Egbert Clant van Stedum en de borg Nittersum

Nittersum wordt wel een der mooiste borgen van Groningen genoemd. Het is echter opmerkelijk, dat er door historici zo weinig aandacht aan is geschonken. In het bekende boek De Ommelander Borgen van Mr. J.A. Feith wordt slechts een enkele bladzijde aan Nittersum gewijd en in De Ommelander Borgen en steenhuizen van Formsma, Luitjens en Pathuis, nauwelijks meer. Volgens Feith zou de juiste plaats van de borg moeilijk meer aan te wijzen zijn, maar dat is niet juist. Behalve het huis en de bomen is in 1930 alles van de oude burchtstee nog aanwezig. Zelfs nog een van de bijgebouwen. En verder de binnen- en buitengrachten, de grote vijver en de singels. Er hebben hier op deze burchtstee drie borgen gestaan, mogelijk zelfs vier: de borg van Eppo Nittersum, die in 1579 verwoest is en misschien wel een voorganger heeft gehad; de borg van Eilco Clant, gebouwd na 1594 en in 1669 weer afgebroken en de borg van Johan Clant, gebouwd tussen 1669 en 1671 en afgebroken in 1818.

 

Geneagram van de familie Clant (niet compleet)


De Heren van Stedum komen al heel vroeg voor, maar we weten niet of die ook op Nittersum hebben gewoond. In brieven en mededelingen uit de 13e en 14e eeuw komen de volgende namen voor: Eppo Eelwarduszoon van de Were (De Weer, een streekje onder Stedum); Ailvart Ripperda van Stedum (ook Ripperta gespeld) en Eppo Boelesmona van Stedum. Van Eppo Eelwardus zoon is bekend, dat hij in De Weer woont, de twee anderen kùnnen bewoners van de burcht Nittersum geweest zijn, maar er zijn meer borgen in Stedum geweest, dus is dat niet zeker. Volgens overlevering zal er op de wierde van Lutjewijtwerd (onder Stedum) een kapel of borg hebben gestaan. Ook zijn er borgen geweest aan de Drieborgenlaan en in De Weer. In 1396 komt opeens de naam van Eppo van Nittersum naar voren, als medeondertekenaar van een stuk, waarin bepalingen tot bewaring van orde en vrede. Hierbij komt de invloed van de heren van de borg naar vorenn. Deze Eppo heeft in 1398 een belangrijke rol gespeeld in de strijd tussen de Schieringers en Vetkopers. Verschillende geschiedschrijvers, die over deze strijd hebben geschreven, noemen nadrukkelijk de naam van Eppo van Nittersum. Wij kunnen dus met zekerheid aannemen, dat de borg Nittersum al in 1398 al heeft bestaan.


De borg Nittersum.

Afb. boven: Tekening 1 is van Coenders; 2 en 3 zijn van Rademaker, terwijl het origineel
daarvan door D. Nanninga Mzn is gemaakt. In alle gevallen gaat het om de borg 'Nittersum Tot Stedum'.

 

Het valt moeilijk te zeggen of het huis daarna nog lang heeft bestaan. Wel weten wij, dat Eppo drie jaar later, in 1401, bezig is land te kopen naast het borgterrein. Van de borg zelf horen wij nu geruime tijd niets meer. Hoe de borg er uit gezien heeft, is niet bekend. Het zal een goed stenen huis geweest zijn, omringd door een gracht. De oude burcht wordt in 1579 door het Spaanse garnizoen van Groningen verwoest. Bewoner in die dagen is Egbert Clant, een aanhanger der hervorming, die omwille van het geloof naar Oost-Friesland moet vluchten. Hij sterft in ballingschap. Waarschijnlijk is de borg weer opgebouwd voor 1594. Eilco, een zoon van Egbert, zal het huis zo spoedig mogelijk hebben herbouwd. Boven de ingang van het nieuwe huis komt een opschrift, waarin melding wordt gemaakt van de verwoesting van de oude borg.

 

De borg blijft nu staan tot 1669. In dat jaar laat de toenmalige eigenaar, Johan Clant, de borg slopen en vervangen door het deftige herenhuis, dat wij van afbeeldingen kennen (zie boven). In dat jaar 1669 koopt Johan Clant de Dijkumborg te Garsthuizen. Waarschijnlijk laat hij Dijkum afbreken om de stenen voor zijn nieuwe Nittersum te gebruiken. Het nieuwe Nittersum is geheel door water omringd, net als Menkema. Het is een huis geweest van twee verdiepingen met daaronder de kelders en keukens.

 

De borg Nittersum (1669) bij Stedum van de Amsterdamse architect Vingboons, is de laatste 'echte' borg die in Groningen gebouwd wordt. Daarna worden in Groningen alleen nog landhuizen gebouwd, waarvan sommige nog als borgen beschouwd worden. De meeste van die landhuizen staan in de veenkoloniën, als buitenplaats voor de kapitaalkrachtigen. Ekenstein (1648) is een van de twee landhuizen die in de Ommelanden bij Tjamsweer verrijzen. Het andere is het naast Ekenstein gelegen Rusthoven (1668).

 

Adriaan Clant van Stedum
Afb. boven: Adraan Clant Tot Stedum, Heer van Nittersum.

In 1344 wordt in een oorkonde genoemd Eppo Nithardesma. De handeling in deze oorkonde vermeld, vIndt plaats in de Marne, zodat nog geen contact aanwijsbaar is met Stedum. Dat is wel het geval kort voor 1400. Dan speelt in de gebeurtenissen van 1398 en volgende jaren Eppe Nittersum een belangrijke rol. Hij staat blijkbaar aan het hoofd van de Ommelander Schieringers tegenover de Onsta's. Als zodanig trekt hij met zijn aanhangers naar Westeremden, waar ze Hayo Wibben, een partijganger van Albrecht van Beieren, graaf van Holland, aantreffen. In de daarop volgende vechtpartij wordt Hayo op het kerkhof gedood. Ook in 1401 wordt Eppo Nittersum nog genoemd. Hij wordt wel vereenzelvigd met Eppo, proost te Stedum, die in dezelfde tijd voorkomt. Deze heet evenwel Eppo Heslingha en hij voert het zegel van een geestelijke. De Heslingha's komen in die tijd voor te Stedum.
De geschiedenis van de 15e eeuw is duister. In het midden van die eeuw treffen we wederom een Eppo Nittersum(ma) aan, in 1464 en in 1470, en daarnaast Ondel of Andelof Nittersum in 1458 en 1464. Deze Andelof is in 1471 gestorven en op het koor in de grafkelder van de kerk te Stedum begraven. Men neemt wel aan, dat hij of zijn zoon Eppo getrouwd is geweest met Bywe Schultinga. Bewijzen daarvoor hebben we niet. Wel is in 1463 sprake van Bywe, een nicht van Oda ten Dijke, getrouwd met Azeghe van Harsens, die ook elders voorkomt. Verder wordt een vrouw Bywe to Stedum genoemd in 1484, getrouwd met Jarig ter Borch, en in 1489. Zij bezit dan het redgerrecht op Menkemahuis en andere rechten onder Uithuizen. Dat zij in dat jaar Menkema gekocht zou hebben, blijkt nergens. Aangenomen wordt, dat door het huwelijk met de erfdochter van Nittesum, Teteke, dochter van Andelof, met Egbert Clant Nittersum aan de familie Clant gekomen is. In elk geval blijkt een alliantie Clant-Nittersum uit de kwartierstaat van Adriaan Clant op zijn monument en rouwbord.

