De Gockingaheerd of Drostenborg te Zuidbroek en het geslacht Gockinga

 


De eerste Gockinga's komen reeds in de tweede helft van de 13e eeuw in Reiderland en in het begin van de 15e eeuw voor te Zuidbroek, waar zij een sterke burcht bezitten, de ‘Gockingaheerd’, later genoemd ‘De Drostenborgh’. Zij leven bijna voortdurend in onmin met de bewoners van de stad Groningen, die tevergeefs trachten de borg te overmeesteren.
De Gockingaborg is aanvankelijk een steenhuis dat halverwege de 13e eeuw wordt gebouwd door de familie Gockinga. Het steenhuis bevindt zich in die tijd in het gehucht Uiterburen onder Zuidbroek op het terrein van de huidige Drostenborg
[5]. Op dit terrein zijn resten van kloostermoppen gevonden.


De borg ligt in die tijd op een strategische plek aan de route van Groningen naar Duitsland, die over het hoogveen heeft gelopen en hier naar het zuiden afbuigt. Hij gaat via een brug over de Munter Ae verder langs het (verdronken) dorp Meeden in de richting van Winschoten en Wedde.


Deze borg moet men zich voorstellen als een eenvoudige, rechthoekige toren met een zadeldak, bestaande uit een kelder en een zolder en daartussen één, twee of drie verdiepingen. De afmetingen van het borg van de Gockinga's te Zuidbroek zijn 8,50m bij 11,40m geweest. Dit zijn de afmetingen buitenwerks. De muren zelf zijn 2 à 4 stenen dik, dus 65 à 130 cm, soms zelfs nog meer. Het dak springt waarschijnlijk zover terug dat er plaats is voor een ommegang met kantelen van waaraf men de belegeraars kan bestoken. De borg heeft primair voor de verdediging gediend. De omvang is verder zodanig dat men er kan wonen.

 

Strijd met de stad Groningen


De leden van de familie Gockinga, hebben het geregeld aan de stok met de stad Groningen en de bewoners van omliggende dorpen. De Gockinga's behoren in de strijd tussen de Schieringers en Vetkopers tot het laatste kamp. In 1398 draagt Tamme Gockinga samen met onder andere Menne Howarda en Omeko Snelghersoen het Oldambt op aan Vetkoper hertog Albrecht van Beieren. De stad Groningen, die op de hand van de Schieringers is, trekt vervolgens op tegen deze lokale krijgsheren. In 1399 dwingen zij de toenmalige borgheer Eijolt (ook Eelt, Eelke, Elde of Ayolt) Gockinga de wallen te slechten en de gracht te dempen, waarmee hij voorkomt dat hij voor het gerecht moet verschijnen. Als dit niet het gewenste effect heeft, trekt de stad twee jaar later samen met de boeren onder leiding van Albert Wigbolts en Frederik Arlo opnieuw op tegen de Gockinga's [1].


Op 29 april 1401 wordt een nieuwe overeenkomst gesloten, waarbij o.a. bepaald wordt dat hij de bezetting van zijn slot naar goeddunken mag kiezen en dat zijn broer Tammo Gockinga, in vervanging van zijn zoon Eppo Gockinga die dan in Westerwolde is, zich in pandschap zal stellen.


Eijolt wordt meegevoerd naar Groningen en wordt pas in 1405 weer in vrijheid gesteld uit de A-poort. In een klaagschrift, dat wordt geciteerd door Ubbo Emmius, doet Eijolt uitvoering verslag van de krijgshandelingen en de vernederingen die hij zich heeft moeten laten welgevallen. De verwoesting van het steenhuis wordt nog jaren later gevierd in de stad Groningen.


Elde Gockinga is gehuwd met Wernel, gravin van Kauwenborg en Stemborg en heeft daarbij één zoon, Eppo Gockinga.
Eppo herbouwt de vaderlijke borg en versterkt het zoveel mogelijk. Eppo Gockinga, steunend op de hulp van zijn zwager, Edzard Cirksena, de graaf van Oost-Friesland, stelt alles in het werk om de handel van de stad Groningen te benadelen.


Als Philips de Goede, hertog van Bourgondië, Eppo Gockinga aan zijn hof verbindt, beginnen de Groningers te vrezen voor de toeneming van zijn macht; zij belegeren zijn borg te Zuidbroek in 1438. Door tussenkomst van graaf Edzard wordt een overeenkomst gesloten waarbij Eppo Gockinga zijn borg terugkrijgt en deze wederom versterkt. In 1437 is Eppo met Theda, de zus van Edzard II van Appingen-Greetsiel, hoofdeling van Oost-Friesland getrouwd.


Ook verliest Eppo zijn slot bij Okkeweer (of Aikeweer, dat later verdwijnt in de Dollard) en zijn sterkte te Bellingwolde, die door de stad wordt geslecht. Door tussenkomst van zijn zwager mag Eppo Gockinga zijn steenhuis bij Uiterburen blijven bewonen tot zijn dood in 1444, waarna zijn goed vervalt aan de stad Groningen [7]. Zijn weduwe wordt gewapenderhand van haar bezit verjaagd [8] en probeert tot 1456 tevergeefs om haar goederen bij Uiterburen en Okkeweer terug te krijgen. Haar zoon Sibet Attena van de Beningaburg probeert vervolgens om een doorbraak te forceren door de Eems over te steken en Oterdum in te nemen. Graaf Ulrich I van Oost-Friesland weet in 1458 een verzoening bewerkstelligen, maar Theda krijgt het steenhuis niet terug.


