, evenals de sigaretten. Het pakje verdwijnt als rook voor de wind.


Terug naar huis
Intussen beginnen wij te denken aan de mogelijkheid van terugkeer naar huis en haard. Woldendorp behoort nu tot bevrijd gebied en dus moet terugkeer mogelijk zijn. Ook de Canadese autoriteiten blijken deze mening toegedaan, want kort na de middag komt de mededeling, dat alle Woldendorpers hun haardsteden (of wat daar nog van over is) weer mogen opzoeken. De kinderwagen wordt weer ingeladen, de fiets, met op de bagagedrager de restanten van het varken en op het zadel de kleine Harm, wordt ter hand genomen en daar trekken wij in stoet terug naar ons dorp, dat we precies veertien dagen geleden hebben verlaten. Hoe zullen we het terugvinden?

 

De dood is nog steeds in de buurt
Halverwege Termunten en Baamsum heeft nog een diep tragische gebeurtenis plaats. In de kolonne lopen ook de twee Polen mee, die zich ongeveer een week in ons midden hebben bevonden. Eén van hen is nogal duidelijk herkenbaar door zijn kleding als gewezen Poolse soldaat/krijgsgevangene. Plotseling wordt deze door een kogel getroffen welke zijn hoofd doorboort. Hij is vrijwel op slag dood. Hoe kan dit nu nog gebeuren? Die vraag is nooit met zekerheid beantwoord. Het meest waarschijnlijke lijkt mij, dat zich in het korenveld naast de weg enkele Duitse soldaten hebben gelegen, behorend tot de manschappen van de batterij te Fiemel, die de Pool hebben herkend en dat vervolgens een scherpschutter onder hen met een goed gericht schot zijn gram heeft gehaald. Het lijk wordt aan de kant van de weg gelegd en met zijn soldatenjas bedekt. Morgen of overmorgen zal ik hem begraven.

 

We bereiken Baamsum en direct bij de eerste boerderij zien we een Canadese tank, van de weg afgegleden, half in de gracht liggen. Overigens valt de beschadiging van de huizen in dit buurtschap ons nog mee. Ze hebben wel enkele dagen onder kruisvuur gelegen, maar zijn schijnbaar geen doelwit geweest.

 

 

Het voormalige gemeentehuis van de gemeente Termunten in Woldendorp is verwoest. Bron: eigen verzameling.

Het voormalige gemeentehuis van de gemeente Termunten in Woldendorp is verwoest. Bron: eigen verzameling.

 

Als we Woldendorp binnenkomen, ontrolt zich een heel ander beeld aan onze ogen. Puin, glas, weggeschoten daken, verbrande balken, geheel verwoeste huizen en daar tussendoor hier en daar lijken van gesneuvelde Duitsers. Boerderij Bosker is vrijwel tegen de vlakte, het huis en de winkel van broer Piet met daarbij onder één dak Mevrouw Smant-Hoffies is zwaar beschadigd. Het Gereformeerd kerkgebouwtje is onherstelbaar verwoest, evenals de daar vlakbij staande molen, het voormalige Gemeentehuis en het hotel Vieregge is ook verwoest. Van de Ned. Herv. Kerk staan de dikke muren nog overeind, maar het dak en de toren zijn geheel weggevaagd. Het nieuwe Gemeentehuis met conciërge-woning is grotendeels verwoest. Al met al een beeld van trieste troosteloosheid. Naderhand blijken Woldendorp en Holwierde, ten noorden van Delfzijl, de zwaarst getroffen dorpen in het Groningerland te zijn. Hoe zullen we ons eigen huis aantreffen?

 

Van de Nederlands Hervormde kerk staan alleen nog de muren overeind. Bron: eigen verzameling.

Van de Nederlands Hervormde kerk staan alleen nog de muren overeind. Bron: eigen verzameling.