 

Egbert Clant komt herhaaldelijk voor tussen 1495 en 1521, maar nergens wordt hij hoofdeling te Stedum genoemd. Evenmin wordt de naam van zijn vrouw vermeld. Wel komt hij van 1503-1512 voor in de klauwboeken van Stedum. Zijn tweede zoon, Eilco, zal hem opgevolgd zijn te Stedum. Deze is in 1534 getrouwd met Margaretha Addinga. Bij zijn huwelijk wordt hij inderdaad hoofdeling te Stedum. Door haar erven de Clants pretenties op Westerwolde, die wel aanleiding hebben gegeven tot processen, maar niet gerealiseerd kunnen worden.

 

Van hun zoon Egbert is meer bekend. Hij speelt een belangrijke rol onder de Ommelander adel. Hij wordt dan ook door de stad gevangen genomen in 1577 en gaat in 1580 in ballingschap. In 1579 ondertekent hij met enige afgevaardigden van de Ommelanden de Unie van Utrecht. Hoewel hij achter de Hervorming staat, vindt in Stedum geen beeldenstorm plaats. Hij komt dan ook niet voor op de lijst van hen wier goederen geconfiskeerd worden. Wel maakt na zijn uitwijking Lucas van Lingen in 1582 aanspraak op zijn landen en borg - van een verwoesting in 1579 is niets bekend -, maar in 1587 wordt deze confiscatie weer ongedaan gemaakt. Hij bezoekt de landraad en de hertog van Anjou namens de Ommelanden.

 

Aanvankelijk kan hij niet goed overweg met de Van Ewsums (Middelstum), maar het huwelijk van zijn dochter Sophia met Ulrich van Ewsum in 1584 brengt daarin verbetering. In 1590 sterft hij te Bremen. Hij is tweemaal getrouwd geweest, met Anna Manninga en Gratia Rengers. Zijn zoon uit zijn eerste huweijk, Eilco, kan na 1594 in Stedum terugkeren. Deze is getrouwd met Willemina Hinckaert. Bij diens dood in 1614 is zijn oudste zoon Adriaan nog maar 15 jaar oud. In 1623 huwt hij Hille Clant, die reeds in 1626 sterft. Hij hertrouwt in 1639 Anna Tamminga van Bellingeweer. Adriaan Clant is vooral bekend geworden als afgevaardigde van de Staten-Generaal naar de vredesonderhandelingen te Munster. In de Friedensaal in het stadhuis te Munster hangt zijn portret. Hij overlijdt in 1665.

 

De enige zoon die hem overleeft is Johan (1624-1694). Deze erft Nittersum. Hij is zeer prachtlievend. In de eerste plaats laat hij Nittersum herbouwen door Vingboons in 1669. Ter nagedachtenis van zijn vader laat hij in de kerk te Stedum een graftombe oprichten door Rombout Verhulst in 1672[1]. Ook de kerk heeft hij verfraaid, de vloer in 1668, banken in 1669, de preekstoel in 1671, het orgel in 1680. Er wordt een nieuw herengestoelte geplaatst en een avondmaalsbeker geschonken (deze is zoek).

 

De graftombe van Clant in de kerk te Stedum
Afb. boven: De graftombe van Clant in de kerk te Stedum

Onder hem wordt Lellens van Stedum gescheiden in 1666. Hij sterft in 1694. Een rouwbord in de kerk herinnert nog aan hem, evenals een portret in de pastorie. Ook van zijn vrouw Anna Coenders, met wie hij in 1653 in het huwelijk treedt, is een rouwbord aanwezig van 1665. Bij zijn dood laat hij drie dochters na. De oudste, Elisabeth (1656-1696) erft de borg met 44 grazen land, waarin de uitweg met geboomte naar de delweg, en alle rechten. Zij is in eerste echt getrouwd geweest met Albert Lewe van Kantens. In 1696 sterft zij, twee jaar na haar vader. Ook van haar is een rouwbord in de kerk. Haar dochter Petronella Lewe (1684-1761) erft de borg op tienjarige leeftijd. Zij huwt met Everhard Frederik baron van Lintelo (1681-1761). Deze komt lange jaren voor als heer van Stedum.

 

Het echtpaar sterft kinderloos in 1761. Ook van hen zijn rouwborden aanwezig. Hun erfgenamen bieden het volgende jaar Nittersum te koop aan, eerst in juli, later in september. De omschrijving luidt: 'het adellijke huis Nittersum, uit het water opgebouwd, voorzien met twee ruime zalen en verscheiden royale boven- en benedenkamers, fontein-zomerhuis, hoven, alleen over de dorpen Stedum, Westeremden en Garsthuizen, de staande schepperij of opzicht over de wegen en wateren van Stedum alsmede de collatie aldaar; de zijlrechten te Westeremden en Garsthuizen, uitmakende de meerderheid van stemmen tot de verkiezing van een schepper aldaar, het huis Ringenum te Uitwierda met landerijen en rechten verbonden aan dat huis'.

 

Koper wordt Johan Herman Gerlacius (1717-1774), raadsheer in de raad van Brabant, van een stad-Gronings geslacht. Hij is getrouwd met Anna Clasina Bout, die in 1765 sterft. Na de dood van Gerlacius laten zijn erven in 1778 het hoogadellijk huis publiek verkopen. Het heet dan een kapitale, moderne herenbehuizing met schathuizen, spatieuse tuinen, singels, lanen en vijvers. Het huis is blijkbaar niet verkocht want bij de boedelscheiding van 1780 wordt het toegewezen aan de zoon van Johan Herman, Tjaard Adriaan.

 

Registratie in het kerkeboek.
Afb. boven: 7 nov. 1674. Registratie in het Doop- en trouwboek van Stedum v.h. huwelijk tussenj Heero Maurits
Ripperda van Farmsum en Elisbeth Clant van Stedum (Coll. DTB, toeg.nr. 124, inv. nr. 429, foli 53).

 

Tjaard Adriaan Gerlacius (1752-1817) is getrouwd met Tateke Helena Henderica Gockinga. Hij schijnt prinsgezind te zijn geweest. In de kerk van Stedum hangt nog een bij de restauratie in de grafkelder gevonden vlag met het opschrift: '1788 Vivat Prins van Oranien' en het wapen Gerlacius. In oktober 1787 geeft hij opdracht tot het herstel van het orgel. Van 1791-1793 ligt hij overhoop met de kerkeraad over het nazien van de diaconierekening en later met de Representanten van het Volk van Stad en Lande over de betaling van kerkelijke lasten en de opgave van kerkelijke goederen, waarbij hij ten slotte 1200 gulden boete moet betalen. Ook overigens blijkt, dat kerkelijke zaken hem ter harte gaan. Aan Solwerd geeft hij in 1783 een nieuw kerkje en na het beleg van Delfzijl laat hij in 1814 het herstellen. Na zijn dood wordt het huis publiek verkocht in 1818 en gesloopt. Een kaart van het huis en terrein bevindt zich in de notariele archieven.


