
Oud Groninger Kleederdracht, RHCGA, Groninger Archieven, Beeldbank Groningen,
ID: Nr.L-GnGRA_1986_7251. Ansichtkaart 1930-1940.
Belangrijke opmerking vooraf:
De afbeeldingen zijn niet al te groot geplaats om ruimte te besparen. Je kunt echter op veel van de afbeeldingen klikken waardoor deze vergroot wordt weergegeven in een nieuw venster/tabblad. De afbeelding kan daardoor wel minder scherp worden. Door op de vergrote afbeelding te klikken, wordt deze nog groter. Klik in het venster van de vergrote afbeelding op het kruisje rechtsboven en het venster wordt weer gesloten.
De Groninger klederdracht
De Groninger klederdracht is omstreeks 1900 hier en daar nog duidelijk zichtbaar. Men kan dan de dienstboden nog zien in hun wijnrode, paarse of bruine jakken met glanzende vijfschachten rokken, die in wijde plooien vallen en in de bont-geruite schorten met wapperende banden. Als enig sieraad zijn de dikke strengen donkerrode bloedkoralen met een gouden slotje te bewonderen[1].
In het midden van de 19e eeuw zijn de mannen wanneer ze in het ‘goede pak’ uitgaan, in het algemeen gekleed in ‘slipjaaze’, ‘kuutboksem’, schoenen met zilveren gespen en een hoge hoed. Doorgaans is men in het bezit van een horloge (zijn knol) met zilveren of gouden ketting met signetten en in het hemd heeft hij zilveren of gouden knopen. Al naar de invloed van de ‘grote mode’ en de welstand kunnen broek, jas en hemd van verschillende kleuren zijn. Belangrijk zijn vooral de hemdrokken, die een kleurige noot aan het geheel kunnen geven, waarbij rood en paars vijfschacht (een speciaal weefsel) domineren. Dit type Groninger dracht kan men tegenwoordig nog fraai gedemonstreerd zien bij de bekende folkloristische groepen ‘De Grunninger daansers’ uit Zandeweer en de groep ‘Het Hogeland’ te Uithuizen. Zij vertegenwoordigen op waardige wijze een stukje levend Gronings verleden! [2]

Mensen in klederdracht met vlag van Groningen voor boerenkar.
ID: NL-GnGRA_1986_7502.
Ansichtkaart, 1910-1920. Bron: RHCGA, Groninger Archieven, Beeldbank Groningen.
Voor de jonge kerels kent men o.a. de wamkes (wambuizen), kledingstukken die een sterke overeenkomst vertonen met de tegenwoordige windjakken. Ze hebben ruime mouwen, die door een boord om de pols sluiten. Deze wamkes worden uit vijfschacht vervaardigd. De knoopsgaten, boord en indien aanwezig de zakken, zijn soms met rood koord afgezet, wat een fleurig effect geeft. [3]

Oud Groninger kleederdracht, 1930-1940. Reclamekaart van Kahrel's thee,
ID: NL-GnGRA_1986_7222. Collectie Groninger Archieven. Bron: RHCGA, Groninger Archieven, Beeldbank Groningen.
Omstreeks 1885 geeft Johannes Onnekes een interessante schets over de kleding van de vrouwen in zijn tijd. Duidelijk typeert hij het verloop van het karakteristieke van de klederdracht.
Hij schrijft: ‘Het oorijzer, eertijds in de prov. Groningen evenals in Friesland, het algemene hoofdtooisel der vrouwen, de Oud Friese dracht, begint meer en meer tot de zeldzaamheden te behoren. Men treft het alleen aan bij bejaarden en ook bij deze is het volstrekt niet meer algemeen. In hoofdzaak is het Groningse oorijzer niet te onderscheiden van het Friese; alleen is het wat smaller dan het laatste en laat het de kruin onbedekt, terwijl het Friese die nagenoeg geheel omsluit. Het haar wordt onder het oorijzer kort afgeknipt gedragen. Eerst wordt het hoofd bedekt met een zogenaamde ondermuts, een nauw om het hoofd sluitend, meestal wit mutsje. Vervolgens komt de klöt (kalotje), een nog kleiner mutsje of kapje van zwarte zijde of lustre. Daarop volgt het oorijzer, een brede, naar de vorm van het hoofd uitgeslagen band van goud, zilver of koper (de beide laatste metalen soms ook verguld), aan de beide uiteinden, die bij de slapen het hoofd omsluiten, in brede segmenten uitlopende, welke door een paar schakeltjes verbonden zijn, zodanig, dat de gehele band nauw om het hoofd sluit en de schakeltjes boven op het hoofd de segmenten verenigen’[4].
