Reyndismadele

Op ongeveer 750 meter ten noorden van de Nederlands Hervormde kerk van Uithuizermeeden ligt het landgoed Rensuma, dichtbij de Ol Diek. Wanneer de vroegste voorganger van het tegenwoordige huis is ontstaan is niet precies bekend. In 1379 wordt het huis Reyndismadele onder Uithuizermeeden genoemd. In het begin van de 15de eeuw wonen leden van de familie Reindesma in het huis. Over deze familie is verder niets bekend, al zullen ze tot de invloedrijke boerengeslachten gehoord hebben. Bij een restauratie in 1977 komen muurresten aan het licht, die op de restanten van een middeleeuws steenhuis wijzen. Mogelijk gaat het hier om een zogenaamd langhuis met afmetingen van 17 bij 8 meter. De kelder links onder het voorhuis is uit kloostermoppen opgetrokken. In het midden van de 15de eeuw vertrekt de laatste Reindesma naar Rasquert. Een dochter is getrouwd met Hidde Aylckema, hoofdeling in Rasquert. Door het huwelijk van zijn kleindochter Beetke van Rasquert met Wigbolt van Ewsum in 1502, komt Rensuma in handen van het geslacht Ewsum.

 

De boerderij wordt een borg

 

Rensuma wordt als boerderij verhuurd en staat in het klauwregister van de dijkrecht in 1553 als Reindtsumaheerd vermeld. Het duurt tot 1623 voordat we weer een vermelding van Rensema, zoals het eerder geschreven werd, tegenkomen. Het is dan de woonplaats van een zekere Willem Fockes. Vermoedelijk is hij een pachter. Vanaf 1662 is Rensema een adellijke heerd. Er is een rekening bewaard van gebrandschilderde ruitjes die ondertekend is door jonker Petrus van Aggema die zich Heer op Rensema noemt. Petrus van Aggema is gehuwd met Maria Bibiana van Wijtsma die geboren is op de borg Alma onder Bedum.

Petrus van Aggema is onder andere collator van Uithuizermeeden. Dat betekent dat hij het recht heeft predikanten aan te stellen. Dat is niet alleen een zaak van prestige, maar vooral ook financieel interessant, omdat bij iedere beroeping een soms aanzienlijk bedrag aan de collator betaald moet worden. Na de dood van Petrus in 1685 erft zijn dochter Teda Maria het bezit met de bijbehorende rechten. Zij verkoopt in 1695 Rensuma aan Mello Alberda van Menkema. De verkoopakte vermeldt, dat: 

 

... haere borgh Rensema met de annexe schuire op Uithuijstermeeden gelegen, met ruim viertigh grassen binnen dijcx landt en vijff heemsteden, hebbende ten noorden van de Oldedijck, waerin vijff heemsteden sijn begrepen en waerin de heer van Hanckema een klein heemstede heeft liggen.

 

Mello sterft in 1699 en laat Rensuma na aan zijn zoon Onno Tamminga van Alberda. In de boedelbeschrijving wordt nu ook melding gemaakt van het huis Rensuma met: 

 

... schathuis, hovinge, grachten en singels, het gestoelte [de herenbank in de kerk], de “oude begraftenisse” op het koor van de kerk en 40 grazen land bij het huis gelegen, met kooi en kooikershuis en nog 20 grazen met kwelder en aanwas. Voorts alle collatiën en dijkrechten op de heerden vallende, benevens alle huyssteden aldaar; alle redgerrechten, overrechten en zijlrechterklauwen; vijf grazen bij Rensuma gelegen, derdehalf grazen buitendijks ten oosten van de kooi en eindelijk nog 30 grazen.

 

Uit deze opsomming blijkt iets over het aanzienlijke landbezit en ook over de rol die de borgheer speelt in het lokale bestuur. Onno is verder ook lid van Gedeputeerde Staten van Stad en Lande en afgevaardigde in de Staten-Generaal, lid van de provinciale rekenkamer, luitenant van de Hoge Justitiekamer, zijlrechter van de Eppenhuizer eed van de schepperij Zandeweer en curator van de Groningse Hogeschool. Onno Tamminga van Alberda is gehuwd met Josina Petronella Clant, die is geboren op Nijenstein te Zandeweer. 

