Het verdwenen Dollarddorp Oosterreide 

 

Punt van Reide van topografische kaart uit 1933.
Punt van Reide van topografische kaart uit 1933. Let ook eens op de wierde die op het Landpunt Reide ligt en de weg die 1933 nog gedeeltelijk herkenbaar is. Bron/licentie: Publiek domein vanwege ouderdom.

 

 

Reide is een zeer oude parochie geweest en is door de Dollard verzwolgen. Dit geldt ook voor Oosterreide en Westerreide.

Het tweelingdorp Westerreide ligt volgens de historicus Ubbo Emmius aan de westzijde van de rivier, waar nu de Punt van Reide ligt. Ooster- en Westerreide vormen tevens de moederdorpen voor de veenontginningsnederzettingen van Reiderwolde. Vlak bij het dorp ligt rond 1300 mogelijk het ontginningsdorp Westertili, mogelijk een verschrijving voor Westercili ('Westersiel').

 

Belangrijke marktplaats

 

Oosterreide is een belangrijke marktplaats geweest. De haven bij de sluizen biedt volop gelegenheid voor handelsverkeer. De afdamming van de Westerwoldse Aa moet een omvangrijke onderneming zijn geweest. Volgens de overlevering hebben hier – net als in Delfzijl – meerdere zijlen (sluiskokers) naast elkaar gelegen. Jacob van der Mersch tekent op zijn Dollardkaart uit 1574 vijf zijlen; kroniekschrijver Johan Rengers van ten Post, die zich beroept op de Dollardkaart in het Groningse stadhuis, meent dat hier maar liefst zeven zijlen zijn geweest. Willem de Volder fabuleert in een lofdicht op Emden uit 1553 over zeven zijlen bij Fletum, dat hij gelijkstelt aan de Romeinse haven Flevum.

 

Stichting van de kerk

 

Uit Oosterreide zou volgens de Prophecye van Jarfke uit 1597 ook het misboek stammen, waarin het ontstaan van de Dollard werd beschreven. Jarfke had er 'veel van syn vrienden woonen'. Het document waarnaar verwezen wordt, is echter een falsum dat vermoedelijk rond 1550 in Groningen is vervaardigd [1].

 

De stichting van de kerk alhier zal teruggaan op de abdij te Werden. De 'Werdener Urbare' vermelden dat Folquuard tradidit in Hriadi in Folcbaldesthorpe sex perticas en een andere schenking door Folquuard de Hredi', een en ander te stellen volgens Kötzschke omstreeks 910-916(?). Een lijst van inkomsten van deze abdij omstreeks 900 vermeldt reeds dimidiam virgam te Fiemel. Kötzschke dateert de vermeldingen van inkomsten der abdij te Redi in Walda 36 arietes op de tiende-elfde eeuw; uit de elfde-twaalfde eeuw dateren zijns inziens de vermeldingen van de ontvangst van 6 pallia De Redi in Walda en ad ecclesiam in Rhedi 3 virge, id est 18 pallia. Ook medio twaalfde eeuw worden inkomsten der abdij uit Reide in Walde vermeld, evenals uit landerijen in Reiderwalde ... qui jacent in Westercili (Westerzijl). Uit het vermelden van deze zijl leidt Naarding af dat reeds medio twaalfde eeuw zijlvesten als organisatievorm voor de ontwatering met behulp van zijlen in dit gebied hebben bestaan. Osthoff neemt aan dat met het villa Redan in pago Emisgoa niet, zoals Meyer doet, Rhede bij Aschendorp bedoeld is maar Reide of Reiderwolde. Wanneer de parochie Reide is gesticht is onbekend. Gelegen aan de uitmonding van de Ee in de Eems, wordt deze op een bepaald ogenblijk gesplitst zoals ook te Termunten aan beide oevers van de Ee twee parochies ontstaan [1].

 

De parochielijst (bedoeld is die van omstreeks 1450) noemt beide plaatsen beide met een schatting van 13 schilling) onder de proostdij Hatzum hetgeen Siemens verwarrend acht; hij tekent ze dan ook binnen de proostdij Farmsum. Echter ook de parochielijst van 1501 rekent zowel Wester- als Oosterreide tot de proostdij Hatzum. Beide zijn echter, waarschijnlijk door de waterstaatkundige ontwikkelingen in het Dollardgebied, in wereldlijk opzicht steeds meer op het Oldambt gericht [1].