De heerd in de 16e eeuw


In de 16e eeuw resideert hier de ambtman, later de drost van het Oldambt. De Gockemaheerdt wordt ook genoemd in 1576. Later spreekt men ook wel over de Drostenheerd. Het borg en het herenhuis hebben ten noorden van de huidige villa gestaan, ongeveer waar nu de zwetsloot is. Vermoedelijk heeft zich hierbij ook een boerderij behoord.
Het wapen van de voormalige gemeente Zuidbroek is gevormd uit elementen van de wapens van de stad Groningen en van de familie Gockinga [9]. In het wapen van Oosterbroek staat ter aanduiding van de Gockinga's een borg afgebeeld. Het wapen van de latere gemeente Menterwolde bevat een lelie, die eveneens verwijst naar relatie met de familie Gockinga  [10].


Scato Gockinga


Een achter-achterkleinzoon van Eppo is Scato Gockinga (1566-1641). Hij wordt in 1595 benoemd tot secretaris van Gedeputeerde Staten van Groningen, in 1602 tot raad en syndicus van de Ommelanden en in 1618 tot lid der Staten-Generaal. In 1619 behoort hij tot de rechters in het proces tegen Van Oldenbarneveld, De Groot en Hoogerbeets. Verder is hij curator van de Groninger universiteit van 1615 tot 1640.
Een dochter van Scato Gockinga, Hille, huwt Ludolf (Henrici) Werumeus, secretaris van de Hoge Justitiekamer van Stad en Lande. Zijn kinderen nemen de naam Gockinga aan. Ludolf (Henrici) Werumeus wordt beschouwd als de stamvader van het tweede, thans nog levende geslacht Gockinga. Het eerste geslacht Gockinga is in het midden van de 18e eeuw in de mannelijke lijn uitgestorven.


Geslacht Gockinga belangrijk voor heel Nederland


Het geslacht Gockinga is voor de provincie Groningen, ja zelfs voor de geschiedenis van ons vaderland zeer belangrijk geweest. Gedurende meer dan vier eeuwen vervullen leden van deze familie functies bij de rechterlijke macht en nemen deel aan politieke gebeurtenissen, wat in het familiearchief duidelijk tot uiting komt.


Enkele personen zal ik onderstaand met name noemen, niet omdat zij belangrijker zijn dan de overige familieleden, maar enkel om een indruk te geven welke functies onder meer door leden van de familie Gockinga bekleed zijn.


Een tweede Scato Gockinga, 1624-1683, is raadsheer te Groningen, secretaris van Gedeputeerde Staten en wordt in 1672 lid van de Staten-Generaal. In de hachelijke omstandigheden waarin ons vaderland in dat jaar verkeert wordt hij door de staten onder de eed van geheimhouding gemachtigd om gezamenlijk met prins Willem III, Van Beuningen en Van Beverningk met de Engelse gezanten Arlington en Buckingham te onderhandelen. In 1665 is hij voor Groningen lid van de admiraliteit van Amsterdam en in de jaren 1680, 1682 en 1683 curator van de Groninger universiteit. Zijn beeltenis komt voor op een gedenkpenning geslagen ter herinnering aan het beleg van Groningen van 9 juli tot 17 augustus 1672.

 

Scato Gockinga (1712-1799) en zijn echtgenote Francina Margaretha Sichterman. Het dochtertje heet Tateke Helena, Schilder: Philip van Dijk (1745). Het schilderij is in eigendom van het Groninger Museum en is 149 x 117 cm groot. Licentie: Public Domain.


Campegius Hermannus Gockinga, 1748-1823, studeert rechten in Groningen en verwerft in 1768 zijn doctorsgraad na de verdediging van zijn dissertatie ‘De mitigatione poenarum’. In 1792 wordt hij benoemd tot lid van Gedeputeerde Staten. In 1802 wordt hij verkozen tot lid van het Staatsbewind van de Bataafse Republiek en in 1805 tot lid der Provinciale Staten van Groningen. Koning Lodewijk benoemt hem op 27 april 1808 tot kwartierdrost van Winschoten en lid van de Raad van State en schenkt hem de Orde der Unie. Bij de inlijving bij Frankrijk wordt deze Gockinga benoemd tot onderprefect, maar hij wil dit ambt niet aanvaarden.
Na de bevrijding van ons vaderland behoort hij tot de notabelen die in 1814 de Grondwet aannemen. Hij wordt vervolgens tot lid der Staten-Generaal gekozen en neemt deel aan de samenstelling van de Nederlandse wetboeken.


De voornaamste redevoeringen door hem in de Staten-Generaal gehouden zijn in een bundel uitgegeven onder de titel ‘Het tegenwoordig stelsel van belastingen in het Koninkrijk der Nederlanden.’ In de jaren 1805 tot 1808 is hij curator van de Groninger universiteit.


Campegius Hermannus Gockinga, 1804-1882, wordt als student te Groningen met goud bekroond wegens zijn geschrift ‘Commentatio de poena stigmatis’. In 1827 wordt hij advocaat, in 1829 griffier van het vredegerecht te Groningen, 16 september 1838 rechter te Winschoten, 14 juni 1844 lid van de Hoge Raad, 7 november 1877 Vice President en op 6 april 1878 President van dat College. Hij is Commandeur in de Orde van de Nederlandse Leeuw en Commandeur in de Groot Hertogelijke Luxemburgse Orde der Eikenkroon. Van zijn hand verschijnen o.a. ‘Brieven over het recht van Beklemming. [1].