'Carte de visite:' portret van een vrouw met oorijzers, ca. 1887. Foto: B. Sanders,
www.beeldbankgroningen.nl (1990-0560-0001).
Aan de segmenten zijn de stiften bevestigd, twee andere kleine segmenten van goud of koper (ook al is het oorijzer van zilver), meer of minder fraai, meestal in kantieljewerk vervaardigd en enigszins schuins aan beide zijden van het hoofd staande. Ter weerszijden van de stiften komen de stekers of mutsspelden, twee spelden met fraaie, grote knoppen, die in de fladdermuts gestoken worden. Deze flöddermuts of flötters: stroken, klaid mit flödders: kleed met stroken) wordt over het oorijzer gedragen en is een meestal een kanten muts met stroken omzoomd, die geheel of bijna geheel tot op de schouders afhangen. In vroege jaren draagt men, i.p.v. de flöddermuts, de hul (‘zo groot als een woagenrad, met een grote ovaalronde voorrand’) waarbij de stroken niet in de nek of op de schouders vallen maar door metaaldraden gesteund stijf uitstaan en het aangezicht als met een luifel omgeven. De hul of wanhoed is van stro vervaardigd[5].
Portret van Eilina Johanna Huizenga-Onnekes (Vierhuizen 1883-1956) in Groninger klederdracht. Verzamelaarster van Groninger sprookjes en vertellingen, publiciste.
ID: NL-GnGRA_818_22419.
Drukwerk, 1925.
Bron: RHCGA, Groninger Archieven, Beeldbank Groningen.
In de rouw draagt men geen kanten mutsen, maar vervangt deze gewoonlijk door mutsen van Schots batist of fijn, wit neteldoek. Ook worden in de rouw, i.p.v. gouden, zwarte gitten mutsspelden gedragen.
Vroeger dragen de vrouwen uit de aanzienlijke boerenstand behalve het oorijzer nog de plaat, een soort van ovale, fraai bewerkte diadeem, midden op het voorhoofd, vroeger met haken aan flöddermuts bevestigd. Deze platen zitten bij de ene recht, bij de andere schuin voor het hoofd en zijn meestal van goud, soms ook van zilver met edele stenen ingelegd. Bij de plaat worden twee plaatspelden gedragen van dezelfde stof, aan weerszijden van de plaat één. Sinds een veertigtal jaren zijn de platen uit de mode geraakt[6].
Destijds dragen de vrouwen grote gouden ringen in de oren en om de hals een groot, gouden slot met een streng koralen of een gouden keten, die zesmaal om de hals wordt gewonden en ruim op de borst neervalt. Wat lager dan de koralen of de keten zit een, eveneens grote, gouden doekspeld. Aan de vinger draagt men gouden ringen, niet zelden aan elke vinger één. In de zak heeft men, i.p.v. een flacon, een gouden of zilveren doosje, waarin zich een sponsje bevindt met ‘eau de Cologne’ of ‘eau de la Reine’ doortrokken, lodderendeuske of ook wel een snuifdoos. Deze laatste is in het Oldambt, ook bij mannen nog lang in gebruik[7].
Kostuumprent, twee vrouwen in Groninger klederdracht. Eén in 'nette' kleding de ander in werkdracht.
ID: NL-GnGRA_817_10009. Prent/tekening. Vervaardiger: T.T. Oostenga del.; steendr. v. H.L. v. Hoogstraten te Zwolle, 1850-1857. Litho, gekleurd, 23 x 15,5 cm op blad 27,2 x 17,9 cm.