 

De verbouwing in 1700

 

De nieuwe eigenaren laten Rensuma in 1700 geheel vernieuwen. Het huis is niet in het water gebouwd en het beztt ook geen trap- of uitkijktoren, wat betekent dat het geen verdedigingsfunctie heeft. Wel zijn er grachten met verhoogde singels en dichte bosschages, die vooral dienen om aanvallen van landlopers te weren en als bescherming tegen overstromingen. Het ziet er eerder uit als buitenplaats dan als borg. We kennen het huis van een afbeelding op de Beckeringhkaart uit 1781. Hierop zien we een monumentale dubbele voordeur met een rijk gesneden bovenlicht. Links en rechts van de voordeur vinden we vier smalle vensters met kleine ruitjes. Boven de voordeur zien we een arkeneel met een klokgevel. Hier is de logeerkamer geweest. Het dak is een rondgaand schilddak met op de vier hoeken schoorstenen met windwijzers.

 

De kerstvloed van 1717

 

In de loop van de 18de eeuw worden er nog verscheidene heerlijke rechten bijgekocht. In 1713 erft Onno het huis Nijenstein van zijn schoonvader en gaat daar wonen. Hij behoudt Rensuma en daarmee ook de daarbij behorende rechten in Uithuizermeeden. In die jaren neemt Onno het voortouw bij de grondige verbouwing van de kerk van Uithuizermeeden. In 1717 begint de bouw van de beroemde toren, maar die wordt onderbroken door de verschrikkelijke Kerstvloed van dat jaar.  De bouw van de toren is pas in 1726 voltooid. Bij de Kerstvloed van 1717 wordt de Ommelander Zeedijk, de Ol Diek, op tal van plaatsen doorbroken en een groot deel van de provincie raakt overstroomd. Duizenden mensen verdrinken net als tienduizenden stuks vee. De meiers van Tamminga van Alberda kunnen enkele jaren geen huur betalen.

 

Hoe Rensuma deze ramp heeft doorstaan is niet bekend, maar van herstel wordt ook niet gerept, zodat de schade daar waarschijnlijk is meegevallen. Onno Tamminga van Alberda is in staat om vrij kort na de vloed weer aan nieuwe investeringen te denken, niet alleen aan de kerk van Uithuizermeeden, maar hij laat ook in 1729 de Zuurdijkster-Houwerzijlster Polder in het mondingsgebied van het Reitdiep inpolderen. Dat is geen kleinigheid; de polder is 345 hectare groot.

 

De borg Rensuma op de kaart van Beckeringh ten tijde van de Alberda's.

De Alberda’s op de borg

 

Onno Tamminga van Alberda geeft in 1718 Rensuma vermoedelijk in bruikleen aan zijn zoon Mello Alberda. Deze is lid van de Staten-Generaal, gedeputeerde in de Generaliteits Rekenkamer en erfschepper van het Winsumer en Schaphalster Zijlvest. In 1743 erft Mello het huis. Mello verkoopt in 1751 Rensuma met alle rechten aan zijn broer Egbert. In 1758 laat Egbert Alberda het huis restaureren zoals blijkt uit een gevelsteen in de achtermuur. Bij deze verbouwing wordt een grote uitgebouwde kamer met uitzicht op de achtertuin gebouwd. Dan worden ook de schoorsteenmantels in een voorzichtige rococostijl aangebracht. In 1760 wordt een nieuw schathuis gebouwd. 

 

In 1774 sterft Egbert kinderloos, waardoor het bezit overgaat in handen van zijn ongehuwde broer Willem. Willem Alberda laat Rensuma na aan zijn neef Onno Tamminga van Alberda. Onno Tamminga is raadsheer in de stad, na 1803 drost in Fivelgo en na 1813 lid van de Eerste en Tweede kamer. In 1825 wordt hij in de adelstand verheven en mag zich voortaan baron noemen. Hij sterft kinderloos in 1829, waarna het huis geveild wordt. Het landbezit is dan 168 hectare groot en verder horen er nog allerlei kerkelijke rechten en posities in zijlvesten en schepperijen bij.

 

Een grote verbouwing

 

Quirina Jacoba Johanna Gerlacius (1775-1846) de echtgenote van Mr. Dr. Oncko van Swinderen (1775-1850). Bron: Mikimedia Commons.