 

Reeds in 1441 rekenen zij zich daartoe, blijkens de dijkbrief uit dat jaar. Ook de schattingslijst van omstreeks 1500 noemt Oosterreide en Westerreide onder het Klei-Oldambt, laatstgenoemd dorp met twee priesters. Een Saksische schattingslijst uit 1509 geeft voor Ooster- en Westerreide een schatting (belasting) van 23 gulden. Een Gelderse taxenlijst uit 1520 noemt 'Oestereyd ende Westerreyd' met 10 gulden schatting en een oppervlakte van 598 grazen. Ook dan worden zij tot het Oldambt gerekend [1].

 

In de eerste decennia van de zestiende eeuw moet Oosterreide zijn ondergaan, mogelijk reeds voor 1514. Sicke Benninghe spreekt in 1514 van de 'kercke toe Reyde' die versterkt is en dan door de graaf van Oostfriesland op de Saksers wordt veroverd. De abdij te Werden bezit het patronaatsrecht van de kerk te Oosterreide. Dit kan er op duiden dat deze de kerk van de eerdere parochie Reide – voor de deling – is. Een inkomstenregister van omstreeks 1230-1270 noemt In Frisia Ecclesia in Reide solvit  marcam; de kerken te Holtgast en Weener die eveneens aan deze abdij hebben toebehoord, hebben 14 respectievelijk 6 zware denariën opgebracht.

Wanneer de parochie Reide is gesplitst is niet bekend. In 1256 is echter nog sprake van de kerk te Reide. In dat jaar dragen proost en kapittel van Werden het recht van verlening (auctoritatem conferendi) van de kerk over aan de proost van Palmar aldus dat de parochianen Redenses het presentatierecht voorbehouden blijft en afstand wordt gedaan van de eis tot betaling van leges. De proost zal de verkiezing leiden, een geëigende sollicitant voorstellen en de gekozene aan de diocesaanbisschop voor de overname van de zielzorg voorstellen. Stüwer tekent hierbij aan dat de oorkonde niet zegt of de overdracht betrekking heeft op een eenmalig geval of voor altijd geldt, merkwaardig voor zulk een belangrijk iets als het collatierecht betreft. De omstandigheid dat het betrokken stuk zich in het Werdener archief bevindt, pleit er reeds voor aan te nemen dat de overdracht aan Palmar niet geëffectuuerd is. De oorkonde van 1258 laat hieraan nog meer twijfel. Wellicht heeft Werden in 1256 getracht nog te redden wat te redden valt, want aan de nalatigheid (neglegencia) waarvan in 1258 sprake is, kan nauwelijks getwijfeld worden [1]

 

In 1258 (voor 3 april) beslissen twee kanunniken uit Soest als daartoe door de aartsbisschop te Keulen benoemde scheidsrechters een geschil tussen de bisschop van Münster en de kerk van Werden over de bezetting van de parochiekerk te Reide in die zin dat de ordinacio in het ambt van pastoor die de bisschop wegens de nalatigheid van de proost en de kerk van Werden op grond van het hem toekomende recht van devolutie voornemens is, dat wil zeggen het patronaatsrecht, rechtsgeldig de proost en de kerk van Werden toekomt. De bisschop dient dezen te beloven dat hij zich in de toekomst in hun patronaatsrecht aan de kerk van Reide buiten het hem toekomende recht niet zal mengen en de Werdener kerk niet meer in dit opzicht zal lastig vallen [1].

 

Kaart van de Punt van Reide uit 1738 gemaakt door Henricus Teijsinga.

Kaart van de Punt van Reide uit 1738 gemaakt door Henricus Teijsinga. Bron/licenitie: Beeldbank Groningen (RHC GA, 818-1424).

 

 

Over de tot de kerk van Reide toebehorende landbezit heeft de kerk van Werden geen verkooprecht, doch staat het de bisschop vrij de vervreemde akkers door zijn geestelijke autoriteit de kerk van Reide ab occupatoribus terug te geven. Bisschop Otto van Munster bevestigt op 3 april 1258 deze arbitrale uitspraak. Stüwer tekent hierbij aan dat door arbiters wordt uitgesproken dat de door Münster 'eingesetzte' pastoor door Werden erkend moet worden, de bisschop echter het bestaande patronaatsrecht dient te bevestigen.

