Politiefoto's van IJje Wijksta.

 

 

Op verzoek van de reclassering ambtenaar schrijft IJje Wijkstra in april 1929 in de gevangenis zijn levens geschiedenis. De inhoud van deze brief lees je hier onder. Alleen de spelling is enigszins aangepast aan deze tijd, zoals bijvoorbeeld ‘zoo’ is veranderd in ‘zo’ en ‘mensch’ in ‘mens’. Het is echter niet de enige brief die IJje heeft geschreven.

 

‘Ik vind het niet gemakkelijk om aan Uw verzoek te voldoen wat betreft een beschrijving te geven van mijn leven. Ik kan mij natuurlijk lang niet alles meer herinneren, zodoende zal ik wel vele dingen voorbij moeten laten gaan, die misschien wel hele gevolgen voor mij hadden gehad.

 

Want ons leven is een aaneenschakeling van oorzaken en gevolgen, waaruit onze daden, hetzij groot of klein, goed of kwaad, noodwendig moeten voortvloeien, welke dan meteen weer een reeks oorzaken met zich meebrengen. Het leven van een mens is zo vreemd en ingewikkeld en wordt mijns inziens door zulke geheimzinnige motieven geleid, zodat men ten slotte genoodzaakt wordt in zichzelf het grootste raadsel te zien. Wat mijn eigen mening aangaat, zou ik hierover heel wat te vertellen hebben, maar het zegt voor een ander niets en daarbij, ik kan ook overal niet bij stilstaan, daarvoor is de tijd die mij gesteld is te kort.

 Ik moet dus proberen in zo weinig mogelijk woorden het voornaamste uit mijn verleden zo duidelijk mogelijk voor te stellen waaruit men een gevolgtrekking kan opmaken en ten slotte een beeld voor ogen krijgt, hoe of het mogelijk is, dat zo een vreselijk drama, welke ik begaan heb en die zo tegen de menselijke natuur indruist en zoals ieder wel begrijpt, de armzalige toestand, waarin ik mij thans bevindt er het noodlottig gevolg van moest worden, toch mogelijk geweest is, hoewel ik de eerste tijd na het plegen der feiten slechts vaag en objectief leefde want mijn gevoel was tijdelijk verdoofd vanwege de vele emoties, kwam in de eenzaamheid van mijn cel vooral 's nachts, langzamerhand de reactie, waardoor een berg van wroeging en berouw voor mij oprees en ik mijn eigen toestand duidelijk bewust werd, zodoende werd ik gedwongen om diep tot in het oneindige over alles te denken, wat mij vreselijk inspanning veroorzaakte en veel moeite heeft gekost, zo zelfs dat het mij duizelde en ik soms dacht plotseling geheel krankzinnig te worden.

Ik prakkiseer hier altijd want ik kan nergens met mijn gedachten heen. Bovendien heb ik zulk geestdodend werk met papiervouwen zodat de gedachten steeds doorwoekeren. Toch ben ik onder dit alles nog staande gebleven, tenminste als ik het zo mag noemen want mijn inwendige subjectieve zielstoestand is meer dan verschrikkelijk.

 

Ik kom hier straks nog nader op terug. Maar objectief ben ik geheel normaal. Ik geloof zelfs meer dan normaal en zodoende is het mij mogelijk geweest en heb ik naar mijn mening de juiste draad gevonden langs welke het mogelijk is van mijn vroegste jeugd af tot aan mijn hedendaagse toestand het raadsel van mijn wezen en van mijn gedrag op te lossen. Ofschoon de geest zeer veel heeft te lijden van deze gevoelskwestie. Hoewel ik nog maar slechts 33 jaar oud ben, ik word de 4 juli 34 jaar, toch heb ik al reeds een veelbewogen leven achter mij vol smart en bittere ondervinding, welke mij tot heden als demonen achtervolgd hebben.

 

Ik ben nooit gelukkig geweest, behalve dan die weinig onschuldige kinderjaren, hoewel dit voor mij ook van zeer korte duur is geweest. Wij waren met ons vijven van broers en zusters. Er zijn zeven geweest, maar twee zijn op jeugdige leeftijd gestorven. Nu was Dirk de oudste, dan volgde Hendrik dan Roelfke en dan Aaltje en eindelijk ik. Ik was de jongste zoals gezegd en daarbij naar mijn vader genoemd, zodoende kon ik het dan ook niet bederven.

 

 Ik kreeg in alles mijn zin. Toch heb ik lang geen weelde gekend want wij leefden in armoedige omstandigheden, hoewel het ergste toen al voorbij was. Het is zo jammer dat de tijd mij dringt anders zou ik veel uitvoeriger alles beschrijven. Ik had een zachte gevoelige natuur en was buitengewoon verstandig. Moeder heeft mij later vaak verteld dat zij reeds enige dagen na mijn geboorte vreemde dingen in mij bespeurd had, geheel verschillend met mijn andere broers en zusters, maar zij wist niet hoe of wat en zij kon er geen naam voor vinden.

 

Helaas dit zou later op mijn menig droevige manier bewaarheid worden, moeder werkte in die tijd veel op het land, bij ons zelf maar ook veel voor een ander, bijvoorbeeld schoffelen en wieden en hooien. Ik was dan als kleine jongen van 4 a 5 jaar altijd bij haar.