 

De betekenis van het geslacht Clant
Het geslacht Clant is belangrijk geweest voor de borg Nittersum en ook voor het dorp Stedum. Beroemd is de graftombe van de familie Clant in de kerk van Stedum, op last van Johan Clant door de bekende beeldhouwer Romboudt Verhulst vervaardigd in 1672. Deze Verhulst was ook de maker van het praalgraf in de kerk te Midwolde. Boven op de tombe ligt de beroemde Adriaan Clant, uit marmer gehouwen. Aan het hoofdeinde vinden we aan weerskanten onder meer een engelenfiguur en tegen de muur een groot aantal familiewapens van wit marmer, gegroepeerd rondom een donkere ovale steen, waarop met gouden letters het volgende opschrift staat (uit het Latijn vertaald): 'Ter eeuwige gedachtenis aan de beroemde nakomeling, vermaard door een lange reeks van zeer edele voorvaderen, Adriaan Clant van Stedum, Heer van Nittersum, vanwege zijn uitnemende bekwaamheden meermalen benoemd onder de grootmachtige afgevaardigden der provincie waarin hij geboren was, en om zijn grote verdiensten, gedurende 9 jaar, namens die provincie tot meerder heil van de staat, tot de hoge vergadering der Algemene Staten van de Verenigde Nederlanden afgevaardigd; ter bewerking van de eeuwigdurende vrede tussen de Spanjaarden en de Verenigde Nederlanden naar Munster in Westfalen gezonden; wiens dierbaar stoffelijk overschot nadat hij 66 jaar geleefd had, in deze tombe eerbiedig is bijgezet door diens zoon Johan Clant van Stedum, heer van Nittersum, Stedum, Ringenum, Uitwierda, toparch van Loppersum, Eestrum, Tenbuir enz., afgevaardigde naar de Vergadering der Staten-Generaal van de Verenigde Nederlanden, en juist op deze plaats, waar rust temidden van een lange reeks van voorvaderen de as van zijn edele grootvader, Eilco Clant van Stedum, heer van Nittersum, tijdens zijn leven de invloedrijkste onder de afgevaardigden der Verenigde Nederlanden en de beroemdste onder de Gedeputeerden van deze provincie. Aan zijn overgrootvader, die geacht mag worden van een even schitterende afkomst te zijn, n.l. Egbert Clant van Stedum, heer van Nittersum, een man van gezag onder de voornaamste Ommelanders, die eenmaal in hun naam de luisterrijke Unie van Utrecht getekend heeft, heeft de woeste Bellona deze rustplaats benijd, welke hij, die dit gedenkteken voor zijn edele vader heeft opgericht in het jaar van Christus 1672, hoopt, dat voor hem en zijn late nageslacht tot op de jongste dag mag bewaard blijven'. (Bron: De Ommelander borgen en steenhuizen, ISBN 90 232 2314 4)


Het kerkeboek van Stedum
Het kerkeboek van Stedum is goed bewaard gebleven en bevindt zich in de Groninger archieven. De familie Clant is een belangrijke familie voor de kerk van Stedum geweest en daarom komen we deze familienaam dan ook herhaaldelijk tegen. Het valt op dat men bepaald niet voorzichtig is bij het maken van de aantekeningen in het kerkeboek. We lopen het boek door, op zoek naar alles wat maar te maken kan hebben met het huis Nittersum en haar bewoners[2].


Attestatie
Eerst moeten we even een verklaring geven voor het woord 'attestatie' dat we regelmatig zullen tegenkomen in het boek. Soms wordt het woord 'attestatie' in de originele teksten afgekort tot 'att'. Een attestatie is letterlijk een getuigschrift of attest. In dagelijks spraakgebruik wordt het woord "attestatie" echter gebruikt voor een aantal specifieke getuigschriften. Een attestatie de vitae (soms zonder 'e' gespeld) is een uittreksel uit de bevolkingsadministratie, en vormt een schriftelijk bewijs dat een bepaalde burger in leven is. Door een geld uitkerende instantie zoals een pensioenfonds kan het overhandigen van zo'n attestatie geëist worden, voordat er iets wordt uitgekeerd.

 

Binnen de context van christelijke kerken in Nederland is een attestatie een document dat mensen (individuen of gezinnen) mee kunnen krijgen wanneer ze overgaan van de ene kerk naar de andere. Het nut van het attestaat is dat het kerkgenootschap waar men terecht komt, op de hoogte is van de geestelijke staat van de nieuwe leden, zodat de nieuwe leden goed kunnen worden opgevangen in hun nieuwe omgeving. De attestatie bevat een korte beschrijving van de reden waarom de attestatie is uitgegeven, en bevat verder onder meer de volgende gegevens:
• namen van de betreffende persoon of gezin
• geboortedatum
• doop- en belijdenisdatum (indien aanwezig)
• eventuele kinderen


Doorgaans wordt een attestatie uitgegeven op het moment dat een persoon of gezin - bijvoorbeeld door verhuizing - vertrekt naar een andere kerkelijke gemeenschap die tot hetzelfde kerkgenootschap behoort als de kerk waaruit men afkomstig is. Een attestatie is doorgaans niet interkerkelijk, al wordt daar in sommige gevallen van afgeweken. Sommige gemeentes die behoren tot de CGK, de GKV en de NGK willen onderling nog wel eens leden met attestatie uitwisselen. Dit laatste kerkgenootschap is hier relatief makkelijk over, in de beide andere gevallen gebeurt dit vaak pas na onderling overleg tussen kerkenraden.

 

Onder een aantal gereformeerde kerken is het uitgeven van attestaties gemeengoed, niet bekend is of ook andere kerkelijke denominaties attestaties uitgeven dan wel accepteren. Een aantal andere kerken werkt met het SILA in plaats van met attestaties. Bij verhuizing wordt een lid automatisch overgeschreven naar de gemeente van hetzelfde kerkgenootschap in de nieuwe woonplaats. Het uitgeven van attestaties gebeurt onder meer door:
• Nederlands Gereformeerde Kerk
• Gereformeerde Kerken vrijgemaakt
• Christelijke Gereformeerde Kerk
• Voortgezette Gereformeerde Kerken in Nederland


Voorheen gaven de Gereformeerde Kerken in Nederland ook attestaties uit. Sinds het kerkgenootschap sind 2004 deel uitmaakt van de Protestantse Kerk in Nederland doen de voormalige gereformeerde kerken dit alleen wanneer leden besluiten over te stappen naar de Voortgezette Gereformeerde Kerken in Nederland, of naar een ander kerkgenootschap buiten de PKN. In de andere gevallen binnen Nederland maakt de PKN gebruik van het SILA.