Verantwoording van de inventarisatie bij de Groninger archieven


Het archief, dat ter inventarisatie bij de Groninger Archieven is gegeven, is het archief van de familie Gockinga. Het is een familiearchief, want het is een combinatie van persoonlijke archieven, afkomstig van dezelfde familie of van verwante families. Twee derde gedeelte van het familiearchief Gockinga is reeds in 1922 en 1930 geïnventariseerd bij het archief te Groningen, ‘Inventaris van het familiearchief Gockinga IV7 en IV8’. Het gedeelte, dat later geïnventariseerd is, is op 8 augustus 1972 geschonken aan het Rijksarchief door Jhr. Jan Scato Eppo Gockinga, wegens zijn vertrek naar Zwitserland.


We hebben te maken met twee geslachten Gockinga. Het eerste geslacht Gockinga is in het midden van de 18e eeuw in de mannelijke lijn uitgestorven. Het tweede geslacht Gockinga stamt af van Hille Gockinga en Ludolf (Henrici) Werumeus, die waarschijnlijk in 1621 huwen. Hun kinderen nemen de naam Gockinga aan. Van het tweede geslacht is een genealogie gemaakt. Voor het samenstellen van de genealogie is o.a. gebruik gemaakt van het ‘Stam en Wapenboek III’, van Vorsterman van Oyen en het ‘Biografisch Woordenboek’ van Van der Aa. De oorspronkelijke orde van het archief is zoveel mogelijk gehandhaafd.


Stukken afkomstig van aangetrouwde families zijn gevoegd bij het persoonlijk archief van degene door wiens huwelijk ze in de familie zijn gekomen. Artikelen naar aanleiding van het overlijden van een bepaalde persoon geschreven, zijn bij de desbetreffende persoon gevoegd, indien niet bekend is wie het artikel bewaard heeft. De boedelpapieren zijn beschouwd als afsluiting van de administratie van de erflater en zijn in zijn archief opgenomen. In het archief bevinden zich ook veel boeken. Nu kan een willekeuring boek wel een archiefstuk zijn, wanneer het een bijzondere betrekking krijgt tot een bepaald persoon. Dit is het geval bij boeken, die als prijs toegekend zijn wegens behaalde studieresultaten. Deze boeken zijn dan ook bij de desbetreffende personen ondergebracht. Enkele leden van de familie Gockinga hebben gepubliceerd en aantekeningen gemaakt op werken van andere auteurs. Deze werken zijn ondergebracht bij de desbetreffende persoon onder ‘Gepubliceerde werken en aantekeningen op werken van andere auteurs’. De boeken die door de familie Gockinga aangekocht en verzameld zijn, zijn ondergebracht in de bibliotheek [2].

 

Andere steenhuizen


Verder zuidelijk heeft aan de Uiterburen nr. 39 ook een steenhuis gelegen. In 1955 zijn per toeval resten van een steenhuis ontdekt door Remt Lambert Buringh die op dat moment een schuur achter zijn boerderij aan de Uiterburen 39 wil bouwen [11]. De afmetingen van de ruïne bedragen ca. 5,30 × 8,20 m; de muren zijn maximaal 1.62 m dik. De fundamenten bestaan slechts uit kloosterstenen, die ca 32 × 15 × 9 cm bedragen. Ook op de plek van de boerderij Uiterburen 49 zijn resten van kloostermoppen gevonden uit de 14e eeuw.


Aangezien sommige oude overleveringen aangeven dat de Gockinga's na de verwoesting van het steenhuis in een van hun andere huizen nabij het steenhuis gaan wonen, kan het mogelijk gaan om een van deze behuizingen [8]. Dit zou echter ook op een misverstand kunnen berusten. In de voortuin van Uiterburen 49 zijn eveneens zware fundamenten gevonden. Daarnaast hebben archeologen een steenhuis blootgelegd op het bedrijventerrein 'De Gouden Driehoek' te Zuidbroek. Dit steenhuis is kennelijk door de Dollard overspoeld.

 

Opmerking bij de plaats van de borg


In het verleden is ten onrechte gedacht dat de locatie van de borg zich oorspronkelijk heeft bevonden achter de huidige boerderij Gockingaheerd (vroeger Veenhuizen of Oosterbroek genoemd) aan de Sappemeersterweg 15 onder Stootshorn ten westen van Noordbroek, aan het Noordbroeksterveen en pas na 1438 is verplaatst naar Uiterburen.


Onderzoeksbureau Archis geeft de locatie weer onder de huidige boerderij (Archis nr. 6921, ‘GOCKINGAHEERD; BOTJESWEG’), maar Tilbusscher (een Groninger onderwijzer, 1876-1958, die veel over de geschiedenis van Groningen heeft geschreven) geeft in 1937 aan dat deze erachter heeft gelegen. De verwisseling heeft te maken met het feit dat op de Gockingaheerd, die is ontstaan op het landgoed Veenhuizen, later een familie heeft gewoond die zich wel Gockinga heeft genoemd, maar niet direct aan de oudere dan reeds in mannelijke lijn uitgestorven familie verwant is geweest. Deze familie heet Bauckens en heeft het huis eerder Bauckenborg genoemd.