De neglegencia waarvan sprake is, zal verband houden met het sterke – economische en disciplinaire– verval in de dertiende eeuw in Werden. De Werdener kerk te Reide verdwijnt na 1258. Oosterreide en Westerreide komen nadien met eigen parochiekerken voor waarbij Oosterreide de voortzetting is van Reide. Tussen 1272 en 1277 beklagen de inwoners van 'Asterreyde' en alle Reiderlanders (tota universitas terre Reydensium) zich er bij proost Otto van Werden over dat onder zijn voorgangers de kerk te Oosterreide door vier generaties van vader op zoon zonder pauselijke dispensatie en met heimelijk gedogen van de bisschop van Münster en zijn officialen overgedragen wordt. Bovendien heeft degene die zich nu voor legitieme pastoor uitgeeft, een gehuwde leek, twee parochiekerken onder zich, een in Leer ('Lhare') waarin hij ook het ambt van aartsdiaken uitoefent, de andere te Oosterreide waarin hij voor de waarneming van de geestelijke plichten ongeschikte leken heeft aangesteld die zij onder ontering van de overleden competente bisschop Gerhard van Munster in bezit genomen hebben. Verder hebben zij, om hun eigen schulden te delgen, kerkengoederen verpand. Wanneer niet spoedig de kerk te Oosterreide hulp geboden wordt, zal haar spoedig alle landbezit ontvreemd zijn. Daarom verzoeken de klagers de proost van Werden aan wie het patronaatsrecht over de kerk te Oosterreide toekomt, de waardige priester Haro, brenger van het schrijven aan de proost, aan bisschop Everhard van Münster als pastoor te Oosterreide te presenteren opdat de kerk in een meer waardige toestand terugkeert [1].

 

Stüwer ziet de stoot tot het verzoek in 1272-1277 in kloosterkringen waar verzet rijst tegen het door Münster getoleerde lekenbezit van kerken, dekenaten enzovoorts. Reeds in 1233 overweegt Werden het Friese bezit af te stoten, maar heeft daarvan toch afgezien. In 1282.83 (2 januari) verkoopt Werden aan de bisschop van Munster al zijn bezittingen in Drenthe en Friesland, dat wil zeggen de Ommelanden en Oostfriesland. Daaronder bevinden zich bona nostra in Asterreyde, in Winzum, in Gernewart etr in Federwart cum jure patronatus ecclesiarum[1].

 

De bisschop draagt op 29 mei 1284 de goederen te Holtgast en Winsum met het patronaat van de kerken aldaar over aan de Johannieter commanderij te Steinfurt. Mogelijk is dit ook geschied met de kerk te Oosterreide en is het patronaatsrecht daarvan later overgegaan op het Johannieter klooster te Oosterwierum. Stukken daarover zijn echter niet bekend. Een pastoor te Oosterreide wordt in de tweede helft van de veertiende eeuw commandeur van dit klooster [1]

 

 

 

Patroonheilige

Een patroonheilige van Oosterreide is niet bekend [1]

 

Pastorie  

1272/1277: Haro wordt tussen 1272 en 1277 door de parochianen voorgesteld als pastoor alhier. HStA Düsseldorf, Stift Werden, oorkonde nr. 65. Of hij het pastoraat heeft verkregen is niet bekend. 

vóór 1377: Uneco wordt 29 juli 1377 genoemd als commandeur van Oosterwierum met de vermelding quondam rector ecclesie in Astierreyde. OGD nr. 657.  

1441: Ocke komt als pastoor alhier voor 16 februari 1441. GA, GAG, R.F. 1441/6 [1].  

 

Vicarie  

 In 1501 wordt een vicarie vermeld. RC II, 12. De schattingenlijst van omstreeks 1500 Alma, 'Schattingen', 176. vermeldt geen aantal priesters alhier (maar doet dat ook niet onder Woldendorp) [1]

 

Jarfke

Ooster- en Westerreide worden ook genoemd in de Prophecye van Jarfke uit 1597. In dit fictieve verhaal vaart de hoofdpersoon met zijn schip van Termunten naar Oosterreide, want hij 'hadde daer veel van syn vrienden woonen'. Vandaar reist hij terug naar Termunten en vervolgens naar Muntendam en vandaar naar weer Westerreide:

 

'Daer stont een Clooster by daer waren 180 susters in. Doe was 't noch al land tusschen Reyde en Westerwolde en de Eems (lees: Reider Ee) was niet wijder tusschen Palmaer (en de overkant) als een man met een slinger konde oversmijten'.