 

Aantekeningen uit het kerkeboek
Op 4 maart 1669 worden niet alleen de belijdenissen aangetekend van Albert Clasen, bakker, Trijntien Derckx en Grietjen Datema, de huisvrouw van Peter Bolt, maar wordt ook melding gemaakt van een scheldpartij die er heeft plaatsgevonden. 'In visitatione op geraden sijnde van haer man, heeft de Redgersche mij uijtgescholden voor een leugenaer, lasteraer, schelm, ick socht haer man de voet te lichten, sij wilde niet te nachtmael gaen, sij had de schijt daervan, haer man wild het oock niet lijden, om dat ick haer selve broot niet gunde, waerop d'Heer Clant in presentie van d'E. Johan Reijners holtcooper ende Timen Haijckens verstaen sijnde, heeft verclaert noijt tegen de Ed. jeets van de Redger gesproocken te hebben, oock dat hij 't hem soude afleeren.'

 

In 1673 doen Clants belijdenis en wel 'd’hoogh Ed. Welgeb. Jufferen Elisabeth Clant ende Helena Clant van Stedum', terwijl ook nog even wordt aangetekend dat Grietien Heertiens 'in de kraem bevallen is (…) ende dat er geen man bekennende is …'. Dit betekent dus dat Grietien mogelijk buitenechtelijk bevallen is. Op 15 juni 1677 komen er weer twee belijdenissen voor. Dit keer zijn het de 'jufferen Willemina en Josina Clant, zijnde de beijde jonghste dochteren van ’t Huijs Nittersum tot Stedum' en op 7 juni van het jaar daarop is dat Klaas Ariens de 'kuitsier van d’heer Clant van de Leecke'. Het is 29 november in hetzelfde jaar als er aantekening wordt gedaan van 'd’hoogh. Ed. Welgebooren Heere Johan Clant, Heere van Stedum, etc'. Omdat deze Johan nogal wat functies heeft, heeft schrijver volstaan met ‘etc’, waardoor een volle pagina schrijfwerk wordt voorkomen. Clant krijgt op 17 juni 1688 schijnbaar een nieuwe huishoudster want 'des tijts met attestatie van andere plaetsen tot ons gecoomen' is ondermeer 'op instantigh versoeck toegelaten zonder attestatie, maer onder gelofte, die selve met de eerste te sullen brengen, d’huishoudersche van d’heer Clant'. Zij wordt niet met naam genoemd en zoals uit de tekst blijkt, wacht men klaarblijkelijk eerst op de attestatie die de lidmaat nog moet brengen.

 

Aantekening van het huwelijk van Josina Clant en Friederich Wilhelm van der Borch.
Afb. boven: Aantekening van het huwelijk van Josina Clant van Stedum en Friederich Wilhelm van der Borch,
kolonel en het Doop – en trouwboek van Stedum uit de periode van 1666-1715 (toeg.nr. 124, inv.nr. 429
folio 55v in de Groninger Archieven, reg. 22-10-1684.

 

Clant vervult in de kerk van Stedum een belangrijke rol. Op 15 juni 1688 is hij kerkvoogd te Stedum als 'Consortium is gehouden in presentie van de heer Clant, beide kerkvoogden en de redger Schiphorst, omdat Aeltien Sijmons jonge dochter en lidmaat kwaad gesproken heeft van verschillende personen, zoals Vrou Brontsema, Glaes Hindrickx, Claes Lippes, Gale Eijses huisvr. En ook van haar eigen vrienden en bloedverwanten'. Ze heeft gezegt dat betrokkenen zich bezighouden met tovenarij en ze heeft Lubbe beschuldigd van diefstal. Dat alles wordt duidelijk op papier gezet en Aeltien wordt ter verantwoording geroepen. Ze verklaart dat ze dronken was en 'niets dan goeds wist van degenen die ze beschuldigd had van tovenarij'. De heren vinden Aeltien echter wel schuldig aan de vergrijpen en ze wordt als straf gesuspendeerd van het avondmaal. Clant van Nittersum is bij de uitspraak aanwezig.

Op 2 dec. 1688 is met attestatie 'tot ons gecoomen Anje Elties, maeght van d’heer Clant van Farmsum' en op 22 nov. 1691 komt met attestatie van Lellens Ebeltien Willems, 'Dienstmeit van die Hoogh Eedel, Welgebooren Heer J. Clant Heer tot Stedum, etc', intrede in de kerk en op 20 mrt 1692 is de heer van Stedum 'om gewichtige oorsaeck' afwezig met het avondmaal. Op dezelfde datum wordt er alweer een huishoudersche van de Heer Clant aangekondigt. Dit keer gaat het om Johanna Raven uit Groningen. Dezelfde Johanna, 'geweesene huishouderse van die Hogh. Eedel Welgeboren Heer van Stedum', vertrekt op 14 juni 1693 weer naar Groningen. Een paar maanden voor haar vertrek naar de stad wordt aangetekend dat het geschil tussen de heer Clant en Eetien Simons, de huisvrouw van L. Grommers, is bijgelegd, want zij wordt weer toegelaten tot de kerk.

Van het overlijden van Johan Clant wordt als volgt melding gemaakt: 'Anno 1694 den 24 September ‘s naghts die klok XI is in den Heere ontslapen die Hoogh en Wel=Eedelgebooren Heer Johan Clant, Heer tot Stedum etc en aldaer den 2 Octob. int Choor der Kercke bij sijne voorvaderen nedergesett verwachtende met alle gelovigen een salige opstandinge in Christo Jesu ten jonghsten dage.' Kort daarop is ' met attestatie vertrocken Swaentien Lulofs gewesene camermeijdt van die Heer van Stedum saliger'. Omdat de weduwe op 23 juni 1695 niet in de kerk wordt aangetroffen wordt daarvan melding gedaan: 'D’Hoogh Eedel Welgebooren vrouw, mevrouw Elisabeth Clant van Stedum, weduwe Leewe, vrouw van Stedum, Ringnum, Uitwijrda etc.', maar ook afwezig blijkt 'D’Hoogh Eedel, Wel Gebooren Juffer Anna Elisabeth Ripperda' te zijn. De borgbewoners komen we in dat jaar in het kerkeboek niet meer tegen. Wel wordt nog vermeld dat op 21 juni 1696 'met attestatie van Hevenskens (=Heveskes) Anje Garbrants j.d. veemeit an t huis Nittersum'. Uit deze tekst blijkt dat er dus blijkbaar ook vee op de borg wordt gehouden, maar eerder zal dit het geval geweest zijn op een heerd die bij de borg heeft gehoord. Samen met Maria Woldringe vertrekken de 'dienstmeiden van de borgh tot Stedum' weer en er wordt toegevoegd 'sijn met onse attestatien vertrocken, de eerste na Groningen, de laatste na Hevenskens'.