In 1955 heeft men onder leiding van de Oudheidkundige Dienst te Groningen een onderzoek ingesteld naar de resten van ‘De Drostenborch’ te Zuidbroek.

 

Het familiewapen van de Gockinga's. Bron: Wapenregister van de Nederlandse adel Hoge Raad van Adel 1814 - 2014 Auteur: Coen O.A. Schimmelpenninck van der Oije, Egbert Wolleswinkel, Jos van den Borne, Conrad Gietman Uitgave: WBooks, 2014, SVG = Own work.

 

 

Enkele belangrijke Gockinga’s

 


GOCKINGA (Campegius Hermanus), verdienstelijk rechtsgeleerde, geboren te Groningen 13 Sept. 1804, overleden te 's Gravenhage 2 Juni 1882. Zijn ouders zijn Mr. Joseph G. en Catharina Modderman. Hij studeert aan de hogeschool van zijn geboorteplaats (ingeschr. sept. 1819), onder Gratama, de Wal en Nienhuis, beantwoordt een door de juridische faculteit van die hogeschool uitgeschreven prijsvraag over de Straf van brandmerk en promoveert 19 apr. 1826 op een diss. De doctrinae Juris Criminalis incrementis inde a saeculo decimo octavo media jam parte elapso. Zijn antwoord op bovengenoemde prijsvraag wordt met goud bekroond en is getiteld: Disputatio de poena stigmatis, de ejus origine atque usu apud diversos populos degue ejus meritis secundum praecipuos juris criminalis scriptores. Na zijn promotie is Mr. C.H. Gockinga een tijdlang werkzaam op het kantoor van de procureur Reiger te Groningen. Weldra wordt hij tot secretaris van het burgerlijk armbestuur gekozen en op 19 mrt. 1829 ziet hij zich benoemd tot griffier van de Vredegerechten in de beide kantons van Groningen. Zwak van gezondheid, wordt hij in deze jaren aangetast door een ernstige oogziekte, die hem geruime tijd alle arbeid belet. Hersteld, ziet hij zich op 1 okt. 1838 benoemd tot rechter in de rechtbank te Winschoten, waar hij tot 1844 vertoeft. In dat jaar wordt hij tot raadsheer in den Hoogen Raad der Nederlanden benoemd, van welk gerechtshof hij tot zijn dood lid gebleven is: sedert 1871 als ondervoorzitter, sinds 1878 als president. Zeer plotseling en treffend is het verscheiden van deze ijverige en bekwame magistraat. 's Morgens uit een zitting van de Hogen Raad naar zijn huis terugkerend, wordt hij onderweg door een beroerte getroffen, zodat hij niet eens zijn woning meer bereikt. Hij sterft op de leeftijd van bijna 78 jaar en is om zijn edel karakter en voorbeeldige plichtsbetrachting algemeen geacht en bemind.


Mr. Gockinga is gehuwd geweest, sedert 1838, met Henriette Maria Wilhelmine Sophie de Ranitz, die hem in 1874 door de dood ontvalt. Geen kinderen worden uit deze echt geboren.


In den Haag is Gockinga tevens ouderling bij de Ned. Herv. kerk, lid van het Provinciaal College van Toezicht op de kerkelijke administratie bij de Hervormden in Zuid-Holland, en Vicepresident van het Algemeen College van Toezicht bij dat bestuur. Voorts is hij in andere betrekkingen nuttig werkzaam, o.a. als lid van de Staatscommissie voor de herziening der wetgeving op de eigendomsoverdracht van onroerende goederen enz. Zijn verdiensten worden erkend, onder meer, door het Prov. Utrechtsch Genootsch. v. K. en W. en door de Maatschappij der Ned. Letterk. te Leiden. Hij schrijft een aantal belangrijke opstellen in rechtsgeleerde en andere tijdschriften: inzonderheid worden die over het beklemrecht zeer gewaardeerd. Men vindt zijn geschriften vermeld in de lijst achter onderstaand levensbericht in de Hand. Van de Maatsch. v. Ned. Letterk.
Zie ook: de Wal in Levensber. Letterk. 1883, 227; Themis 1882, 614; Jaarbboek Ned. Vredesbond XII (1884), 27 en Het Vaderland van 3 en 6 Juni 1882 [3].


GOCKINGA (Arend Ludolf), geboren 2 Juni 1628, overleden 26 Mei 1686, zoon van Ludolf Henrici (Werumeüs) en Hille Gockinga. Hij is kolonel, en neemt de geslachtsnaam van zijn moeder aan, ongeveer in 1644. Hij huwt in 1652 met Judith van Iddekinge en heeft zeven kinderen, onder wie Tobias, officier, die jong sneuvelt, en Scato Ludolf, geboren 25 aug. 1664 [3].


GOCKINGA (Bauke), broer van Dr. Scato G. (syndicus der Ommelanden). Hij huwt in 1596 met Eltke tho Wartum [3].


GOCKINGA (Eolt of Eijolt), Erfhoveling (nobilis) te Broek (het tegenwoordige Noordbroek en Zuidbroek), Reiderland (behorende tot het Oldambt) en Pekelborg, bewoont te Zuidbroek zijn borg, genaamd Gockingaheerd of Drostenborgh, die thans nog op de stafkaart is aangegeven. Hij is de zoon van Tammo G. en Benelope, Gravin van Diepholt. Hij is gehuwd met Wemele, Gravin van Kauwenborg en Sternborg, weduwe van Doornum. Hij heeft strijd met de stad Groningen, welke in 1401 zijn borg inneemt en sloopt, hem als gevangene meeneemt naar de stad, en zijn heerlijke rechten tot zich neemt. Eolt vlucht. Het slot wordt herbouwd, en later heeft de stad Groningen dezelfde twisten met Eolt's zoon Eppo Gockinga [3].