Hoe vermaakte ik mij op een eigen manier. Ik verveelde mij nooit en ik merkte toen reeds vele dingen op wat betreft het leven en de kleuren van vogels en bloemen en insecten. Andere kinderen van mijn leeftijd zouden daar nooit aan denken. Ik kan mij nog veel uit deze jaren herinneren. Ook stelde ik mijn ouders toen al menige vraag naar het hoe en waarom van de dingen om ons heen.

Moeder vertelde mij dat het allemaal Gods werk was en als ik later groot was zou ik alles veel beter begrijpen, maar als ik dan maar steeds verder vroeg, want ik was niet zo gauw bevredigd, dan ging moeder even bij mij zitten en dan vertelde zij mij van de goede God en de Engelen met vleugelen, waarbij ik dan een en al gehoor was. Moeder, riep ik dan, wanneer gaan wij eens naar de hemel. Want ik wil alles zien, ook hoe die engelen vliegen net zoals onze duiven. In die tijd kan een kind zulke wonderlijke vragen doen.

Stil nu kind zei mijn moeder dan, ik moet weer aan het werk want je scheidt nooit uit met vragen. Ik zal je er later wel meer van vertellen en wij gaan ook eens naar de Hemel toe, daar zullen we dan altijd wonen. Wat was ik dan gelukkig met die onschuldige kinderdromen, en nu terwijl ik dit alles neerschrijf en aan mijn moeder terugdenk, ligt mijn zakdoek naast mij, want tranen verduisteren mijn ogen. Ik stik bijna van ontroering want ach, hoe wreed zou dit alles later verscheurd worden. Als men soms alles vooraf wist, zou men wensen nooit geboren te zijn, tenminste ik....

 

Toen brak mijn schooltijd aan en de eerste schaduw viel op mijn jonge leven. 0, wat staat mij alles nog voor de geest, die eerste morgen, toen ik met mijn zuster Aaltje voor het eerst naar school moest. Moeder bracht ons halfweg de Rottelaan. Zij had mij het hele eind gedragen en toen zij mij neerzette, toen volgde er een hartroerend afscheid. Ik snikte het uit en was niet in staat mijn weg in tegenovergestelde richting te vervolgen.

 

De afgebrande woning van IJje Wijkstra.

 

 

Het is jammer dat ik niet alles tot in kleinigheden kan vermelden. Dat laat mij de gestelde tijd niet toe. Het schoolgaan beviel mij niet heel best. Ik had een vreselijk heimwee naar huis. De dagen vielen mij wel een week lang en ik gevoelde mij op de schoolbank precies zoals ik mij nu voel. Ik ben altijd in het vrije veld opgegroeid en heb altijd op dezelfde plaats gewoond. En als ik dan 's avonds de school uit kwam, dan was ik de eerste de weg uit, met de klompen in de hand holde ik voort of het nat of droog was, daar stoorde ik mij niet aan.

 

Ik wilde zo hard ik kon naar huis. Aaltje bleef drie avonds in de week op de breischool. Moeder stond mij dan op te wachten en o welk een weerzien na slechts een dag scheiden. Ach, wie zou toen hebben gedacht, dat ik voor mijn lieve moeder zulk een bron van leed zou worden en toch is het zo dat straks wel zal blijken. Ik was bij de school meest alleen want ik voelde mij niet veel tot de andere kinderen aangetrokken. Ik vond ze ruw en wreed en het lijkt nu wel vreemd, maar vaak heb ik een stekelvarken of een kikvors of meikever voor hun ruwe natuur in veiligheid gebracht want het is eigenaardig, maar ik vond dat je een insect of zoiets niet mocht doden. Ik had zoals gezegd, een wonderlijk gemoed.

 

 Ik was meer medelijdend dan de anderen. Mijn liefde voor iets ging veel dieper, maar als mij drift ontstak over het een of ander dan was dat gevoel ook veel sterker dan bij de anderen bij mij aanwezig. Deze gevoelens zouden mij later parten spelen en wel op een zonderlinge manier. Het medelijden met Aaltje (de vrouw van Wobbes) is een belangrijke factor geweest. Ik ben zes jaar naar school geweest en ben tot de vijfde klas gekomen. Ik ben veel thuis gebleven uit mijzelf, maar ook vanwege het weer want wij moesten drie kwartier lopen. Ook ben ik vaak onderweg gebleven, wel alleen maar ook met de gebroeders Van Dijk, waarvan de een nu als getuige in mijn zaak zal worden gehoord.

 

Wie had dat toen kunnen denken? Mijn rekenen en schrijven ging niet bijzonder best in school, maar mijn lezen ging zoveel beter. Dat kwam omdat dat beter in mijn smaak viel. En als het vrijdagmiddag was, dan vertelde meester Tamsma ons een sprookje. Ja, ik hield het toen voor waarheid, daar hield ik reusachtig van en die oude meester kon het zo mooi vertellen van Klein Duimpje, Roodkapje en Dik Trom en meer van die verhalen. 0, het was toch zo'n goede man die meester Tamsma. Hij is nu gepensioneerd en woont hier in Groningen. Ik wens hem nog veel gelukkige jaren toe. De verhouding tussen mijn ouders was verre van gelukkig.

