De familienaam Groenbroek is een zogenaamde adresnaam. Zeer veel familienamen zijn van toponiemen, aardrijkskundige namen, afgeleid. Deze namen geven aan waar men oorspronkelijk  vandaan komt en heten aldus; herkomstnamen; welk gebied of landgoed men heeft bezeten of heeft beheerd, of welke huizen men al dan niet met bijhorend land in eigendom of pacht heeft gehad. Bij deze laatste groep duiden de namen tevens aan waar men heeft gewoond. Straatnummers zijn immers nog niet ingevoerd! Dit type naam wordt dan ook wel met de term 'adresnaam' van de herkomstnamen onderscheiden. Herkomstnamen gaan voornamelijk terug op namen van steden, dorpen en landen; adresnamen op microtoponiemen: namen van huizen, velden, waterlopen, straten.

 

Voorbeelden van (andere) adresnamen:

- Van der Heide, Hordijk, Van der Meulen, Nijdam, Verdonk, Van der Werf
- Boerderijnamen in het (noord)oosten van het land eindigend opagina -ing of -ink: Aalderink, Bruggink, Joling, Lanting, Lieftink, Oonk.
- Andere boerderijnamen als Nijhof, Bronsvoort, Nooitgedagt
- Huizen en herbergen: Bontekoe, Fortuin, Hardebol, Hoppezak, Nagtglas, Spiegel, Van der Wereld.


Tot deze subgroep behoren ook de namen die aan scheepsnamen zijn ontleend.

Zonder genealogische achtergrondinformatie kan men familienamen niet zomaar volgens de simpele verdeling van toponiemen hierboven indelen. Men zou bijvoorbeeld kunnen veronderstellen dat de familienaam Hinlopen op de Friese plaatsnaam Hindelopen teruggaat. Het blijkt echter geen herkomstnaam te zijn. Deze naam is ontleend aan een huis 'daer Hindelopen uythangt', dus een huis genaamd Hin(de)lopen met de plaatsnaam afgebeeld op een uithangbord.

 

Verwant met de herkomstnamen zijn de woonplaatsnamen of adresnamen. Maar in deze categorie wordt niet de voormalige, maar de actuele woonplaats van de naamdrager genoemd, zijn domicilie als het ware. Net zoals de herkomstnamen bevatten ze een topografische aanduiding, die verwijst naar een vast punt in het ruimtelijke referentiekader van een kleinschalige gemeenschap. Dat kan bijvoorbeeld de woning zijn van de naamdrager, zoals zijn huis, kasteel, hoeve, herberg, de landschappelijke sector waarop of waarbij hij woont, zoals een bos, een heideveld, een moeras, een cultuurlandcomplex, of een ander verschijnsel dat dienst doet als ruimtelijk richtpunt (waterlopen, waterovergangen, grenspalen, veldkruisen, stadspoorten, alleenstaande bomen, galgen, uitkijkposten, enzovoort. Zowel herkomstnamen als woonplaatsnamen bevatten dus een aardrijkskundige benaming. Bij de eerste categorie gaat het om namen die al tot vaste plaatsnaam of toponiem zijn versteend op het ogenblik dat er bijnamen mee worden gevormd. Het topografische woord aan de oorsprong van woonplaatsnamen kan evengoed al toponymische status hebben gehad, maar de beschrijving van iemands adres kan ook gebeuren aan de hand van uitdrukkingen met de soortnaam voor het werkelijkheidsgegeven waar de persoon gelokaliseerd wordt. Zo kan de stamvader van een familie Van der Heijden(n), Van den Heede of Van Hee inderdaad aan of op een heideveld hebben gewoond, maar ook in een gehucht waar alle heide al eerder in cultuurland is omgezet, en dat naar zijn voormalige status de eigennaam Heide of ter Heide(n) heeft gedragen. Het enige waar we met zekerheid van uit mogen gaan, is dat de bakermat van de familie gezocht moet worden op een plek die ooit een heide is geweest (...).

 