 

Naarmate we het dorpscentrum verder achter ons laten kunnen we constateren, dat de verwoestingen minder erg worden. Daar staat ons huis, nog recht overeind, en schijnbaar zonder veel schade uit het geweld tevoorschijn gekomen. Inderdaad, we tellen later een paar gebroken ruiten en 26 kapotte dakpannen. Ons huis is één van de weinige huizen die hoegenaamd niet hebben geleden. In huis is het echter een grote chaos. Aan alles is te zien, dat zowel de Duitsers als de Canadezen er intensief gebruik van hebben gemaakt. Met de meubels is op de meest vreemde wijze geschoven en gesleept, maar ze zijn er nog wel. Er zijn dingen verdwenen, maar andere zijn ervoor in de plaats gekomen. Zo ontdekt Willem Haveman, die ongeveer 350 meter bij ons vandaan woont, circa veertien dagen later, dat ik in zijn schoenen loop. Wie er op dat moment in de mijne loopt, daar zijn we nooit achter gekomen.

 

In de schuur vermaken zich onze twee geiten, genietend van hun vrijheid. Ze hebben intussen ieder twee jongen geworpen, maar één van de vier vinden we dood in de greppel tussen ons erf en dat van buurman Brouwer. Overigens zien de twee moeders en hun drie levende jongen er welvarend uit. Ze zijn schijnbaar niets te kort gekomen. Ook de kippen zijn goed door het geweld heen gekomen en het eieren rapen kost geen moeite, dat hebben anderen al voor ons gedaan.

 

Onbewoonbare huizen
Nauwelijks thuis of er komt alweer een nieuw probleem op ons af. De Woldendorpers die terugkeren uit Termunten vinden hun huis vaak verwoest of voorlopig onbewoonbaar aan. Daar komt nog bij dat de Duitse batterijen te Fiemel en Knock nog steeds intact zijn en af en toe nog hun projectielen op Woldendorp afvuren. Dit doet bijna iedereen besluiten om het gevaar te ontvluchten door hun heil te zoeken in Nieuwolda, Oostwold of Midwolda. Ook veel bewoners van Termunten wijken alsnog voor dit gevaar uit en volgen het voorbeeld van de Woldendorpers. Wijzelf hebben ons huis en inboedel nog in een vrij redelijke staat teruggevonden en dus voelen wij er weinig voor om alles opnieuw in de steek te laten, zodat we blijven waar we zijn.

 

Dit trekt de aandacht van een vijftal inwoners van Termunten, die ook hun toevlucht elders zoeken. Het zijn de ons reeds bekende Hendrik Perdok en zijn vrouw, mevrouw Kuiper-Bultje, en haar wat simpele zuster, mejuffrouw Bultje en Kasper Telkamp van de Dodelaan, alom bekend als ‘Kaai Lombok’. Dit vanwege zijn vroeger koloniaal verleden. Deze vijf mensen vragen ons om een tijdelijk onderkomen en, wat in normale omstandigheden onmogelijk kan, we nemen er zonder veel poespas vijf kostgangers bij. De oud-koloniaal Telkamp weet uit de verwoeste zoeklichtstelling tegenover ons huis een aantal achtergebleven legerdekens tevoorschijn te toveren en verder met wat goede wil en fantasie worden er, her en der door het huis verspreid, dertien slaapplaatsen ingericht.

We danken God uit de grond van ons hart en we maken het Bijbelwoord tot het onze: ‘Eben Haëzer’, tot hiertoe heeft de Here ons geholpen.

 

De volgende morgen hebben we nog maar net wat sober ontbijt genuttigd of daar staat broer Piet reeds op de stoep, getooid met een gele armband en een geweer over de schouder. Hij is intussen ingedeeld bij de B.S. (Binnenlandse Strijdkrachten), een semi-politionele eenheid, inderhaast door het Nederlands Militair Gezag in leven geroepen, om het Nederlandse gezagsvacuüm in de pas bevrijde gebieden op te vullen. Deze B.S. bestaat uit gezagsgetrouw geachte burgers, die wat hand en spandiensten mogen verrichten ten behoeve en onder leiding van de Rijksveldwacht en de Marechaussee. Erg officieel gaat de benoeming tot B.S.-er niet toe, want broer Piet heeft alvast voor mij ook maar een gele armband meegenomen en zo ben ik binnen vijf minuten, geheel geruisloos, ook in het korps B.S. opgenomen.

 

Mijn broer heeft de opdracht vanuit Oostwold meegekregen om de gesneuvelde Duitse soldaten in Woldendorp bijeen te brengen en een voorlopige begrafenis te geven.