Vader was hervormd en moeder gereformeerd en hierover ontstond de onenigheid welke vaak zo hoog opliep, dat het vaak tot handtastelijkheden kwam want vader was een onverstandig man. Maar moeder was de liefheid en goedheid zelve. Later, toen ik groter werd, heb ik haar vaak voor de ruwe behandeling van vader bewaard. Ik vind sommige dingen opmerkelijk, vader dreigde haar op een morgen te zullen doden en diezelfde dag verlamde zijn arm door een ongeval. Ik ben in de hervormde kerk gedoopt, maar ik ging nooit naar de kerk toe behalve op kerstdag of op een oudejaarsavond. Moeder wilde mij zondags mee naar de kerk hebben, maar vader wilde het niet, tenminste niet naar de kerk van de finen zoals hij zei. Laat de jongen dat zelf maar uitmaken, zei hij. Wij bidden en lazen ook wel eens bij het eten, maar dat ging niet geregeld want ook dat ging vader zoveel mogelijk tegen.

Ik heb ook nog een tijdje op de zondagschool gezeten, vreemd al hoe goed vader ook tegen mij was, ging mijn sympathie geheel over moeders kant. Als het soms gebeurde dat ik alleen met moeder thuis was, dan had zij geen rust of duur, want dan moest zij mij vertellen, zo lang drong ik aan. En dan vertelde moeder over van Genoveva.

 

Dat lieve sprookje heeft zij mij wel honderd maal verteld en dan leerde zij mij een morgen- en een avondgebedje, waarbij zij mij dan vermaande, dat altijd op te zeggen, ook als er een tijd kwam dat zij er niet meer was. Helaas, hoe is door verschrikkelijke invloeden van twijfel in mijn hart gekomen en heeft mijn eenvoudig kinderlijk geloof vernietigd.

 

Wie zou toen hebben gedacht dat ik vijfentwintig jaar later als hulpeloze gevangene, in een hoek mijner cel in vertwijfeling zou neerknielen roepende tot God, welke ik in mijn leeftijd van achttien tot dertig jaar zo vervloekt heb en bespot. Het lezen van allerlei duistere lectuur heeft hoofdzakelijk mijn geloof ondermijnd, en nu smeek ik dezelfde God om behoudenis en vraag ik ootmoedig om teruggave van mijn kinderlijk geloof, hetwelk mijn moeder mij geleerd heeft. 0 hoe moeilijk valt het mij dit te schrijven. Het brengt mijn gehele gemoed in opschudding, maar ik moet voortmaken, want ik ben nog maar aan het begin en er is nog zoveel.

Ik ging in die jaren met vader naar de Marumer markt en naar Surhuisterveen en dat waren voor grote feestdagen. Ik zag dan allerlei vreemde dingen, welke ik niet kon verklaren en dat had juist de meeste aantrekkingskracht voor mij want hoe vreemd, het mystieke en geheimzinnige heeft mij altijd onweerstaanbaar aangetrokken. Als ik met vader winteravonden te avond praten gingen, wat nogal vaak gebeurde, dan ging ik het liefst naar oude mensen.

 

En als wij dan om het haardvuur zaten, dan had ik het liefst dat ze hele avond over spoken praten. Ik werd hierdoor verbazend bang, vooral in het donker en dat is mij altijd bij gebleven en is zelfs na het lezen van die vreselijke boeken van Flammarion nog veel erger geworden. Ik geloofde onvoorwaardelijk in spoken en bovenaardse dingen. Al die soort dingen werkten ontzettend op mijn gemoed.

Toen ik van school kwam heb ik het voegen en metselen geleerd. Eerst bij mijn broers want vader was toen al haast 70 jaar en ging niet veel meer uit. Wat ik leren wou, had ik al heel gauw onder het verstand. Het voegen en metselen is mij altijd goed bevallen, hoewel ik ook wel eens iets anders heb geprobeerd.

 

 

Tekst op de gedenksteen aan de Poelmalaan. Bron: Wikipedia Commons.

 

 

Dit kwam ook omdat er altijd lang geen metsel en voegwerk was. Toen mijn broers eens aan een nieuw huis bouwden aan de Friese dijk - dat was het tweede huis dat ik voegde - toen gebeurde het eens op een nacht. Ik en Dirk sliepen in dat nieuwe huis op zolder in een hoop stro, want er woonde toen nog niemand in. Ik had toen nog geen fiets en daarom bleven ik en Dirk daar met ons beiden. Ik heb toen verschijnselen waargenomen, welke ik tot op deze dag nog steeds voor onnatuurlijk houd. Ik maakte Dirk wakker en die heeft het toen ook gehoord. Dit zal mijn broer Dirk nog wel weten. Wij hoorden toen duidelijk verschillende geluiden in dat huis en het kan niet anders of het moeten spoken zijn geweest. Toen ik een jaar of zestien/zeventien was, zette ik het voegen en metselen helemaal zelfstandig door.

 

Ik kwam toen bij H. Scheffer te Doezum. Daar heb ik veel huizen voor gevoegd. Tot zover was ook altijd mijn kinderlijk gevoel voor onschuld gebleven. Ook geloofde ik toen nog grondig vast zoals moeder, maar nu zou helaas spoedig de afbraak beginnen. Er werd onder timmerlieden in die tijd veel sterke drank gedronken, vooral bij Scheffer. Deze man is hierdoor ook failliet gegaan. Het was anders een goeie kerel. Het spreekt vanzelf dat ik ook mijn part er aan deed, want ze zeiden zoiets eerst een man uitmaakte. En ieder wil in die jaren graag groot wezen. En op dat gebied was ik net als ieder ander. Bovendien bracht het mij in enige tijd in verrukkelijke geestvervoering en dit was mij dubbel aangenaam omdat ik van jongsafaan altijd in een pessimistische stemming had verkeerd.