De classificatie van terreinwoorden binnen een bepaalde rubriek [natuurland, cultuurland, bos] is meermaals voor discussie vatbaar. Immers, zoals alle soortnamen staan ook landschappelijke benamingen bloot aan betekenisevoluties, en een woord kan vanuit verschillende betekenisstadia tot plaatsnaam zijn geworden, en vervolgens tot bestanddeel van woonplaatsnamen. Zo heeft de oorspronkelijke natuurland benaming ‘veld’ in tal van dialecten al vroeg de betekenis 'bouwland(complex)' aangenomen, en gaat de verkleinvorm ´veldeke´ plaatselijk (in Zuid-Oost-Vlaanderen) zelfs een heel specifiek perceelstype aanduiden, namelijk een omsloten bouwlandperceel in privé-exploitatie, bestemd voor de teelt van gewassen die niet onderworpen is geweest aan de verplichte driejaarlijkse wisselbouw die geldt voor de productie van broodgraan. Elders in Vlaanderen heette zo'n perceel ´bilk´, in Brabant ´blok´. Bovendien, als een terreinnaam vanuit de een of andere betekenis tot vaste plaatsnaam is geworden, blijft die in de regel met die plaats verbonden, ook al verandert het benoemde terrein van uitzicht en bestemming. Dat principe van naamsbehoud bij veranderende werkelijkheid verklaart waarom in gebieden waar ‘veld’ als soortnaam nooit een 'bouwland'-betekenis heeft aangenomen, toch vele cultuurlandcomplexen een 'veld'-naam dragen. We hebben dus vaak geen zekerheid over de aard en het uitzicht van het terrein op het ogenblik dat de naam ervan aanleiding geeft tot bijnamen en familienamen. De stamvader van een familie Van de Velde kan dus zowel in een woeste omgeving hebben gewoond, als bij een uit 'veld' ontgonnen cultuurcomplex, dat toponymisch als veld wordt aangeduid. Het is dus beslist onjuist om in elke 'topografische' familienaam de etymologische betekenis van het achterliggende terreinwoord te projecteren.

 

Familienamen uit hetzelfde topografische grondwoord vertonen heel wat klank-, vorm- en spellingvariatie. Vele ervan zijn immers gefixeerd in hun dialectische gedaante, met regionaal bepaalde klankvarianten als heide/hee, broek/breuk, moes/moos, enz. Morfologisch verschillen namen in hun samenstelling; ze bevatten al of niet een voorzetsel en/of lidwoord, afleiding (verschillende suffixen) of flexie.

 

De morfologische hoofdtypes zijn [1]:

- onverbogen hoofdwoord zonder voorzetselaanloop: Bos

- hoofdwoord met genitiefuitgang: Broeks

- voorzetsel + (al dan niet verbogen) lidwoord + (al of niet verbogen) hoofdwoord: Van de(n) Bos(se)

- voorzetsel alleen: meestal 'van' (= samentrekking van 'van den'): Van Bos, soms een ander

voorzetsel, b.v. Ten Bos(se).

- ver- (samentrekking van 'van der') + hoofdwoord: Verkouter

- hoofdwoord + element -man(s): Bosman(s)

- hoofdwoord + suffix -ma: Miedema [2]
 

Aantal naamdragers ´Groenbroek´ bij de volkstelling van 1947 volgens het Nederlands Repertorium van Familienamen:

Groningen

96

Friesland

0

Drenthe

4

Overijssel

2

Gelderland

0

Utrecht

0

Amsterdam

0

Noord-Holland

5

Noord-Holland totaal

5

Den Haag

0

Rotterdam

0

Zuid-Holland

0

Zuid-Holland totaal

0

Zeeland

0

Noord-Brabant

0

Limburg

0

Totaal

107

 

De naam ´Groenbroek´ lijkt volgens de bovenstaande tabel een typische Groningse familienaam te zijn. Bij de volkstelling van 1947 treffen we de familienaam in heel Nederland slechts 107x aan, waarvan 96x in de provincie Groningen.

Anno 2007 zijn er in de provincie Groningen in ieder geval nog 41 gezinnen die geregistreerd staan met een telefoonnummer, exclusief die een geheim nummer hanteren, waarvan 4x in de stad Groningen. In Drenthe zijn dat er 4.

 

Naamsverspreiding over Nederland.

 

 

Groen

Naamsvermeldingen en literatuurreferenties:

Mijn verwanten

• Pieter Groen, Rijswijk 1432 = Pieter Groen Willems zoon, 1443 (archief van het klooster Nazareth) [Sernee-1920, pagina 168].
• Pieter Adriaensz Groen, bouwman "benoordenhout", Haagambacht 1543 [Zijl van-1989, pagina 497].
• Cornelis Jacobsz Groen, Huisduinen 1636 [Schoorl-1998, pagina 77].
• "Jan Michielse, die zich later Jan Groen noemde, was de scheepsbouwmeester van de onderneming", op scheepswerf op Kattenburg, Amsterdam, anno 1655 [J.L. Meijer, 'De oostelijke eilanden', in: Ons Amsterdam 41 (1989), nr. 2, pagina 40].
• Jan Cornelisse Groen, huwelijk Oud-Beijerland 1662 [Slootweg-1997, pagina 55].
• Cornelis Gerritsz Groen, gedoopt: Maasland 1687, huwelijk aldaar 1718, kuiper; zoon van Gerrit Cornelisz Groen [M. van der Kooij (samenst.), Van der Kooij. Grepen uit de geschiedenis van een oud boerengeslacht, 1988, pagina 149].
• Harmen Claasz Groen - schip Groenewoud, Venhuizen ca. 1700 [Royen van-1987, pagina 284].
• Vondeling op de hoek van het Lamgroen, Den Haag 1699 [S.E. Veldhuijzen, “Ik heb er geen brood voor." Vondelingen te 's-Gravenhage', in: Jaarboek Die Haghe (1985), pagina 46].
• IJsbrand Jacobsz Groen, huwelijk Westzaan 1725 ['Nieuwe boeken', in: Med. CBG 38 (1984), nr. 3, pagina 5].
• [G. van der Toorn, Het geslacht Groen te Zantvoort, Scheveningen en Katwijk aan Zee, Scheveningen 1991; vergelijk: Meded. CBG 47 (1993), nr. 3, pagina  85].
Groeneveld [R.F. Vulsma, 'Zandvoort', in: GN 40 (1985), nr. 7, pagina  320].
• [J. Hendrickx, 'Vondelingen te Leuven', in: Vlaamse Stam 12 (1976), pagina 263].
• [P.G.J. van Sterkenburg, Groen genaamd, Leiden, Drukkerij Groen, 1998].
• Marten Klazes Groen, geb. Paesens 1780 [Arjen J. Dijkstra, 'Aanvulling op de kwartierstaat van Antje van der Zee', in: De Sneuper 21 (2007) 81/1, pagina  9].
• Lubbert Sjoerds Groen (Veendam 1795-1864), arbeider [G.L. Nobbe, 'Woar bist doe aine van? Kwartierstaat van Gerhardus L. Nobbe', in: Ts. Westerwolde 21 (2000), nr. 4, pagina  97].
• Wilhelmina A. Groen-van Wordragen, geb. 21-6-1879, won. Hilligaertstraat 14 huis, Amsterdam; Judith H. Groen-Sequeira, geb. 4-8-1875, won. Jan van Goijenkade 16 (doorgestreept: Plantage Muidergracht), Amsterdam [Volkstelling-1947].

  

Aantal naamdragers met de naam Groen bij de volkstelling van 1947 volgens het Nederlands Repertorium van Familienamen:

Groningen

570

Friesland

546

Drenthe

220

Overijssel

627

Gelderland

342

Utrecht

310

Amsterdam

870

Noord-Holland

1.837

Noord-Holland totaal

2.707

Den Haag

816

Rotterdam

632

Zuid-Holland

1.024

Zuid-Holland totaal

2.472

Zeeland

37

Noord-Brabant

95

Limburg

75

Totaal

8.001

 

Broek, van de / den / der

Aan inheemse slijk- en modderwoorden, die in de plaatsnaamgeving moerassen aanduiden, ontbreekt het in het Nederlands allerminst. Meestal gaat het om erg oude benamingen, waarvan er dan ook nogal wat in familienamen zijn neergeslagen. Vrij verspreid zijn familienamen afgeleid van broek, mos/moos/moes, moer/moor, moortel en goor. Andere zitten voornamelijk gelokaliseerd in een beperkt gebied, bijvoorbeeld namen met zompel, waas en gaver. Het meest algemene Germaanse erfwoord voor moeras en waterziek terrein is broek, etymologisch identiek met het Duitse moeraswoord Bruch en het Engelse brook = 'beek'. Als toponymisch bestanddeel komt broek onder de een of andere gedaante zowat overal in het Nederlandse taalgebied voor, en dat geldt ook voor de corresponderende familienaamsvormen.

 

Het aantal vorm- en spellingvarianten is indrukwekkend. De (hoofd)types zijn Van de(n) Broek(e), Uit de(n) Broek, Op de Broek, Ten Broek(e), Verbroek(ken), Broeck(x), Broekman(s) en Broekema, waarnaast een hele rits morfologische wisselvormen, spellingvarianten en vervormingen.

 

Palatalisering van de klinker in het hoofdwoord heeft tot de vorm breuk geleid, zoals in Van den Breuck en Verbreuk(en). Of nu alle dragers van een broek-familienaam zich hun stamvader moeten voorstellen als iemand die vlakbij een ontoegankelijk moeras heeft gewoond, valt te betwijfelen. Weliswaar is broek in oorsprong een moerasnaam, maar de landschappelijke complexen die zo heten hebben al heel vroeg een zeker economisch nut. Vermoedelijk zijn sommige 'broeken' vanuit hun natuurlijke staat geschikt geweest om tijdens het zomerseizoen te worden gemaaid, wat blijkens historische documenten ook heeft gegolden voor 'meren', laken' en 'vijvers'. Bovendien hebben onze voorouders al sinds de vroege Middeleeuwen getracht de bodem van de broekgronden te verbeteren met elementaire draineringstechnieken, zodat ze niet alleen hooi opleveren, maar ook dienst kunnen doen als nagrasweide voor het vee. Op erg drassige broeken heeft men ook dikwijls bomen geplant, om de bodem te ontwateren en tegelijk een humuslaag te doen ontstaan. Wie zich een beeld wil vormen van de landschappelijke werkelijkheid aan de grondslag van broek-toponiemen en daarvan afgeleide persoonsnamen, moet de verschillende ontwikkelingsstadia van het achterliggende landschappelijke fenomeen als mogelijkheid openhouden[3].

