Het meeste land in het gebied, gelegen ten noorden van hier genoemde dorpen, is voor de inbraak in gebruik als cultuurland. Daarvoor is het noodzakelijk geweest het land voldoende drooglegging te geven, bijvoorbeeld door het aanleggen van een ontwateringsysteem. Het gebied bestaat in vroegere tijden grotendeels uit veengronden en de ontwatering veroorzaakt een daling van de bodem, met als gevolg dat bij hoge vloedstanden in het mondingsgebied van de Eems de vrij lage dijken kunnen doorbreken. Dit gebeurt dan ook wel eens, maar meestal kan de schade weer worden hersteld. In 1454 wordt nog een dijk gelegd van Reide naar Finsterwolde met de bedoeling het ten zuiden daarvan gelegen gebied van het Oldambt een betere bescherming te bieden.
Overzichtskaart. Klik op de kaart voor een vergroting, klik nogmaals om de kaart verder te vergroten. Scroll rechts of onder om door de kaart te scrollen. De vergroting wordt in een nieuw venster/tabblad geopend.
Legenda:
Er is echter ook een dreiging vanuit het achterland. Als gevolg van de eeuwenlang toegepaste ontwateringmethode, namelijk door de aanleg van sloten, is het land in onze directe omgeving gedaald. Daardoor wordt het gebied geteisterd door binnenwater vanuit het hoger gelegen achterland. Dit gebeurt meestal in de winterperiode. In de zomerperiode worden maatregelen genomen om de wateroverlast vanuit het achterland in de hand te houden. In de overeenkomsten van 1391 en 1420 wordt verteld:
desen nijen sloot ofte Monnicke sloot (so geheten) zal dat Convent (het klooster te Heiligerlee) oock toeslaan “(afdammen) op Sinte Peters avent voorschr. ende weder opdoen op Sinte Michaelsavent.
De bepaling houdt dus in dat van 21 februari tot 29 september het veenwater moet worden vastgehouden, opdat het akkerland beschermd zal worden tegen wateroverlast, die de oogst kan doen mislukken. Het gebied tussen Veendam en Scheemda watert af door de 'Oude AE'. Dit riviertje heeft zijn oorsprong in de venen bij Wildervank en loopt langs 'Meedenertol', via Scheemderzwaag en ten oosten van Woldendorp naar Termunten. De waterafvoer door dit riviertje wordt door de Dollardinbraak van 1509 verstoord en men gaat daarna, waarschijnlijk ieder karspel voor zich, een afwatering aanleggen, meteen naar de Dollard. Doormiddel van zijlen (sluizen) in deze allereerste dijken wordt het water naar buiten geloosd. Bekend is in dit verband de Carmerzijl, die gelegen is geweest bij 'Meedenertol'. Ter plekke ligt aan de Rijksweg A7 tegenwoordig een Shell tankstation.
Watermolen Scheemderzwaag. Bron: RHC GA, Groninger Archieven, Beeldbank Groningen.
De allereerste bedijkingen zijn omstreeks 1525 reeds tot stand gekomen. Ze zijn van geringe afmeting en worden in oude stukken ook wel zomerdijken genoemd, hetgeen aangeeft dat het geen dijken zijn geweest die alle hoge waterstanden, ook in de winter, kunnen weerstaan. Dat die dijken wel eens doorbreken, daarvan getuigt een drietal kolken (in de buurt van nr. 5. op de overzichtskaart) in het gebied van het Eexterhamrik[1], welke nog zijn aangegeven op de topografische kaart van 1919 (zie overzichtskaart). Eén daarvan is nog in het terrein aanwezig en ligt even ten zuiden van het gemaal 'De Munte' en iets ten oosten van de hoofdwatergang. De overige kolken zijn in het kader van de ruilverkavelingwerken dicht gemaakt.
"Molenkolonien in de vier Karspelen en Bellingewolder Zijlvestenijen de Oostwolder- dn stadspolders op de Schaal van 1 à 5000. Kaart door C. Brunings. Opgemaakt en ingezonden aan den Hoofd Ingenieur van den Waterstaat in het district bij ? van den 14 Februarij 1875. PS door den Civiel Ingenieur K. van Rijn". Lith. v. E.D.H. Schutter Groningen".
Ook na 1525 gaat men door met het stelselmatig inpolderen van de Dollard. Voor het onderhouden van al deze nieuwe dijken gaat men in 1542 regels opstellen. Deze overeenkomst wordt ondertekend door de prelaten van het Grijzemonnikenklooster van Baamsum en van het klooster Oosterwierum te Heveskesklooster, samen met de afgevaardigden van de kerspels Midwolda, Scheemda, Eexta en Noordbroek.
De artikelen van de overeenkomst hebben duidelijk het karakter van voorschriften voor het onderhouden van dijken en sloten, die in 1542 al bestaan. In een enkel geval geeft de overeenkomst een aanwijzing voor een nog te graven nieuwe watergang. Zoals bijvoorbeeld in artikel 21:
Zullen de (ingelanden) van de Eext mit oer landt zuyderzijdt de Noordermensse, de Suydermensse maeken ind in eren holden.