In die tijd ben ik eens voor dronkenschap opgebracht. Het is vreemd, maar ook onder de invloed van alcohol was ik steeds zachtaardig van aard. Ik heb dan voor dit droeve geval nooit in een vechtpartij of zoiets gezeten. Helaas hoe treurig werkt de alcohol. Het werkt op onze hersenen en ruggenmerg. Ik zou dat spoedig genoeg ondervinden. Ik rookte in die tijd veel en las vele boeken, meest romans maar langzamerhand begon ik met zwaardere lectuur.

 

Ik bevond mij nu voor goed op het hellende vlak. En het kwaad dat ik mij op verschillende manier zelf toebracht, kwam op onverbiddelijke manier op mijzelf terugvallen. Dit is een vaste wet, maar dat wist ik toen nog niet. Onbewust bracht ik mijzelf in die vreeslijke toestand die eigenlijk niet te beschrijven is, namelijk zenuwziekte. Ik had daar toen nog geen idee van wat dat eigenlijk zeggen wilde. Helaas thans weet ik het maar al te goed. In die tijd begonnen er verschillende symptomen bij mij voor te doen. Ik werd bij de dag ongelukkiger.

 

Ik kon niet meer slapen en als ik soms even insluimerde dan werd ik met een schrik wakker want ik werd onmiddellijk gekweld door akelige dromen. Ik werd duizelig en leed aan hevige hoofdpijnen. Ik zag hol en angstig uit mijn ogen en ik kreeg hartkloppingen. Ik was helemaal opgejaagd en ontstak spoedig in een hevige drift. Ik had het erg in de rug en de benen. Ik kreeg vrees voor de mensen. Ik was neerslachtig en moedeloos. Daarbij kwam nog een vrees voor het ongeziene. Ik meende namelijk nooit alleen te zijn. Ik meende altijd dat er iets was dat naar mij zag, en dat ik niet kon zien. Dit denkbeeld vervolgde mij zodat ik het soms wel wilde uitschreeuwen.

Een ieder begrijpt dat ik in deze toestand niet meer in staat was om mijn werk te verrichtten. Dat mijn moeder onder dit alles leed, laat zich begrijpen want in mijn prikkelbare toestand kon ik haar geen goed antwoord geven. Maar voor de buitenwereld hield ik alles zoveel mogelijk geheim. Mijn moeder en ik woonden toen al lang tezamen. Vader was in 1916 overleden. Mijn broer Hendrik was getrouwd. Dirk ging bij vreemden in de kost. Roelfke was ook getrouwd en Aaltje diende bij de boer.

 

Op zeker dag in de herfst van 1918 ging ik eens naar Groningen om in mijn toestand te voorzien. Waar ik heen wilde wist ik toen nog niet, maar toen ik toevallig door de Oosterstraat liep, trof mij een uithangbord met het opschrift: Dr. Jager, arts, speciaal voor zenuwen en zielsziekten. Ik ging naar binnen en besloot de dokter te raadplegen. Dr. Jager leeft nog en kan dus mijn bewering staven.

Alles in dit schrijven kan men immers onderzoeken als men ten minste twijfelt aan de waarheid. Hij ondervroeg en onderzocht mij en ik lag hem alles uit. Ik heb ongeveer een half jaar met hem gemeesterd. Hij gaf mij medicijnen en de raad hoe ik mijn leven moest inrichten.

 

 Ik werd na enige tijd werkelijk iets beter, maar ik ben het nooit te boven gekomen, integendeel er heeft zich langzamerhand in mijn gemoed, of laat mij liever zeggen in mijn onderbewustzijn een proces afgespeeld, zo vreemd en zo verschrikkelijk, zodat het haast niet te geloven is. Er heerst namelijk tweespalt in mijn persoonlijkheid. Ik zal dit straks nog nader verklaren.

 

Ik moest naar een inrichting geweest zijn, had ik mij bijtijds de kennis gehad welke ik nu heb, dan had ik deze kloof kunnen keren. Ik heb dat alles meer dan smartelijk bij mij zelf ondervonden. Zoals gezegd, werd mijn toestand wel iets beter. Ik gebruikte helemaal geen alcohol meer. Dat is wel eigenaardig, dat kon ik heel goed laten. Dat komt omdat dit kwaad nog door de wil bepaald en beheerst werd, met andere woorden mijn zelfbeheersing woog nog op tegen dit kwaad.  

 

Ik was er nog niet bang voor, zodoende was ik in staat het te onderdrukken want als wij bang voor het kwaad worden dan trekt het ons juist met magische kracht aan en wat meer als wij er ons tegen verzetten en met alle geweld trachten het goede te doen.

Met even zoveel kracht zal het kwade uit tegenovergestelde richting op ons inwerken, zo erg zelfs, dat wij in plaats van het goede te doen wat wij willen, juist het kwaad moet uitvoeren, wat wij niet willen. Dat is net zoals Paulus zegt en wat die heeft gezegd dat is waar. Zo kan de mens tenslotte aan al zijn pogingen twijfelen en een volslagen beeld der wanhoop worden. Deze ongelukkige toestand is mij aanwezig en wordt door vrees teweeg gebracht. Dit is geen objectieve maar een zuivere subjectieve toestand, wat natuurlijk wil zeggen een zuivere gevoelstoestand. Dit kan gepaard gaan, wat ook mij zelf het geval is, met een zeer scherp verstand.