 

Naamsvermeldingen en literatuurreferenties van ‘broek:

Mijn verwanten

• Engebrecht van den Broec, ridder, parochiaan van Overschie 1266 [Iongh de-1992, pagina  213.

• Jan van den Broecke, 1334 = Jan vandenBroke, 1335 [Schepenen Sint-Oedenrode 1311-1550, pagina 54].

• Lambrecht inghen Broick und Mechtel aen ghen Ende, Hasselt (gem. Arcen en Velden) 1554 [Lijfgewinboek Arcen 1554: Jaarverslag 1996, p. 38].

 

• "De nazaten van de tussen 1641 en 1686 genoemde Adriaen Dirck Hendrix gaan zich rond 1700 Van den Broek noemen. Ze ontlenen hun naam, naar mag worden aangenomen, aan het Broek aan de Hulst." "De kinderen uit zijn tweede huwelijk verdelen in 1686 een 'huys, hoff en aengelagh, gemeyndelijck geneampt aen het Broeck..." Hij bezat nog een huis en hof dat in 1693 'aent Hulster Broek' werd genoemd [P. van den Elsen, in: Gemerts Heem 33 (1991), nr 1, pagina 13, 11]. 

 

• Tot in de 18e eeuw kende Gemert een gehuchtje 'Het Broek aan de Hulst'. Door ontginningen van de Broeklanden verdween dit toponiem en werd het vervangen door de Pandelaarse Kampen en/of het Kampengat. Zeker al vanaf de 16e eeuw staan er in dit gehucht twee boerderijen. Met zekerheid kan worden gezegd dat twee geslachten hun naam aan het Broek bij de Hulst ontlenen: een boerengeslacht en een brouwersgeslacht." Adriaen Dirck Hendricx, geb. ca. 1610, begr. 1657, koopt in 1641 een huis en hof aan het Broek bij de Hulst. Zijn zoon Daniël Adriaens van den Broek (1641-1713), brouwer, heeft in de Pandelaar gewoond (1709) en erft van zijn ouders huis en hof aan het Hulster Broek [P. van den Elsen, 'Genealogie Van den Broek', in: Gemerts Heem 35 (1993), pagina 57].

 

• Joes Jansen van den Broeck, huwelijk 1646 [W. van den Broek, 'Van den Broe(c)k in Sprundel', in: Jb. Sprundel (1995), pagina 53].

 

• Boerderijnaam het Broek [Van boerderij tot boerderij: 92 verdwenen en nog bestaande boerderijen uit Ede en Ederveen, Ede 1987, pagina 68].

 

• [A. Hartmans, Een Klundertse familie Van de(n)(r) Broeck 1558-1667, Rotterdam 1996].

 

• Stamreeks Van den Broek uit Oude Tonge (1709) met nakomeling Marlène van den Broek, geb. 1970 (huwde prins Maurits in 1998) [A.C.S. van Vuuren, Genealogisch onderzoek Van den Broek, 's-Gravenhage 1998; vergelijk: Genealogie-CBG 4 (1998), nr. 4, pagina 102].

 

• [Descendants of Johan Cornelis van den Broek; informant: Bob van den Broek.

 

Aantal naamdragers ‘Broek’ bij de volkstelling van 1947 volgens het Nederlands Repertorium van Familienamen:

Groningen

114

Friesland

63

Drenthe

28

Overijssel

143

Gelderland

1.015

Utrecht

1007

Amsterdam

623

Noord-Holland

411

Noord-Holland totaal

1.034

Den Haag

529

Rotterdam

374

Zuid-Holland

862

Zuid-Holland totaal

1.765

Zeeland

97

Noord-Brabant

5.610

Limburg

493

Totaal

11.369

 

 

Varianten en/of samenstellingen van Broek:

Mijn verwanten

De Breuck, (Breuk), De Breuk, (Brocatus?), (Brock), De Brock, Vd Brock, (Brocke, Brocken), Brockmann, (Brocks, Brockx), De Broeck, Op de Broeck, Op 't Broeck, Van Broeck, Vd Broeck, Ten Broecke, Vd Broecke, Broeckman, Broeckmans, (Broecks, Broeckx, Broek), Broek Roelofs, De Broek, In de Broek, Opagina de Broek, Opagina het Broek, Opagina 't Broek, Ten Broek, Uit het Broek, Uitten Broek, Van Broek, Vd Broek Humphrey, Vd Broek d'Obrenau, (Broeke), Ten Broeke, Ter Broeke, Van Broeke, Vd Broeke, (Broekema, Broeken, Broekens, Broekes), Broekgerrits, Broekhans, Broekman, Broekmann, Broekmans, Broeknellis, Broekroelofs, (Broeks, Broeksema, Broeksma), Broekstra, (Broeksz, Broekx, Broex, Broexman, Brok), Den Brok, Vd Brok, (Brokke (é), Brokken, Brokmann, (Broks, Broksma), Brokstra, (Brokx, Brokxs), Brookman, Broucke, Vd Broucke, (Broux, Brox, Broxks), Bruch, (Bruck, Brück, Van Brück, Ten Brücke, Bruckman, Bruckmann, Brückmann, Bruikman, Brukman), Brukx, Paludanus, Tombrock, Tombroek, Uijtdebroeck, Uijtdebroek, Uijtenbroeck, Uijtenbroek, Uijttenbroeck, Uijttenbroek, Uitenbroek, Uittenbroek, Verbroek, Verbroeken, Verbroekken.


Samenstellingen met broek als eerste lid:

Brockbernd, Broekgaarden, Broekhagen (Bruchhagen), Broekhans, Van Broekhoven, Broekhuizen, Broekkamp, Broekmaat, Broekmeijer, Broekmeulen, Broekroelofs, Broeksmit, Broeksteeg, Broekveldt.


Samenstellingen met broek als tweede lid:

Abbenbroek, Berenbroek, Biesbroek, Bossenbroek, Breembroek, Busbroek, Van Cranenbroek, Diepenbroek, Van Drogenbroek, Eijsbroek, Elzebroek, Geusebroek, Groenbroek, Hakkenbroek, Hazebroek, Van Hardenbroek, Heijbroek, Heinsbroek, Kattenbroek, Kortenbroek, Laanbroek, Mastenbroek, Moesenbroeck, Mooibroek, Oosterbroek, Piepenbroek, Van Puijenbroek, Ridderbroek, Roebroeks, Ruisbroek, Smallenbroek, Stapelbroek, Stikkelbroeck, Tekenbroek, Van Tussenbroek, Uijlenbroek, Venbroek (Venbrux), Vlaardingerbroek, Westbroek.
 

 

De voornaam 'Jan'

 

De grondvorm van Jan is Johannes

Geslacht: m

De vrouwelijke vorm van Jan is Jannie

Betekenis: God is genadig

 

Verklaring:
Hebreeuws: Johanan `Jahweh is genadig'. Voor de populariteit van de naam komt in de eerste plaats in aanmerking Johannes de Doper[4] (Luc. 1,15v. en Matt. 3 e.e.), geboortefeest op pagina
24 juni (zie ook Baptist).

 

Vervolgens noemen we de discipel van Christus, broeder van Jacobus (Marcus 1,19 e.e.), vanaf de 4e eeuw wordt hij `de theoloog' genoemd; kerk. feestdag: 27 dec. Aanvankelijk was de naam Jo(h)annes vooral in de Oosterse Kerk populair, maar met de Kruistochten begint de naam in het Westen door te dringen. Daar wordt het in alle landen al vroeg de meest voorkomende naam. Aanvankelijk wordt de naam in de Latijnse vorm Joannes gebruikt (de Gri. vorm is Ioannes).

 

De vorm Johannes (onder invloed van het Hebreeuws) is sinds de Renaissance en Hervorming de meest gebruikelijke geworden. Vele heiligen hebben de positie van de naam nog versterkt, we noemen hier slechts enkelen: Joannes Chrysostomus, een van de belangrijkste Oosterse kerkvaders, geboren ca. 354 in Antiochië, aanvankelijk monnik en kluizenaar, in 398 patriarch van Constantinopel; gestorven in 407; kerkelijke feestdag: 27 jan.

 

Tot de ouderen behoort ook Joannes van Damascus, in 675 geboren in Damascus. Hij is bekend door zijn dogmatische geschriften; gestorven 749; kerkelijke feestdag: 27 maart; Joannes van Nepomuk, hij is van belang voor de Kerk in Oost-Europa geworden, martelaar in 1393; kerkelijke feestdag: 16 mei (zie Nepomuk).

 

In Duitsland komt de naam op in de 8e eeuw: Johannes, Meerbach 730 (Socin); in Zuid-Ndl. in de 9e   eeuw: Iohannus, in het jaar 829 getuige in Gent (Mansion). Het is een van de zeven christelijke namen in de 9e eeuw in West-Vlaanderen en in de 10e eeuw komt hij zeven maal voor op 35 christelijke namen (Leys 1958, 4).