De koper van Rensuma in 1829 wordt jhr. Mr. Dr. Oncko van Swinderen (1775-1850), lid van de Tweede en Eerste Kamer en directeur van het doofstommeninstituut in Groningen. Van Swinderen. Hij trouwt met Quirina Jacoba Johanna Gerlacius (1775-1846). Uit dit huwelijk worden tien kinderen geboren, waarvan er drie overlijden op jonge leeftijd. Oncko en zijn echtgenote zijn begraven in het familiegraf in de Ae-kerk te Groningen (1).

 

Bij het huis horen tuinen, lanen, grachten, singels, bossen, eens schathuis en een schuur, karnmolen, terreinen en landererijen met een grootte van 168 hectare. Er horen kerkstoelen bij, een grafkelder, de primaire collatie te Uithuizermeeden, de staande jurisdictie en andere heerlijke rechten. Van Swinderen betaalt er 67.850 gulden voor. De collatie brengt 1030 gulden op en het meubilair wordt het jaar daarop in Groningen verkocht voor een onbekend bedrag.

 

Van 1829 tot 1974 is Rensuma in het bezit van de familie Van Swinderen gebleven. De boerderijen die bij het landgoed horen worden verhuurd. De nieuwe eigenaar laat het huis ingrijpend verbouwen. De oude steile kap met zakgoot wordt vervangen door een minder steil dak met een plat middenstuk waardoor de eerste verdieping wordt vergroot. Er komen blauwgeglazuurde dakpannen op. De vier schoorstenen verdwijnen en worden vervangen door  schoorstenen op de zijgevels. De arkeneel boven de voorgevel wordt veranderd in de 19de eeuwse chaletstijl en er komt een balkon op rijk gesneden consoles. De schuiframen in de voorgevel worden groter. De muren worden gepleisterd met een motief van namaak zandsteen. De achtergevel behoudt meer het 18de eeuwse karakter. De uitbouw krijgt op de verdieping een groter venster. Na 1861 wordt Rensuma niet meer permanent door de familie Van Swinderen bewoond. In 1863 eindigt de exploitatie van het landbouwbedrijf. In 1867 werden de bomen rond het huis gekapt en verkocht en vermoedelijk verdwijnt dan ook het schathuis met grote schuur.

 

Van burgemeesterswoning en tuinbouwschool naar gemeentehuis

 

Het huis wordt verhuurd onder andere aan burgemeester J. B. Westerdijk van Uithuizermeeden. Later is Westerdijk lid van Gedeputeerde Staten en van 1916 tot 1934. Tussen 1948 en 1965 is het huis als tuinbouwschool in gebruik. Nadat de school is vertrokken raakt het huis ernstig verwaarloosd. In 1974 verkoopt de familie Van Swinderen Rensuma aan architect H.E. Nienhuis uit Uithuizermeeden en L.J. Offringa, wegenbouwer uit Den Haag, maar geboren in Uithuizermeeden en schoonzoon van Nienhuis. Zij willen het huis restaureren om het daarna een openbare functie te geven, mogelijk als gemeentehuis. Door de gemeentelijke herindeling die dan al in een vergevorderd stadium is, kom het hier niet meer van.

 

De restauratie is gereed in 1977. Bij de restauratie worden de vier schoorstenen weer op het dak geplaatst, ditmaal voorzien van 19de eeuwse kappen. Het vergrote venster op de verdieping in de achtergevel wordt weer kleiner gemaakt. Het gevelschild dat herinnert aan de verbouwing van 1758 wordt vernieuwd. Het koetshuis wordt voorzien van centrale verwarming en zo ingericht dat de ruimte geschikt is voor tentoonstellingen en vergaderingen. Het huis wordt nu volledig eigendom van de familie Offringa, maar zij gaan er niet zelf wonen.

 

Deel van een schoorsteenstuk dat Otto Eerelman heeft geschilderd voor de Van Swinderens die de borg generaties hebben bewoond. De schildering bevindt zich dankzij de huidige bewoners weer in de borg.