 

Ik zal trachten dit met een paar voorbeelden toe te lichten. Als iemand bijvoorbeeld vrees bij zich heeft voor het vallen bij het beklimmen van een hoogte, dan zijn er tien kansen tegen een dat deze persoon juist zijn handen los laat, zodoende wordt datgene wat hij beslist niet wilde, juist zijn deel. Of b.v. als een student voor zijn examen staat dan mag hij zijn onderwerp nog zo goed meester zijn, als er een vrees voor mislukking uit zijn subjectieve gebied komt opdagen, hetwelk sterker is dan zijn wil, dan word dit zeer zeker de oorzaak van zijn mislukking.

 

Dit zijn twee onverzoenlijke vijanden in ons wezen waarvan vroeg of laat een van de beiden de baas wordt. Helaas bij mij heeft de vrees de overhand gekregen. Toen ik door ernstige studie over deze onderwerpen en pijnlijke ervaring tot de conclusie kwam, toen had het monster reeds grote afmetingen in mijn ziel aangenomen.

 

Deze vrees bewerkte steeds mijn eigen ongeluk. Nu kan de mens vrees hebben voor sommige dingen zodat daarvan al het bittere zijn doel word, maar anderzijds kunnen dingen aanwezig zijn waarover hij zijn macht gevoelt. Op sommige gebied kan de wil nog baas zijn zodat hij hierover naar willekeur kan handelen. Zo is het ook met mij het geval. Mijn wil is zwak maar niet verlamd en oprichting met de nodige hulpmiddelen was misschien zeer goed mogelijk geweest.

 

Dit zie ik nu beter in als dat ik tot dusver gedaan heb. Er is nog zoveel waar ik geen woorden voor kan vinden en ik heb ook geen tijd, maar het is nu te laat, want waar ik nu ben is alles juist moordend voor mijn teergevoelig gestel. Ik ben dan ook al in deze tijd van voorarrest en bange onzekerheid veel minder geworden en ik vrees het ergste van alles, en toch tracht ik mijn lot zo mogelijk te dragen en klem ik mij met de moed der wanhoop vast aan mijn gebed tot God, denkende aan mijn lieve moeder die mij bijna nooit uit de gedachten is.

 

Misschien kan dit mij staande houden. Ach, hoe had alles anders kunnen zijn, want ondanks mijn zenuwlijden en al het andere wat ik van mijzelf heb vermeld, behoefde ik hier niet te zitten, want niemand had ooit last van mij, noch de politie, noch iemand anders. Ik kon met iedereen goed overweg en ik heb menig onbewuste jongen voor dwaasheden gewaarschuwd, alsook voor de zonden waarvoor ik zelf zo zwaar heb moeten boeten, en dit was allemaal zo gebleven en ik was hier nimmer afgekomen als God mij niet in de arm had gevoerd der vreemde vrouw zoals Salomo zegt, waarmede men zijn ondergang tegemoet gaat. Had Aaltje mijn pad niet gekruist, dan was het heel anders gegaan, want deze duivelin heeft mijn leven vernietigd. Maar ik ben mij zelf met mijn schrijven vooruit gelopen en ik zal dus de draad waar ik ben vooruitlopen, weer opvatten. Ik hoop hier straks nader op terug te komen.

Toen ik dan in 1918 door dr. Jager weer wat was opgeknapt, toen kon ik mijn werk al was het met moeite, weer verrichten. Ik leefde zo goed mogelijk naar zijn raad. Ik wist toen nog zo goed als niets van het ziele leven van een men en dus was ik niet in staat om dit geweldige en nog zo weinig bekende terrein naar waarheid te beoordelen. Ik las nog veel en het eerste boek over deze onderwerpen was getiteld: Het seksuele vraagstuk van een jongeman voor zijn huwelijk, door dr. Kropveld, arts te Amsterdam. Op de omslag van dit boek stond nog een volgende boek van een Franse dokter getiteld: De invloed van de wil. Ik besloot ook dit boek terstond aan te schaffen. Toen ik deze boeken gelezen had, besloot ik mijn verkeerde neiging tegen te gaan.

 

0, wat heb ik vreselijk wat ondervonden, met zelfmoordplannen heb ik rond gelopen. Ach, hoe weinig bevatten deze regels nog van hetgeen er in mijn binnenste is voorgevallen. Hoe kan een mens dit alles verdragen zonder geheel vernietigd te worden, maar wat zal de toekomst mij nog brengen. Ik heb ontzaglijk veel boeken gelezen van Flammarion. Die boeken waren getiteld: Voor den dood, In het stervensuur en Na den dood. En het lezen van die boeken is voor mij altijd veel te inspannend geweest.

 

Mijn vrees bij nacht werd er door vermeerderd en vooral nu wat er voorgevallen is. Ook heb ik boeken over vrijmetselarij en vrijdenkerij gelezen. Hoewel ik het in veel opzicht met die dingen niet eens was, heeft het toch mijn grootste aandacht getrokken, daar het de meer zichtbare wereld betrof en ik van kinds af steeds het ongeziene en geheimzinnige wilde beleven en nader ik toen reeds zulke vreemde dingen had beleefd, zodoende heb ik op dat punt nooit veel vuur gevat. Ik ben dan ook nooit lid geweest van enige partij en ik ben tweemaal op een meeting geweest.