In dit artikel worden twee wateringen met name genoemd: de Zuidermensse en de Noordermensse (zie overzichtskaart).
De Zuider- en de Noordermense vormen samen een geer[2] in het verkavelingpatroon. Van deze geer komt de punt samen bij het Termunterzijldiep, dat in die tijd nog een buitengeul in de Dollard vormt.
Vermoedelijk is het geer-vormige perceel in z’n geheel eigendom geweest van een zekere familie Mensse, immers er is een Noorder- en Zuidermensse. Dat is een sterke aanwijzing, dat het perceel gelegen tussen beide watergangen, één en dezelfde eigenaar heeft gehad. Van deze familie wordt Tjabbo Menses in de overeenkomst van 1542 als volmacht genoemd. Hij treedt bij het tot stand komen van deze overeenkomst op namens het karspel Eexta.
De begrenzing van het land tussen de Noorder- en Zuidermensse wordt aan de westzijde gevormd door de Ol diek, één van de oudste dijken in het gebied, opgeworpen plm. 1525. De Noordermensse heeft de grens gevormd tussen de karspelen Scheemda en Eexta en de Ol diek is dan tevens de karspelgrens tussen de kerspels Zuid- en Noordbroek, en de kerspels Scheemda en Eexta.
De ontwatering van de Zuid- en Noordboekster gronden vindt niet alleen plaats door de Carmerzijl bij Meedenertol, maar ook in noordelijke richting via watergangen langs Noordbroeksterhamrik en Wagenborgen naar Oterdum. Hier is door het Termunterzijlvest, in het bijzonder voor het niet door de Dollard overstroomde noordelijk deel van het Oldambt, in 1500 een zijl gebouwd, naast de Oterdummerzijl (zie afbeelding verderop). Ook het gebied van Eexta en Scheemda gelegen te Scheemderzwaag langs de Ol diek, heeft een afwatering richting Noordbroeksterhamrik gelopen en vervolgens naar Oterdum.
Termunterzijlvest. "Kaart der Situatie van een gedeelte van het Termunter-Zylvest loopende langs het Kattendiep en de Oude Ae tot in het Zijldiep bevattende ondrscheidene Projecten ter verbeterde afwatering naar Termunterzijl benevens eenige dwars Profillen daartoe Betrekkelijk...". Bron: RHC GA, Groninger Archieven, Beeldbank Groningen.
Dit laatste is op te maken uit artikel 20 van de eerder genoemde overeenkomst, waar ondermeer vermeld wordt:
Sullen de (die) van de Schempt und van Midwolde und van Wagenborgen und van der Eexst unde van Eeldtshuis de twe sloten in eren holden.
Deze twee sloten hebben in het gebied tussen Nieuw-Scheemda en Wagenborgen gelegen en vormen een onderdeel van de eerder genoemde afwateringsmogelijkheid naar Oterdum.
In 1596 komt er een regeling tot stand tussen de karspelen Zuidbroek, Wester- en Heiligerlee, Eexta en Scheemda, tot het leggen van een nieuwe gemeenschappelijke zijl bij Eexta, de Carmerzijl, die de gelijknamige zijl bij Meedenertol zal gaan vervangen. De nieuwe zijl loost op de Oude Geut, een buitendijkse wadgeul door de Dollard. Albert Hoerenkens, drost van de beide Oldambten, namelijk het Klei- en het Wold Oldambt, bericht hierover op 5 maart 1596, de nieuwe zijl zal gelegd worden:
ten des der Suitwendige op exter kerkenlandt bij der goeten (oude Geut), terwijl ook de dijk verlengd zal worden vanaf de Suitwendige tot den nieuwen dijk, voor welker uitbreiding de aarde buitendyks zal worden gehaald
Met de Suitwendige, ook wel Sijthwendige genoemd, wordt hier bedoeld, de Broekster Suitwendige, die eindigt bij de Ol diek. Verder naar het noorden heeft het tracé van de Suitwendige vanaf O1 diek gelopen over de Noordbroeksterweg naar, en over, de voormalige Hooilaan, tegenwoordig in de ruilverkaveling verdwenen, naar het Kielhuis aan de Rechte Walsterweg, de weg van Noordbroek naar ’t Waar.
De nieuwe zijl is dus gelegd in de oorspronkelijke buitendijkse geul, waarvan het verdere verloop bij Scheemderzwaag de naam van Oude Geut heeft gekregen.
De Dollardpolders. Klik op de kaart voor een vergroting, klik nogmaals om de kaart verder te vergroten. Scroll rechts of onder om door de kaart te scrollen. De vergroting wordt in een nieuw venster/tabblad geopend.
Het is duidelijk dat de huidige Noordbroeksterweg te Scheemderzwaag, op de in 1596 aangelegde dijk ligt. Deze dijk is grotendeels gelegd over Eexter kerkengrond (zie overzichtskaart).
De nieuwe Carmerzijl wordt gebouwd in 1596, voordat in 1597 een nieuwe dijk wordt aangelegd van Scheemderzwaag naar ’t Waar. In 1601 volgt daarop de aanleg van het Termunterzijldiep, van den Kermerzijl (Carmerzijl) in de Eexta af bet hen uit na Wartum (gehucht ten westen van Termunten, thans Termunterzijl) in de Eemse, zoals in de Nieuwe Zijlbrief van de Munterzijl, van 25 november 1601, vermeld wordt.