GOCKINGA (Eppo) (1), zoon van Eolt en Gravin van Kauwenborg en Sternborg, bewoont het herbouwde slot van zijn vader en heeft eveneens twist met de stad Groningen. Hij huwt in 1437 met Theda, Gravin Sirxena (van Grietzijl, ten noorden van Emden), de zuster van Edzard Sirxena, graaf van Oost-Friesland. Philips de Goede, Hertog van Bourgondië, verbindt Eppo aan zijn hof. De stad Groningen valt genoemd slot wederom aan en verovert het in 1438 [3].
Door invloed van zijn zwager Edzard wordt er een convenant gemaakt tussen Eppo en de stad. En als Eppo daarna in 1444 is gestorven wordt de stad meester van Eppo's heerlijkheden en goederen [3].


GOCKINGA (Eppo) (2), kapitein en kommandeur van de Forteresse Bourtange, zoon van Dr. Scato Gockinga (syndicus der Ommelanden) en Luurtje Edzama. Hij huwt 26 sept. 1630 met Catharina Clant, die sterft 22 mrt. 1638 en die ligt begraven op het koor in de Martinikerk te Groningen. Hun dochter Luurtje (Luirda) Gockinga huwt 1672 met Jan Verrucius, burgemeester van Groningen en heeft één zoon Gerlach Julius, geboren in sept. 1676, jong gestorven en begraven op het genoemd koor. Eppo G. hertrouwt in 1640 met Clara Eisinghe. Dit huwelijk blijft kinderloos.


Niet van deze Eppo stammen de tegenwoordige Gockinga's af - zoals soms is beweerd - doch van Eppo's zuster Hille Gockinga, die in 1622 huwt met Ludoif Henrici, en wiens kinderen de geslachtsnaam van hun moeder aannamen [3]. Zie ook: Mr. J.H. de Vries in Gen. Herald. Maandblad de Nederl. Leeuw, 1915, blz. 174.


GOCKINGA (Frederik), broer van Dr. Scato Gockinga (syndicus der Ommelanden), huwt te Groningen 18 jan. 1607 met Lamme van Rensen, dochter van Rotger v.R. en Teka Herens. Hij heeft o.a. een zoon Eppo, die in 1638 huwt met Sibilla Verspeeck. Deze Eppo heeft een zoon Scato, een kleinzoon Eppo, en een achterkleinzoon Lodewijk Eppo (geboren in 1743 of 1745), met wie deze tak van Frederik uitsterft. Deze tak wordt wel de Overijsselse tak genoemd [3].


GOCKINGA (Hendrik), geboren 4 dec. 1624, overleden 24 mei 1674, zoon van Ludolf Henrici (Werumeüs) en Hille Gockinga. Hij is o.a. in 1663 lid van de Raad van State en in 1664 lid van de Staten Generaal. Hij neemt ongeveer in 1644 de geslachtsnaam van zijn moeder aan. In april 1654 huwt hij met Anna Grawers. Hij heeft drie dochters en een zoon Ludolf, geboren 14 maart 1667, ongehuwd overlijdt hij in sept. 1712 [3].


GOCKINGA (Hille), overleden 16 nov. 1642, dochter van Dr. Scato G (syndicus der Ommelanden) en Luurtje Edzama. Zij huwt 5 mei 22 met Ludolf Henrici (Werumeüs = van Wierum) en heeft vier kinderen, n.l. Scato - Clara - Arend Ludolf - en Hendrik, die allen, omstreeks 1644, de geslachtsnaam van hun moeder aannemen. Van deze Scato Gockinga stammen alle tegenwoordige Gockinga's af. (Zie Mr. J.H. de Vries, in Gen. Herald. Maandblad de Nederl. Leeuw, 1915, blz. 174). Genoemde Werumeüs overlijdt in 1635. In 1637 hertrouwt Hille G. met Adolphus Louwens, burgemeester van Groningen. Zij ligt begraven op het koor in de Martinikerk aldaar [3].


GOCKINGA (Hylcke), geboren 31 okt. 1723, overleden 9 dec. 1793, dochter van Henric G. en Tateke Helena Sichterman. Zij heeft zich bijzonder op de kennis der talen en wetenschappen toegelegd en heeft boeken over de Heilige Schrift nagelaten. Er bestaat een schilderij door een onbekende schilder van haar die te zien is geweest op een tentoonstelling in 1863 te Delft. Waar dit schilderij zich nu bevindt is onbekend [3].

 

Hylcke Gockinga, geboren 31-10-1723 overleden 9-11-1793.

 

Dochter van Henric Gockinga en Tateke Helena Sichterman. Schreef uitvoerige verhandelingen over het bijbelboek Genesis op aansporing van ds. Van der Tuuk.

 

Schilder: onbekend.

 

Bron: RHC GA,
Beeldbank Groningen, 818-23248.