De borg wordt een restaurant met tuin

 

In 1987 wordt het huis verhuurd als restaurant. L.J. Offringa verkoopt het huis in 1989 aan de familie Brinkman, die het restaurant voortzet. In 1996 wisselt Rensuma opnieuw van eigenaar. Het huis wordt aangekocht door de Stichting Rensuma Boon. Deze stichting ontleent haar naam ten dele aan Renske Titia Boon (1900-1985), tuinarchitect te Hoogezand. Zij is een groot kenner van de vele tuinen van boerderijen en landgoederen in Groningen. Tot haar verdriet verdwijnen veel karakteristieke tuinen in Groningen in de tweede helft van de 20ste eeuw. In 1968 ontwerpt zij de tuinen van de borg Verhildersum. De tuin rondom Rensuma is in haar geest ingericht.

 

De borg blijft behouden

 

In 1998 wordt een nieuwe garage gebouwd in bijpassende stijl. Het gevelbord dat bij de verbouwing van 1977 is vernieuwd blijkt in slechte staat te verkeren. Het is opnieuw gemaakt, ditmaal van hardhout.

 

Niet alleen het uiterlijk van de Rensumaborg blijft zo door de eeuwen heen redelijk ongeschonden. Ook binnen zijn veel elementen behouden gebleven. De perioden van leegstand en verhuur in de tweede helft van de 19de en de 20ste eeuw betekenen ook dat er weinig veranderd is in het gebouw. De belangrijkste elementen die de eeuwen overleefd hebben zijn het 17eeuwse balkenplafond en de 18de eeuwse rococo schouw in de salon. Interessant is ook de empire schoorsteenmantel in de voorkamer uit het begin van de 19de eeuw. Hier zijn veel van de 18de eeuwse vloerdelen, deuren en blinden bewaard gebleven. De oude kleuren groen, oker en ossenbloed zijn weer aangebracht. In de keuken wordt de aandacht getrokken door de 17de eeuw schouw en de 18de eeuwse servieskast.

De Rensumaborg is een van de Groninger borgen. Bij het grote publiek misschien minder bekend, maar net als andere adellijke huizen ven betekenis voor de Groninger geschiedenis. Waar gedurende de 18de en 19de eeuw tal van borgen gesloopt zijn, is dat lot Rensuma bespaard gebleven. Dat komt ongetwijfeld doordat de Rensumaborg eerder een buiten is geweest dan een grote adellijke woonstee. De afmetingen en de mogelijkheden er enigszins comfortabel te wonen, maken dat het huis bewaard is gebleven. Door particulier initiatief is het huis vrij recent grondig gerestaureerd. Een interessant stuk Gronings erfgoed. De borg is helaas niet te bezichtigen, het landgoed van nu nog 21 ha wel. Dat is het terrein buiten de grachten.

 

Anno 2018 wordt de borg bewoond en beheerd door Ans en Ate Meijer. Beiden zijn ze in de zeventig. Ze hebben er ruim twintig jaar over gedaan om de eeuwenoude borg met tuin en landschapspark in oude luister te herstellen. In 1996 is te borg als Rijksmonument in het bezit gekomen van de stichting Rensuma Boon, vernoemd naar enerzijds de borg en anderzijds naar Renske Boon, tante van Ans Meijer en als tuinarchitecte en historica betrokken bij het herstel van diverse borgtuinen in de provincie. De gelden zijn gekomen uit het nalatenschap van het geslacht Boon-Reinders. Het echtpaart traceert meubels, tapijten, wandbekleding, zelfs een orgineel schoorsteenstuk dat Otto Eerelman schilderde voor de Van Swinderens die hier generaties hebben gewoond. ,,Een nazaat bleek letterlijk bij ons om de hoek in Wassenaar te wonen’’, zegt Meijer. ,,Hij liep dagelijks bij ons in de straat met zijn hond.’’ De tuin is hersteld in de Frans-classicistische stijl die hij heeft gekregen in 1700. Toen is het steenhuis, dat hier volgens archieven al voor 1400 moet hebben gestaan, verder verbouwd tot de borg in zijn huidige vorm.  Met een open ‘zichtlijn’, vanaf de lange Rensumalaan, door het huis, tot aan de hergraven vijver en afgerond met een nieuw opgeworpen heuvel. (Bron laatste alinea: Dagblad van het Noorden).

 

De Rensumaborg aan de achterzijde. Bron: Wikimedia Commons.