 

Voor mij heeft hij de opdracht meegekregen de burgers, die het oorlogsgeweld niet hebben overleefd, een zo eervol mogelijke begrafenis te bezorgen. Deze opdracht is een logisch gevolg van het feit dat ik begrafenisleider ben voor de Begrafenisvereniging ‘Woldendorp’, een functie die ik een paar jaar terug van opa Huizinga heb overgenomen. We zullen de beschikking krijgen over enkele helpers, voornamelijk bestaande uit enige gevangengenomen N.S.B.-ers, maar dan wel voor ons onbekenden. Verder moeten we maar naar eigen inzicht en beste weten handelen.
Moeder en de vrouwen hebben nog wel het een en ander in en om ons huis te beredderen terwijl Telkamp en Perdok daarbij uitstekende hulpdiensten kunnen verrichten, maar mijn werk ligt dus voorlopig buitenshuis.

Mij is bekend dat in de kelder van het gemeentehuis een aantal prefab-lijkkisten liggen opgeslagen, welke tijdens de oorlogsjaren door het gemeentebestuur zijn aangeschaft, als bouwpakketten, die in elkaar gezet kunnen worden, voor het geval dat er een noodtoestand zou ontstaan.

 

Van de kerk in Termunten resteren ook alleen maar meer de muren. Bron: eigen verzameling.

Van de kerk in Termunten resteren ook alleen maar meer de muren. Bron: eigen verzameling.


Nu blijkt hoe deze voorzorg van wijs beleid getuigt. Een verwoest dorp, geen ambachtsman meer voor het maken van kisten, geen enkele verbinding meer met de buitenwereld. Mijn eerste gang is dan ook naar het half verwoest gemeentehuis, om te zien in hoeverre in de behoefte van lijkkisten kan worden voorzien. Voorzover ik mij nog kan herinneren hebben vijf Woldendorpers het geweld van de barensweeën der bevrijding niet overleefd, maar ook in Termunten, Termunterzijl en Borgsweer zijn een aantal doden. Van de toestand in Wagenborgen hebben wij nog geen enkel idee.

 

De gevallen dorpsgenoten zijn: Otto Stuut en Agatha Nieuwkerk-Blom, die reeds door een Poolse granaat zijn omgekomen op woensdag 18 april en waarvan de lijken zich nog steeds in het achterhuis van een arbeiderswoning te Zomerdijk aan de weg naar Wagenborgen bevinden. Verder moeten uit ons dorp aan de dodenlijst worden toegevoegd: Edo Stegmeijer senior, Harm Heethuis senior en Anko Principaal. Alle drie zijn de laatste twee dagen van de strijd om Termunten om het leven gekomen. Hun ter aarde bestelling wordt een sobere gebeurtenis, maar voor het merendeel toch in aanwezigheid van de naaste familieleden.

 

Als ik die dinsdagmiddag thuiskom om te eten, is onze vriend en kostganger Telkamp al drukdoende onze tuin in orde te maken voor het poten van aardappelen en andere tuinvruchten, wat voorgaande jaren in begin mei allang tot het verleden behoorde. Hij heeft daartoe een paard en een egge gecharterd van de dichtbij wonende landbouwer W.A. van Hoorn.

 

Opnieuw oorlog?
Die namiddag bevind ik mij op het kerkhof om voorbereidingen te treffen voor het delven van de graven. Bij het verlaten van de begraafplaats word ik plotseling opgeschrikt door een hevig granaatvuur dat losbarst over de dodenakker. In een flits zie ik hoe grafstenen verbrijzeld worden en in een snelle impuls werp ik mij in een schuttersputje in de berm van de weg vlak bij de ingang van het kerkhof. Waarschijnlijk vindt de batterij de Knock, aan de overzijde van de Eems, het noodzakelijk nog een keer dood en verderf te zaaien over ons dorp, alsof het nog niet voldoende tol heeft betaald voor de ondergang van het ‘Duitse Herrenvolk’. Achteraf blijkt dat op dat moment de manschaft van de batterij Fiemel reeds per boot naar Emden uitgeweken is.