Uitgever: J.C. Loman Jr, Amsterdam, 1857. Collectie: mr. S.T. Kooi.
Bron: RHCGA, Groninger Archieven, Beeldbank Groningen.
De vrouwen uit de gezeten en ook meestal uit de mindere stand dragen rond 1900 een japon; maar de dracht van een 30/40 jaar eerder, die bij het oorijzer behoort, is het jak en de rok. Het jak bestaat uit een nauwsluitend lijfje met schoot en grote wijde mouwen, die om de polsen sluiten- Onder de schoot komt de rok uit, die ongeveer tot de enkels reikt.
Onder de jurk of de buitenste mooie rok, draagt men doorgaans drie andere rokken en wel in deze volgorde: 1 bever- of baayen rok, 2 een gestreepte rok en 3 een zwarte zijden of wit katoenen rok. Wanneer jak en rok van eenzelfde stof en kleur zijn, noemt men het een pakje. Bij voorkeur wordt in die tijd zeegroene stof gedragen met dubbele zwarte ruiten. Het jak en de rok worden vooral voor huiselijk gebruik gebruikt. De stof wordt van de plaatselijke wever betrokken en is van zodanige kwaliteit, dat het jaren meegaat[8]. In het Museum Het Hogeland te Warffum kan men zien hoe een wevershuisje er van binnen uitziet.
Klederdracht van Groningen, 1857, Ruurt de Vries (vermeld op object), Klederdracht in de provincie Groningen. Verschillende losse studies. Illustratie in een boek uit 1857 met 56 platen van Nederlandse klederdrachten. Bron: Rijksmuseum.
Objectnr. BI-B-FM-137-46. Uit: Atlas van Stolk 8006. Licentie: Publiek Domein.
Over de rok komt een voorschoot zonder lijfje. Dit voorschoot is breed, van zwarte zijde, en is omzet met zwart gebloemde kant van circa 35 centimeter breedte. Ook worden vele voorschoten gedragen van gebloemde tule en in de zware rouw van krip. Verder draagt men om de hals grote witte kragen, die op onderlijfjes bevestigd zijn. De aanzienlijken dragen lage blauwe stoffen schoenen en witte kousen[9].
Het geheel wordt bedekt door een grote, meestal bruine mantel van laken, die tot op de voeten reikt en om het middel is vastgemaakt met een band en op de borst met een zilveren Haak[10].
Lisei als boerin, dame in klederdracht, Foto Dijkstra Delfzijl, november 1943.
Collectie voormalige gemeente Delfzijl, Verz Mkn 00269.
Bron: RHCGA, Beeldbank Groningen.
Met betrekking tot de kleding in het begin van de 19e eeuw is het interessant kennis te nemen van het ‘Reglement van Bestuur en Onderhoud der armen en behoeftige Leden van de Hervormde Gemeente in het Karspel Middelstum en Toornwert’, dat van 1 december 1816 dateert.
In artikel 1 leest men:
‘Alle personen welke van de Armverzorgers van het Karspel Middelstum en Toornwert onderstand ontvangen, zoo Mannen als Vrouwen, zullen ter onderscheiding égaal en op de hierna te bepalen wijze gekleed worden.’
Artikel 2
De Kleeding der Mannen zal bestaan: In een ronde vilten Hoed; boven Carnizool en Broek van bruine of graauwe Pei of Linnen, naar gelang ieder persoon wegens lichaamsgestel of ouderdom voor de warmte zal moeten gekleed worden; zullende de onderhemdrok van gestreepte of effen Baai moeten zijn; verders Zwartbonte zoogenaamde veelsche koussen, en blaauw geruiten horgen (?) doeken tot halsdoeken;
Voor Jongens onder de twintig jaren, zal de Hemdrok wezen van blaauw bont gedrukt Linnen; en een lederen Pet in plaats van een Hoed.
Portret van twee vrouwen in Groninger klederdracht. Vervaardiger: P.B. Kramer, 1925.
Collectie: Groninger Archieven, ID:
NL-GnGRA_1785_16796.
