Afb. De jonker Johan Rengers van ten Post is hier 32 jaar.
Rengers van Ten Post, (Johan), zoon van Edzard Rengers en Fouwel van Holdinga, geboren te Ten Post 5 maart 1542, gestorven aldaar 8 september 1626. Hij behoort onder de leerlingen van de beroemde Praedinius, rector van de St. Maartensschool te Groningen. In 1559 vertrekt hij naar Leuven om daar zijn studie voort te zetten; hij blijft daar vijf jaar en brengt daarna enige tijd in Duitsland door, o.a. te Landsberg bij de bloedverwanten van zijn moeder. Wanneer hij terugkeert in de Ommelanden, is niet met zekerheid bekend en evenmin, wanneer hij zitting neemt in de Staten van de Ommelanden. Maar hij behoort in ieder geval tot deze vergadering, wanneer de leden daarvan op 1 november 1577 gevangen genomen worden op last van de stadsregering; met zijn vader Edzard Rengers en nog twee anderen wordt hij in het huis van zijn vader zelf geïnterneerd.
Hij klaagt over de hardheid van deze gevangenschap; pas op 15 september 1578 kan hij met enige andere Ommelanders ontvluchten uit het huis van dr. Westendorp, waarheen de gevangenen op 12 december 1577 zijn overgebracht. Na het verraad van Rennenberg in maart 1580 acht hij het verstandig met zijn gezin naar Oost-Friesland uit te wijken, vanwaar hij later naar Bremen vertrekt. Hij vormt in Oost-Friesland met enige andere uitgewekenen een Ommelander regering, die zich gezag toekent niet alleen over de ballingen, maar ook over de Ommelanden zelf, voor zover de Spanjaarden daarvan geen meester zijn. Rengers speelt dan ook een gewichtige rol in de strijd, die van 1580 tot 1594 in het noorden is gevoerd in en om de Ommelanden en de stad Groningen. Na de reductie van 1594 komt Rengers terug en wordt direct tot hoge functies in de regering van het nieuw georganiseerde gewest Stad en Lande beroepen.
Hij neemt natuurlijk onmiddellijk zitting in de Staten der Ommelanden; in 1595 en 1596 wordt hij door Stad en Lande afgevaardigd naar de Staten-Generaal; daarna is hij vijf jaar lid van Gedeputeerde Staten; van 1602 tot 1607 zit hij wederom in de Staten-Generaal en in 1608 en 1609 in de Raad van State. Een van zijn belangrijkste functies houdt verband met de oprichting van de Groningse hogeschool.
Hij heeft zitting voor de Ommelanden in de in 1612 ingestelde commissie van voorbereiding voor de stichting van de academie; in 1613 en 1614 wordt zijn mandaat bestendigd; in 1615 wordt hij benoemd tot curator van de nieuwe hogeschool, welk ambt hij tot 1620 heeft bekleed. Rengers is op 1 mei 1574 gehuwd met Bauwe Jensema, dochter van Rempt Jensema en Frerke Gaykinga, geboren 1 mei 1547, gestorven 29 mei 1636.
Rengers is een man met grote politieke bekwaamheid; daarnaast is hij een man van ruime ontwikkeling en beschaving. Hij behoort tot de kring, van waar de stichting van de Groningse academie is uitgegaan; hij staat in vriendschappelijke betrekking met Emmius, hetgeen blijkt uit zijn correspondentie.
Zijn ontwikkeling blijkt vooral uit zijn nagelaten werken:
Links het graf van Johan Rengers en rechts die van zijn echtgenoot Bauwe Jensema,
Grafschriften: WELEDELE EHRENTVESTE JOHAN RENGERS TO TUYNGA, JONKER EN HOVELINCK TEN POST, GARDELSWEER, ZANT ENDE LEERMES ENZ., GEBOREN DEN 15 MARTY 1542, GEHILECKT DEN 1 MAY 1574, IN DEN HEERE GERUSTET DEN 8 SEPTEMBER 1626.
WELEDELE ENDE VEELDOEGENTSAME BAWE JENSEMA, DOCHTER TOT JENSEMA IN HOMSTERLANT, WEDUWE VAN WILEN JR. JOHAN RENGERS TEN POST, GEBOREN ANNO 1549, D. I MAY, GEHILECKT DEN 1 MAY 1574, IN DEN HEERE GERUSTET DEN 29 MAY 1636.
Zijn rouwbord in de kerk:
Meer lezen:
|
||||||||||||
|
||||||||||||


.jpg)