Het is vooral deze gebeurtenis die voor ons aanleiding is om voor de nacht van dinsdag op woensdag toch maar uit te wijken naar Midwolda. Op een Canadese legerwagen worden wij met z'n dertienen plus nog enkele dorpsgenoten vervoerd naar een boerenschuur aldaar.

 

N.S.B.-bewaking
Die nacht moet ik, als B.S.-er, nog een paar uur dienstdoen bij de bewaking van een groot aantal N.S.B.-ers, die in een dichtbij staande grote schuur voorlopig hun inhechtenisneming beleven. Daar zie ik, naast vele onbekenden, ook alle bekende N.S.B.-ers en voormalige landwachters uit Woldendorp, Termunten en omgeving. Daar bevindt zich de reeds eerdergenoemde Klaas Waker en zijn ‘wapenbroeder’ Jacob Kruize De laatste heeft het in de zomer van 1944 nodig gevonden om zijn jachtgeweer op mij te richten, als ik amper vijf minuten over acht ' s avonds (spertijd) nog even wat groenvoer voor onze geiten uit de tuin haal. Klaas Waker is dan zo menselijk geweest om te zeggen, dat dit toch heus niet nodig is. De lust om mijn, intussen gevonden, Canadese karabijn op hem te richten, weet ik gelukkig te bedwingen, maar ik kan niet nalaten hem, volledig ten overvloede, te zeggen dat de rollen nu omgekeerd zijn. Zijn blik van haat en woede, over de ineenstorting van hun illusies, spreekt boekdelen.

De volgende morgen zijn wij alweer bijtijds uit het stro, om vroegtijdig weer in Woldendorp te kunnen zijn.

 

Karabijn. Er zijn voor soorten karabijnen. Dit is een Saginaw-M1. Bron: Dit beeld is een werk van een militair of werknemer van het Leger van de V.S., genomen of gemaakt als deel van de officiële plichten van die persoon. Als werk van de Amerikaanse federale overheidbevindt het beeld zich in het publieke domein.

Karabijn. Er zijn voor soorten karabijnen. Dit is een Saginaw-M1. Bron: Dit beeld is een werk van een militair of werknemer van het Leger van de V.S., genomen of gemaakt als deel van de officiële plichten van die persoon. Als werk van de Amerikaanse federale overheidbevindt het beeld zich in het publieke domein.

 

De slachtoffers worden begraven
Die morgen begeven Berend Tuin, met zijn paard en wagen, en ik, vergezeld van een paar gevangengenomen N.S.B.- ers, ons naar de Zomerdijk om de reeds veertien dagen geleden gesneuvelde Agatha Nieuwkerk-Blom en Otto Stuut op te halen. Een van de beide N.S.B.-ers begint onderweg te jammeren dat hij tegen zo'n klus psychisch niet opgewassen is. Mijn antwoord daarop is dat vele N.S.B.-ers in de vijf achter ons liggende oorlogsjaren wel tegen veel ergere dingen opgewassen bleken te zijn en hij moet zich nu dus maar verzetten tegen zijn onbehagen. Ook voor Tuin en mij is dit geen aangename taak, maar menselijke plicht gaat hier boven psychische gevoelens.
We vinden de woning nog verlaten en de lijken in het achterhuis, zoals ze daar door hun groepje, in doodsnood, zijn neergelegd. In de meegebrachte kisten worden de lijken geborgen en de kisten daarna direct afgesloten. Op het kerkhof vindt daarna de teraardebestelling plaats onder zeer minimale belangstelling. De familie van de doden zijn in ziekenhuizen opgenomen of anders her en der verspreid. Alleen de broer van Otto Stuut is aanwezig als het lichaam van Otto aan de groeve der vertering wordt toevertrouwd. Indien ik goed ben ingelicht dan zijn beide later herbegraven, dichter bij de eigen familiekring.

 

Diezelfde dag begeven Tuin en ik ons ook nog naar de weg tussen Baamsum en Termunten om het lijk op te halen van de maandag vermoorde Poolse soldaat. We vinden het onder water in de sloot naast de weg. Wie heeft de lugubere moed gehad om deze dode ook nog in de sloot te schoppen? Ik weet het niet, maar wel weet ik dat fanatieke Duitsers tot verschrikkelijke en weerzinwekkende dingen in staat zijn geweest. Heeft de sadist, die de kogel heeft afgevuurd op deze strijder voor een vrij Europa, het niet voldoende gevonden, dat zijn lood haar doel heeft bereikt? We begraven hem op het gemeentelijk deel van het kerkhof, helaas gewikkeld in zijn soldatenkleren, wegens gebrek aan nog een kist en in aanwezigheid van zijn vriend, welke met hem uit de Duitse krijgsgevangenschap is gevlucht, nog een Poolse soldaat en twee Poolse meisjes.