 

In Noord-Ndl. dateren de oudste voorbeelden uit de 12e eeuw: Iohannes, deken in Utrecht, 1116; Johannes de Hancvorde, accijnsplichtige in Berg, 1142/5 enz. (Gysseling 1966, 10). Zie ook Johanna, Hans en Jan.

 

Varianten van ‘Jan’:

Jan
Jana
Janca
Janco
Jane
Janeke
Janelle
Janepie
Janet
Janetta
Janette
Jang
Janice
Janick
Janie
Janiek

Janieke
Janieskje
Janina
Janinaj
Janine
Janique
Janis
Janita
Janite
Janje
Janka
Janke

Jankele
Jankiel
Jankje
Janko
Janna
Jannah
Janne
Jannechje
Jannegie
Jannegien
Jannek
Janneke
Jannelien
Jannemarie
Jannemieke

Jannes
Jannesien
Jannesjan
Jannesje
Janneske
Jannet
Jannetien
Jannetje
Jannetta
Jannette
Janni
Jannica
Jannick

Jannie
Jannig
Jannigje
Jannik
Jannine
Jannis
Jannita
Jannitje
Janno
Janny
Janocha
Janosch
Janou
Jans
Janse
Jansien
Jansina
Jansje
Janske
Jant
Jantie
Jantien
Jantiena
Jantiene
Jantina
Jantine
Jantinus
Jantje

Jantsen
Jantsje
Januarius
Janus
Januska
Janvier
Janwim
Jany

 

 


Algemeen

De Franse variant van ‘Jan’ is Jean, de Engelse variant is John of Ian, de Duitse variant van deze naam is Johann, de Spaanse variant van deze naam is Juan, Poolse variant is ook Jan de Italiaanse variant is Giovanni. Als Jan klein of jong is wordt er ook wel -tje achter zijn naam gezet.

In het Fries is Jantje een meisje.

Deze typische Nederlandse voornaam is waarschijnlijk ook de helft van de oorsprong van het Amerikaanse woord Yankee. Ooit is New York City een Nederlandse kolonie geweest en na het "ruilen" van de stad met de Britten voor het behoud van de andere Amerikaanse kolonies als Suriname, Guyana, Noord-Brazilië en de Antillen zijn er veel Nederlanders achter gebleven. De voornamen ‘Jan en Kees’ zijn zo typisch dat de nieuwe eigenaars, de Britten, de oorspronkelijk bewoners "Jan-Kees" hebben genoemd. Na een eeuw of twee is het Yankee geworden. Na de Amerikaanse Burgeroorlog krijgt de naam een bredere betekenis als een naam voor alle mensen die uit de noordelijke staten zijn gekomen. Dankzij de Engelsen wordt het tijdens en na de Tweede Wereldoorlog in het buitenland een naam voor alle Amerikanen.

 

Spreekwoordelijke Jannen

Jan wordt/werd door veel Nederlanders als de typische voornaam voor een Nederlandse man gezien. In België denkt men daar anders over: daar heten Nederlandse mannen bij voorkeur Kees. Er komen daarom diverse spreekwoordelijke Jannen in het Nederlands voor, elk met hun typerende achternaam:

Jantje Beton - Een kind dat opgroeit in een drukke stad, zonder speelmogelijkheden.

Jan Boezeroen - De werkman. Arbeiders waren toen de uitdrukking ontstond, herkenbaar aan hun boezeroen.

Jan Contant - Iemand die altijd contant betaalt. Meestal gebruikt in de uitdrukking: Het is hier Jantje Contantje (hier moet je contant betalen.)

Jan de Lichte - boef, bendeleider; naar een roman van Louis Paul Boon.

Jan Doedel; Jan Joker; Jan Jurk; Jan Lul, Jan Gat, Jan Hen - Sukkel.

Deze Jan wordt ook wel eufemistisch Jan met de korte achternaam genoemd.

Jan Kordaat - Volgens E.J. Potgieter: een dappere kerel. De tegenpool van Jan Salie.

Jan van Leiden - In de uitdrukking: zich er met een Jantje van Leiden van afmaken (er met de pet naar gooien c.q. smoesjes verkopen). Naar Jan Beukelszoon van Leiden (1509 - 1536), die als een bedrieger werd beschouwd.

Jan-met-de-pet - De gewone man. In Engeland: The man in the street ("de man in de straat"); The man on the Clapham omnibus ("de man in de bus naar Clapham").

Jan Lul - Bargoens voor iemand die voor gek staat, of in de context hij doet iets voor Jan Lul: handelingen verrichten die geen enkel doel dienen.