 

Eenmaal in Drachten en eenmaal in Groningen. Dat was op 1 mei dag. Tenslotte liet ik deze zaak helemaal rusten. Het vrijdenken trok echter meer mijn belangstelling. Dit heb ik enige tijd aangehangen en juist daarmee heb ik mijn lieve moeder onnoemelijk veel leed berokkend.

 

Toch heb ik ook dat weer verworpen. De vele partijen in de wereld brachten mij helemaal van streek. Ik ging mij ten slotte nergens meer aan storen. Het is geen wonder dat mijn zenuwen helemaal verwoest zijn. Ik heb er te veel van gevergd totdat ik hier onder de drukking van mijn tegenwoordige toestand weer in de Bijbel begonnen ben te lezen. Ik vind mijzelf goed uitgebeeld in de spreuken van Salomo en op veel meer plaatsen in de Bijbel.

 

Hoewel vele dingen mij vreemd toeschijnen, toch hoop ik dat ik mijn kinderlijk geloof er weer in terug mag vinden. Van jongsafaan heb ik altijd vuurwapens gehad. Dit kwam door mijn vader, die was altijd jager geweest en die kon daar zo van vertellen zodat ook bij mij die hartstocht werd opgewekt.

 

Ach, was mijn opvoeding maar anders geweest, dan was ik er misschien nooit mee in aanraking gekomen. Moeder was er erg op tegen. Zij zei dat er nog eens grote ongelukken uit zouden voortkomen. Ik geloofde dat zij bedoelde dat ik er zelf nog eens ongelukken mee zou krijgen, maar misschien heeft zij er ook wel een voorgevoel van gehad. 0, had ik maar naar haar geluisterd. Thans walgt mij alles wat niet met haar inzichten strookte, want dat is mij juist allemaal noodlottig geworden.

Ongeveer drie jaar geleden liep ik eens op een zondagmorgen met een buks bij de sloten langs om op snoeken te schieten, die men zo in het water ziet staan. Dat deed ik heel veel, want dat kan heel best. Ik trof toen toevallig Wobbes die met mij begon te praten. Hij vroeg mij of ik eens bij hem kwam praten.

 

 Hij had ook een spreekmachine gekocht en ik hield van muziek, zodoende beloofde ik hem dat. Ik ben er toen geweest en het waren heel aardige mensen en ik moest gouw weer komen. Ik ging er toen elke week een avond heen. Ik had een chromatische harmonica waar ik ook wel eens publiek met speelde. Ik kon de verschillende liedjes goed op de harmonica spelen. En ik speelde bij voorkeur liedjes met droevige melodieën.

 

Dit had soms een machtige invloed op mij, dat mij de tranen in de ogen sprongen. En als ik hier nu zondagsmorgens het orgel hoor dan gaat het mij door alles heen. Ik heb zelf ook een orgel gehad en daar ongeveer een half jaar op les gehad bij de Christelijke onderwijzer Danhof te Oldekerk.

 

Mijn kennismaking met Wobbes is zo gebleven totdat ik op een morgen hoorde dat Wobbes was opgepakt. Toen bleef ik weg, want van een verhouding met de vrouw van Wobbes was toen nog geen sprake. Wobbes was zo wat drie weken weg toen ik eens bij haar thuis langs kwam. Ik zou doorrijden maar zij klopte aan 't glas.

 

Toen stapte ik van de fiets af. Zij kwam naar buiten en zij wilde mij mee in huis hebben om te koffiedrinken, nu dat deed ik toen. Zij zei, waarom kom je niet meer praten. Ik zei, dat ik dat niet wilde omdat haar man vort was en dan hebben de mensen zoveel te praten. Stoor jij je aan de mensen? vroeg zij mij. Ik zei, nee dat is ook zo. Ik kan daarom nog wel eens komen.

 

Ik ging er echter niet heen en toen kwam zij na enige dagen bij ons. Ik was in het hok aan het klompen maken, maar moeder was in de kamer. Toen vroeg zij moeder of ik thuis was. Ja, zei moeder hij zal achter wezen. Toen kwam zij bij mij en zei: je bent er niet geweest. Ik zei, neen, dat is ook zo. Wanneer kom je nu, vroeg ze. Wij moesten het maar stellen want anders gaat het toch weer over en al is mijn man vort, wij draaien de grammofoon even zo goed.

 

Wij hebben het toen gesteld en ik ging ook naar haar toe. Er is toen echter niets voorgevallen. Het viel mij wel op dat het haar helemaal niet speet dat haar man weg was. Zij heeft die avond genoeg aanleiding gegeven, dat kan ik nu wel nagaan. Maar toen merkte ik dat niet zo goed. Toen ik later weer bij haar kwam, speelde zij met allerlei praatjes op toenadering, maar ik ging er niet op in, want ik deed nooit aan vrouwen. Ik heb er ook nooit aan gedaan. Toen ik op een avond weer bij haar was en later op de avond naar huis wilde, bracht zij mij aan de deur toe en toen ik haar wilde begroeten, sloeg zij plotseling de armen om mijn hals en vroeg ze mij of ik bij haar wilde slapen.