 

 

Noot:
1. Jhr. Mr. O. van Swinderen van Rensuma
Groningse edelman, die zijn bestuurlijke loopbaan in de Franse tijd begon als belastingambtenaar en in 1818 Statenlid in Groningen werd. In 1832 gekozen tot lid van de Tweede Kamer en daarvan in 1839/1840 voorzitter. Werd kort voor diens aftreden door koning Willem I tot Eerste Kamerlid benoemd en bleef dat tot het einde van het oude bewind in 1849. Groningse landjonker, van wie de grootvader en vader bestuursfuncties bekleedden. Een zoon en kleinzoon van hem hadden zitting in het parlement.

regeringsgezind ten tijde van Willem I en II. in de periode 1832-1849: lid Tweede Kamer, voorzitter Tweede Kamer, lid Eerste Kamer
levensbeschouwing : Gereformeerd (Ned. Hervormd)

loopbaan
- inspecteur middelen te lande departement Groningen, van 1806 tot 1811
- directeur der belastingen departement Wester-Eems, van 1811 tot 18
- lid algemene raad departement van de Wester-Eems, van 1812 tot 1813
- hypotheekbewaarder te Groningen, van 1812 tot 1813
- directeur der belastingen in Groningen en Drenthe, vanaf 1813
- lid Provinciale Staten van Groningen voor de Ridderschap, van 1818 tot oktober 1832
- lid Tweede Kamer der Staten-Generaal voor de provincie Groningen, van 18 oktober 1832 tot 19 oktober 1840
- voorzitter Tweede Kamer der Staten-Generaal, van oktober 1839 tot 20 oktober 1840
- lid Eerste Kamer der Staten-Generaal, van 19 oktober 1840 tot 13 februari 1849
- lid Raad van State in buitengewone dienst, vanaf 1840

nevenfunctie:
lid College van Curatoren Hogeschool te Groningen

academische studie :
Romeins en hedendaags recht (gepromoveerd op dissertatie "De Polygynia", 1795) Hogeschool te Groningen, tot 1795

wetenswaardigheden uit de privé-sfeer :
- Zijn oudste zoon Wicher was grietman van Gaasterland en van Wonseradeel
- Zijn jongste zoon Theodorus was burgemeester van Uithuizermeeden

woonplaatsen:
Groningen, Uithuizermeeden, borg Rensuma

predikaat :
- jonkheer, 27 december 1817. Heerlijkheden : Heer van Rensuma, 1829 (door koop)
beroep grootvader (vaderskant)
- raadsheer van Groningen
- gedeputeerde ter Staten-Generaal
- lid Raad van State
- burgemeester van Groningen

familierelaties
- Zoon van W. van Swinderen, lid Notabelenvergadering
- Vader van jhr. G.R.G. van Swinderen, Eerste-Kamerlid
- Grootvader van jhr. J.H.F.K. van Swinderen, Tweede- en Eerste-Kamerlid

 

 

 

Bronnen/literatuur:
* De Ommelander Borgen en Steenhuizen, 1973.
* De Verhalen van Groningen.
* RHC GA: A. Pathuis, Inventaris en archieven van leden der geslachten De Marees van Swinderen en Van Swinderen. Offset 1972.
* J. Vinhuizen, Rensuma te Uithuizermeeden, Groningen, V.A. 1927, blz. 6-31.
* Adeldom verplicht. De familie van Swinderen in Gaasterland, Sieger Rodenhuis en Geertje Kingma. Leeuwarden, 2010.
* Dagblad van het Noorden, 25 juli 2018. ‘Ans en Ate Meijer: bewoners van de gerestaureerde Rensumaborg bij Uithuizermeeden’.

 


Deze pagina maakt deel uit van www.nazatendevries.nl.
Aan bovenstaande tekst is de uiterste zorgvuldigheid besteed. Desondanks kunnen er best fouten voorkomen.
Constateer je fouten en/of heb je vragen, correcties, aanvullingen...geef die dan even aan mij door via mijn E-mail adres.
Laat ook eens een bericht achter in het Gastenboek.
Hoogeveen, 1 september 2018.
Samenstelling: © Harm Hillinga
.
Menu Artikelen.
Terug naar de HomePage.
Top