 

Zwijgend, maar diep ontroerd, brengen zij een laatste saluut aan hun vriend en krijgsmakker, die zijn inzet voor vrijheid en recht nog met zijn leven heeft moeten bekopen, terwijl de morgen van de bevrijding al is aangebroken. Enige tijd later vindt er een herbegrafenis plaats op de erebegraafplaats voor Poolse oorlogsslachtoffers.

 

Wederopbouw en luizen
De overige dagen van deze eerste bevrijdingsweek verlopen verder vrij rustig. De Woldendorpers keren geleidelijk aan weer naar hun haardsteden terug, beginnen puin te ruimen en beginnen met herbouw van dorp en huis. Onze vijf kostgangerfs zijn halverwege de week ook weer naar hun eigen huizen teruggekeerd. Moeder heeft de strijd aangebonden tegen het luizenleger, dat onder onze warme kleren inkwartiering heeft veroverd in de veertien dagen dat wij die kleren niet uit hebben gehad. Tegen moeders strijdlust is het leger echter niet opgewassen en als zij, via de wijkverpleegster, zuster Dijkema, het wapen ‘Omil’ in de strijd kan gooien zijn ook deze laatste weeën der bevrijding spoedig overwonnen.

 

Mijn werk als B.S.-er gaat voornamelijk bestaan uit surveillance, het toezicht houden bij het doen uitvoeren van het opruimen van dode dieren en het begraven van de kadavers. Ook dat behoort tot de naweeën van de bevrijding.

 

Zaterdag 5 mei
Op de avond van zaterdag 5 mei, bevind ik mij, met een rijksveldwachter en een marechaussee, in het huis naast het onze, dat eerst dienst heeft gedaan als onderkomen voor het Duitse peloton en nu is bezit is genomen door de B.S. en dienstdoet als politiebureau. Dan komt plotseling door de radio het bericht dat het Duitse leger in Nederland die dag heeft gecapituleerd en dat in Wageningen het capitulatieverdrag is getekend. We springen alle drie overeind: Nederland is vrij!

 

Tot slot
10 mei 1940: De Duitsers rukken met een grote overmacht Nederland binnen; 5 mei 1945: Het verslagen Duitse leger capituleert voor de overmacht van de geallieerde legers. Maar wat een oceaan van leed, verdriet, terreur en rechteloosheid ligt er tussen deze twee data. In alle opzichten alles in ons goede vaderland is één grote chaos. Maar mede dankzij de Amerikaanse Marshallhulp, verrijst Nederland en geheel West-Europa toch wondersnel weer uit het puin en vrij spoedig breekt er weer een tijd van welvaart aan. Ook Woldendorp mag uit het puin herrijzen. Het leven herneemt gestadig aan weer zijn normale loop.

 

Na de herbouw van het Huis der Gemeente Termunten te Woldendorp, wordt op de gevel een gedenkplaat aangebracht, met alle namen van hen die tussen 10 mei 1940 en 5 mei 1945 uit onze gemeente als slachtoffers zijn gevallen van de Jodenhaat, de terreur, het verzet en het oorlogsgeweld. Op de bovenrand van deze gevel spreekt, tot op de dag van vandaag, de spreuk haar sprake:

 

BESCHADUWD IS DE VREUGD, BIJ ‘T HELEN MIJNER WONDEN,
VOOR HEN, DIE NA ’T GEWELD, NIET WEDER OPGAAN KONDEN

 

Appingedam, kerst/nieuwjaar 1985/'86.
Met dank aan onze schoonzoon Harry Kooi voor de technische uitvoering.

Oorspronkelijke schrijver: R. Huizinga.