 

Registratie van het huwelijk tussen Reijnt Leeuwe en Hillena Clant van Stedum.
Afb. boven: Registratie in het Doop- en Trouwboek van Stedum op 7 jan. 1682 tussen Reijnt Leeuwe
heer van Middelstum en Hillena Clant van Stedum (Coll. DTB, toeg.nr. 124, inv.nr. 429, folio 54v.

 

Het duurt vervolgens tot 14 sept. 1704 voor we weer iets tegenkomen over de borg Nittersum, dan worden als absent genoemd 'De Hoogh Eedel Wel Geb: Juffer Willemina Leeuw mede erfdochter van Nittersum tot Stedum etc. als oock De Hoogh Eedel Wel Geb: Juffer Elisabeth Adoleth van der Borgh: dochter van wijlen de Hoogh Eedel Wel Geb: Heer Colonel van der Borgh'. Wie deze Juffer Elisabeth is, hebben we nergens kunnen vinden. In ieder geval is ook hier de schrijver niet van plan alle titels op papier te zetten en wordt volstaan met 'etc'. Op 25 dec. 1704 komt hoogmoed volgens het kerkeboek ten val als Jeltje Dercks absent wordt gemeld omdat 'weinigh dagen te vooren op de Kercken Reeckendagh de Hoogh Eedel Wel Geb: Heer van Stedum an Jelte Dercks de kerckvooghtschap (die hij door grootsheijdt selfs an sigh hadde genoomen, en hijr in groote gloorij stelde) hadde opgeseijt gelijck oock an sijn Consvater Alje Coënes, waerop Jelte Dercks seer is geraeckt en ontrust. Etc. Dogh hooghmoet gaat ordinarijs voor den val'. Bij de juffer op Nittersum komt op 21 juni 1705 een zekere Maria van Baeckholt J.D. van Deventer 'wonende ant aadelijcke huis Nittersum tot Stedum bij de “Juffer Leewe van Cantes als Cameier'. Schijnbaar gaat hier hierbij om een soort kamermeisje. Weer een jaar later, op 24 mrt 1706 zijn 'na gedane belijdenisse toegekomen De Hoogh Eedel, Wel Geb: Heer, mijn Heer Everhard Frederick baron van Linteloo, Heer tot Stedum en Uitwierda; Ende de Hoogh Eedel Wel Geb: Vrouw, mevrouw Peternella Leewe, nu baronesse van Lintelo, vrouw van Stedum en Uijtwierda; Met attestatie van andere Gemeinten sijn als lidtmaat tot ons gekoomen Margareta Louters J.D., wonende an het hoogh aadelijcke huis tot Stedum met attestatie van Groningen en Jacob Sigers wonaghtigh in de Weer met attestatie van Hoogh Kercke', terwijl drie maanden later 'Wolter van Ruinen, wonende an het hoogh aadelijcke huis Nittersum, met attestatie van Groningen' wordt ingeschreven. Deze Wolter vertrekt al weer samen met 'Margrete Louters beide gewont hebbene an’t Adelijcke Huis tot Stedum', terwijl op dezelfde dag drie personen aankomen, waarvan Gerlof Jannes 'vrijgesel', 'wonagtigh int Adelijcke Huis tot Stedum en met attestatie van Groningen'. We zien hier dus telkens dat de borg niet altijd met Nittersum wordt aangeduid maar met 'het Hoogh aadelijkcke Huis'.

Dat de Heer van Stedum in de kerk nog altijd flink wat in de melk heeft te brokkelen blijkt in september 1707: Peter Clasens heeft ten laste van de predikant gesproken, maar wordt in het ongelijk gesteld. Mr. Havercamp is tijdens een vergadering het huis van de predikant binnengedrongen en is uitgevaren tegen de predikant. Jan Peters wijst hem terecht. Het blijkt dat: 1e. Havercamp Lubberts Martien dikwijls onder de schorteldoek gevoeld heeft (...), en met haar gezoend heeft (terwijl hij over de 70 jaar is); 2e. Hij heeft zijn eigen vrouw al 2 x geslagen; 3e. Hij heeft al verschillende keren te veel gedronken. Dit is door verschillende mensen bevestigd. Hij wordt gesuspendeerd van het avondmaal, met instemming van de heer van Stedum. De borgheer blijkt dus heel wat in te brengen! Daarnaast wordt het diakenschap hem afgenomen. Willem opt Holt wordt diaken en bevestigd op midwinters tweede dag in dat jaar. Pas in juni 1708 mag Mr. Havercamp weer deelnemen aan het avondmaal. De oude man bakt het wel bruin; drie maanden later heeft Mr. Havercamp zich weer ergerlijk gedragen en wel 'bij het uitigst van Jelte Gortmaeckers kind. Hij heeft in het bijzijn van verschillende getuigen, bij de hoer Martien onder haar schoteldoek gevoeld'. Martien heeft in onecht al een kind 'vergewonnen'. Daarop heeft Dewer, de vrouw van Jeltje Gortemaecker geroepen: "Zie de koster met Martien!”. Mr. Havercamp wordt geadviseerd zich van het avondmaal te onthouden, wat hij belooft totdat het gericht hem gezuiverd heeft. De Richter R. Schiphorst heeft vier getuigen die verklaard hebben dat ze het gezien hebben: Dewer, Jelte Gortemaeckers vrouw, Martien IJsebrant IJbes dochter en Jan Jans en zijn vrouw Wellemt wonende op de Camp. Richter Schiphorst heeft deze vier weer naar huis laten gaan: als hij ze nodig had zou hij ze wel oproepen.

 

Zelfs als de Juffer en de Heer van Stedum even het dorp uit zijn en zij niet op het avondmaal (kunnen) verschijnen, wordt daarvan aantekening gedaan in het kerkeboek. Zo staat er op 31 mrt 1709 geschreven dat 'de heer en vrouw van Stedum absent zijn, omdat ze in Groningen waren'.

 

Op 24 november van het jaar 1715 maakt Bernhard Stortenbeeck, Daventriae Transisalanus zijn intrede als predikant van de kerk te Stedum. Hij maakt dan een lijst van alle ledematen 'der Gemeijnde Jesu Christi tot Stedum” en begint de lijst met Evert Frederik Baron van Lintelo en Petronella Leuw, baronesse van Lintelo, Heer en Vrouw van Nittersum, Stedum, Ringenum, etc; de Freulin Petronella Leuw ten Huijse voorsch'. Ebeltijen Willems, 'veemeijt op ‘t Hooghad[elijke] Huijs Nittersum, nu huisvrouw van Fredrick Garments schoemaker (vertrocken)' is in maart 1717 vertrokken en ruim een maand daarop doet dat ook een zekere Bernard Jan Probighs van Dessauw, gardenier op ’t H.A. Huijs Nittersum. Daarna wordt het huis Nittersum een tijdlang niet vermeld. Pas op 4 juli 1723 is Cornelia Sweighuijsen j.d. camenier van de baronesse van Lintelo etc. op ’t Huis Nittersum met attestatie van Oosterwijtwert aangekomen. Op 29 okt. 1724 komt Hijke Lubbers als 'kockmeijt' werken op Nittersum. Ze is afkomstig uit Farmsum.