Bron: RHCGA, Groninger Archieven, Beeldbank Groningen.
Artikel 3
De Kleeding der Vrouwen zal bestaan: In een zwart Saaijen of Katoenen Calot, blaauwe geruiten horgen doeken tot halsdoeken; een Buis van graauw zoogenaamd Eemslander Schuidegoed; een Bovenrok van ordinair gestreept Baai; een onderrok van wit grijze Pei, of blaauwe Vlinnip, naar mate de persoon wegens ouderdom of lichaamsgestel voor de warmte zal dienen gekleed te worden; verders in blaauwe zoogenaamde veelsche koussen, welke ingeval van rouw, zwart zullen zijn; in een Onderborstrok van gestreepte of effen Baai; een Voorschoot van graauw schuidegoed, zonder stuk; terwijl daarenboven die Vrouwen welke dagelijks in het Veld werken een Voorschot van heiden linnen zullen moeten dragen.
Dame in klederdracht met oorijzers. Vervaardiger: P.B Kramer, foto van pastel.
ID: NL-GnGRA_1785_16711.
Bron: RHCGA, Groninger Archieven, Beeldbank Groningen.
Artikel 4
De Hemden zoo voor Mannen als Vrouwen zullen gedragen worden van het zoogenaamde wit vlasjes Linnen, kunnende echter voor Vrouwen, voor welke zulks noodig mogt worden geoordeeld eenigszins breeder Linnen genomen worden. De schoenen zoo voor Mannen als Vrouwen zullen moeten zijn zwarte Riemschoenen.’
Ook de overheid bemoeit zich herhaaldelijk met de kleding. Dat betreft vooral het trouwen en rouwen. Bij beide gebeurtenissen doen zich in het verleden veel excessen voor. Velen geven meer uit dan verantwoord is, men wil graag meer zijn dan de omgeving denkt. Het gevolg is, dat jonge gezinnen in die tijd soms jarenlang onder schulden gebukt gaan. Bij begrafenissen is vooral het ‘dodenmaal’ een twijfelachtige zaak. Het ontaardt in stevige en kostbare braspartijen.
In het Landrecht van Westerwolde, dat van 1470 dateert, leest men onder artikel 7:
‘ ...der Bruidtkleder / dat is ein Ipersche rock und ein Ipersche hoyke / und ein Romundische rock / und einen katten pels unde daechlickes kleder na eren und vermogen des huises.’

Moeder en zoon Nijholt in Groninger klederdracht voor de Menkemaborg.
Vervaardiger: Gardenier, F., 1995-2000.
Collectie voormalige gemeente Delfzijl.
Bron: GAD5116, RHCGH, Groninger Archieven, Beeldbank Groningen.
De handelswegen uit het westen lopen dan zelfs ook naar het verre en onherbergzame Westerwolde! De rokken worden gemaakt van stof uit de weverijen van Yperen en Romunde in Vlaanderen. Onder de ‘katten pels’ moet waarschijnlijk niet gedacht worden aan een pels van katten, maar vrij zeker aan wollen stof met een beharing als van een kat. In zijn bewerking van het landrecht in 1809 wijst van Swinderen al daarop en haalt Kilian aan, die spreekt over ‘pellis lanata’. Voorts wijst hij op de meer algemene zin van het woord pels, zonder dat daarbij aan ’huid’ moet worden gedacht. Ook het tegenwoordig weinig bekende gezegde ‘iemand een luis in de pels steken’, iemand iets betaald zetten, vergelden, wijst erop.
In 1738 verschijnt voor de Stadt Jurisdictien een ‘Ordonnantie omtrent het dragen van de Rouw’. Onder artikel 10 leest men ‘Dat bij versterf van een Vrouw of Ouders / geen lange Rouw-mantel met een neerhangende Lanser / zal mogen werden gedragen / dan alleen ten dage van begravenisse.’