We ontkomen niet aan de gedachte dat de opeenvolging van werken planmatig is gebeurd. De nieuw aangelegde dijk wordt, zoals vermeld, gelegd over Eexter kerkengrond (zie overzichtskaart). Het kerspel Eexta is dus reeds vóór de aanleg van de nieuwe dijk in het bezit gekomen van gronden, gelegen in het karspel Scheemda. Waarschijnlijk is dit gebeurd bij de herverdeling van het buitendijkse gebied na de eerste drooglegging, of misschien zelfs al bij een verdeling van de nog buitendijkse kwelders. Hieruit kan de conclusie getrokken worden, dat reeds van tevoren bepaald is, waar de nieuwe dijk zal worden gelegd. Het kerspel Eexta heeft belang bij het droogleggen van zijn grondgebied, zo gauw als het kan. Daarvoor wordt kennelijk grond verworven in het gebied van het karspel Scheemda. Daar is de grondslag belangrijk hoger, dan op de grens van de beide karspelen en is de aanleg van een dijk dus gemakkelijker te realiseren. In 1596 vindt de bouw plaats van een nieuwe Carmerzijl, waarmee het water in de (buitendijkse) Oude Geut wordt geloosd. In 1597 volgt daarop de aanleg van een nieuwe Dollarddijk van Scheemderzwaag naar ‘t Waar. Bij de aanleg van deze nieuwe dijk wordt de benodigde grond verkregen uit de direct achter de dijk gelegen percelen en zo ontstaat er een geul die in 1601 wordt uitgediept en vergraven tot een kanaal, het Termunterzijldiep.
Spuiboezem 1903. Situatie van het Termunterzijldiep vanaf de te bouwen Keersluis naar de Sluizen te Termunterzijl. Schaal 1 op 2500. Klik op de afbeelding voor een vergroting, klik nogmaals om de kaart verder te vergroten. Scroll rechts of onder om door de kaart te scrollen. De vergroting wordt in een nieuw venster/tabblad geopend.
De nieuwe Carmerzijl zal vooral ook een functie hebben gehad tijdens het graven van het nieuwe Termunterzijldiep. De in die tijd toegepaste methode voor afvoeren van water bij het graven van een gedeelte van het kanaal bestaat hierin, dat men per dag een gedeelte volledig op diepte gaat uitgraven. De volgende dag maakt men gebruik van het, de dag daarvoor, gegraven pad, om daarin zo veel als mogelijk water van het werkgedeelte af voeren om zo droog te kunnen werken. Het is dus belangrijk om ook de eerder gegraven kanaalgedeelten zo droog mogelijk te houden, vandaar dat een goede waterafvoer door een nabij gelegen sluis een voorwaarde is geweest. Overigens blijft het altijd nog wel nodig om water weg te pompen. Een veel gebruikte pomp is in die tijd de tonmolen, een kleine vijzel door mensenhanden rondgedraaid. Grote vijzels zijn nu nog in gebruik bij b,v. de gemalen De Munte en Rodetil.
Met het graven van het Termunterzijldiep is er een nieuwe afvoermogelijkheid ontstaan, die van groot belang is geweest voor het gehele Oldambtster gebied. Bij de Termunterzijl is de buitenwaterstand veel lager dan ter plaatse van de andere lozingspunten in het Dollardgebied. Daardoor is een langere sluisgang mogelijk en kan er veel meer water per etmaal worden afgevoerd. Hoe lang na 1596 de Carmerzijl nog dienst gedaan heeft, is niet bekend. Over de dijk van 1597 is nog bekend dat deze een ‘gewaldig’ dijk is geweest. Het zal dus een dijk van grotere afmetingen geweest zijn, beter dan die er voordien zijn aangelegd. Deze oude dijken worden dan ook veelal als ‘zomerdijken’ aangeduid.
Na 1597 hebben met regelmatige tussenpozen bedijkingen plaatsgevonden en is de Dollard telkenmale verkleind. De laatste inpoldering in de westelijke Dollardarm vindt plaats in 1924, namelijk de Carel Coenraadpolder, zoals op het bijgaande kaart is te zien.
Over de inpolderingen van na 1597 heeft J.P.Koers ook een artikel in Duvekoater geschreven.
De Oterdummerzijl. Ik herinner me deze zijl nog goed uit de tijd dat Oterdum nog niet van de kaart was geveegd en ik op de brommer erdoor sreed van Nieuwe Statenzijl naar het bejaardentehuis in Uithuizermeeden waar mijn grootmoeder destijds verbleef. Bron: RHC GA, Groninger Archieven, Beeldbank Groningen. Klik op de foto voor een vergroting, klik nogmaals om de kaart om verder te vergroten. Scroll rechts of onder met de balken om door de kaart te scrollen. De vergroting wordt in een nieuw venster/tabblad geopend.
|
||||||||||||
|
||||||||||||