 

Ik ben toen bij haar gebleven en wij sliepen bij elkaar in de bedstede. Ik ben toen ongeveer veertien dagen en nachten bij haar gebleven en wat er toen allemaal gebeurd is, wil ik maar niet schrijven. Toen ben ik naar huis gegaan en ik nam mij voor er niet weer heen te gaan. Na enige dagen kwam zij weer bij ons. Ik was toen weer in het hok aan het klompen maken. Toen kwam zij bij mij in het hok en ging zij naast mij op het klomphok zitten. plotseling sloeg zij mij de armen om de hals en begon met mij te vrijen. Thans walgt het mij nu ik deze zaak moet neerschrijven.

 

Mijn zwakke natuur kon aan de verleiding geen weerstand bieden en toen hebben wij samen in het hok in het hooi gelegen. Ik kan natuurlijk niet alle dingen en bijzonderheden opschrijven, maar het zij genoeg, zij heeft mij verleid. Ik mocht haar ook wel lijden, hoewel ik wist dat ik mij in een zaak wikkelde welke nooit goed zou komen, met het oog op haar man en kinderen. Het stuitte mij soms zoo tegen de borst, dat ik wanhopige pogingen deed om het net weer te verscheuren zodat ik het zelfs nog tweemaal uit maakte. Maar dan begon Aaltje te schreien en dreigde zij zich te zullen verdrinken. Dan kreeg mijn gevoel weer de overhand en liet ik mij weer door haar meeslepen. Moeder had nooit een goed oog op haar en zij heeft mij vaak gewaarschuwd, maar dan werd ik kwaad.

Ik zei dat Aaltje de goedheid zelve was en moeder moest haar maar beter kennen. Ach, hoe heeft mijn lieve moeder gelijk gehad. Ik vermoedde nu dat Aaltje in die tijd dat ik bij haar kwam ook nog verbintenis had met andere mannen. Daar heb ik wel eens op gezinspeeld als ik bij haar was maar zij ontkende het en was de onschuld zelve. Het zal ongeveer midden december 1928 zijn geweest, toen ik op zekere nacht om ongeveer twee uur thuis kwam, dat moeder nog wakker lag en tegen mij zei, je gelooft altijd aan voortekens, maar nu heeft hier vannacht om zowat 1 uur een hond verschrikkelijk liggen janken.

 

 Ik geloof dat hij bij de voordeur lag. 0, wat schoot mij toen de schrik aan. Ik zei tegen moeder, dat betekent ongeluk, misschien wel een sterfgeval in de familie. Moeder zei, dan zal ik het wel wezen want ik ben al oud. Er is een hond bij ons in de buurt die altijd als er een sterfgeval komt enige tijd tevoren voor dat huis zit te janken. Ik zei tegen moeder, ik wou dat u het mij nooit verteld had. Ik kon die nacht niet slapen zo bang was ik. Moeder was nooit bang. Zij had een vast vertrouwen op God. Als het waarheid is wat de Bijbel zegt en ik hoop het weer te geloven, ach hoe hoop ik dan dat zij de weg naar de Hemel heeft gevonden.

 

Moeder was de laatste tijd veel ziek. Zij kon het werk niet meer doen en toen werd besloten, dat zij naar mijn broer Hendrik zou gaan. Zij is daar ook gekomen, helaas slechts enkele weken, toen heeft zij het tijdelijke met het eeuwige verwisseld. Ik heb haar hart gebroken, is het niet vreselijk. Toen moeder weg was is Aaltje bij mij gekomen en bij mij gebleven. De diepe val die ik gemaakt heb is veroorzaakt door de verleiding van de vrouw, want zij is de oorzaak geweest van de omstandigheden waardoor de ramp is ontstaan. Maar de diepe oorzaak ligt bij mij zelf, want ik had deze vrouw moeten weerstaan, en dat kon ik juist niet door mijn zwakte en liederlijkheid. Zodoende ben ik een speelbal geworden van haar ijdelheid.

 

Zij moest volgens recht evengoed veroordeeld worden als ik want zij staat nauwer met de zaak in verband dan men vermoedt, maar nu geeft zij mij van alle oorzaken de schuld. Dat vernam ik toen ik op de recht zitting haar verklaring hoorde voorlezen, want dat was het tegenovergestelde van de waarheid. Zoals reeds gezegd, mijn gevoel is op alle gebied zeer oppermachtig en toen zij op de morgen van de 18e januari in grote angst zat omdat de politie haar wilde ophalen, toen kreeg ik groot medelijden met haar, ofschoon ik nu geloof dat er veel komedie bij was.

 

Zoals ik reeds schreef heb ik door bovenmenselijke inspanning van mijn denkvermogens de oorzaken, invloeden en motieven nagegaan, welke tot die verschrikkelijkheden van die noodlottige morgen van 18 januari hebben geleid. Het is zo moeilijk het onder woorden te brengen wat de daad zelf betreft. Men denke niet aan misleiding, want ik vraag een onderzoek van deskundigen naar mijn organen waaruit dit alles voortvloeit en verklaard kan worden. Alles in dit schrijven vermeldt betreft mijn ziele leven. Er is veel voorgevallen voordat het met de pliesi tot een botsing kwam.