Artikel 13: ‘En zal in de Sterfhuizen geen zwart Baay / of diergelijk / in Kamers of Gangen/ opgehangen / nog Koetzen in 't zwart mogen werden gevoert.’ [11][12]
De Groninger klederdracht door W.J. Eelssema
Ik kan het niet nalaten hier nog een niet geredigeerd artikel op te nemen van mijn oude vriend Wiert Jacob Eelssema († 1970) dat hij schrijft op 24 december 1946. Over hem heb ik in 2016 zijn biografie geschreven. Daarmee is in mijn ogen het artikel over de klederdracht van Groningen meer dan compleet. Hij heeft als titel voor het stuk "De Groninger klederdracht is onherroepelijk verdwenen" gebruikt.
"De Groninger klederdracht is onherroepelijk verdwenen
Men kan dit betreuren, iets aan te veranderen is er niet. Een vijf en twintig, dertig jaar geleden kon men de dienstboden nog zien in haar wijnrode, paarse of bruine jakken, in haar glanzende vijf-schaften rokken, die in wijde plooien vielen, en in de bont-geruite schorten met wapperende banden. Als enig sieraad kon men de dikke strengen donkerrode bloedkoralen met gouden slot bewonderen.
Groninger dracht ca. 1840. - Foto: Paul Wernekinck, www.beeldbankgroningen.nl (1986-08848).
Bron: RHCGA, Groninger Archieven, Beeldbank Groningen.
Het is te betreuren, dat een en ander zo snel verdween. Toch niet zo snel als men wel meent. Nu en dan ontmoet men nog oude klederdrachten, waar men ze eigenlijk niet meer verwachtte. Zo zag ik enige winters geleden op een koude dag iemand voor mij uitlopen en dorst ik, eerlijk gezegd, mijn ogen niet geloven. Het was, alsof een vage herinnering uit mijn jeugd eensklaps levend was geworden. Ik, zag voor mij een vrouw, wier man kort daarvoor was overleden. Zij was gekleed in de dracht, die vroeger voor weduwen als het ware was voorgeschreven. Zwart was het ja, zwartglanzend de vijfschachten rok en zwartgeruit de boezelaar. Hierbij droeg ze een zwarte muts, waarvan de rand zó ver over de schouders viel, dat een-en-ander het karakter van een omslagdoek kreeg. Aan de handen had de vrouw zwart-wollen handschoenen, die tot over de ellebogen reikten. Alles zoals vroeger de ongeschreven wetten ’t wilden.
In de loop der jaren is er veel verloren gegaan. Andere tijden, andere zeden. Men kan momenteel het oud-Groninger costuum alleen nog maar als curiositeit dragen, b.v. bij de volksdansen als Jan-Pierewiet of Boeren-Carre.
Ook de ouderwetse klederdracht onderging vroeger veranderingen. Het minst van de modezucht te lijden had de kleding der mannen en die der „geringe” vrouwen: van dienstboden en arbeidersvrouwen. De klederdracht der mannen in het grijs verleden was deftig: hoge hoed met „slipjazze” („gerdientjes-veur-‘t-gat”) „kuutboksem” en schoenen met gespen. Veel origineels viel hier, vergeleken met klederdrachten elders, niet te bekennen. Voor een uitzonderlijke kledij had het manvolk hier weinig belangstelling.

Oud-Groninger klederdracht, Klederdracht, spinnewiel, 1930-1940. RHCGA, Groninger Archieven, Beeldbank Groningen, ID: NL - GnGRA_1986_7241.
Uitgever: N.V. v/h Weenenk & Snel nr. 01918.
Voor de jongere kerels kende men o.a. de wamkes (wambuizen), kledingstukken, die grote overeenkomst vertoonden met de moderne klettervesten. Met dit verschil echter, dat ze aan de hals aansloten en soms ruime mouwen hadden, die door een boord om de pols sloten. Deze wamkes waren vervaardigd uit vijf schacht. De knoopsgaten, boord, en indien aanwezig, de zakken, waren soms met rood koord afgezet, wat een fleurig effect gaf.