 

Plattegrond van Nittersum.

Op 30 sept. 1736 komt er weer een nieuwe predikant in Stedum. Het is Johannes Petrus Bruinwolt die dan op huisbezoek gaat en op de borg, aan ’t Hoogh Adelijcke Huijs Nittersum, de volgende zes personen denkt aan te treffen: 'Everhard Frederik Baron van Lintelo; Petronella Lewe, baronesse van Lintelo, Heer en Vrouw van Nittersum, Stedum, Ringenum etc, alsmede Freule Petronella Lewe (vertrocken met attestatie na de Stat); Hilje Pieters Kock maaght; (vertrocken met attestatie); Kornelis Willems de Waart, koetsier zijnde des tijts met attestatie aangekomen van ’s Gravenhage (vertrocken met attestatie nae Groningen) en Hartman Kimmel de Kok (vertrocken zonder attest)'.

 

In een volgende aantekening uit september 1736 wordt Kornelis Willems de Waard genoemd, afkomstig uit ’s Gravenhage en koetsier aan het huis Nittersum te Stedum, 'naderhant alhier snickevaarder'. Op 14 april 1737 zit men klaar voor het heilig avondmaal als blijkt dat de heer en vrouw van Stedum naar Groningen zijn geweest en moeten ze wachten tot ze terug zijn. Ze zullen vervolgens op het huis moeten uitzien naar een nieuwe kok, want Johan Christiaan Schultze, 'kokman op ’t Huijs Nittersum vertrekt met attestatie van Bangwert uijt Vrieslant' en in juni van het jaar daarop vertrekt er een Anna Louise Frantzius.

 

Op 2 okt. 1746 is 'op belijdenis des Geloofs toegedaan Johanna Louisa Isabella Florenetina baronesse van Lintelo, Freule van ’t Hoogh Adelijk Huijs van de Marsche, thans resideerende op ’t Huijs Nittersum” en op 21 juli 1748 “zijn met consent van sijn H.W. Geb. Heer van Stedum, etc etc, door de lidmaten der Gemeijnte verkoren…' en vervolgens worden de namen van de ouderlingen en diaken genoemd. Op 26 mrt 1752 laat men op het huis Nittersum de E Hieronimus Hermig toe als hovenier. Hij komt uit Bolsward.
In aug. van het jaar 1757 treft de nieuwe predikant P. Bolhuijs, slecht drie personen op Nittersum aan. Het zijn Everhard Fr. Baron van Lintelo etc, Petronella Lewe baronesse van Lintelo etc en eigenlijk ook nog Johanna Louisa Isabella baronesse van Lintelo etc, doch de laatste is vertrokken. Op 1 sept. 1761 wordt het avondmaal uitgesteld, deels wegens de dood van de heer en vrouw van Stedum en deels doordat de predikant Ds. Havinga in het Zandt moest bevestigen. Het blijkt ook dat Joh. De Beer en zijn vrouw in 'echtverbrekinge' met elkaar leven. Men weet echter niet zo goed wat er mee te doen en dus laat men het even zo. In november worden er weer oudelingen en diaken voorgedragen, maar voor het eerst speelt heer de heer van Nittersum geen enkele rol. Pas op 18 okt. 1765 hebben voor de eerste keer aan het avondmaal deelgenomen, maar nog zonder attestatie van Scheemda, de Hoog Wel Gebor. Mevr. Van Stedum Gemalline van de Hoog Wel Geboren de Heer J.H. Gerlacius Heer tot Stedum. Nu wordt het tijd dat er een nieuwe diaken wordt aangesteld en dat wordt met eenparige stemmen Aldert Klasens, 'op aanbeveling van de Heer van Stedum'.

In maart 1766 heeft 'gekundigt op attest van Den Haag, Susanne du Temps mademoiselle op het huijs Nittersum tot Stedum, met att. vertrokken na Den Haag en afgegeven den 10 Junij 1766'. +

 

+Dan volgt op 3 aug. 1766 een acta in verband met slecht gedrag van Wibbe Migchiels. De getuigen Aaltje Alberts, Harmannus Wilkes, Wessel Harms, Jan Willems, Jacob Havinghe en Anje Jans getuigen als volgt: Harmannus Wilkens verklaart dat Wibbe een tijd op de hoer gelegen heeft in Anje’s huis. Wibbe bevestigt dit. Jan Timmer oftewel Jan Willems verklaart dat hij door een soldaat bij het haar is gepakt en dat die hem op tafel gelegd heeft. De reden was dat Wibbe een hoed moest dragen van de soldaten en dat Jan die afgeslagen heeft. De soldaten hebben om hem heen gedanst en gedronken. Wibbe zegt dat dit wel gebeurd kon zijn. Wessel Harms verklaart dat Wibbe een beetje dronken is geweest en op bed gelegen heeft, maar dat er verder niets gebeurd is. Wibbe zegt dat dat waar is. Wedman Jacob Havingha verklaart dat er niets gebeurd is. Wibbe zegt dat hij dat ook gezegd heeft. Aaltjen Snijder zegt dat Wibbe slingerde als een dronken mens 'nij ’t vlasland' van de dominee. Wibbe zegt dat dit klopt. Anje Jans verklaart dat Wibbe dronken bij haar kwam. A. Tonnis en zijn vrouw waren net komen koffie drinken. Wibbe had ook wat koffie gehad, had daarna een uurtje aan tafel geslapen en daarna weer jenever gedronken. Wibbe dacht toen dat hij in Wolters huis in de Weer was. Donderdagmorgen om 9 uur was hij er weer en heeft 2 roemers gebroken, waarop Harmannus Schepper zei dat hij naar huis moest gaan. Wibbe werd kwaad en vroeg of Harmannus een slag om de hals wilde hebben. Wibbe bevestigt dat hij in Anje’s husi geweest is en koffie en jenever gedronken heeft, maar hij weet niet meer of hij gevloekt heeft of 2 roemers gebroken heeft. De heer van Stedum en de kerkenraad adviseren om het hier even bij te laten. Wibbe dient 2 attestaties in zijn voordeel in. Op 21 dec. 1766 wordt de zaak van Wibbe Wigchiels weer behandeld, maar die is afwezig wegens zware verkoudheid. Besloten wordt om ergernis in de gemeente te vermijden om hem te verzoeken zich te onthouden van het avondmaal en op 25 april 1767 wordt de zaak van Wibbe aangehouden.

 

Het huisje zoals dat tot 1970 op het borgterrein heeft gestaan.
Foto boven: Het witte huisje op de borgstee dat daar heeft gestaan tot het in 1970 is afgebroken.