Jan-met-de-korte-achternaam - Eufemisme voor Jan Lul, zie aldaar.

Jan Modaal - Iemand met een modaal inkomen. In Duitsland: Otto Normalverbraucher.

Jan Rap en zijn maat - Achterbuurtvolk; aso's. Mogelijk afkomstig van rapaille. Bredero voert al een Jan Rap op in Klucht van een huysman en een barbier. P.A. De Genestet gebruikt de term voor iemand die volgens hem al te snel/rap nieuwe wetenschappelijke inzichten omarmt ten koste van religieuze opvattingen. Yvonne Keuls houdt de uitdrukking levend door de uitdrukking in 1977 als titel voor een boek te gebruiken. Met betrekking tot de omstreden Nederlandse politicus Hans Janmaat wordt in de jaren 1980 ook wel de uitdrukking Janmaat en zijn rap gebruikt.

Jan Salie - Lamlendig persoon. Van W.D. Hooft verschijnt in 1622 De klucht van Jan Saly. E.J. Potgieter heeft de uitdrukking in 1841 opnieuw populair gemaakt door zijn boek Jan, Jannetje en hun jongste kind. De lamlendigheid van een volgende generatie wordt sindsdien vaak aangeduid als jansaliegeest; inmiddels zijn verwijten als patatgeneratie echter populairder. Mogelijke herkomst: saliemelk is melk geweest waarin saliebladeren zijn geweekt. Het wordt gedronken door kinderen; "echte" mannen drinken bier.

Jan Splinter - Iemand die tot de echte minima behoort. Vanaf 1561 komen er in Nederlandse geschriften al uiteenlopende Jan Splinters voor. De uitdrukking zo komt Jan Splinter door de winter betekende oorspronkelijk: zo los je een probleem op. In december 1982 gebruikt het Tweede Kamerlid Marcel van Dam de woorden in een kamerdebat met minister-president Ruud Lubbers. De cynische draai die Van Dam aan het spreekwoord geeft blijft hangen. De betekenis verandert in: de laagstbetaalden trekken altijd aan het kortste eind.

Jan Steen - Een huishouden van Jan Steen wil zeggen dat het een puinhoop is. De schilder Jan Steen stond namelijk bekend om zijn schilderijen van chaotische huishoudens.

Hij is boven Jan - Hij heeft de problemen opgelost.

 

Nederland kent ook beroemde Jannen:

Jan Peter Balkenende

Jan Blokker

Jan Bucquoy

Jan Pieterszoon Coen

Jan Amos Comenius

Jan van Eyck

Jan Fabre

Jan van Goyen

Jan de Hartog

Jan Jansen

Jan Janssen Jan Klaasen

Jan Kromkamp

Jan ter Laak

Jan Lammers

Jan Marijnissen

Jan Mayen

Jan Meerman

Jan Palach

Jan Paparazzi

Jan Pronk

Jan de Quay
Jan Raas
Jan de Roos
Jan Rot
Jan van Ruusbroec
Jan van Schaffelaar
Jan van Speijk
Jan Pieterszoon Sweelinck
Jan Sloot
Jan Smit
Jan Steen
Jan Terlouw
Jan Tinbergen
Jan Tuijp
Jan Ullrich
Jan Vennegoor of Hesselink
Jan Weissenbruch
Jan Wolkers
Jan Wouters

 

 

 

De voornaam Roel

 

 

De grondvorm van Roel is Roeland of Roelof

Roel als voornaam, wordt ook wel gezien als een afkorting van Roeland, Roelof en Rudolf.

Roeland

Geslacht:  m

Voor vrouwelijke geslachtsnamen: zie tabel

Betekenis: Roemrijke wolf

 

Verklaring:
Tweestammige Germaanse naam waarvan het eerste lid, Rod-, Hrôth- `roem' betekent (zie roe(d)-).

Het tweede lid is `land' (zie -land) of stamt uit -nand, dit is Got. nanths `dapper' (zie -nand-).

De naam kreeg in de middeleeuwen populariteit door het bekende Frankische Roelandslied [I].

Heiligennaam: Roland (Orlando) van Medici, kluizenaar, waarschijnlijk uit Milaan, gestorven 1386; kerkelijke feestdag: 15 september.

 

Varianten:

 

De grondvorm van Roelof is Rudolf

Rudolf

Geslacht:  m

Verklaring:
Tweestammige Germaanse naam uit Rod-, Hrôdh- `roem' (zie roe(d)-) en -olf `wolf' (zie -wolf-).

De naam betekent dus ongeveer `roemrijke wolf'.

In Duitsland krijgt de naam vooral populariteit door Rudolf I van Habsburg (1273-1291).

Heiligennaam: Rodolfo, bisschop van Gubbio; gestorven ca. 1061; kerkelijke feestdag: 17 okt.