 

Als de pliesi komt om Aaltje bij mij weg te halen, welt er een geweldige drift en woede in mij op, tegen de mannen die de vrouw, waarop ik meende recht te hebben van mij wilden afnemen. Dit was het kritieke moment, de wil die nog wanhopige poging doet om het overwicht te houden onder leiding van het verstand, maar moedeloos geworden door de jarenlange tegenstand op allerlei gebied, moet het tegen de tegenpartij, door de jarenlange overwinning moedig geworden, afleggen. Ook nu haalt die tegenpartij de overwinning en overschrijd den bewustzijnsdrempel en dan voltooit zich het treurspel. Het verstand en de wil worden nu zelfs gedwongen de vijand te hulp te komen. De boze demon in ons wezen is nu oppermachtig geworden, grijpt naar de wapenen en voltooit met grote zekerheid haar luguber werk.

 

Foto: Dit zijn de graven van de veldwachters Jan Werkman (links) en Herman Hoving (rechts) zoals deze te vinden zijn op de begraafplaats Esserveld te Groningen (2009). Bron: Wikipedia.

 

Na het voltooien van dat misdadig werk keert deze kwade macht naar haar duister gebied terug en herstelt zich de goede zijde van ons wezen en ziet nu de smartelijke nederlaag en de radeloze chaos, en beseft dan tegelijkertijd dat dit niet weer ongedaan kan worden gemaakt.

 

Ach, zo is het met mij gegaan, welk een vreselijke toestand bevind ik mij nu in. Wie geen kennis heeft van psychologie, die zal zich moeilijk mijn toestand kunnen voorstellen. Mijn verbazende kennis en geleerdheid zal hun allicht in de war brengen. Dit zegt echter niets want kennis is geen macht maar moet macht worden en juist deze kloof heb ik niet intijds kunnen overbruggen.

Hoe ging het den grote Duitse denker en schrijver Nietsche. Hij schreef nog zijn diepe ideeën en theorieën toen hij reeds lang waanzinnig bleek te zijn. Dit is hetzelfde als theorie en praktijk en daar ligt een diepe kloof tussen, want kennis en geleerdheid is slechts een product van de objectieven geest en ons objectief bewustzijn is slechts een schaduw van ons subjectief bewustzijn. Het verstand wordt daarbij overvleugeld door de gevoelens en als de wil dan niet sterk genoeg is om dit gebied te beheersen, wat bij mij helaas het geval is, dan worden ten slotte onze zenuwen vernietigd. Men moet dit niet verwarren met krankzinnigheid, al kan dit er misschien door ontstaan, want krankzinnigheid is een objectieve kwestie die in de grote hersenen zetelt.

 

De wilszwakte daarentegen is de kern van zenuwlijden en zetelt in de kleine hersenen en in het ruggenmerg. Mijn kennis en geleerdheid maakt mij het leven ondragelijk, vooral hier in de cel. Ach, hoe gaarne zou ik eens bekwame zenuwartsen willen raadplegen want ik ben van mening, dat als deze organen bij mij eens microscopisch onderzocht werden, dat zich hierin door de jarenlange spanningen kolossale storingen en afwijkingen bevinden. Op aanraden van mr. Levie, mijn verdediger, heb ik een verzoekschrift ingediend bij de rechtercommissaris, betreffende het onderzoek naar mijn geestelijke vermogens, maar hij vond er geen termen voor aanwezig en heeft het dus geweigerd. Ik schrijf deze weigering aan een persoonlijk vooroordeel toe, dat is mij ook in het verhoor van mijn zaak wel opgevallen. Ach, hoe weinig weet zijn edelachtbare van deze zaken af.

 

In de afwijzing van het verzoekschrift staat o.a. gebrek aan ontwikkeling, maar dat is niet op zijn plaats. Het moest eerder zijn, te veel en verkeerde ontwikkeling, maar dit heeft er ook niet veel mee te maken. Er valt nog zo veel te schrijven, maar ik kan er niet langer mee voortgaan, want mijn tijd is om. Ik meen een juiste beschrijving te hebben gegeven en ik hoop dat ieder weldenkend mens die dit schrijven onder ogen komt, zich een juist oordeel zal vormen. Je schrijft D dat je mij wel wat lectuur wou zenden maar dat wordt niet toegestaan, bovendien zelfs het lezen is mij hier een kwelling want wij weten ook daartoe is nodig de onbezorgde gezellige huiskamer nu … het verheugt mij dat jullie nog steeds vorderingen maken in de muziek, hou vol en dan word je vanzelf een kunstenaar in die schoonste kunst ook dit is voor mij verwoest, jullie zijt werelden boven mij verheven die sta …toe dat hij niet valt, daar ligt alles in opgesloten, de verzoeking der vrouw is de oorzaak van alle kwaad, een veld met rozen onder….. bladerende monsters der hel.’


De tekst van de brief is letterlijk overgenomen (red.)

 

Foto: Gedenksteen aan de Polmalaan (vroeger Rottelaan) tussen Korhorn en Doezum, waar het drama zich voltrok. Op het land achter de steen heeft de betreffende woning gestaan. Bron: Wikipedia.

 

 

 

Bron tekst:
RHC GA (Groninger Archieven), brief van IJje Wijkstra.

 

Deze pagina maakt deel uit van www.nazatendevries.nl.
Aan bovenstaande tekst is de uiterste zorgvuldigheid besteed. Desondanks kunnen er best fouten voorkomen.
Constateer je fouten en/of heb je vragen, correcties, aanvullingen...geef die dan even aan mij door via mijn E-mail adres.
Laat ook eens een bericht achter in het Gastenboek.
Hoogeveen, 2 augustus 2018.
Samenstelling: © Harm Hillinga
.
Menu Artikelen.
Terug naar de HomePage.
Top