 

 

Plaquette ter nagedachtenis van de dorpelingen die omkwamen in de Tweede Wereldoorlog

Plaquette ter nagedachtenis van de dorpelingen die omkwamen in de Tweede Wereldoorlog

 

Noten, bronnen en referenties:

Noten, bronnen en referenties:

- Ingezonden door Riekus van der Wal.

 

De oorspronkelijke titel van het verhaal luidt: 'Een Woldendorper gezin in de barensweeën der bevrijding', '14 april - 5 mei 1945'.
De oorspronkelijke schrijver is ( 'uit zijn herinnering te boek gesteld door')
R. Huizinga.
Het verhaal is onveranderd, echter de spelling e.d. is aangepast voor NZD door de webmaster.

 

 

1. Kabofferij. Kabofferij of Kombofferij is een gehucht aan het Afwateringskanaal ten zuiden van Baamsum en ten noordwesten van de Johannes Kerkhovenpolder geweest. Het heeft uit een aantal landarbeiderswoningen bestaan op een landtong in het kanaal en een woning aan noordwestzijde van het kanaal. Het woord kombof betekent stookhut of 'vervallen huis', maar kan ook samenhangen met de naam van een bewoner: in 1861 woont daar een zekere H.P. Kombof. Tot de aanleg van de Johannes Kerkhovenpolder in 1876 ligt het aan zee. Volgens de volkstelling van 1930 staan dan tien huizen en woonden er 48 mensen. De plaats heeft zeer afgelegen gelegen. In 1928 wordt er nog geklaagd over de slechte toestand van de weg naar het gehucht. In 1954 worden de bewoners elders ondergebracht en is het gehucht gesloopt. Rond 1980 wordt een bos aangelegd op de westoever van het kanaal. De oostoever is nog altijd herkenbaar aan een lage strook buitendijks van de Dallingeweersterdijk.

2. Knock (Oost-Friesland). De Knock is een uitstekende punt (knik) in de zeedijk 15 km ten westen van Emden in het Duitse streek Ost-Friesland. Op deze plek aan het einde van het Knockster Tief bevindt zich het boezemgemaal Siel und Schöpfwerk Knock. De plek is genoemd naar het in zee verdwenen dorp Knock dat rond 1600 bij een stormvloed is verdronken. In dit dorp heeft zich een zijl en een veer naar het Nederlandse Oterdum bevonden, als verbinding tussen de Stadsweg en de Conrebbersweg en als onderdeel van de route van de stad Groningen naar Emden en Aurich. Aldaar heeft in WOII een geschut gestaan, ter verdediging van de stad en haven Emden.

3. Panzerfaust. De Panzerfaust (letterlijk ‘pantservuist’, Duits voor de pantserwant of gantelet van een harnas) was een goedkoop, terugslagloos Duits antitankwapen uit de Tweede Wereldoorlog. Het bestaat uit een klein, weg te gooien, voorgeladen terugslagloos kanon — de lading wordt dus niet door een raket aangedreven, zoals vaak wordt gedacht. De Panzerfaust heeft de eerder gebruikte Faustpatrone vervangen en is tot het einde van de oorlog in verschillende versies gebruikt. Gedeeltes van het concept kunnen herkend worden als het patroon waarnaar de Sovjet RPG-7 is ontworpen.

Deze pagina maakt deel uit van www.nazatendevries.nl. Aan bovenstaande tekst is de uiterste zorg-vuldigheid besteed. Desondanks kunnen er best fouten voorkomen. Constateer je fouten en/of heb je vragen, correcties, aanvullingen......... geef die dan even aan mij door via mijn E-mail adres. Wij hebben ons uiterste best gedaan om de auteurs van teksten/citaten en copyrightbepalingen van afbeeldingen te achterhalen. Mocht je rechthebbende zijn en hierover vragen of opmerkingen hebben, neem dan contact op via e-mail. Lees ook de 'Disclaimer' en 'Privacy' voor méér informatie en laat ook eens een bericht achter in het Gastenboek, dan weet ik waarvoor ik het doe.

Hoogeveen, 27 juni 2021.
Updater: 28 juni 2021.
Update: 14 april 2023.
Revisie: 24 maart 2024.
Samenstelling: © Harm Hillinga.
Naar het menu  ARTIKELS.
Terug naar de HomePage.
Top