 


GOCKINGA (Kenna), zuster van Dr. Scato Gockinga (syndicus der Ommelanden). Zij huwt eerst met Witkop en later met Wilhelm van Vierssen, mede bewindhebber van de West-Indische Compagnie (overleden 31 aug. 1630). Zij is, als tante, aanwezig bij het opmaken van de huwelijkse voorwaarden van Eppo Gockinga en Catharina Clant, op 2 sept. 1630. Zij ligt begraven op het koor in de Martinikerk te Groningen.


GOCKINGA (Scato),1624-1683, lid der Staten-Generaal enz. Van hem stammen alle tegenwoordige Gockinga’s af [3].


Portret van Scato Ludolf Gockinga, geb. 25 aug. 1664, overl. 9 nov. 1737.

GOCKINGA (Scato Ludolf), geboren 25 aug. 1664, overleden 9 nov. 1737, zoon van Arend Ludolf Gockinga en Judith van Iddekinge. Hij is lid van de Staten Generaal, burgemeester van Groningen en curator van de Academie aldaar. Hij huwt 24 juni 1699 met Adriana Breur en hertrouw 13 nov. 1716 met Sophia de Bringues. Zijn dochter Adriana Sophia wordt 16 okt. 1717 geboren. Zij huwt 28 okt. 1736 met Jonkheer Edzard Reint Alberda. Scato Ludolf heeft geen zoon nagelaten. Er bestaat een schilderij geschilderd door H. van Limborch uit 1711 [3].


GOCKINGA (Sijbrand), geboren 26 dec. 1605, overleden 26 juli 1631, zoon van Dr. Scato Gockinga (syndicus der Ommelanden) en Luurtje Edzama. Hij studeert aan de academiën te Groningen, Franeker, Leiden, en ook in Engeland en Frankrijk. Hij is als getuige tegenwoordig bij het opmaken van de huwelijkse voorwaarden van zijn broer Eppo te Groningen op 2 sept. 1630 [3].


GOCKINGA (Tammo) (1), zoon van Tammo Gockinga en N. Abdena, erfdrostinne van Emden. Hij is gehuwd met Benelope, Gravin van Diepholt, en overlijdt waarschijnlijk in 1399. Op 3 (of 11) sept. 1398 draagt hij aan Hertog Albrecht van Beieren onderscheidene goederen op, waaronder 't Oldambt. Bij die opdracht wordt bepaald, dat hij en Menno Houwerda het Oldambt in erfleen zullen hebben. De stad Groningen is over deze bevestiging van macht zeer ongerust en hierdoor wordt de grondslag gelegd voor de kort daarop uitbarstende strijd tussen deze stad en de Gockinga's [3].


GOCKINGA (Tammo) (2), zoon van Eppo Gockinga en Gravin Sirxena, huwt in 1483 met N. Bauckens van Farnsum. Deze Tamme, geboren tussen 1437 en 1444, komt in de verdrukking, nadat in 1444 de stad Groningen meesteres is geworden van zijn vaders heerlijkheden en goederen. Het is gevaarlijk geworden om, wegens de vijandschap met de stad Groningen, de naam Gockinga te dragen. En daarom neemt Tammo's zoon Eppo de naam en het wapen van zijn moeder aan en noemt zich Bauckens. Ook Eppo's zoon Eppo draagt de naam Bauckens, terwijl de syndicus Scato, de zoon van laatstgenoemden Eppo, weer de naam Gockinga gaat voeren. Het veranderde wapen blijft voorgoed in de familie [3].


Alagonda Veldtman, echtgenote nog Henric Gockinga. Bron: RK. Licentie: public domain.

GOCKINGA (Henric). Deze Gockinga wordt op donderdag 8 juli 1686 aan de Vismarkt te Groningen geboren als zoon van Scato Gockinga en van Anna Cluivinge. Hij wordt een dag later gedoopt in de Martinikerk aldaar.

 

Zijn vader is drost van de Oldambten, lid van de Staten Generaal en van de Raad van State en raadsheer van Groningen. Zijn moeder is een dochter van de burgemeester van Groningen, Hendrik Cluivinge (ook Cluvinge). Gockinga trouwt op 5 januari 1710 te Groningen met Tateke Helena Sichterman, dochter van overste-luitenant Harmen Sichterman.


Cockinga wordt in 1711 gildrechtsheer in Groningen en vervult deze functie meerdere malen in de jaren erna. In 1721 wordt hij benoemd tot secretaris van de Staten van Groningen en vervult deze functie tevens voor Gedeputeerde Staten van Groningen. In dezelfde periode, van 1721 tot 1727, is hij secretaris van de curatoren van de Hogeschool van Groningen.

 

Hij overlijdt op 15 of 16 februari op 40-jarige leeftijd in zijn woonplaats Groningen. Zijn zoon Joseph wordt kapitein van het eerste bataljon van het lijfregiment van de Prins van Oranje, landschrijver van de beide Oldambten, raadsheer van Groningen, provinciaal rekenmeester en lid van de Staten-Generaal [4].

 

Joseph Gockinga, 21 april 1720 - 14 febr. 1780.