Hoewel de naam vanouds in het gehele taalgebied voorkomt, werd en bleef hij vooral in Saksische streken populair.

In Duitsland heeft de naam populariteit gekregen door Rudolf van Habsburg.

 Hoewel de naam vanuit vroeger gezien in het hele taalgebeid voorkomt, wordt en blijft hij vooral in Saksische [II] streken populair.

 

Bekende personen met de naam Roel:

Roel van Duijn (politicus)

Roel Felius (zanger)

Roel D'Haese (beeldhouwer)

Roel Houwink (psycholoog)

Roel Kuiper (hoogleraar)

Roel de Mon (honkballer)

Roel Pieper (ICT-ondernemer)

Roel Reijntjes (dichter)

Roel in 't Veld (staatssecretaris)

Roel van Velzen (zanger)

 

Bekende personen met de naam Roeland:

Roeland Fernhout, een Nederlandse acteur

Roeland Raes, een Vlaamse jurist, politicus en notoir negationist

Roland, een vazal van Karel de Grote, bekend uit het Roelantslied

Roeland is ook de naam van de legendarische klok in het Belfort van Gent.

 

Boeken van, door en over Groningen, geschreven door een ‘Groenbroek’

Titelbeschrijving

 

Het Volk van Loug en stad : 't Grunnens Laid aan- en oetkled / [red. Jan J. Groenbroek en Harm van der Veen]. - Scheemde : Stichting 't Grunneger Bouk, cop. 2000. - 119 p. : ill. ; 24 cm ISBN 9070323443

 

 

Grafstenen Groenbroek

 

 

 

Foto 1. So-376. Rustplaats van Jan Groenbroek. Geb. 28-05-1882. Ovl. 29-05-1917 em Geertje Kettler.
Geb. 08-09-1884. Ovl. 26-11-1966. Begr. te Scheemda.

 

 

 

 Foto 2. So-962. Rustplaats van Jan Groenbroek. Geb. 19-06-1910. Ovl. 09-12-1994 te Winschoten en Elsien de Vries. Geb. 05-03-1913. Ovl. 12-04-1955 te Groningen, Begr. te Scheemda

 

Voetnoten
 

[1] Zie voor een uitvoerige behandeling: 'Van Loon-1980'

[2] Zie: Devos-2001, pagina 18, 22-23; Ebeling-1993, pagina 117.

[3] Devos-2001, pagina 30; Kunze-2005, pagina 141.

[4] Johannes is een vergrieksing van het Hebreeuwse Jochanan, wat betekent: God is barmhartig, cq genadig.


Eindnoten

[I]

Het Roelantslied (ook: Roeland(s)lied) is een van de oudste Middelnederlandse ridderromans. Het is een anonieme bewerking van het Franse Chanson de Roland. De vertaling dateert uit de 13e eeuw, het Franse origineel uit de periode 1050—1150. De Middelnederlandse vertaling is slechts fragmentarisch overgeleverd. Een volledige Nederlandse bewerking van de tekst, gedeeltelijk in proza, verschijnt aan het begin van de 16e  eeuw in Antwerpen onder de titel “Den droeflijken strijt opten berch van Roncevale”, gedrukt door Willem Vorsterman.

 

[II]

Het Nedersaksisch is een in Nederland en de Europese Unie officieel erkende streektaal die bestaat uit een groep niet-gestandaardiseerde West-Germaanse Nederduitse dialecten. Deze worden voornamelijk gesproken in het noordelijk deel van Duitsland en in het noordelijk en oostelijk deel van Nederland, namelijk de provincies Groningen, Drenthe, Overijssel, de Gelderse gewesten Veluwe en Achterhoek, en de Stellingwerven in het zuiden van Friesland.

Nederland erkent het Nedersaksisch officieel als streektaal en zegt er beperkte steun aan toe, zoals geformuleerd in hoofdstuk 2 van het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden. Duitsland heeft het Europees handvest voor regionale en minderheidstalen niet geratificeerd, in de Europese Unie is het echter een officieel erkende streektaal. De taalcode (ISO 639-2) van het Nedersaksisch is nds.

 

Algemene bron: Meertens Instituut

 


 

Deze pagina maakt deel uit van www.nazatendevries.nl.
Aan bovenstaande tekst is de uiterste zorgvuldigheid besteed. Desondanks kunnen er best fouten voorkomen.
Constateer je fouten en/of heb je vragen, correcties, aanvullingen...geef die dan even aan mij door via mijn E-mail adres.
Laat ook eens een bericht achter in het Gastenboek.

 

Hoogeveen, 19 oktober 2013.
Verhaal: © Harm Hillinga
.

Menu Artikelen.
Terug naar de HomePage.
Top