Tot slot blijft er nog een lijst van ledematen van de gemeente Stedum over en dat is die van Ds. Arnoldus Oudeman. Als eerste komt hierop voor dat de Hoog Wel Geb. Heer J.H.V.G. Gierla Gerlatius Heer van Stedum, etc, etc, op 3 mei 1774 is overleden in ’s Gravenhage en dat hij daar in de kloosterkerk is begraven. Gerrit Jan Bulsinch, de hovenier op het Hoogadelijk huis Nittersum is al vertrokken op 3 febr. 1772 met attestatie naar Veendam, terwijl ook de Juffer J. Dickeboom in 1774 vertrekt. Het huis blijkt echter nog niet helemaal leeg te zijn want de Hoog Wel Geb Jonker Tjaart Adriaan Gerlacius,zoon van de Hoog Wel Geb Heer J.H.V. Guara Gierla Gerlacius Heer van Stedum met attestatie van IJsselstein vertrekt op 14 aug. 1773. Aangetekend wordt nog dan hij is vertrokken naar Appingedam op 10 maart 1780. Veel leven zit er niet meer in het huis. Op 11 aug. 1780 wordt nog genoemd 'Mevrouw van Stedum Tateke Helena Henrica Gerlacius geweesen Gockinga', maar zij is dan al overleden. Op 14 juni 1801 vinden we de laatste aantekening over een bewoner van het huis in 'De Hoog Wel Geboren Heer T.A. Gerlacius, Heer van Stedum, etc etc etc is met attestatie van Appingedam herwaarts gekomen', echter hij is overleden. Daarmee sluit het kerkeboek van Stedum. Het huis wordt publiek verkocht en in 1818 geheel gesloopt. Het einde van een tijdperk .

 

 

Herinrichting borgsteen Nittersum te Stedum

Herinrichting van het borgterrein.

In het wierdedorp Stedum bestond al jaren de wens het borgterrein Nittersum, centraal gelegen in het dorp, her in te richten. Vooral de borgstee, de locatie waar tot 1818 de borg had gestaan, maakte een verwaarloosde indruk. De Vereniging Dorpsbelangen Stedum benaderde in 2001 Landschapsbeheer Groningen met het verzoek het borgterrein op te nemen in haar project Verborgen Terreinen, dat beoogt voormalige borgterreinen weer zichtbaar te maken, middels herstel en door nieuwe functies te ontwikkelen. Landschapsbeheer heeft een meervoudige ontwerpopdracht gehouden met als doelstelling de borgstee de nieuwe functie van huiskamer voor de Stedumers te geven.


Landschapsbeheer Groningen heeft in samenwerking met de Vereniging Dorpsbelangen Stedum bijeenkomsten voor de inwoners van Stedum gehouden, waarin wensen ten aanzien van de herinrichting van de borgstee Nittersum kenbaar konden worden gemaakt. Een aantal van deze wensen, zoals de uitdrukkelijke wens in het ontwerp op een of andere wijze de contouren van de borg te visualiseren, is onderdeel van het programma van eisen geworden. Daarnaast heeft Landschapsbeheer Groningen intensief overleg gehad met de gemeente Loppersum, eigenaar van het borgterrein. Twee randvoorwaarden die door deze gemeente aan het ontwerp werden gesteld zijn duurzaamheid en onderhoudsarm zijn. De meervoudige ontwerpopdracht bedroeg een tijdspanne van zeven maanden met als eindresultaat de presentatie van het definitieve ontwerp voor de borgstee. Tot een bepaalde datum konden de ontwerpbureaus hun schetsontwerpen aanleveren, waarna deze werden beoordeeld door een beoordelingscommissie bestaande uit deskundigen en door de inwoners van Stedum. Zowel het advies van de beoordelingscommissie als het advies van de inwoners van Stedum waren niet bindend. Landschapsbeheer Groningen, de opdrachtgever, heeft begin april 2005 de beslissing genomen welk ontwerpbureau de opdracht zou krijgen voor het maken van een definitief ontwerp. Op het borgterrein heeft altijd nog een huisje gestaan, maar die is verdwenen (zie foto). De binnengrachten zijn weer uitgegraven en de oprijlaan is weer naar de Delleweg doorgetrokken, bij het spoor. Het terrein is weer goed zichtbaar gemaakt.

 

Noten:


[1]
VERHULST (Rombout), katholiek gedoopt te Mechelen 15 Jan. 1624 (als ‘Romoldus’), begr. in de Grote Kerk te 's Gravenhage 27 Nov. 1698, beeldhouwer. Hij is de oudste van een zestal kinderen van de bakker Philip Romboutsz. Verhulst te Mechelen en diens vrouw Catharina de Hondt. In 1633 wordt hij leerling bij de beeldhouwer Rombout Verstappen te Mechelen, na diens overlijden in 1636 bij François van Loo. Vermoedelijk begeeft hij zich vervolgens naar Italië, waar hij volgens Terwesten (bij Kramm) ‘de beste antiquen gestudeert en ook bij een voornaam meester geleert’ heeft. Via Antwerpen begeeft hij zich naar Holland; volgens een acte gepasseerd voor notaris P. de Bary te Amsterdam dd. 17 Oct. 1646 bevindt hij zich dan reeds te Amsterdam. Hier horen wij wederom voor het eerst van hem, wanneer hem als medewerker van Quellinus beeldhouwwerk wordt opgedragen voor het nieuwe Stadhuis. Vermoedelijk heeft hij groot aandeel gehad in de omstr. 1654 tot stand gekomen grifflersbank. Verder is werk van zijn hand het bas-relief ‘de Stilswigentheyt’, ‘Getrouwigheit door den hondt’ en de Venus-groep (omstr. 1655), alle nog in het tegenwoordig Kon. Paleis te Amsterdam aanwezig. De bekendheid door deze werken verworven is oorzaak, dat hem een praalgraf voor de admiraal Tromp wordt opgedragen, op te richten in de Oude Kerk te Delft, welk werk door hem met medewerking van Willem de Keyzer naar een ontwerp van Jacob van Campen in 1658 wordt voltooid. In hetzelfde jaar verhuist hij naar Delft, waar hij gewerkt heeft aan de nieuwe Waag (o.a. is van zijn hand het groote bas-relief aan de voorgevel) en het Pesthuys (1660); ook dateren uit die tijd de praalgraven voor burgemeester van der Werff in de St. Pancraskerk te Leiden (1661) en dat van Johannis Polyander van Kerckhoven in de Sint Pieterskerk aldaar (1663). Het laatste werk door Verhulst in zijn Leidse periode vervaardigd, luidt zijn bloeiperiode in en heeft veel tot zijn roem bijgedragen; dit is de graftombe voor Willem van Lyere en zijn vrouw in de kerk te Katwijk-binnen (1663). In hetzelfde jaar 1663 verhuist hij naar 's Gravenhage (de kwitantie voor laatstgenoemd werk dd. 30 Nov. is reeds aldaar gedagtekend), waar hij een tijdperk van groten voorspoed tegemoet gaat. De opdrachten stromen hem toe, terwijl zijn werkzaamheden hem nu eens naar Groningen of Zeeland, dan weer naar Amsterdam, Rotterdam of Utrecht brengen. Zijn meestergeld voor het gilde betaalt hij in de hofstad op 15 Nov. 1664; hoofdman bij het gilde is hij in de periode 1668-69, 1671-72, 1676, 1680, 1684-86 en 1690-94, terwijl hij in 1676 lid is van de confrerie Pictura. Uit deze bloeitijd dateren de praalgraven voor: baron von Inn- und Kniphausen in de kerk te Midwolde (1669), Joh. van Gheel, heer van Spanbroek in de kerk te Spanbroek (omstr. 1668), Henric Thibault te Aagtekerke (1669), Dirck Graswinckel in de Grote Kerk te 's Gravenhage (1670), admiraal Willem van der Zaan in de Oude Kerk te Amsterdam (1670), Hier. van Tuyl van Seerooskerke te Stavenisse (overl. 1669) en Johan Clant van Stedum in de kerk te Stedum (Gron. 1672). Vermelding verdient nog, dat in 1665 door de Staten-Generaal besloten is tot oprichting van een praalgraf voor de admiraal van Wassenaar-Obdam; het ontwerp van Barth. Eggers wordt in dit geval boven dat van Verhulst gesteld en tot uitvoering gebracht. Na zijn 50ste jaar treedt bij Verhulst een periode van achteruitgang en verval in. Uit die tijd dateren de praalgraven voor admiraal Isaäc Sweers in de Oude kerk te Amsterdam (1674), voor Willem Josef baron van Gendt in de Domkerk te Utrecht (omstr. 1674), voor Michiel de Ruyter in de Nieuwe Kerk te Amsterdam (1681) en voor de gebroeders Evertsen in de kerk te Middelburg (1682). Vooral het grafmonument voor de Ruyter verwerft grote bekendheid; het is pompeus doch krachteloos van uitvoering. De graftomben van Verhulst leggen getuigenis af van onze in de gouden eeuw verworven welvaart en rijkdom. Technisch gesproken zijn zij voortreffelijk uitgevoerd, vooral ten aanzien van de liggende figuren weet Verhulst ‘in 't marmer te schilderen’. De achtergrond van wapens, tropheeën enz. maakt echter meestal een rommelige en onarchitectonische indruk. Daarbij komt dat de praalgraven alle naar één schema zijn gemaakt, zodat zij ondanks velerlei variaties enigszins eentonig aandoen. Met Quellinus vertegenwoordigde Verhulst hier te lande de nieuwe richting in de beeldhouwkunst, die ten opzichte van vroegere kunstuitingen streeft naar meerdere losheid in de compositie en vrijer rangschikking der onderdelen. Verhulst heeft ook talrijke portretbusten gemaakt van sober en weldoordacht realisme. Zo heeft men van hem een buste van een onbekende in het Utrechts museum (1656), een borstbeeld van Jacob van Reigersbergh (1671), een buste van gebakken aarde in het Ned. Museum te Amsterdam (omstr. 1672), busten van Frederik Hendrik, Prins Willem II, Maria Stuart en Willem III (1683) in het Mauritshuis te 's Gravenhage, enz.Verhulst is nimmer getrouwd geweest. Onbekend is of hij in Holland katholiek is gebleven. Op 10 Aug. 1677 maakt hij voor notaris G. van Dalfzen te 's Gravenhage zijn testament, waarbij hij tot universeel erfgename benoemde Christina Ignasdr. Verkest, een dochter van zijn zuster Catherine Verhulst. Op 27 Dec. 1692 maakt hij een nieuw testament, waarbij hij als enig erfgenaam instelt zijn neef Anthony Matthijsz. te Mechelen, terwijl hij ten slotte bij uiterste wilsbeschikking van 3 Juni 1697 de Haagse kooplieden Pieter van Beaumont en Richard van der Kun tot zijn erfgenamen maakt.
Zijn leerlingen zijn Jan Blommendael, Nic. Millich, Mart. de Meester, Thomas Sacx en Nic. Sonag. Zijn portret is door Barth. van der Helst geschilderd.

[2] Als bron voor de teksten van het kerkeboek hebben de lidmatenlijsten van 1666 tot 1757 gediend, uitgewerkt door Gert Schansker op 19 december 2004, de eerste versie periode 1769-1776 door Thea Siegers in mei 2007. Het geheel is geredigeerd en aangevuld door Henk Blok in juni 2007. Deels is alles nagekeken in okt. 2006, resp. juni 2007 (tot aan 1692). Aangetekend dient nog te worden dat het eerste blad van het boek, de onderste helft beschadigd, resp. missend is, waarbij het gaat over de ledematen der “Gemeijnte tot Stedum” ind’ eerste visitatie bij mij Arnoldum Warendorp Pastorum gevonden Anno 1666 etc…”.



Andere bronnen en referenties:


1. De Ommelander borgen en steenhuizen, Dr. W.J. Formsma, R.A. Luitjens-Dijkveld, A. Pathuis, Assen 1973,ISBN 90 232 1047 6.
2. (Verhulst) R. van Eynden en A. van der Willigen, Geschiedenis der vaderlandsche schilderkunst (1816-42) I, 200, IV, 120; C. Immerzeel, De levens en werken der holl. en vl. kunstschilders (1843), III, 176; C. Kramm, De levens en werken der holl. en vl. kunstschilders (1857-64), VI, 1721, Suppl. 155; Nagler, Neues allgem. Künstler-Lexikon (1835-52) XX, 107; Em. Neeffs, Histoire de la peinture et de la sculpture à Malines (1876), II, 203; G. Galland, Geschichte der holländischen Baukunst und Bildnerei (1890); Obreen, Archief voor Ned. kunstgeschiedenis (1877-87), IV, V; M. van Notten, Rombout Verhulst, beeldhouwer 1624-98 ('s Gravenhage 1907); M.v. Notten, Twee portretbusten door Romb. Verhulst in Het huis, oud en nieuw V (1907), 211; W. Vogelsang in Bulletin v.d. Oudheidk. Bond (1908), 44; A. von Wurzbach, Niederl. Künster-Lexikon II (1910), 771; Oud-Holland (1889) 219; (1918) 247; (1920) 163, 164; A. Bredius, Künstler-Inventare, reg. i.v.; C.H. de Jonge in Kunstgeschiedenis der Nederlanden onder red. van H.E. van Gelder (1936), 360, 361).
3. RHC GA (Groninger Archieven).

 

 

 

Deze pagina maakt deel uit van www.nazatendevries.nl.
Aan bovenstaande tekst is de uiterste zorgvuldigheid besteed. Desondanks kunnen er best fouten voorkomen.
Constateer je fouten en/of heb je vragen, correcties, aanvullingen...geef die dan even aan mij door via mijn E-mail adres.
Laat ook eens een bericht achter in het Gastenboek.
Hoogeveen, 00-02-2009.
Revisie: 03-09-2013.
Verhaal: © Harm Hillinga
.
Menu Artikelen.
Terug naar de HomePage.
Top