Bij dienstboden en arbeidersvrouwen trof men vaak de „romkes” aan. Zeer eenvoudige kledingstukken zonder mouw, vervaardigd uit gekleurd vijfschacht en met gekleurd boorlint gegarneerd. Deze romkes waren aan de hals gesloten. Soms achter vertoonden zij vierkante halsopeningen. Dan werd een halsdoek gedragen, gevouwen ineen driepunt. De twee punten voor de borst werden dan bij het kledingstuk ingestopt. Vaak droeg men ook doeken bij het werk. Dan werden de punten dooreen koperen ring gehaald. Inde winter droegen de vrouwen in plaats van het bontgeruite een zwartwollen schort. Algemeen was ook de „blauw-witte” onderrok.
Vrouw in de klederdracht van Groningen. Objectnr. RP-F-F01127-BO. Onderdeel van Album met foto's en litho's van bezienswaardigheden in Noord- en Zuid-Hollandse steden, schilderijen en klederdrachten.
Datering: ca. 1865 - ca. 1875. Bron: Rijksmuseum. Licentie: Publiek Domein.
Aan grote verschillen was de klederdracht der rijke boerenvrouwen onderhevig. De stoffen waren van verschillende tinten en patronen. Men zag zogenaamde baaiskes (boiskes) met lange schoten, jakken bijna zonder schoot, korte, lange en driekwarts-mouwen en pofmouwen. Ook de wisselingen der mode lieten zich hierbij gelden: rokken met kleine en met grote schortjes, enz. Veel regelmaat was er niet en het uniek-Groningse kwam zelden voor.
Wat wel ongewijzigd bleef, waren de Groninger mutsen met oorijzers en de fraaie omslagdoeken. De vaak prachtig gewerkte, lichte omslagdoekjes, waarvan de punten onder de ceintuur van het “baaiske” of over elkaar gevouwen op de borst hingen, waren bij het feestcostuum eveneens algemeen, gelijk de sierlijke beugeltassen, die prachtige staaltjes van handwerkkunst te zien gaven.
Vele omslagdoeken zijn nog op boerderijen aanwezig. Ze doen dienst als divankleed of ze zijn opgehangen tegen de schoorsteen, van de zolder tot de schoorsteenmantel. Prachtige doeken van onverwoestbare kwaliteit zijn er te zien en het waren deze doeken, die speciaal bij de kerkgang werden gedragen. Bij rouw waren er zwarte omslagdoeken, terwijl een zwarte tule strook rond de rok door de breedte de graad van bloedverwantschap verried.

'Oud Groninger kleederdracht'. Afbeelding: 1930-1940. Reclamekaart van Kahrel's thee.
ID: NL-GnGRA_1986_7224.
Bron: RHC GA, Groninger Archieven, Beeldbank Groningen.
Een onmisbaar onderdeel van de Groninger klederdracht vormden deze doeken, gelijk dit het geval was met het oorijzer en de muts. Het oorijzer! Wat is er veel over te vertellen.
Alvorens het op te zetten, deed men de „hoarbaand” om. Deze band, 3 cm breed, werd drie keer om het hoofd gewonden, zodat er geen haartje meer uitstak. Hierover kwam de witte ondermuts met het daaraan vastgemaakte zijden of katoenen langet (leget). Dit laatste was een brede strook, die van het ene oor tot het andere over de nek hing. Hierover werd de „klodde” (klot, uit het Franse calotte) gedragen, een nauwsluitende muts van zwart satijn of zwarte zijde, en dan kwam het oorijzer: een gouden, zilveren of koperen kap, soms breed, soms smal van achteren, al naar de welstand van de bezitster. Zonder flodder-muts heette het, dat „’t ol mens bloot ooriezer droug”. De flodder-muts van fijne kant was wit, bij rouw donker, en werd aan weerszijden van het voorhoofd getooid met gouden, vaak van juwelen voorziene spelden. Een enkele keer zag men ook een versiering in goud met „jewaail” in halve-maanvorm midden op het voorhoofd, zoals de Friezinnen die droegen maar burgerrecht heeft zo iets in Groningen toch eigenlijk nooit verkregen".
Tekst W.J. Eelssema, 24 december 1946.
Meer lezen: De Groninger dracht, 1750-1900, beeldvorming getoetst, Lies Ast-Boiten. PDF-bestand.
|