 

Staande op de nooddijk Kaenghe bij Fiemel vertelt Jarfke over de beelden dat hij in de duistere diepte van het vaarwater heeft gezien: tot zijn nek heeft hij door het water moeten gaan. Zijn toehoorders verklaren hem voor gek.

 

'Doen heeft Jarfke geseyt: "dat sal noch komen, al dat nu Lant is, dat sal Water worden. [...] Als de Pape over komt van Zee, soo sult ghy wat wonders weten te seggen, dan sullen de dijcken verdistrueert worden. 't Water sal groote schaade doen, de lieden arm maken, en van jaer tot jaer quader worden, tot dat het al vernielt is." '

Zijn beschrijving schetst de bezetting door vreemde troepen na 1580 en de teloorgang van de dijken. Het land zal uiteindelijk ten onder gaan aan tweedracht en 'daer door sullen sij Janseme blincke verliesen'.

 

 

 

De teloorgang van Oosterreide

 

Ten tijde van de Grote Friese Oorlog laat de Oost-Friese krijgsheer Keno tom Brok op twee plaatsen in het Reiderland de sluisdeuren in brand steken. De precieze datering is niet bekend, maar het moet vóór mei 1413 zijn geweest, als de Groningers een militaire bezetting in Westerreide leggen. De enige verhalende bron uit die tijd, de kroniek van Johan van Lemego, stelt dat de hele streek hierdoor 'inriedich' is geworden, wat wil zeggen dat het water er met de getijden in- en uitstroomt. In 1427 maken de Oldambtsters plannen voor een nooddijk van Westerreijde up in der Wolden, en twee jaar zeggen ze hulp toe bij het maken van de Reyder dijcke. Maar het is tevergeefs; ook een nieuwe dijk van Reide naar Finsterwolde uit 1454 houdt slechts een jaar of twaalf stand.

 

Oosterreide is omstreeks 1475 nog een bloeiend dorp; de fantasierijke Dollardkaart tekent hier zelfs een korenmolen. Een kwarteeuw later staat het er al veel slechter voor. In 1500 is er minstens één geestelijke; in 1506 betaalt het dorp nog belasting, maar na de Cosmas- en Damianusvloed van 1509, gaat het snel bergafwaarts. Het klooster wordt omstreeks 1528 verplaatst naar Lucaswolde, in 1530 worden de gebouwen gesloopt, waarbij de bouwmaterialen worden gebruikt om de vesting van Delfzijl te versterken.

 

Omstreeks 1535 grazen nog hele kuddes schapen en jongvee op kwelders van de Jansumer blincke vlak ten noorden van het dorp. Niet veel later gaat dit eiland te gronde en moet ook de kerk zijn verdwenen. De borg van de Addinga's, een hoech heem, genoemd Addenheem, dient omstreeks 1580 als steengroeve, vanwaar een 'groote mennichte' van steen wordt weggebroken en (vermoedelijk per schip) afgevoerd. Ten zuidwesten van de Punt van Reide heeft nog rond 1820 de zandigee Reiderplaat (nu Heringsplaat), mogelijk een restant van een van deze eilanden gelegen. Volksverhalen spreken over de restanten van een kerk in de geul van het Kerkeriet.

 

 

 

Geretateerde artikelen:
Het verdwenen Dollarddorp Oosterreide (het artikel dat je nu leest)
Het verdwenen Dollarddorp Westerreide

Punt van Reide

 

 

 

Noten en bronnen:


1. Corpus Roemeling
2. O.S. Knottnerus, Lijst van verdronken Dollarddorpen Sicke Benninge Croniken der Vrescher Landen mijtten Zoeven Seelanden ende der stadt Groningen, ed. 2012, p. 41.
3. Wikipedia
4. G.A. Stratingh en G.A. Venema, De Dollard. Groningen 1855.

 

 


Deze pagina maakt deel uit van www.nazatendevries.nl.
Aan bovenstaande tekst is de uiterste zorgvuldigheid besteed. Desondanks kunnen er best fouten voorkomen.
Constateer je fouten en/of heb je vragen, correcties, aanvullingen...geef die dan even aan mij door via mijn E-mail adres.
Laat ook eens een bericht achter in het Gastenboek.
Hoogeveen, 3 augustus 2020.
Samenstelling: © Harm Hillinga
.
Menu Artikelen.
Terug naar de HomePage.
Top