 

Gockinga, Joseph. Joseph Gockinga (Groningen, 21 april 1720 - aldaar, begraven 14 februari 1780) is een Nederlandse politicus geweest. Gockinga wordt op 21 april 1720 te Groningen geboren als zoon van de secretaris van de Staten van Groningen Henric Gockinga en van Tateke Helena Sichterman. Zijn ouders wonen dan in de Jacobijnerstraat. Hij wordt twee dagen later gedoopt in de Martinikerk. Gockinga is van 1741 tot 1748 kapitein van het eerste bataljon van het lijfregiment van de Prins van Oranje, landschrijver van de beide Oldambten, raadsheer van Groningen en provinciaal rekenmeester. Hij is namens Groningen lid van de Staten Generaal. Op 3 december 1741 trouwt hij te Franeker met Campegia Wilhelmina Vitringa. Zij is een dochter van de jong overleden hoogleraar theologie Campegius Vitringa en van Anna Sophia Sijdzes (Sixti). Hun zoon mr. Campegius Hermannus Gockinga gaat een belangrijke rol spelen als provinciaal en landelijk politicus. Gockinga overlijdt in 1780 op 59-jarige leeftijd in zijn woning aan de Oosterstraat en wordt begraven in zijn woonplaats Groningen.

 

 

 

De kinderen van Joseph Gockinga en Campegia Wilhelmina Vitringa met hun huis op de achtergrond, van links naar rechts Campegius Hermannus (1748-1823), Henric Joseph (1745-1787) en Scato François (1753-1796). Het portret dateert uit circa 1755 en is gemaakt door Luitjen Jacobs van der Werf (1701-1784). Bron: RHC GA, Licentie: Public Domain.

 

 

De huidige Drostenborg

 

Inleiding

 

De Drostenborch is tegenwoordig een villa gebouwd op de plaats waar voorheen een drostenhuis heeft gestaan. Dit huis is in 1872 afgebroken en in 1875 vervangen door de villa die de naam `Drostenborch' heeft gekregen. Bij het in een Eclectische bouwtrant opgetrokken pand hoort een fraai aangelegde landschapstuin, waarvan het oorspronkelijke padenpatroon grotendeels verdwenen is. De tuin heeft een ronde vijver met elsen eromheen, een bergje, een gazon en een aantal oude bomen, waaronder beuken en een plataan. Aan drie zijden een gracht met singelbeplanting. In de tuin staat een opvallend houten tuinhuisje dat oorspronkelijk bij de boerderij aan de Kerkstraat 39 heeft toebehoord en derhalve buiten de bescherming valt. In de achtertuin nog restanten van de oude boomgaard. In 1984 is het bestaande achterhuis van de villa gesloopt en is op dezelfde plek een nieuw achterhuis gebouwd van ongeveer dezelfde afmetingen, dat buiten de bescherming van rijkswege valt. Deze ingreep heeft echter het aanzien van het huis nauwelijks aangetast.

 

Het geheel omgrachte villaterrein is bereikbaar via een oprijlaan met aan weerszijden bomen, gemarkeerd door twee gemetselde pijlers met "Drostenborgh" erop. Om de villa staan vier lindenbomen (12).

 

Omschrijving

 

De villa is opgetrokken op een rechthoekige plattegrond. Het pand heeft in blokken gepleisterde gevels onder een zadeldak met strakke windveren en een geprofileerde goot, gedekt met een zwarte platte Friese pan. De beide topgevels hebben een gepleisterde waterlijst. De gevels worden geleed door staande vensters met een bovenlicht in de vorm van een accoladeboog, bestaande uit twee ovale ruiten en een trommel met een kruisvormig ornament. De hoofdentree bevindt zich in de noordgevel en bestaat uit een dubbele paneeldeur met gietijzeren deurpanelen en een decoratief kalf, onder een accoladevormig bovenlicht als bij de vensters; voor de deur een natuurstenen stoep (vier treden) tussen twee natuurstenen 'zijwanden' waarin de initialen van de opdrachtgevers en het bouwjaar uitgehakt zijn: 'W.L.J. 18' en 'R.B. 75'. Links van de entree twee staande vensters en in de topgevel een achtzijdig accoladeboogvormig kozijn waarbinnen vier druppelvormige glasruiten en decoratieve elementen.

 

De voorgevel (oost) heeft vier staande vensters; in het midden een erkerachtige, driezijdige uitbouw onder een vijfzijdige steekkap met houten piron, een gebogen fronton met zinken bekleding en een gepleisterde rand in zigzag motief. Onder het fronton een onderbroken goot, steunend op twee gepleisterde, decoratieve consoles, waartussen een rond gepleisterd vlak met leeuwekop. Onder het middelste venster van de uitbouw een verdiept vlak waarop 'Drostenborch' staat geschilderd. De zuidgevel heeft twee staande vensters, twee keldervensters met diefijzer en in de topgevel een identiek venster als in dat van de noordgevel. Aan de achterzijde (westgevel) een keldervenster en de aanbouw uit 1984, die buiten de bescherming valt.

 

Het interieur valt buiten de bescherming omdat het een nieuwe indeling heeft gekregen. De villa en tuin is van algemeen belang vanwege cultuur- en architectuurhistorische waarde: - als voorbeeld van een villa uit 1875 met een Eclectische vormgeving met landschapstuin - vanwege de opvallende detaillering van de villa - vanwege de historische relatie met de voormalige Drostenborgh - vanwege de mooie ligging aan de doorgaande weg naar Noordbroek (12).

 

Latere bewoning

 

Veel van de bovengenoemde Gockinga's hebben het steenhuis of de borg zeer waarschijnlijk nooit bewoond, mogelijk zelfs nooit gezien. Dit doordat de stad Groningen het in bezit heeft gekregen en de drost er is gaan wonen tot februari 1811. Het is dan al meer een herenbehuizing geworden. Na 1811 wordt de Drostenborg door de stad verhuurd als een particulier woonhuis tot ze die op 29 juli 1815 bij de bijbehorende gronden, groot 8 deimt, verkopen aan de koopman Jan Reinders. Op 27 januari 1830 wordt de borg met hoven, tuinen, bos en drie bunders land werderom verkocht, terwijl we in 1857 lezen dat de verkoping plaats vindt van de Drosten- of Gockingaheerd in 16 percelen, toebehorende aan de stad Groningen. In hetzelfde jaar wordt de Drostenborg, waar dan nog 1 1/2 ha grond behoort, ook verkocht. Omstreeks 1850 zijn de kinderen van Onno Reint van Iddekinge te Groningen eigenaar van de Drostenborg, die 's zomers wordt bewoond door mr. T. Sijpkens, die in die tijd lid is geweest van de Eerste Kamer. Omstreeks 1930 herinneren ouderen zich dat de borg destijds omgeven is geweest van grachten, met aan de noordkant een ophaalbrug die dan toegang geeft tot een singel die naar de borg leidt. In de jaren 1870-1880 wordt aan de noordkant van het borgterrein een luciferfabriek opgericht door de heren H.J. Koster, Dr. Bleeker en Tinga. De fabriek werkt met Duits personeel, brandt geheel af en is nooit weer opgebouwd.

 

In 1872 is de oude Drostenborg afgebroken door de timmerlieden Wubbo Bos en Derk Huisman. Op het terrein wordt in 1875 een aardige villa gebouwd, die achtereenvolgens bewoond is door de heer Lantinga, de heer Hemmes en mevrouw weduwe Viëtor, geboren Groeneveld. in 1878 wordt door koop de familie Jutting-Boelema eigenaar. Mevrouw weduwe Jutting-Boelema verkoop het huis in 1919 publiekelijk en het komt dan in handen van de heer A.A. Sijpkens, die planter is te Nagasaki. Deze brengt het huis op 20 november 1923 publiekelijk ter veiling. In ieder geval tot augustus 1930 is koper, de heer Fledderus, secretaris van de gemeente Zuidbroek eigenaar. De villa draagt dan nog steeds de historische naam Drostenborg. De landerijen in de buurt met het terrein van de voormalige zuivelfabriek heten dan nog samen Drostenheerd (13).

 

 

De huidige Drostenborch te Zuidbroek. Bron: Wikimedia Commons. Licentie: Public Domain.

 

 

 

Bronnen en noten:


1. RHC GA (Groninger Archieven), 1591-1965. H.Chr.A. Pals en M. Visch-Camphuis (15-02-2017)
2. RHC GA (Groninger Archieven), 1974/1975, H.Chr.A. Pals, laatste wijzing 14-04-2018
3. NNBW. Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek
4. Nederland's Patriciaat jaargang 40, blz. 142 t/m 149, 1954 en Gemeentearchief Groningen: Lijst van gezagsdragers vermeld in het Regeringsboek afkomstig uit het Gemeentearchief Groningen 1594 - ca. 1811
5. Duijvendak, M.G.J. [et al.] Geschiedenis van Groningen, deel I, Waanders, Zwolle, 2008
6. NNBW. Vries, de. Gockinga, Eppo in Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek
7. NNBW. Vries, de. Gockinga, Eppo, in: Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek
8. Heraldry of the world: Zuidbroek
9. Het verhaal van Groningen: Wapen en vlag van de gemeente Menterwolde
10. Archis nr. 6921, ‘UITERBUREN’
11. Richard van der Schuur & Egge Haken, De steenhuizen in Noord- en Zuidbroek. Historisch Menterwolde. Geraadpleegd op 29 augustus 2016
12. Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed
13. Nieuwsblad van het Noorden, Ter Verpoozing nr. 443, 'De Drostenborg te Zuidbroek', 9 augustus 1930

 

 

 

Literatuur:


* H. Antonides en W. van Zeist, 'Een laat-middeleeuwse woontoren bij Zuidbroek'. in: Groningse Volksalmanak (1957), p. 165-170.
* H.A. Groenendijk en J. Molema, ‘Een middeleeuws steenhuis op het bedrijventerrein ‘De gouden driehoek’ te Zuidbroek (Gr.)’, in: Paleo-aktueel 9 (1998), p. 88-93
* J. Molema, ‘Van de Mieden, Egeste en Broke. De middeleeuwse nederzettingsgeschiedenis van het zuidwestelijk Wold-Oldambt in kort bestek’, in: Groninger Kerken 10 (1993), p. 129-136 (ook verschenen in: Palaeohistoria 33-34 (1991-1992), p. 311-320).
* Duijvendak, M.G.J. [et al.]. Geschiedenis van Groningen, deel I, Waanders, Zwolle, 2008
* Noord- en Zuidbroek in vroegere jaren, Zuidbroek, mei 1973, H. Antonides

 

 


Deze pagina maakt deel uit van de website www.nazatendevries.nl.
Aan bovenstaande tekst is de uiterste zorgvuldigheid besteed. Desondanks kunnen er best fouten voorkomen.
Constateer je fouten en/of heb je vragen, correcties, aanvullingen...geef die dan even aan mij door via mijn E-mail adres.
Laat ook eens een bericht achter in het Gastenboek.
Hoogeveen, 31 augustus 2019.
Samenstelling: © Harm Hillinga
.
Menu Artikelen.
Terug naar de HomePage.
Top